← België

Arrest 262318 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/02/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 Rolnummer: A. 239020/IX-10246 Zaak: Arrest 262318 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-13 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-17 02:57 Fiche Arrest nr 262.318 van 11 februari 2025 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 no lien 281460 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 262.318 van 11 februari 2025 in de zaak A. 239.020/IX-10.246 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE BRASSCHAAT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 4 mei 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brasschaat van 27 maart 2023 waarbij verzoekster wordt ontslagen wegens een tekortkoming aan haar plichten. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. IX-10.246-1/32 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 april
  3. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Ten tijde van de bestreden beslissing is verzoekster middels een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur deeltijds aangesteld als zorgcoördinator in de gemeentelijke basisschool ‘De Heide’ te Brasschaat. 3.
  6. Op 30 januari 2023 ontvangt verzoekster van de directeur een ‘beoordeling met werkpunten’. Daarbij worden tien criteria bedacht met een score van 1 tot 5, die vervolgens met onder woorden gebrachte verantwoordingen worden toegelicht. Op 7 februari 2023 stelt verzoekster een beroep in tegen deze beoordeling. 3.
  7. Bij beslissing van 27 februari 2023 vernietigt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brasschaat de ‘beoordeling met werkpunten’ van verzoekster. IX-10.246-2/32 Overwogen wordt dat “[h]et doel van het gesprek met de directie op 30 januari 2023 was het aangaan van een informeel functioneringsgesprek met het oog op het verbeteren van het functioneren van het personeelslid voor er een definitieve beoordeling voor het verwerven van TADD- aanstelling wordt uitgesproken” en dat “[h]iervoor […] niet het juiste formulier [werd] gebruikt”. 3.
  8. In de loop van maart 2023 stelt de directie van de betrokken basisschool een “feitenverslag” op over verzoekster. Voor de periode van 2 februari 2023 tot 14 maart 2023 worden zestien “feiten” over haar gemeld. 3.
  9. Op 27 maart 2023 beslist het college van burgemeester en schepenen om “[d]e tewerkstelling van [verzoekster] als zorgcoördinator van bepaalde duur [te beëindigen] wegens een tekortkoming aan [haar] plichten”. Die beslissing steunt op de volgende motivering: “Uit het feitenverslag blijkt dat [verzoekster] de decretale plichten zoals vastgesteld niet nakomt:  de belangen van de leerlingen niet naar behoren behartigd: o dossiers van problematische afwezigheden worden niet opgevolgd, o de taak tot het voorzien van aangepast materiaal voor een leerling wordt niet opgenomen, o zorg(dossiers) van leerlingen blijken onvolledig en foutief of niet ingevuld te zijn. Tevens blijkt uit de mail van [SS] medewerker van Arcana, diagnostisch en therapeutisch begeleidingscentrum voor volwassenen en jongeren en kinderen dat ook door externen de moeizame samenwerking wordt vastgesteld met [verzoekster] als zorgcoördinator.” Dat is de bestreden beslissing. Aan verzoekster wordt een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen gegund, al wordt daaraan toegevoegd dat zij “niet [eraan] gehouden [zal] worden de opzeggingstermijn effectief uit te voeren”. IX-10.246-3/32 IV. De middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
  10. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 24 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (“rechtspositiedecreet”), van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. 4.
  11. Voor verzoekster is het duidelijk dat op grond van artikel 24, § 1, van het rechtspositiedecreet een ontslag van een tijdelijk personeelslid alleen mogelijk is bij “tekortkomingen aan haar plichten” en dat dit betekent dat het personeelslid “een vaststaande tuchtrechtelijke inbreuk heeft begaan”. Het “tuchtrechtelijk kader” en de plichten van het personeel van het gesubsidieerd onderwijs ligt volgens verzoekster voornamelijk vervat in artikel 11 van het rechtspositiedecreet. Verzoekster acht een dubbele controle noodzakelijk: “[e]nerzijds dient na te worden gegaan of er in casu sprake is van een tuchtrechtelijke inbreuk/tekortkoming in de plichten” en “[a]nderzijds dient te worden nagegaan of het ontslag deugdelijk gemotiveerd is en of het ontslag redelijk is (i.e. in verhouding tot de tenlasteleggingen)”. Verzoekster vindt in de bestreden beslissing “3 summiere en vage aantijgingen […] zonder enige verduidelijking” terug. De feiten worden niet in tijd en ruimte gesitueerd. In de bestreden beslissing moeten nochtans de concrete beweegredenen kunnen worden teruggevonden waarom de feiten voor bewezen worden gehouden en waarom het ontslag een “gerechtvaardigde beslissing is die in verhouding staat tot het weerhouden feit”. Daarvan is in dit geval “absoluut geen sprake”. Er is volgens verzoekster niet voldaan aan “de motiveringsplicht”. De “vermeende feiten” waarvan sprake in de ontslagbrief, zijn volgens verzoekster geen tuchtfeiten of tekortkomingen aan de plichten. Het zijn ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 IX-10.246-4/32 aspecten die “hoogstens” in verband te brengen zijn met het functioneren van verzoekster. Nergens wordt aangetoond dat deze feiten ook tuchtrechtelijke inbreuken zijn. Er wordt zelfs niet aangegeven op welke plicht of plichten de feiten een inbreuk zouden vormen. Verzoekster verwijst nog naar een website van de Vlaamse overheid waar volgens haar in verband met het Vlaams personeelsstatuut te lezen is dat tegen het “slecht functioneren” van een ambtenaar dat teruggaat op een falen van die ambtenaar, bij voorkeur wordt opgetreden door middel van een negatieve evaluatie. Is dat functioneren te wijten aan “manifeste onwil” van de ambtenaar, dan verdient het aanbeveling om met een tuchtsanctie op te treden. Van een manifeste onwil is in dit geval geen sprake, zo stelt verzoekster. Daarom is het ontslag “volstrekt ongegrond”. Het bestuur wil met dit ontslag alsnog de vernietigde evaluatie “op een oneigenlijke manier [doorduwen]”. De ontslagprocedure wordt zo afgewend van haar doel. 4.
  12. Volgens verzoekster zijn de “tenlasteleggingen” voorts “volledig onterecht”. Wat het eerste motief betreft – de dossiers van de problematische afwezigheden – stelt verzoekster dat zij “geen enkel idee heeft” wie deze leerlingen zouden zijn. Voor haar is het ook niet duidelijk wanneer die inbreuk zou hebben plaatsgevonden en welke richtlijn of instructie zij zou miskennen. Er was geen communicatie over een deadline waartegen de gegevens moesten zijn ingevuld. De problematische afwezigheden maken deel uit van het “Spijbelbeleid” van de school. Daarover is pas op 29 maart 2023 een definitieve versie gecommuniceerd. Verzoekster kan moeilijk iets worden verweten als daarvoor geen kader bestaat. Verzoekster wijst erop dat zij in ziekteverlof was in de periode van 13 januari tot 20 januari
  13. IX-10.246-5/32 Op 23 februari 2023 heeft de verificateur bewijsstukken opgevraagd voor drie leerlingen. Dat moest tegen 13 maart 2023 in orde zijn. Vervolgens overloopt verzoekster per leerling wat zij heeft ondernomen. Een eerste leerling was eind oktober 2022 naar Thailand vertrokken. Op 27 januari 2023 heeft verzoekster de ouders met een e-mail gecontacteerd voor overleg over de problematische afwezigheid en de “enorme leerachterstand” als gevolg daarvan. Die afwezigheden waren volgens verzoekster “minder urgent”: de leerling zou vanaf eind januari 2023 opnieuw naar school komen. Omdat de vader van de leerling het overleg met het CLB had bevestigd, werd de focus gelegd op de leerachterstand van het kind. Daarom vindt verzoekster het “niet dringend” om dit tegen de controle door de verificateur op 13 maart 2023 in orde te brengen. Minstens was er geen duidelijk instructie daartoe, zo besluit zij. Twee andere leerlingen – broers – moesten volgens verzoekster eind oktober 2022 uitgeschreven worden omdat hun moeder had verklaard terug te keren naar Oekraïne. De directeur weigerde de leerlingen uit te schrijven en gaf op vraag van verzoekster de instructie om te vermelden dat de moeder had verklaard dat ze “waarschijnlijk zouden terugkeren naar België”. Dat was nochtans niet aan verzoekster meegedeeld en was ook niet te lezen in een e-mail van de vorige directeur bij het vertrek van de leerlingen. Daarover moest verzoekster, zo geeft zij aan, bijgevolg nog navraag doen bij de klasleerkrachten. Dat heeft zij echter niet meer kunnen doen als gevolg van een ziekteverlof vanaf 2 maart
  14. Ook deze vermelding in Smartschool noemt verzoekster “niet prioritair”: het volstond om ze in orde te brengen tegen de controle op 13 maart
  15. Maar verzoekster werd ziek. Verzoekster wijst ook erop dat zij pas sinds “december 2022/januari 2023” in Smartschool de rubriek ‘problematische afwezigheden’ kan invullen. Voorgaande schooljaren werd daarvoor iOmniwize (Scoodle) gebruikt. Daarin werd dit niet apart genoteerd. Pas na het beoordelingsgesprek van 30 januari 2023 heeft verzoekster aangeleerd gekregen hoe zij een lijst uit ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 IX-10.246-6/32 Smartschool moet halen met een overzicht van de afwezigheden van de leerlingen. Pas toen werd vastgesteld dat verzoekster niet voor alles een “machtiging” had en werd dit aangepast. Sindsdien moet verzoekster maandelijks deze lijst bezorgen aan het CLB. Dat is gebeurd op 19 februari
  16. Over een vierde leerling heeft verzoekster naar eigen zeggen op 30 januari 2023 overleg gehad met het CLB. Zij krijgt dan het advies om de klasleerkracht eerst te bevragen en daarna de moeder van de leerling uit te nodigen voor een gesprek. De communicatie met de moeder verloopt heel stroef, stelt verzoekster. Zij is moeilijk te ontmoeten aan de schoolpoort en neemt ook haar telefoon niet op. Zij spreekt geen Nederlands. Ook het e-mailverkeer verloopt moeizaam. Uiteindelijk kan toch een afspraak worden gemaakt op 2 maart
  17. Vanaf die dag is verzoekster ziek. Met betrekking tot de vijfde leerling, tot slot, werd op 9 februari 2023 een overleg gehouden “want ook deze leerling had hierdoor [lees: door de problematische afwezigheden] een serieuze leerachterstand”. Daarover is Smartschool in orde gebracht. Verzoekster benadrukt nog dat zij op 30 januari 2023 overleg heeft gehad met het CLB over andere leerlingen. Voor drie leerlingen vindt verzoekster dat zij wel de nodige stappen heeft ondernomen, “alleen had ze niet de tijd meer om dit puur administratief nog volledig in Smartschool per kind onder de rubriek ‘Problematische afwezigheden’ te zetten”. Verzoekster stelt tevens dat zij “nog niet alles (tot in de details) in Smartschool bij ‘Problematische afwezigheden’ van alle 5 kinderen volledig [heeft] ingevuld omdat ze zelf nog bezig was met acties hiervoor te ondernemen zoals […] (klaslkr bevragen) en […] (overleg met mama)”. Verzoekster geeft nog aan te hebben gedacht “dit sowieso volledig in orde te maken tegen de due date van de verificateur (13.03.2023)”, maar zij was intussen met ziekteverlof. Het tweede motief – “[v]oor een leerling van L2 werd niet de nodige actie ondernomen om een Chromebook te voorzien van de software Sprint” – blinkt volgens verzoekster uit in vaagheid. Zij beschrijft uitgebreid IX-10.246-7/32 welke acties zij ondernomen heeft en vraagt zich vervolgens af wat haar nu precies ten laste wordt gelegd. Verzoekster zou ook nagelaten hebben de nodige (zorg)dossiers volledig en correct aan te vullen – het derde motief. Deze “tenlastelegging” vindt zij “volstrekt vaag en onbegrijpelijk”: “[o]ver welke dossier gaat het, wanneer zou dit hebben plaatsgevonden en wat zou er ontbreken of niet correct zijn?”. Alleszins waren er geen concrete afspraken met de directie en geen deadlines vooropgesteld. Verzoekster verklaart dat zij “zoveel mogelijk, maar ook zo efficiënt mogelijk” het leerlingvolgsysteem heeft geprobeerd aan te vullen. Zij stelt te hebben begrepen dat Scoodle raadpleegbaar zou zijn tot eind oktober
  18. De gegevens moesten overgezet worden naar Smartschool. “Wie dat zou doen, voor welke leerlingen, met of zonder bijlagen en tegen welke due date”, daarover werd volgens haar niets afgesproken. Er was geen plan van aanpak. In oktober 2022 heeft verzoekster “proactief en alweer op eigen initiatief” de gegevens uit Scoodle gehaald en bewaard, zij het per klas. Die gegevens heeft zij aan de klasleerkrachten bezorgd. Op 18 oktober 2022 vernam verzoekster naar eigen zeggen dat Scoodle tot eind juni 2023 beschikbaar zou blijven. Vervolgens is zij gestart met het inbrengen van de gegevens in Smartschool per kind, “na de schooluren”. Dit deed zij met het oog op de “zorgoudercontacten”. Verzoekster blijft “met allerlei vragen en bedenkingen omtrent haar ontslag zitten”. Zij heeft zich tegen haar beoordeling van 30 januari 2023 verweerd en heeft gevraagd om te worden gehoord. Op die vraag is de verwerende partij niet ingegaan. Zij heeft de beoordeling vernietigd, maar er is niet geantwoord op verzoeksters argumenten. Verzoekster wijst ook erop dat zij is ontslagen op het ogenblik dat zij met ziekteverlof was. Tijdens dat ziekteverlof werd verzoekster nochtans regelmatig gecontacteerd per telefoon en e-mail. Zij betoogt tevens dat haar de kans is ontnomen om zich terdege te kunnen verdedigen: zij heeft namelijk geen toegang tot Smartschool. Verzoekster wordt verweten bepaalde zaken niet te hebben gedaan, terwijl zij die wel heeft gedaan. De directeur wist dat de agenda van verzoekster “overvol” was, zo voert zij aan. Verzoekster had al aangegeven niet het maandelijkse ‘beleidsteamoverleg’ erbij te kunnen nemen – er is al een maandelijks ‘zorgteamoverleg’. Toch werd ze ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 IX-10.246-8/32 steevast uitgenodigd. De ‘voorbereiding zorgteamoverleg’ werd telkens voorzien op een tijdstip dat verzoekster niet werkte. Verzoekster moest naar eigen zeggen dan maar flexibel zijn en bereid zijn om toch te komen werken.
  19. In de memorie van wederantwoord blijft verzoekster erbij dat in de bestreden beslissing slechts wordt verwezen naar “4 leerlingen” zonder dat wordt aangegeven over wie het precies gaat. Zij heeft dan zelf “uitgezocht” wie het zou kunnen betreffen. Daarbij heeft zij vastgesteld dat het niet over vier, maar over vijf leerlingen gaat. Verzoekster herhaalt dat over de dossiers ‘problematische afwezigheden’ geen duidelijke afspraken bestonden. In een e-mail van 11 november 2022 is alleen sprake van kleuters, niet van leerlingen van de lagere school. Op 16 januari 2023 wordt zij door de directeur gevraagd om de dossiers op te maken in Smartschool, “[a]ls je genezen bent hé”. Verzoekster benadrukt nog eens dat zij zelf geen lijst van afwezigheden uit Smartschool kon halen vóór 30 januari
  20. Zij betoogt zelf “amper” op de hoogte te zijn geweest van de problematische afwezigheden. Van zodra zij daartoe opdracht kreeg, zegt verzoekster de nodige acties te hebben ondernomen. Dat zij vóór haar ziekteverlof van 13 januari tot 20 januari 2023 niets heeft ondernomen heeft twee redenen. Ten eerste werd zij pas tijdens dat ziekteverlof over de problematische afwezigheden ingelicht. Ten tweede geeft de directeur zelf aan dat verzoekster die opdracht moest uitvoeren “[a]ls [ze] genezen [is]”, zonder vermelding van een datum waarop verwacht werd dat het werk klaar zou zijn. Verzoekster betwist voorts dat van haar relaas van de feiten geen bewijzen zouden bestaan. Stuk voor stuk kunnen die feiten worden gestaafd. Het feitenverslag van de directeurs daarentegen, steunt op rancune, roddels, loze en uit de context getrokken beweringen, zo meent verzoekster. Waar verzoekster aangaf dat de dossiers ‘problematische afwezigheden’ van sommige leerlingen niet urgent waren, wilde zij alleen aankaarten dat zij niet begreep waarom drie van de vijf leerlingen niet waren uitgeschreven. Omdat er onduidelijkheid bestond over wat in het dossier moest ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 IX-10.246-9/32 worden opgenomen, wilde verzoekster eerst bij de klasleerkrachten nagaan of de moeder van de leerlingen aan hen had verteld dat zij zou terugkeren naar België. Dit is niet meer gebeurd omdat verzoekster ziek werd. Wat het motief in verband met het chromebook betreft, benadrukt verzoekster dat het om één taak gaat – mondeling toestemming vragen aan de directeur voor een chromebook – die aan de klasleerkracht werd gegeven. Die klasleerkracht heeft nooit gemeld dat zij dit niet wilde doen. Zij had verzoekster daarover kunnen bellen of een e-mail sturen. Verzoekster was die dag niet op school; zij had vrijaf, maar nam toch online deel aan het overleg. In het andere geval had zij zeker zelf aan de directeur de toestemming gevraagd. Dat overleg vond plaats de dag vóór de krokusvakantie. Mocht de klasleerkracht niet zelf de toestemming aan de directeur hebben gevraagd, dan had alles moeten wachten tot na de krokusvakantie, zodat verzoekster zelf de vraag kon stellen. Nu konden al verschillende acties vóór die vakantie worden ondernomen. Een directeur met een respectvolle en begripvolle ingesteldheid zou zo een proactieve houding wél waarderen, besluit verzoekster. Verzoekster brengt ook in herinnering dat tot december 2022 geen leerlingendossiers in Smartschool konden worden ingebracht. De standaardrubrieken moesten eerst nog schooleigen worden gemaakt. Dit is gebeurd in de werkgroep ‘Leerlingvolgsysteem Smartschool’ en vervolgens toegelicht op de personeelsvergadering van 22 november
  21. Verzoekster herhaalt nog eens welke inspanningen zij heeft geleverd om alle gegevens uit Scoodle te halen en te bewaren. Wat het derde motief aangaat, werpt verzoekster tegen dat de verwerende partij niet aantoont dat zij verslagen van leerlingen in de map ‘filtergesprekken’ heeft bewaard. Zij heeft de collega’s precies gevraagd om dat niet te doen. Dat de verslagen over het multidisciplinair overleg in de map ‘Oudergesprekken’ staan, verklaart verzoekster doordat zij de afspraken of bijkomende maatregelen of hulpmiddelen die in dat overleg besproken werden, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 IX-10.246-10/32 nodig waren voor de voorbereiding van de zorgoudercontacten. Zo wordt het werk verlicht, moest niet alles opnieuw worden geschreven, moest er enkel worden aangevuld of aangepast, afhankelijk van wat tijdens het zorgoudercontact werd besproken. Verzoekster wijst erop dat alle gemotiveerde verslagen van voorgaande schooljaren in iOmniwize werden bewaard en dus via Scoodle kunnen worden opgevraagd. Het kan zijn, zo stelt zij, dat nog niet alle recente verslagen in Smartschool werden bewaard. Die kunnen dan weer wel via het CLB worden opgevraagd of in het ‘Iris platform’ worden geraadpleegd, waartoe alle directies toegang hebben. Verzoekster heeft wel voor elke zorgleerling met een gemotiveerd verslag, verdere hulp aangevraagd. De leerling heeft bijgevolg geen enkel nadeel ondervonden van het feit dat het gemotiveerd verslag “een week eerder of later” in Smartschool werd ingebracht. Elke zorgleerling zou tegen het einde van het schooljaar aan bod zijn gekomen. Ook erkent verzoekster dat het kan zijn dat zij “iets op een andere plaats bewaard heeft”. Maar het is een leerproces. Zij heeft alle moeite gedaan, zo betoogt zij, opdat zeker geen informatie kwijt zou geraken. De directeur maakt hier van een mug een olifant. Verzoekster noemt het ook “zeer frappant” in de memorie van antwoord te moeten vernemen dat in de bestreden beslissing een “extra motivering” is terug te vinden die niet in haar ontslagbrief stond vermeld, namelijk dat “ook door externen de moeizame samenwerking wordt vastgesteld met [verzoekster] als zorgcoördinator”. Verzoekster stelt zich “ernstige vragen” bij deze “nieuwe (onbewezen) feiten die nooit eerder werden aangehaald in het kader van haar ontslag”. Vervolgens bespreekt verzoekster ook alle andere elementen die in het feitenverslag zijn opgenomen. In een ‘algemeen besluit’ zet verzoekster nog uiteen dat en waarom zij de (nieuwe) directeur en de “onrealistische verwachtingen” ten aanzien van verzoekster verantwoordelijk acht voor haar ontslag. Zij wijst ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 IX-10.246-11/32 nogmaals erop dat de zogenaamde tekortkomingen nooit met haar werden besproken door de directie, noch werd in coaching voorzien. Ook de verwerende partij is nooit tussengekomen. Zij is niet ingegaan op verzoeksters vraag om te worden gehoord over haar beoordeling.
  22. In haar laatste memorie benadrukt verzoekster nogmaals dat zij de problematische afwezigheden van de vijf leerlingen wel degelijk heeft opgevolgd. Voor drie leerlingen werd ook “kort en bondig” in Smartschool genoteerd. Over de eerste leerling had verzoekster een overleg met de vader en het CLB op 2 februari
  23. Voor een andere leerling was uiteindelijk een afspraak gemaakt met de moeder op 2 maart 2023, maar verzoekster was toen ziek. Voor een andere leerling bestonden slechts 5 B-codes en daarover was nog geen sprake in de e-mail van de directeur van 16 januari
  24. Dat zij voor twee leerlingen geen dossier heeft aangemaakt, erkent verzoekster. Daarvoor was volgens haar een “gegrond reden”: “er was tegenstrijdigheid tussen de instructies van directeur [E] en directeur [P] omtrent de terugkeer naar Oekraïne van [de] broers”. Verzoekster wilde eerste de “werkelijke toestand” nagaan bij de klasleerkrachten. Dat heeft zij – door ziekte – niet meer kunnen doen. Dat vormt overmacht. Wat het derde motief betreft, gaat verzoekster vooreerst in op enkele stukken uit het administratief dossier. Zij betoogt nog dat het “onmogelijk [is] om als halftijdse zorgcoördinator op één maand tijd de dossiers van de 166 leerlingen in Smartschool in orde te brengen”. Daarom heeft zij prioriteit gegeven, zo stelt zij, aan de dossiers van de negentig zorgleerlingen. Die taak zou alleen al vijf weken tijd gekost hebben. Verzoekster betwist, tot slot, dat alle andere elementen in het feitenverslag niet ertoe zouden doen omdat ze niet voorkomen in de bestreden beslissing. Verzoekster meent dat in het auditoraatsverslag uitgebreid wordt ingegaan op dat feitenverslag en ook in de bestreden beslissing staat uitdrukkelijk vermeld dat verzoekster wordt ontslagen op grond van dat feitenverslag. Daarom vindt zij het wel relevant om die feiten te ontkrachten. IX-10.246-12/32 Beoordeling
  25. Niet wordt betwist dat de bestreden beslissing is genomen met toepassing van artikel 24, § 1, van het rechtspositiedecreet, dat luidt als volgt: “De inrichtende macht kan een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor bepaalde duur met een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen ontslaan. De redenen van dit ontslag kunnen enkel en alleen verband houden met een tekortkoming aan zijn plichten. Het ontslag bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk gemotiveerd en aan het personeelslid betekend conform artikel 27.”
  26. Naar eis van deze bepaling mag een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor bepaalde duur slechts worden ontslagen om redenen die “enkel en alleen” verband houden met een tekortkoming aan zijn plichten. Dat ontslag moet voorts schriftelijk worden gemotiveerd. Dit betekent dat is vereist, maar ook volstaat dat de ontslagbeslissing aangeeft waarin het bestuur de tekortkomingen aan de plichten gelegen ziet. Verzoekster maakt voorts ten onrechte de parallel met de tuchtregeling die geldt voor de vast benoemde personeelsleden en de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor een doorlopende duur en die niet van toepassing is op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor bepaalde duur.
  27. De motieven voor het ontslag zijn hiervóór sub 3.5 weergegeven. 10.
  28. Anders dan verzoekster beweert, wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk aangegeven dat verzoekster “de decretale plichten […] niet nakomt: de belangen van de leerlingen niet naar behoren [heeft] behartigd”. Daarmee wordt duidelijk gerefereerd aan de plicht, vermeld in artikel 9, tweede lid, van het rechtspositiedecreet, voor de personeelsleden om onder meer “het belang van de leerlingen” te behartigen. IX-10.246-13/32 10.
  29. Verzoekster mag dan wel betogen dat “de ten laste gelegde feiten […] louter betrekking hebben op [haar] functioneren […] en geen tuchtrechtelijk karakter hebben”. Zij maakt evenwel niet inzichtelijk waarom deze feiten niet óók als tekortkomingen aan de plichten zouden kunnen worden beschouwd. Een feit omschreven als een tekortkoming aan die plichten vermag wel degelijk het ontslag op grond van artikel 24, § 1, van het rechtspositiedecreet te verantwoorden. Dat “slecht functioneren” alleen bij “manifeste onwil” tot de toepassing van de ontslagregeling ex artikel 24, § 1, van het rechtspositiedecreet aanleiding mag geven, is niet uit de bewoordingen van deze bepaling af te leiden. Verzoekster brengt ook geen andere regelgeving bij waaruit zulks zou blijken. De verwijzing naar een interpretatie van het statuut van de personeelsleden van de Vlaamse overheid – dat te dezen niet van toepassing is – kan bezwaarlijk als dienstig worden beschouwd. 10.
  30. Verzoekster overtuigt bijgevolg niet ervan dat haar ontslag “geen betrekking heeft op een inbreuk op enige plicht”. De daarop gesteunde argumentatie dat de ontslagprocedure wordt “afgewend” van haar doel, kan derhalve evenmin worden aangenomen. 10.
  31. In die mate is het middel niet gegrond. 11.
  32. Voor zover verzoekster de sub 3.5 weergegeven motivering in het algemeen “zeer vaag” en “summier” noemt en betoogt dat ze haar “op geen enkele wijze [toelaat] de beslissing te begrijpen”, voert verzoekster wezenlijk de schending van de formelemotiveringsplicht aan. Dit brengt verzoekster in haar verzoekschrift ook tot uitdrukking per motief. Wat het eerste motief betreft, voert zij aan “geen enkel idee [te hebben] over welke 2 leerlingen en welke 4 leerlingen het gaat”. Het tweede motief “blinkt […] uit in vaagheid”, volgens verzoekster. Zij weet niet wat moet worden verstaan onder “niet de nodige actie” te hebben ondernomen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 IX-10.246-14/32 om een chromebook te voorzien. Het derde motief noemt verzoekster “volstrekt vaag en onbegrijpelijk”: “[o]ver welk dossier gaat het, wanneer zou dit hebben plaatsgevonden en wat zou er ontbreken of niet correct zijn?”. 11.
  33. Aan die kritiek heeft verzoekster, zo niet reeds ten dele in het verzoekschrift, dan toch in de memorie van wederantwoord volledig verzaakt. Immers, al in het verzoekschrift zet verzoekster overheen ruim elf bladzijden uiteen waarom de drie “tenlasteleggingen” “volledig onterecht” zijn. In de memorie van wederantwoord zag verzoekster zich naar eigen zeggen verplicht, als reactie op de memorie van antwoord en na kennisname van het administratief dossier – in het bijzonder het “feitenverslag” dat haar niet eerder werd bezorgd – “heel erg in detail” te treden “om dit allemaal te weerleggen”. Wanneer verzoekster aldus de verwijten die haar worden gemaakt, poogt te weerleggen, is niet de formelemotiveringsplicht maar de materiëlemotiveringsplicht aan de orde. 11.
  34. Op de kritiek dat de haar gemaakte verwijten niet in tijd of ruimte gesitueerd zijn, komt verzoekster in haar latere procedurestukken niet meer terug. Daargelaten of ze steek houdt, wordt aangenomen dat verzoekster deze niet handhaaft.
  35. De materiëlemotiveringsplicht vereist dat een administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte de betrokken beslissing kunnen verantwoorden. Dit beginsel van behoorlijk bestuur doet, met andere woorden, de vraag rijzen of de feiten die aan verzoekster worden verweten een deugdelijke grondslag hebben. Het bestuur beschikt bij de uitoefening van zijn ontslagbevoegdheid op grond van artikel 24, § 1, van het rechtspositiedecreet over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de feiten ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 IX-10.246-15/32 die het daarvoor in aanmerking neemt als op het vlak van de bewezenverklaring ervan. Wél mag het bestuur de ontslagbevoegdheid slechts hanteren voor redenen die “enkel en alleen verband houden met een tekortkoming aan [de] plichten” van het personeelslid. Het valt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de verwijten aan het personeelslid of van de kwalificatie ervan als een tekortkoming aan de plichten. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. 13.
  36. Met betrekking tot het eerste motief – “dossiers van problematische afwezigheden worden niet opgevolgd” – zet verzoekster in haar verzoekschrift uiteen welke “acties” zij heeft ondernomen voor de vijf leerlingen die tijdens het betrokken schooljaar problematisch afwezig bleven. Daarbij moet echter worden aangestipt dat die “acties” er maar zijn gekomen nadat de directeur op 16 januari 2023 aan verzoekster heeft laten weten dat zij had vastgesteld dat vier bij naam genoemde leerlingen op dat ogenblik “meer dan 5 B-codes [hebben]” – de code ‘B’ staat voor een ‘problematische afwezigheid’; dergelijke afwezigheden worden per halve dag geteld – en dat “deze leerlingen nog geen dossier problematische afwezigheden hebben”. 13.
  37. Gelet op de inhoud van het bericht van de directeur van 16 januari 2023, moet het voor verzoekster voldoende duidelijk worden geacht wie de “4 leerlingen” zijn waaraan in de bestreden beslissing wordt gerefereerd. 13.
  38. Verzoekster stelt dat zij “wel de nodige stappen [heeft] ondernomen (met ouders en/of CLB)” voor drie leerlingen, “alleen had ze niet de tijd meer om dit puur administratief nog volledig in Smartschool per kind onder de rubriek ‘Problematische afwezigheden’ te zetten”. Zij bevestigt in haar ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 IX-10.246-16/32 verzoekschrift eveneens dat zij “nog niet alles (tot in de details) in Smartschool bij ‘Problematische afwezigheden’ van alle 5 kinderen volledig [heeft] ingevuld omdat ze zelf nog bezig was met acties hiervoor te ondernemen”, namelijk “[klasleerkracht] bevragen” en “overleg mama”. 13.
  39. Verzoekster weerspreekt daarmee niet dat het gebrek aan “opvolging” van de dossiers óók mag slaan op de periode vóór 16 januari
  40. Dit is, zoals gezien, de datum waarop zij door de directeur erop werd aangesproken dat “deze leerlingen nog geen dossier problematische afwezigheden hebben”. Uit niets blijkt voorts dat de wens van de directeur enkel was om deze dossiers in orde te brengen tegen de controle door de verificateur. Dat de directeur aangeeft dat verzoekster de dossiers moet opmaken “[a]ls [zij] genezen [is]”, betekent dan weer niet dat het gebrek dat op 16 januari 2023 werd vastgesteld, wordt weggevaagd, noch dat voor het verhelpen aan dat gebrek uitgebreid de tijd mocht worden genomen. Uit die bewoordingen van de directeur kan alleen worden opgemaakt dat zij niet verwachtte – en overigens bezwaarlijk mocht verwachten – dat verzoekster nog tijdens haar ziekteverlof, dat liep tot 20 januari 2023, orde op zaken zou stellen. 13.
  41. Niet relevant is dat pas op 29 maart 2023 een op schrift gesteld “spijbelbeleid” door de directeur werd gecommuniceerd. Dat laat immers onverlet dat ook zonder dat document administratieve verplichtingen voorhanden kunnen zijn. 13.
  42. Wat verzoekster wordt verweten is dat zij de dossiers van de problematische afwezigheden niet heeft opgevolgd. Onder de noemer “opvolgen” moet worden begrepen dat op het vlak van aanwezigheid van de leerlingen de vinger aan de pols wordt gehouden. Het is verre van onredelijk aan te nemen dat dit alleen kan wanneer de dossiers van de betrokken leerlingen accuraat worden bijgehouden. IX-10.246-17/32 Daaronder moet ook worden verstaan – verzoekster maakt alleszins niet aannemelijk dat het anders moet worden gezien – het volledig in orde brengen van de dossiers in Smartschool. Dat heeft verzoekster, zoals gezien, evenmin gedaan. Waarom dat niet mogelijk was in de periode tussen 23 januari 2023 – het ogenblik waarop verzoekster uit ziekteverlof terugkeerde – en 2 maart 2023 – de dag waarop verzoekster opnieuw in ziekteverlof ging – maakt zij niet duidelijk. Dit klemt des te meer, aangezien verzoekster in een e- mailbericht van 22 januari 2023 aan de directeur zelf aangaf als antwoord op de vraag om een en ander in orde te brengen: “Dat valt nog mee denk ik”. Ook de reactie van de directeur daarop in een e-mailbericht van 23 januari 2023 dat zij wel “[v]oor alle kinderen die meer dan 5 B-codes hebben […] een dossier [moeten] opstellen”, maar dat het dossier “kort en bondig [kan] zijn”, laat evenmin verklaren waarom verzoekster de dossiers op 2 maart 2023 nog steeds niet volledig afgerond had. Verzoekster wijst bijgevolg niet op goede grond erop dat zij “nog bezig was met acties” en nog véél minder dat zij de dossiers van deze leerlingen “minder urgent”, “niet dringend” of “niet prioritair” achtte. Dat laatste klemt des te meer nu verzoekster zelf erkent dat de leerachterstand van een van deze leerlingen om een “dringende actie” vroeg. 13.
  43. Evenmin is dienstig het verweer van verzoekster dat zij pas “[s]inds december 2022/januari 2023” in Smartschool de betrokken rubriek kan invullen en dat zij vóór 30 januari 2023 niet zelf een lijst met de afwezigheden uit Smartschool kon ophalen. Dat verklaart vooreerst niet waarom het nodige op 2 maart 2023 nog steeds niet is gebeurd. Het maakt ook niet inzichtelijk waarom zij, geconfronteerd met die eventuele onmogelijkheid – wat door de verwerende partij overigens wordt tegengesproken – niet aan de alarmbel heeft getrokken om haar toegang tot de applicatie in orde te brengen. IX-10.246-18/32 13.
  44. Het feit dat zij voor twee leerlingen zelfs helemaal géén dossier heeft aangemaakt, erkent verzoekster in haar laatste memorie. Voor dat euvel verschuilt zij zich andermaal ten onrechte achter haar “acties” die nog “bezig” waren en een tegenstrijdigheid die zij ziet in de verklaringen van de (elkaar opvolgende) schooldirecteurs. Als over de aard van de afwezigheid van de betrokken leerlingen al onduidelijkheid zou hebben bestaan, laat verzoekster nog steeds niet verstaan waarom daarover niet eerder opheldering kon komen. Naar eigen zeggen, volstond het dat verzoekster zich bij de klasleerkracht ter zake zou bevragen. 13.
  45. Evenmin is betwistbaar dat dit motief verband houdt met “de belangen van de leerlingen”. 13.
  46. Slotsom is dat verzoekster niet erin slaagt de ondeugdelijkheid van het eerste motief aan te tonen. 14.
  47. Wat het tweede motief betreft – verzoekster “heeft voor een leerling van L2 niet de nodige actie ondernomen om een Chromebook met sprint te voorzien” – is in het feitenverslag, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, het volgende relaas opgenomen: “Aanvraag Chromebook voor leerling uit L2 Naar aanleiding van een onlinegesprek met CLB, logopediste, klasleerkracht en zorgcoördinator [verzoekster], dient er Chromebook te worden voorzien voor een leerling uit L2 om met Sprint te werken. [Verzoekster] zegt tijdens het onlinegesprek tegen de klasleerkracht dat zij een Chromebook aan de directeur moet vragen voor de leerling. De klasleerkracht komt bij directeur [E]. Ze kadert het gesprek en de nood van het gebruik van een Chromebook voor de leerling. Hierbij geeft de klasleerkracht aan dat ze dit niet haar taak vindt. Het is de taak van de zorgcoördinator om de noodzaak te kaderen aan de directeur en de aanvraag te doen bij de ICT-coördinator. Directeur [E] stelt de aanvraag per mail op en stuurt deze door naar de ICT-coördinator. [Verzoekster] wordt in cc gezet en directeur [E] vraagt in de mail aan [verzoekster] om verder op te volgen.” IX-10.246-19/32 14.
  48. In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij met betrekking tot dat motief in extenso wat volgt: “Met betrekking tot de Chromebook, voorzien van de software Sprint, verklaart de directeur in het feitenverslag dat verzoekster bij een onlinevergadering aan de klasleerkracht aangeeft dat die dat bij de directeur moet vragen. Dit behoort evenwel tot de taken van verzoekster als zorgcoördinator, en moet dus niet worden afgewenteld op een klasleerkracht. In een ondertekend verslag (overleg Chromebook) met betrekking tot een bespreking op 17 februari 2023 wordt ook bevestigd dat dit tot de taak van verzoekster behoort.” 14.
  49. Aan verzoekster wordt bijgevolg verweten dat zij de klasleerkrachten ten onrechte ermee zou hebben belast zelf de aanvraag voor een chromebook voor een leerling bij de directie of de ICT-verantwoordelijke te doen, terwijl dit tot de taak van verzoekster zou behoren. De verwerende partij maakt op geen enkele manier inzichtelijk en de Raad van State ziet evenmin spontaan in hoe die handelwijze van verzoekster ervoor gezorgd zou hebben dat de betrokken leerling pas “veel later” dan gepland van de laptop gebruik heeft kunnen maken. Aan dit motief is immers vreemd het verwijt dat verzoekster de link voor het opstarten van de voorleessoftware niet zou hebben doorgestuurd aan de school, zodat de opstart van die ondersteuningsmaatregel vertraging heeft opgelopen – dat verwijt komt aan bod in het derde motief. De Raad van State begrijpt bijgevolg niet hoe verzoekster op de hiervóór beschreven manier “de belangen van de leerlingen niet naar behoren [heeft] behartigd”, wat te dezen de enige door het bestuur zelf ingeroepen rechtsgrond voor zijn optreden vormt. 14.
  50. Het tweede motief kan niet de bestreden beslissing verantwoorden. IX-10.246-20/32 15.
  51. Het derde motief – verzoekster “heeft nagelaten de nodige (zorg)dossiers volledig en correct aan te vullen” – wordt in het feitenverslag als volgt toegelicht: “Overleg met zoco KS ([N]): overnemen taken zoco LS ([verzoekster]) [N] geeft aan ontzettend bezorgd te zijn over de opvolging van de dossiers van de (zorg)leerlingen. [N] neemt de (zorg)dossiers over. Wanneer ze zich wil inwerken/inlezen in de dossiers, blijken vele dossiers onvolledig, foutief of niet ingevuld te zijn. ● Verslagen van leerlingen staan in de map ‘Filtergesprekken’. ● MDO’s staan in de map ‘Oudergesprekken’. ● Leerlingen met een gemotiveerd verslag hebben een leeg dossier. ● De gemotiveerde verslagen staan niet in de leerlingdossiers. ● Verslagen worden niet volgens de afspraken opgeslagen in de leerlingdossiers (Afspraken werden in samenspraak opgesteld, besproken met het team.) ● De gemotiveerde verslagen zijn nergens terug te vinden. (ook niet op papier) ● [Verzoekster] heeft de linken voor het opstarten van Sprint (voorleessoftware) ontvangen via mail en stuurt deze niet door naar de school waardoor het opstarten van de ondersteuningsmaatregel voor deze leerlingen vertraging oploopt. ● De werkplannen van NOA worden in de map ‘Verslagen’ opgeslagen i.p.v. in de map ‘Werkplannen – werkplannen ondersteuningsnetwerk’ ● Verslagen worden in bulk in een dossierlijn geüpload i.p.v. apart en steeds met korte inhoud per verslag.” 15.
  52. Wat het eerste element betreft – “[v]erslagen van leerlingen staan in de map ‘filtergesprekken’” – kan verzoekster worden bijgevallen – en de verwerende partij spreekt niet tegen – dat deze laatste niet aantoont dat zíj die verslagen in de betrokken map heeft bewaard. In dat verband is de e-mail van verzoekster van 25 februari 2023 veelzeggend. Zij spoort daarin collega’s net aan om verslagen van leerlingen níet in de map ‘filter/MDO’ te bewaren: “Nog een praktische vraag: is het mogelijk in het onderdeel ‘Filter/MDO’: geen verslagen van NOA (OP’s) of logo’s, psychologen enz te bewaren? Indien je een verslag krijgt van NOA, logo of andere externen, mag je dit steeds naar mij mailen. Ik zal het dan wel in Smartschool bewaren (onder ‘Zorg – Verslagen’), geen probleem.” Zonder nader bewijs kan dit element het derde motief niet ondersteunen. IX-10.246-21/32 15.
  53. Met betrekking tot het element “MDO’s staan in de map ‘Oudergesprekken’” doet verzoekster gelden dat de verslagen van het multidisciplinair overleg wel degelijk in de daartoe bestemde map werden opgeslagen. Zij verklaart vervolgens waarom deze óók in de map ‘Oudergesprekken’ voorkomen: “[d]it komt omdat verzoekster bij de voorbereiding van sommige zorgoudercontacten de afspraken en/of bijkomende maatregelen/hulpmiddelen die in de MDO’s besproken werden, kopieerde naar het nakende oudercontact”, “om dubbel typwerk te vermijden”. Vervolgens moest verzoekster tijdens dat oudercontact “enkel nog maar […] aanvullen of aanpassen, afhankelijk van wat er tijdens het zorgoudercontact besproken werd”, het is volgens haar “veel handiger en efficiënter omdat ze én het zorgoudercontact moest leiden én het verslag moest typen in Smartschool”. Zo moest zij de gemaakte afspraken “niet meer opzoeken in de MDO’s, noch overtypen, wat haar beduidend werk bespaarde”. De verwerende partij weerspreekt dat niet. Alleszins toont de verwerende partij niet aan hoe verzoekster met deze handelwijze “de belangen van de leerlingen niet naar behoren [heeft] behartigd”. Ook dit element kan het derde motief niet ondersteunen. 15.
  54. Met betrekking tot het ‘gemotiveerd verslag’ wordt aan verzoekster verweten dat “[l]eerlingen met een gemotiveerd verslag […] een leeg dossier [hebben]”, dat “[d]e gemotiveerde verslagen […] niet in de leerlingdossiers [staan]” en dat “[d]e gemotiveerde verslagen […] nergens [zijn] terug te vinden (ook niet op papier)”. Daartegen brengt verzoekster in dat “[a]lle gemotiveerde verslagen (GV’s) van vorige schooljaren […] in iOmniwize [werden] bewaard en […] dus via Scoodle [konden] opgevraagd worden”. Ook doet zij gelden dat “[h]et kan zijn dat verzoekster nog niet alle recente GV’s in Smartschool heeft ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 IX-10.246-22/32 bewaard”, maar dat deze “altijd via het CLB [zijn] op te vragen (want zij maken die GV’s) of in het ‘Iris platform’ te raadplegen waartoe alle directies toegang hebben”. Zij besluit dat “[h]et zorgkind […] geen enkel nadeel [zal] ondervinden van het feit of zijn/haar GV een week eerder of later in Smartschool bewaard is”. Verzoekster betwist aldus niet dat zij niet alle gemotiveerde verslagen in Smartschool heeft ingebracht. Met de verwerende partij kan worden aangenomen dat het “[d]oor het gebrek aan volledige informatie […] niet mogelijk [is] voor de directie of andere leerkrachten om correcte inschattingen te maken t.a.v. de leerlingen (te meer bij afwezigheid van verzoekster)” en dat zulks “de werking van de school [verstoort] en […] de passende begeleiding van de leerlingen in [het] gedrang [brengt]”. Naar ’s Raads oordeel is het niet onredelijk om te eisen dat andere personeelsleden dan verzoekster, die deze verslagen óók moeten kunnen raadplegen, dadelijk toegang daartoe hebben, zonder dat zij daarvoor bijzondere inspanningen – bijvoorbeeld: contact opnemen met het CLB, zoals verzoekster voorstelt – moeten leveren. Verzoekster overtuigt niet ervan dat dit element het derde motief niet zou kunnen ondersteunen. 15.
  55. Wat het element “[v]erslagen worden niet volgens de afspraken opgeslagen in de leerlingdossiers” betreft, geeft verzoekster zelf aan dat “[h]et kan zijn dat [zij] iets op een andere plaats bewaard heeft”. Zij voegt daaraan toe “dat zeker niet met opzet gedaan [te] hebben”. Verzoekster betwist het materieel bewijs bijgevolg niet. Dat er volgens haar “geen afspraken [werden] gemaakt met betrekking tot enige taakverdeling aangaande wie welke info uit het LVS [lees: leerlingvolgsysteem] van Scoodle zou halen, al dan niet met bijlagen, tegen wanneer en van welke leerlingen”, is minstens deels niet geloofwaardig en voor het overige irrelevant. IX-10.246-23/32 Vooreerst benadrukt verzoekster zelf meermaals dat zij op het vlak van het inbrengen van de gegevens “systematisch te werk” ging. Dat wijst erop dat verzoekster het wel degelijk als haar taak beschouwde om de gegevens over te zetten en op de juiste plaats onder te brengen. Ook stelt verzoekster dat “alle verslagen en data uit Scoodle in Smartschool bewaard [zouden] zijn voor alle zorgkinderen tegen het einde van het schooljaar”. Daarmee spoort niet haar kritiek dat zij niet zou weten van welke kinderen de informatie moest worden opgenomen in Smartschool. Zij kan dan evenmin ernstig argumenteren dat van haar het onmogelijke werd gevraagd door van alle 166 leerlingen van de school de gegevens te moeten overbrengen. Tegen wanneer die informatie dan in Smartschool beschikbaar moest zijn, is irrelevant. Immers, aan verzoekster wordt verweten – en zo heeft zij het ook zelf begrepen – de verslagen niet op de afgesproken plaats te hebben bewaard. Daarbij speelt het tijdsaspect geen, minstens geen bepalende, rol. Ook hier maakt verzoekster niet aannemelijk dat het bestuur niet op dit element vermocht te steunen om het derde motief te staven. 15.
  56. Dat uit het administratief dossier – screenshots uit Smartschool – zou blijken dat verzoekster voor enkele leerlingen wel degelijk informatie uit het verleden heeft ingebracht in Smartschool en een samenvatting van een verslag heeft ingevuld, is niet van aard de hiervóór besproken elementen te weerleggen. Immers, aan verzoekster wordt niet verweten níets te hebben ingevuld, maar wel dat niet volledig te hebben gedaan. Evident kan verzoekster in de voorliggende procedure niet dienstig verwijzen naar de vernietigde beoordeling van 30 januari 2023, om daarvan te stellen dat ze “niet correct” is. 15.
  57. De andere elementen waaraan in het feitenverslag wordt gerefereerd en waaruit volgens het bestuur blijkt dat verzoekster “heeft nagelaten ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 IX-10.246-24/32 de nodige (zorg)dossiers volledig en correct aan te vullen”, brengt verzoekster niet ter sprake. Bijgevolg wordt aangenomen dat zij deze niet betwist. 15.
  58. De elementen waarvan hiervóór is vastgesteld dat ze niet het motief kunnen dragen dat verzoekster “heeft nagelaten de nodige (zorg)dossiers volledig en correct aan te vullen”, wegen niet op tegen de andere door verzoekster onterecht of niet-betwiste elementen. Die laatste zijn, naar het oordeel van de Raad van State, in aantal en in ernst voldoende om de vaststelling te verantwoorden dat verzoekster niet het nodige heeft gedaan opdat de school over volledige en correct ingevulde leerlingendossiers kan beschikken. 15.
  59. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoekster niet ervan overtuigt dat het derde motief niet deugdelijk is.
  60. Verzoekster voert nog aan “allerlei vragen en bedenkingen omtrent haar ontslag” te hebben. Zo kaart zij aan door het bestuur niet te zijn gehoord over de beoordeling met werkpunten. Die beoordeling is, zoals gezien, door de verwerende partij op 27 februari 2023 vernietigd. Ze staat los van de thans voorliggende ontslagbeslissing. Het middel is in die mate onontvankelijk.
  61. De kritiek dat verzoekster zich niet terdege heeft kunnen verdedigen omdat haar vanaf de bestreden ontslagbeslissing de toegang tot Smartschool werd ontzegd, kan evenmin worden aangenomen. Zoals gezien is verzoekster in haar verzoekschrift uitgebreid ingegaan op de aan haar gemaakte verwijten – elf bladzijden. De memorie van wederantwoord beslaat vijfendertig bladzijden waarin zij – háár woorden – “heel erg in detail” heeft gereageerd op de aantijgingen, met weergave van diverse e- mailberichten. IX-10.246-25/32
  62. Hoe de vergaderingen met betrekking tot het ‘zorgteamoverleg’ het ‘beleidsteamoverleg’ en de ‘voorbereiding zorgteamoverleg’, het tijdstip van die vergaderingen en de flexibele opstelling van verzoekster, relevant kunnen zijn ter beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing, is voor de Raad van State niet evident zichtbaar. Verzoekster verduidelijkt zulks ook niet.
  63. Verzoekster gaat in haar memorie van wederantwoord uitgebreid in op alle andere elementen die in het feitenverslag zijn opgenomen. Deze elementen maken geen deel uit van de bestreden beslissing en ze worden door het bestuur ook niet ter staving van één van de drie motieven aangevoerd. Dat in de bestreden beslissing aan dat feitenverslag wordt gerefereerd, verandert niets daaraan. De bestreden beslissing gaat op enkele punctuele zaken van het feitenverslag in en grijpt deze aan om te besluiten dat verzoekster niet de belangen van de leerlingen naar behoren heeft behartigd. Evenmin is relevant dat het feitenverslag ter sprake wordt gebracht in het auditoraatsverslag. De kritiek van verzoekster op de overige punten van het feitenverslag is bijgevolg niet dienstig.
  64. Ook de kritiek op het motief dat “ook door externen de moeizame samenwerking wordt vastgesteld met [verzoekster] als zorgcoördinator”, is niet relevant. In het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing blijkt dat element niet langer betrokken te zijn. Minstens kan daarin geen determinerend motief worden gezien.
  65. Hiervóór is gebleken dat één van de drie aangehaalde motieven niet de beslissing vermag te ondersteunen. De Raad van State is, op grond van de bewoordingen van de bestreden beslissing, van oordeel dat deze motieven slechts de illustratie vormen van wat aan verzoekster wezenlijk wordt verweten, namelijk dat zij niet heeft gehandeld overeenkomstig de haar opgelegde plicht om de belangen van de leerlingen te behartigen. In zo een geval komt het erop aan dat de concrete feiten ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 IX-10.246-26/32 die worden aangehaald kwantitatief en kwalitatief voldoende zijn om de verweten tekortkoming aan de rechtsplicht te staven. In dat verband acht de Raad van State de motieven die overeind blijven, in aantal en naar ernst voldoende om toe te laten te besluiten dat de verwerende partij terecht heeft mogen vaststellen dat verzoekster is tekortgeschoten in de verplichting om de belangen van de leerlingen te behartigen.
  66. Het middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Die conclusie geldt ook ten aanzien van het als geschonden aangevoerde zorgvuldigheidsbeginsel, waaraan verzoekster geen afzonderlijke invulling heeft gegeven. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  67. Een tweede middel is geput uit de schending van het “redelijkheidsbeginsel – evenredigheid – proportionaliteit”. Verzoekster licht dat middel als volgt toe: “In zoverre men zou aanvaarden dat de feiten wel vaststaan en een sanctie/beslissing zouden kunnen wettigen (quod non), dient de beoordeling van de evenredigheid tussen de ernst van de feiten en de opgelegde straf aan bod [te] komen. Hierbij dienen beide polen van de afweging aan bod te komen: de ernst van de feiten enerzijds en de keuze van ‘straf’, i.e. ontslag anderzijds. 1° Gegevens die in de beoordeling van de ernst van de feiten een rol spelen, betreffen niet alleen de zwaarwichtigheid van de feiten an sich, meer bepaald de mate waarin zij het belang van de dienst hebben geschaad, maar ook aspecten die verband houden met de dader, zoals o.m. de antecedenten van de betrokkene (gunstig, ongunstig), de mate waarin zijn positie verantwoordelijkheden meebrengt, en opzet. Het is duidelijk dat verzoekster een vlekkeloos parcours aflegde (tot de komst van de nieuwe directie) en de vermeende feiten slechts minimale zaken betreffen. Er is dan ook sprake van een absolute miskenning van de IX-10.246-27/32 hierboven aangehaalde aspecten zodat er zich onevenredigheid voordoet tussen de feiten en het ontslag. 2° Bij het nagaan of het ontslag in verhouding tot de feiten staat, dient men ook rekening te houden met de alternatieven die het bestraffende bestuur ter beschikking stonden. Het is duidelijk dat een eenvoudige vraag aan verzoekster om informatie te verschaffen of iets administratief in orde te brengen reeds had volstaan. Ook een functioneringsgesprek had kunnen volstaan. Meer zelfs: de vermeende tenlasteleggingen kwamen in de evaluatie van verzoekster aan bod, zodat het zeker duidelijk is dat een andere aanpak mogelijk was. Om onduidelijke reden heeft men toch gekozen voor de optie van het ontslag. Het is duidelijk dat het ontslag zowel in de totstandkoming als het bewijs ervan volstrekt te kort schiet en in kennelijke wanverhouding staat tot de persoon van verzoekster, de aard en omvang van de feiten en de alternatieven die het bestuur ter beschikking stonden.”
  68. In haar laatste memorie argumenteert verzoekster nog dat het “volstrekt ondenkbaar [is] dat een normaal zorgvuldig handelend bestuur onmiddellijk over zou gaan tot een ontslag omwille van enkele dossiers (op de vele honderden) die een beetje laattijdig zouden verwerkt zijn, zonder dat hieromtrent eerst sturend, coachend, remediërend of waarschuwend zou zijn opgetreden”. Verzoekster bevestigt dat het decreet niet in een gradatie in de tekortkomingen voorziet, maar dat neemt volgens haar niet weg dat er een onderscheid bestaat tussen fouten die kaderen binnen het functioneren van een leerkracht en fouten die een tekortkoming in de plichten veronderstellen. Dat de vaststellingen tegen het belang van de leerlingen zouden ingaan en dus “automatisch” een tekortkoming in de plichten zouden inhouden, is een veel te ruime lezing, vindt verzoekster. Geen enkele mens is perfect. Ieder functioneren is voor verbetering vatbaar, maar dit betekent niet dat onmiddellijk het ontslag moet volgen. Dat zou een negatie betekenen van de “fundamenteel verschillende finaliteit van een evaluatiedossier enerzijds en tuchtdossier of ontslag wegens tekortkoming in de plichten anderzijds”. Verzoekster acht “[s]oms” wel een “overlap” mogelijk “tussen een tekortkoming in het functioneren en een tekortkoming in de plichten”. Het ontslag overtuigt volgens haar echter niet dat de elementen die voorliggen, niet gewoon verbeterpunten zijn, maar tekortkomingen in de plichten. IX-10.246-28/32 Verzoekster benadrukt, tot slot, dat het “onterechte ontslag een ingrijpende smet is op de onberispelijke staat van dienst en de zeer degelijke reputatie die verzoekster tot op heden genoot in het onderwijs”. De bestreden beslissing zou verzoekster ook belemmeren in haar zoektocht naar nieuwe jobs in het onderwijs. Zij zwijgt dan nog over de “enorme emotionele impact” die de bestreden beslissing op haar gezondheid, haar gezin en in het bijzonder haar twee opgroeiende tienerkinderen heeft gehad. Beoordeling
  69. Bij de bespreking van het eerste middel werd al erop gewezen dat de verwerende partij bij de uitoefening van de ontslagbevoegdheid ex artikel 24, § 1, van het rechtspositiedecreet, over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt. Die bevoegdheid is steeds begrensd door het evenredigheidsbeginsel, als onderdeel van het redelijkheidsbeginsel.
  70. Van een schending van het evenredigheidsbeginsel kan slechts sprake zijn wanneer ten aanzien van een beslissing die berust op feitelijk juiste en op zich rechtens relevante motieven, wordt vastgesteld dat er een aperte wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing. Dit betekent dat de Raad van State een beslissing enkel als strijdig met het evenredigheidsbeginsel kan bevinden wanneer wordt geoordeeld dat deze beslissing dermate buiten verhouding staat tot de aard van de vaststellingen of tekortkomingen die aan verzoekster worden verweten, dat geen enkele in redelijkheid oordelende overheid een dergelijke ontslagbeslissing zou nemen.
  71. Een strenge invulling van de aan de verwerende partij verleende discretionaire beoordelingsbevoegdheid staat op zich niet gelijk met een buitensporige – en dus onredelijke – uitoefening ervan. Het enkele feit dat er andere, minder ingrijpende maatregelen denkbaar waren, is inherent aan die ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 IX-10.246-29/32 discretionaire bevoegdheid. Dat betekent dat ze in beginsel tot uiteenlopende oordelen kan leiden, die nochtans elk geacht kunnen worden binnen de grenzen te blijven van wat redelijkerwijze als evenredig te beschouwen is. Het louter aanvoeren dat er voor de bestreden beslissing “alternatieven” voorhanden waren, volstaat bijgevolg niet om van een schending van het evenredigheidbeginsel te kunnen spreken.
  72. Dat verzoekster voordien een “vlekkeloos parcours” aflegde, verhindert op zich niet dat omwille van de vastgestelde tekortkomingen wordt beslist tot het ontslag.
  73. Verzoekster zelf mag dan wel vinden dat de haar aangerekende feiten “minimale zaken” betreffen. Zij gewaagt in haar laatste memorie van “enkele dossiers (op de vele honderden)” die “een beetje laattijdig verwerkt zijn”. De aan verzoekster gemaakte verwijten omvatten echter, zoals uit de bespreking van het eerste middel is gebleken, méér dan wat verzoekster thans voorspiegelt. Bovendien gaat verzoekster aldus volkomen voorbij aan de gevolgen van de tekortkomingen voor de leerlingen, wat precies voor de verwerende partij de reden tot de bestreden beslissing was. Het komt de Raad van State niet als onredelijk voor dat een schoolbestuur bij vaststelling van inbreuken op de decretale plicht om de belangen van de leerlingen te behartigen, beslist om de samenwerking met het betrokken personeelslid te beëindigen.
  74. Verzoekster overtuigt derhalve niet ervan dat er tussen de in aanmerking genomen tekortkoming en de ontslagbeslissing geen redelijk verband van evenredigheid bestaat.
  75. Voor zover verzoekster in haar laatste memorie terugkomt op het door haar voorgestane verschil tussen een “tekortkoming in het functioneren” en een “tekortkoming in de plichten”, dient erop gewezen dat die discussie niets met het evenredigheidsbeginsel van doen heeft. IX-10.246-30/32 Overigens werd daarop al bij de bespreking van het eerste middel ingegaan.
  76. Van de elementen die verzoekster in haar laatste memorie nog bijbrengt om te duiden wat de impact van de bestreden beslissing is op haar reputatie, haar mogelijkheden om een nieuwe job binnen het onderwijs te vinden, haar gezondheid en haar gezin, beweert zij niet – laat staan dat zij aannemelijk maakt – dat zij deze niet in haar verzoekschrift had kunnen aanvoeren. Bijgevolg is die argumentatie laattijdig en kan de Raad van State daarmee geen rekening houden.
  77. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. BESLISSING
  78. De Raad van State verwerpt het beroep.
  79. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  80. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. IX-10.246-31/32 De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.246-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.318 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.