← België

Arrest 262345 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 13/02/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.345 Rolnummer: A. 241951/IX-10469 Zaak: Arrest 262345 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 13/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-17 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-17 03:01 Fiche Arrest nr 262.345 van 13 februari 2025 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 262.345 van 13 februari 2025 in de zaak A. 241.951/IX-10.469 In zake: XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter-Jan Fierens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 15 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristof Caluwaert en Mauro Gisgand kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 21 mei 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest RSTVB-2324-0281 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen van 19 april
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij beschikking nr. 15.913 van 24 juni 2024 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.469-1/7 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 januari
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ries Van Hoof, die loco advocaat Pieter-Jan Fierens verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Mauro Gisgand, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De feiten, zoals die blijken uit het arrest van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, kunnen als volgt worden samengevat. IX-10.469-2/7 Verzoekster is in het academiejaar 2022-2023 ingeschreven in het schakelprogramma ‘Master of Laws in de rechten’ aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB). Aan die inschrijving zijn bindende voorwaarden verbonden. Omdat zij die bindende voorwaarden niet heeft gehaald op het einde van het academiejaar 2022-2023, wordt verzoekster een maatregel van studievoortgangsbewaking opgelegd die inhoudt dat haar de eerstvolgende herinschrijving voor het schakelprogramma, evenals voor opleidingsonderdelen ervan onder welk contracttype ook, wordt geweigerd. Verzoekster stelt op 20 september 2023 een beroep in bij de beroepsinstantie van de onderwijsinstelling. Die beroepsinstantie verklaart het beroep op 25 oktober 2023 ontvankelijk doch ongegrond. Verzoekster stelt op 2 november 2023 bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen een beroep in tegen de voormelde beslissing van de beroepsinstantie van 25 oktober
  7. Bij arrest RSTVB-2324-0281 van 19 april 2024 verwerpt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen dat beroep. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  8. Het “eerste”, maar ook enige middel is geput uit de schending van “art. 15 van het Besluit van de Vlaamse Regering houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, art. 32 § 2 van het Decreet betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse IX-10.469-3/7 bestuursrechtscolleges en de jurisdictionele motiveringsplicht zoals vervat in art. 149 G.W.”. Verzoekster betoogt dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in het bestreden arrest stelt dat zij in haar verzoekschrift niet heeft aangevoerd dat op de interne beroepsinstantie een onderzoeksplicht rust, terwijl zij wel degelijk in haar verzoekschrift de zorgvuldigheidsplicht van de VUB had opgeworpen die, volgens verzoekster, een correcte feitenvinding en dus een onderzoeksplicht omvat. Het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve het beginsel waaruit de onderzoeksplicht van het bestuur voortvloeit. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft op dit welbepaald middel met betrekking tot de zorgvuldigheidsplicht – die ook een onderzoeksplicht omvat – niet geantwoord.
  9. In de memorie van wederantwoord argumenteert verzoekster nog dat zij niet beweert dat in de bestreden beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt maar dat zij in wezen vaststelt dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft nagelaten te antwoorden op een door haar aan die Raad voorgelegd argument. Beoordeling
  10. Verzoekster zet niet uiteen op welke wijze het bestreden arrest een schending inhoudt van artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, zodat het middel in die mate niet ontvankelijk is.
  11. De door artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de IX-10.469-4/7 rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of deze bepalingen zijn nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de bestreden beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van de jurisdictionele motiveringsplicht. Het middel dat de schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van voornoemd decreet van 4 april 2014 aanvoert, kan slechts ontvankelijk zijn in zoverre het de bestreden beslissing verwijt dat het rechtscollege daarin niet de redenen opgeeft waarop zijn beslissing steunt of niet antwoordt op de middelen die de eiser voor dat rechtscollege heeft aangevoerd. Het middel is daarentegen niet ontvankelijk in zoverre het aanvoert dat de vermelde redenen onjuist of onwettig zijn of dat het rechtscollege de aangevoerde middelen niet afdoende weerlegt.
  12. Verzoekster betoogt dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen niet heeft geantwoord op haar grief dat op de interne beroepsinstantie een onderzoeksplicht rust. In het bestreden arrest van de Raad staat hierover het volgende te lezen: “In haar verzoekschrift heeft verzoekende partij weliswaar toegelicht dat het voor haar niet zomaar mogelijk was om alle informatie met de interne beroepsinstantie te delen, maar ze heeft daarbij niet aangevoerd dat op de interne beroepsinstantie een onderzoeksplicht rust. De Raad ziet niet in wat haar heeft belet om dit te doen, zodat dit niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de wederantwoordnota kan worden aangevoerd (artikel 15, tweede lid Procedurebesluit).” IX-10.469-5/7 Door aan te geven dat het argument laattijdig is aangevoerd, heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen de reden aangegeven waarom hij het middel verwerpt en voldoet die Raad aan de jurisdictionele motiveringsplicht. Het middel is in die mate ongegrond.
  13. Volgens verzoekster is dat motief “niet draagkrachtig”. De vraag of de motivering van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen draagkrachtig is, is vreemd aan de jurisdictionele motiveringsplicht. Het middel is ook in die mate onontvankelijk.
  14. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  16. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  17. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.469-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.469-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.345 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.