id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.346 Rolnummer: A. 240183/IX-10347 Zaak: Arrest 262346 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 13/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-20 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-17 03:01 Fiche Arrest nr 262.346 van 13 februari 2025 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 262.346 van 13 februari 2025 in de zaak A. 240.183/IX-10.347 In zake : D.Q. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 26 Kortrijk xplora, voorheen Mandel en Leie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nicolaas Vinckier kantoor houdend te 8800 Roeselare Hoogleedsesteenweg 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 28 september 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het college van directeurs van scholengroep 26 Kortrijk Mandel en Leie van 14 juni 2023 waarbij de afwezigheid van verzoeker van 27 april 2023 tot 21 mei 2023 als ongewettigd wordt aangemerkt. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.347-1/18 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 januari 2025. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lukas Asselman, die loco advocaat Tine Bricout verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Nicolaas Vinckier, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is vast benoemd leraar in de school GO! MSKA Roeselare, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.2. Op 27 april 2023 schrijft verzoekers huisarts ziekteverlof voor van 27 april 2023 tot en met 30 juni 2023. Het is verzoeker toegestaan de woning te verlaten. Daags nadien, op 28 april 2023, biedt de controlearts zich om 15.30 uur aan bij de woning van verzoeker. Verzoeker wordt niet aangetroffen. Op IX-10.347-2/18 het daartoe bestemde formulier duidt de controlearts niet aan dat verzoeker zich voor onderzoek moet aanbieden of opnieuw zal worden bezocht, maar wel de optie ‘conform de geldende richtlijnen wordt u niet opgeroepen’. Op 5 mei 2023 informeert een medewerker van de personeelsadministratie via Smartschool bij verzoeker of hij al een afwezigheidsattest heeft toegezonden, omdat op school nog niets werd ontvangen. Op 21 mei 2023 geeft verzoeker het medisch attest af aan een personeelslid van de school, dat het daags nadien aan de directeur bezorgt. Op 26 mei 2023 zendt de algemeen directeur van de scholengroep een aangetekend schrijven aan verzoeker, waarin het volgende wordt gesteld: “Uw directeur, [J.M.], bezorgde mij uw dossier in verband met uw afwezigheid sinds 27 april 2023. Op 27 april 2023 om 4.26 uur meldde u zich ziek. Op 28 april 2023 kreeg u een controlebezoek van de controlearts van Certimed. U was niet aanwezig en de controlearts vroeg u schriftelijk om zich de volgende dag aan te melden voor de controle. U stuurde sindsdien wel een ziekteattest naar Certimed maar u hebt zich tot op heden nog niet aangeboden ter controle. Vanuit de school heeft men verschillende keren contact met u proberen op te nemen, maar u bleek niet bereikbaar. Langs deze weg wijs ik u erop dat een personeelslid dat zich niet onderwerpt aan de ziektecontrole in principe ongewettigd afwezig is. Ik zal uw dossier voorleggen aan het College van Directeurs dat ter zake het bevoegde orgaan is. In zijn zitting van 14 juni 2023 zal het College een beslissing nemen. Mag ik u vragen om mij zo snel mogelijk en uiterlijk tegen 12 juni 2023 een schriftelijke verklaring te geven voor het niet aanmelden bij de ziektecontrole. Ik wil u er ook op wijzen dat – als het College van Directeurs daartoe zou beslissen – uw ongewettigde afwezigheid loopt zolang u zich niet aan de controle hebt onderworpen. Ik adviseer u dan ook om zo snel mogelijk contact op te nemen met Certimed.” Hierop antwoordt verzoeker op 1 juni 2023, met verwijzing naar een kopie van het document van de controlearts, dat de controlearts níét heeft gevraagd dat hij zich daags nadien zou aanmelden en dat hij meent gewettigd IX-10.347-3/18 afwezig te zijn zodat zijn dossier niet aan het college van directeurs moet worden voorgelegd. 3.3. Op 14 juni 2023 neemt het college van directeurs van de scholengroep de volgende beslissing: “B. Beslissing Het College van Directeurs van scholengroep Mandel en Leie beslist de afwezigheid van [verzoeker], vastbenoemd leraar in GO! MSKA Roeselare van 27 april 2023 tot 21 mei 2023 als ongewettigd te betitelen. C. Feitenrelaas. 1. Op 27 april 2023 om 4.26 uur meldt [verzoeker] aan de directeur en aan een secretariaatsmedewerker van GO! MSKA Roeselare dat hij ziekteverlof neemt voor de rest van het schooljaar. 2. Directeur [J.M.] vraagt controle aan bij het controleorgaan Certimed. 3. Op 28 april 2023 om 15.30 uur gaat de controlearts van het controleorgaan Certimed, dr. [S.], bij [verzoeker] langs. [Verzoeker] is niet aanwezig. Dr. [S.] is blijkbaar verkeerdelijk gebrieft dat het om een eendagsafwezigheid gaat want hij vermeldt dat zo op het controleresultaat en roept om die reden ook [verzoeker] niet op voor een controle op zijn kabinet. 4. [Verzoeker] bezorgt geen afwezigheidsattest op school. Op 5 mei 2023 neemt medewerker [C.V.] van de personeelsadministratie via Smartschool contact op met hem. [C.V.] contacteert hem ook verschillende keren telefonisch, zowel op zijn mobiele telefoon (vier maal, namelijk op 5 mei, twee keer op 9 mei en op 11 mei) als op zijn vaste telefoon (twee maal, namelijk op 5 mei en 9 mei). [Verzoeker] is niet bereikbaar en belt zelf niet terug. 5. Op zondag 21 mei 2023 ontvangt de technisch adviseur-coördinator, [N.L.], tevens de ex-partner van [verzoeker], bij haar thuis het afwezigheidsattest van [verzoeker]. [N.L.] bezorgt het aan de directeur. 6. Op 22 mei 2023 stuurt [J.M.], directeur GO! MSKA Roeselare, het dossier naar de algemeen directeur met de vraag om te onderzoeken of de afwezigheid van [verzoeker] gewettigd is. 7. Op 26 mei 2023 stuurt de algemeen directeur onderstaande brief naar [verzoeker]: […] 8. [Verzoeker] haalt de aangetekende brief op 31 mei 2023 op. Op 1 juni 2023 antwoordt hij als volgt, brief die de scholengroep bereikt op 8 juni 2023: […] D. Bespreking De omzendbrief 13/AC/B.Ph./SH/js van 20 januari 1999 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte stelt het volgende: ‘Personeelsleden die IX-10.347-4/18 de directie niet verwittigen bij ééndagsziekte; bij meerdere dagen afwezigheid de vereiste attesten niet of niet onmiddellijk naar hun directeur sturen en naar het controleorgaan; de eerste 24 uur niet beschikbaar blijven; zich niet aan de controle van het controleorgaan onderwerpen; geen gevolg geven aan de beslissing van de controlearts of van de scheidsrechter om de dienst te hervatten; zullen als onwettig afwezig beschouwd worden en hun recht op wedde of weddetoelage voor de duur van de afwezigheid verliezen.’ De controle van Certimed vond niet plaats op de eerste dag van de afwezigheid wegens ziekte van [verzoeker] maar op de tweede dag. [Verzoeker] moest dus niet thuis zijn op het ogenblik van de controle. Bij een dergelijke gemiste controle roept de controledokter het personeelslid normaliter op om contact op te nemen met Certimed of om zich de volgende dag ter controle aan te bieden. Omdat de controledokter verkeerdelijk uitging van een eendagsafwezigheid is dat niet gebeurd. [Verzoeker] kan dus niet aangewreven worden dat hij een controle gemist heeft of zich achteraf niet ter controle heeft aangeboden. Wel is duidelijk dat [verzoeker], die op 27 april laat weten dat hij de rest van het schooljaar afwezig zal zijn wegens ziekte, zo snel mogelijk zijn afwezigheidsattest naar de school en naar Certimed moet sturen. Hij laat evenwel na de school te informeren, hoewel de personeelssecretaris hem herhaaldelijk contacteert, zowel via Smartschool als telefonisch. Pas op zondag 21 mei 2023 steekt [verzoeker] een afwezigheidsattest in de bus bij de technisch adviseur-coördinator, die het de volgende dag op school bezorgt. De regelgeving is op dat vlak ondubbelzinnig. Wie bij meerdaagse afwezigheid niet de vereiste attesten aan de directie bezorgt, wordt als onwettig afwezig beschouwd. E. Motivatie Het College van Directeurs van scholengroep Mandel en Leie beslist dan ook: gelet op artikel 27 van het Bijzonder Decreet betreffende het Gemeenschapsonderwijs d.d. 14 juli 1998 dat het beheer van de loopbaan van personeelsleden toewijst aan het College van Directeurs van de scholengroepen; overwegende dat [verzoeker] zich op 27 april 2023 ziek meldde maar zijn afwezigheidsattest, ondanks herhaalde vragen vanuit de school, pas op school bezorgde/liet bezorgen op 22 mei 2023; overwegende het voorafgaand ‘Feitenrelaas’ en de argumenten ontwikkeld in de voorafgaande ‘Bespreking’; de afwezigheid van [verzoeker] in GO! MSKA Roeselare van 27 april 2023 tot 21 mei 2023 als ongewettigd te betitelen.” Dat is de bestreden beslissing. IX-10.347-5/18 IV. Onderzoek van het enige middel 4. De bestreden beslissing schendt volgens verzoeker: “- Het hoorrecht als beginsel van behoorlijk bestuur (audi et alteram partem) in samenlezing met het zorgvuldigheidsbeginsel; - Art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; - Art. 2.1.2. van de Omzendbrief 13AC/B.Ph./SH/ja [bedoeld wordt: 13AC/B.Ph./SH/js] van 20.01.1999 betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte, in samenlezing met het beginsel van de bewijskracht van stukken overeenkomstig de artikelen 8.17, 8.18 en 8.25 Burgerlijk Wetboek, minstens het principe van de miskenning van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken; - Het redelijkheidsbeginsel, in samenlezing met het vertrouwensbeginsel.” A. Eerste middelonderdeel Standpunt van de partijen 5. In de toelichting bij het middel stelt verzoeker in een eerste middelonderdeel dat de bestreden beslissing voor hem grievend is en dat hem daarom, voorafgaand aan het nemen ervan, de mogelijkheid moest worden geboden om zijn standpunt kenbaar te maken. Verzoeker betoogt dat hij niet, alleszins niet rechtsgeldig, werd gehoord. De brief die hem op 26 mei 2023 werd toegezonden, nodigde hem immers enkel uit om een verklaring te geven voor het niet-aanmelden bij de controlearts; daarop heeft verzoeker geantwoord en in de bestreden beslissing wordt bevestigd dat hem ter zake niets te verwijten valt. Voor zover evenwel de bestreden beslissing eveneens steunt op de overweging dat hij heeft nagelaten om zo snel mogelijk zijn afwezigheidsattest naar de school en naar Certimed te sturen, is verzoeker nooit de kans geboden om op nuttige wijze standpunt in te nemen. De verwerende partij kan volgens verzoeker niet dienstig verwijzen naar de telefonische oproepen, eensdeels omdat verzoeker die oproepen ten gevolge van zijn medische toestand niet kon beantwoorden en anderdeels omdat uit het schrijven van 26 mei 2023 kon worden opgemaakt dat de school hem enkel met betrekking tot de ziektecontrole poogde te bereiken. Smartschool is naar het oordeel van verzoeker dan weer niet een platform dat zich leent tot individuele IX-10.347-6/18 communicatie, omdat hierop allerlei berichten worden geplaatst (berichten van ouders, van leerlingen, algemene informatie enzovoort) die telkens een melding genereren en verzoeker tijdens zijn ziekteverlof niet mag worden geacht dit op te volgen. Verzoeker stipt nog aan dat hij, ware hij wél gehoord, het bestuur had kunnen wijzen (
- i)op de vaste werkwijze van de school om afwezigheidsattesten ten laatste aan het einde van een periode van arbeidsongeschiktheid te bezorgen, (
- ii)op het feit dat hem nog niet eerder was gevraagd om het attest in te leveren en (iii) op het gegeven dat in het verleden, bij eerdere periodes van arbeidsongeschiktheid, nooit is gevraagd om een attest vroeger in te leveren. Verzoeker besluit dat de hoorplicht werd geschonden en dat de bestreden beslissing niet met de vereiste zorgvuldigheid werd voorbereid. 6. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij vooreerst een exceptie van gemis aan belang op. Zij betoogt dat wanneer datgene wat bij het horen zou worden aangevoerd niet tot een andere beslissing zou leiden, de betrokkene geen belang heeft om een schending van de hoorplicht aan te voeren. Dat is volgens de verwerende partij te dezen het geval, in de eerste plaats omdat zowel uit de ingeroepen omzendbrief als uit het besluit van de Vlaamse regering van 8 december 1993 ‘betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte’ waarop deze omzendbrief steunt, volgt dat het niet onmiddellijk bezorgen van het afwezigheidsattest aan de directeur leidt tot een ongewettigde afwezigheid. Die verplichting, zo stipt de verwerende partij aan, is niet voorgeschreven “nadat de directeur om het attest heeft gevraagd” en een beweerde werkwijze uit het verleden doet aan dat voorschrift geen afbreuk. Bovendien, zo doet de verwerende partij gelden, ontkent verzoeker niet dat hij het afwezigheidsattest niet onmiddellijk aan de directie bezorgde, zodat niet wordt ingezien waarom hij, mocht hij alsnog worden gehoord, het tegendeel zou beweren, temeer nu verzoeker ook geen overmacht ter sprake brengt en de argumenten die hij thans aanvoert inhoudelijk niet kunnen overtuigen. Zij wijst ook erop dat verzoeker erkent dat hij via Smartschool en telefoon werd verzocht om zijn afwezigheidsattest te bezorgen en dat het niet reageren op die berichten onder de verantwoordelijkheid van verzoeker valt. IX-10.347-7/18 Voorts stelt de verwerende partij dat de hoorplicht niet van toepassing is omdat de vast te stellen afwezigheid een loutere feitelijkheid is waarvan de juridische kwalificatie afhankelijk is van de vraag of al dan niet is voldaan aan de voorwaarden voor een gewettigde afwezigheid. De verwerende partij besluit hieruit dat er geen toestand bestaat waarin elke afwezigheid per definitie wettig is en alleen onwettig wordt wanneer het bestuur dat beslist. Verwijzend naar ’s Raads arrest nr. 136.027 van 14 oktober 2004 betoogt de verwerende partij dat verzoeker bijgevolg geen recht heeft op een gewettigde afwezigheid waarvan het voordeel – de betaling van het salaris – hem door de bestreden beslissing werd onthouden. Tot slot argumenteert de verwerende partij dat verzoeker wel degelijk werd gehoord. Zij stelt dat verzoeker op 5 mei 2023 via Smartschool werd bevraagd omtrent zijn afwezigheidsattest en dat hij uit het aangetekend schrijven van de algemeen directeur van 26 mei 2023 kon opmaken dat er over zijn afwezigheid uitspraak zou worden gedaan “en werd uitgenodigd om zijn standpunt kenbaar te maken”. Deze beide stukken samen vormen volgens de verwerende partij een duidelijke uitnodiging om standpunt in te nemen. Zij stipt nog aan dat een uitnodiging in het kader van de hoorplicht op zich niet aan bijzondere vormvoorwaarden is gebonden, dat het in een schoolomgeving “perfect normaal [is] dat tussen school en personeelsleden wordt gecommuniceerd via het platform Smartschool”, dat verzoeker zulks ook uitdrukkelijk erkent en dat die communicatie in verzoekers individuele functiebeschrijving is opgenomen. De verwerende partij voegt eraan toe dat zij heeft vastgesteld dat verzoeker na het verzenden van het bericht van 5 mei 2023 minstens op vier verschillende dagen op Smartschool heeft ingelogd en dus kon opmerken dat er een bericht van de directie was verzonden. De stelling van verzoeker dat hij dagelijks tientallen notificaties van berichten op Smartschool ontvangt en niet geacht kan worden te controleren of er berichten van de directie tussen zitten, overtuigt de verwerende partij niet. Verzoeker, zo stelt zij, was immers in de betrokken periode geen klastitularis of stagebegeleider, zodat hij niet dermate veel notificaties kan hebben ontvangen dat IX-10.347-8/18 het bericht van de directie aan zijn aandacht is ontsnapt, temeer nu de afzender en de titel van dat bericht ook meteen zichtbaar zijn. 7. In haar laatste memorie volhardt de verwerende partij in haar standpunt. Zij voegt eraan toe dat de naleving van de hoorplicht geen doel op zich vormt en dat de betrokkene aannemelijk moet maken dat zijn verweer, ware hij gehoord, tot een andere beslissing had kunnen leiden. Ter zake stelt de verwerende partij dat wat verzoeker aanvoert als argumenten die hij aan het college van directeurs had willen voorleggen, de strekking van de beslissing niet zou hebben gewijzigd en zij herhaalt dat geen overmacht wordt aangevoerd. Beoordeling 8. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat de overheid haar beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld en een nauwgezette belangenafweging zodat de overheid op basis van een afdoend en volledig onderzoek van het concrete geval tot haar besluit komt. De overheid is dus onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. 9.1. De hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur houdt in dat tegen niemand een maatregel kan worden getroffen die van aard is om zijn belangen op meer dan geringe wijze aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt voorafgaand aan zulke beslissing op nuttige wijze te doen kennen. De finaliteit van de hoorplicht bestaat erin, enerzijds, de betrokkene in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze te laten kennen over het bestaan en de juiste toedracht van de feiten die ten grondslag liggen aan de voorgenomen maatregel en, anderzijds, wanneer de overheid een discretionaire bevoegdheid uitoefent, hem in de gelegenheid te stellen zijn standpunt over de IX-10.347-9/18 inhoud of de opportuniteit van de te nemen maatregel te laten kennen. Het bestuur is echter niet verplicht de betrokkene te horen wanneer de feiten, zonder nader onderzoek, vatbaar zijn voor directe, eenvoudige vaststelling door het bestuur en er dus niets kan worden ingebracht tegen deze feitelijke vaststellingen. Het horen over de feiten heeft alleen zin wanneer de feiten vatbaar zijn voor betwisting. 9.2. De hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur houdt niet in dat het bestuur verplicht zou zijn de betrokkene letterlijk te “horen”. Het volstaat dat de betrokkene de gelegenheid krijgt zijn standpunt op een nuttige wijze uiteen te zetten, hetgeen ook schriftelijk kan gebeuren. Dat “horen” moet gebeuren vóór de beslissing wordt genomen, zodat de zienswijze van de gehoorde mee betrokken kan worden in de besluitvorming. De vraag of aan de hoorplicht is voldaan, moet voorts in concreto worden beantwoord. 10. Aan verzoeker wordt aangerekend dat hij ongewettigd afwezig is gebleven. De bestreden beslissing die dit vaststelt heeft voor hem negatieve gevolgen, zowel op administratief als geldelijk vlak, en treft verzoeker bijgevolg op een meer dan geringe wijze. Verzoeker moest derhalve in de gelegenheid worden gesteld om nuttig voor zijn standpunt op te komen. 11. De verwerende partij beroept zich op de uitzondering die in de rechtspraak wordt aangenomen voor feiten die voor eenvoudige vaststelling vatbaar zijn en waarvoor het hoorrecht niet geldt. Dat betoog overtuigt niet. IX-10.347-10/18 Zo de afwezigheid zélf van verzoeker voor directe, eenvoudige vaststelling vatbaar is, is dat allerminst het geval voor het antwoord op de vraag naar het al dan niet gewettigd zijn van die afwezigheid. Dit vereist een nader onderzoek van concrete omstandigheden, niet het minst het voorhanden zijn van overmacht. Aan de beoordeling van die omstandigheden liggen feitelijke vaststellingen ten grondslag die door het personeelslid betwist kunnen worden. De verwijzing door de verwerende partij naar ’s Raads arrest nr. 136.027 van 14 oktober 2004 is bij dit alles niet dienend. Voorwerp van het geschil in die zaak was de weigering tot afgifte van een wapenvergunning, waaromtrent de Raad oordeelde dat zulk een beslissing geen voordeel ontneemt dat eerder zou zijn verleend en de betrokkene dus geen recht kan doen gelden om zijn zienswijze over de voorgenomen maatregel naar voren te brengen. Daarvan verschilt wezenlijk de in casu voorliggende situatie van een personeelslid dat in beginsel recht heeft op behoud van salaris tijdens een ziekteverlof, tenzij dat personeelslid zich in een omstandigheid bevindt die dat recht alsnog doet vervallen. 12.1. Zo verzoeker aannemelijk moet maken dat, ware hij wél gehoord, het college van directeurs tot een andere beslissing had kunnen komen, dan is niet vereist dat verzoeker ten overstaan van de Raad van State álle argumenten moet uiteenzetten die hij bij dat horen kan doen gelden. Het valt immers niet aan de Raad van State als legaliteitsrechter, maar aan het bestuur toe om die argumenten ten gronde te beoordelen. Verzoeker overtuigt te dezen ervan dat hij in het kader van de hoorplicht argumenten ter beoordeling had kunnen voorbrengen. 12.2. De beoordeling van die argumenten behoort overeenkomstig artikel 27 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 ‘betreffende het Gemeenschapsonderwijs’ (“bijzonder decreet”) vervolgens tot de uitsluitende bevoegdheid van het college van directeurs. Met het weerspreken ervan in de IX-10.347-11/18 memories in de huidige procedure die overeenkomstig artikel 30, § 3, van het bijzonder decreet uitgaan van de algemeen directeur van de scholengroep, kan dan ook geen rekening worden gehouden. 13. Uit wat hiervóór is overwogen, volgt dat de verwerende partij ook niet kan worden bijgevallen in haar betoog dat het verzoeker ontbreekt aan belang om zich op het recht om te worden gehoord te beroepen. Het is immers niet uitgesloten dat het college van directeurs, na verzoeker te hebben gehoord, zou beslissen dat het bezorgen van het medisch attest op 21 mei 2023 niet zonder rechtvaardiging is. 14.1. Het betoog van de verwerende partij tot slot dat verzoeker, hoe dan ook, wel degelijk werd gehoord, kan de Raad van State niet bijvallen. 14.2. In het aangetekend schrijven van de algemeen directeur van 26 mei 2023 wordt verzoeker enkel gevraagd om “zo snel mogelijk […] een schriftelijke verklaring te geven voor het niet aanmelden bij de ziektecontrole”. Het is, nog steeds volgens diezelfde brief, ook enkel daarover dat het college van directeurs zou worden gevat: “[i]k wil u er ook op wijzen dat – als het College van Directeurs daartoe zou beslissen – uw ongewettigde afwezigheid loopt zolang u zich niet aan de controle hebt onderworpen.” Op die kwestie heeft verzoeker op 1 juni 2023 – blijkens de bestreden beslissing: op overtuigende wijze – geantwoord. Het inleveren van een medisch attest komt evenwel in de brief van 26 mei 2023 geheel niet ter sprake, zodat verzoeker niet is gevraagd om daarover standpunt in te nemen en hij bijgevolg via die brief daarover ook niet is gehoord. 14.3. Voorts stelt de verwerende partij dat verzoeker via een bericht op Smartschool op 5 mei 2023 werd bevraagd omtrent zijn medisch attest. Ook dat argument overtuigt de Raad van State niet. IX-10.347-12/18 De Raad merkt vooreerst op dat in dit bericht, dat uitgaat van een secretariaatsmedewerker, enkel wordt geïnformeerd of het medisch attest reeds is toegezonden: “Dag [verzoeker] Hopelijk al wat beter? Zou je al een afwezigheidsattest opgestuurd hebben? Ik heb voorlopig nog niets ontvangen op school denk ik. Laat je me zo snel mogelijk iets weten hierover aub?” Dit bericht heeft niets van doen met de gebeurlijke vaststelling dat het medisch attest niet (tijdig) werd bezorgd en een vraag naar verzoekers standpunt omtrent het voornemen om hem op grond daarvan ongewettigd afwezig te verklaren. Het gegeven dat in verzoekers functiebeschrijving met betrekking tot ‘Planning, voorbereiding en administratieve taken’ is vermeld “[d]e afspraken rond organisatie van het leerproces en administratie van de school naleven en toepassen via Smartschool” overtuigt bovendien niet ervan dat verzoeker het platform Smartschool moet raadplegen in het kader van de communicatie over zijn afwezigheid met de school of het schoolbestuur tijdens zijn ziekteverlof, een periode waarin hij niet wordt geacht deze ‘Planning, voorbereiding en administratieve taken’ te vervullen. Het feit dat tevergeefs telefonisch contact met verzoeker werd gezocht, volstaat niet om te besluiten dat aan de hoorplicht is voldaan. Aan verzoeker is immers ook via die weg niet meegedeeld welke beslissing er werd overwogen en waarover hij zijn standpunt kon doen gelden. Bij dit alles stipt de Raad nog aan dat er – zoals reeds overwogen in arrest nr. 247.581 van 19 mei 2020 – grenzen zijn aan het streven van een bestuur om in zijn procedures en formele contacten met zijn personeel overdreven formalisme te willen vermijden. Aan het hoorrecht in het kader van een procedure IX-10.347-13/18 tot vaststelling van een ongewettigde afwezigheid wordt niet voldaan door middel van (onbeantwoorde) telefonische oproepen. 15. Het eerste middelonderdeel is gegrond. IX-10.347-14/18 B. Tweede middelonderdeel Uiteenzetting van het middelonderdeel 16. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel stelt verzoeker niet te betwisten dat op hem de verplichting rust om het afwezigheidsattest te bezorgen, maar dat de bestreden beslissing niet kan worden bijgevallen wat de termijn betreft waarbinnen dat moet gebeuren. Verzoeker betoogt dat uit artikel 2.1.2 van omzendbrief 13AC/B.Ph./SH/js (hierna: “de omzendbrief”) wél volgt dat de “directie onmiddellijk moet worden verwittigd” – wat volgens verzoeker ook is gebeurd – maar níét dat het afwezigheidsattest “zo snel mogelijk” moet worden bezorgd. Aldus, zo stelt verzoeker, wordt aan de omzendbrief een lezing gegeven die niet met de tekst ervan overeenstemt en wordt bijgevolg de bewijskracht van die omzendbrief geschonden. Bovendien is het voor verzoeker niet duidelijk wat de juridische grondslag van de bestreden beslissing is, doordat geen artikel van de vóórmelde omzendbrief wordt aangewezen, zodat hij ook de formelemotiveringsplicht geschonden acht. 17. In de memorie van wederantwoord doet verzoeker, onder verwijzing naar een arrest van het arbeidshof te Brussel van 14 april 2015, nog gelden dat de aangehaalde omzendbrief enkel een interpretatieve waarde heeft en niet de rechtsgrond voor de bestreden beslissing kan vormen. 18. In zijn laatste memorie weerspreekt verzoeker het standpunt in het auditoraatsverslag dat de verplichting om het medisch attest onmiddellijk te bezorgen volgt uit artikel 2.8 van de omzendbrief. Beoordeling 19. Artikel 2.1.2 van de omzendbrief luidt, voor zover hier relevant: “Bij afwezigheid wegens ziekte voor meer dan één dag moet het personeelslid: IX-10.347-15/18 de afwezigheid onmiddellijk meedelen aan de directeur; een afwezigheidsattest, zijnde een doktersbriefje, bezorgen aan de directeur; een volledig ingevuld medisch attest opsturen naar het controleorgaan.” In artikel 2.8 van diezelfde omzendbrief is bepaald: “Sancties Personeelsleden worden als onwettig afwezig beschouwd en verliezen hun recht op salaris of salaristoelage voor de duur van de afwezigheid, als zij: […] bij meerdere dagen afwezigheid de vereiste attesten niet of niet onmiddellijk naar hun directeur sturen en naar het controleorgaan; […].” 20. Daargelaten dat de beide bepalingen van de omzendbrief wat de termijn voor het bezorgen van het medisch attest betreft onzorgvuldig op elkaar zijn afgestemd, moet verzoeker worden bijgevallen in zijn standpunt dat de omzendbrief geen verordenend karakter heeft en bijgevolg niet de rechtsgrond voor de bestreden beslissing kan vormen. De verwijzing in de bestreden beslissing naar enkel een niet-verordenende omzendbrief is evenmin erg zorgvuldig. Anders dan verzoeker betoogt evenwel, is de Raad van State niet ervan overtuigd dat het de bestreden beslissing daarom aan elke rechtsgrond ontbreekt. De aangehaalde omzendbrief vermeldt immers uitdrukkelijk als “wettelijke basis”, het besluit van de Vlaamse regering van 8 december 1993 ‘betreffende de controle op de afwezigheid wegens ziekte’ (“ziektecontrolebesluit”). Dat moest voor verzoeker bij het ter hand nemen van de omzendbrief ook voldoende duidelijk zijn. 21. Artikel 5, eerste zin, van het ziektecontrolebesluit luidt: “Bij een afwezigheid wegens ziekte van meer dan één dag stuurt het personeelslid onmiddellijk een afwezigheidsattest naar de directeur en een medisch attest naar het controleorgaan.” IX-10.347-16/18 Van deze bepaling moet toepassing worden gemaakt en die bepaling verplicht het personeelslid wel degelijk ertoe om het medisch attest “onmiddellijk” aan de directeur te bezorgen. 22. Het tweede middelonderdeel faalt naar recht. C. Derde middelonderdeel Uiteenzetting van het middelonderdeel 23. In een derde middelonderdeel betoogt verzoeker dat de bestreden beslissing het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel schendt, doordat op de school “sedert jaar en dag” de volgende werkwijze wordt gehanteerd bij afwezigheid door ziekte: de zieke leraar verwittigt het secretariaat of de directie (voor het eerste lesuur), het medisch attest wordt spoedig bezorgd aan Certimed en ten laatste bij terugkeer uit ziekteverlof levert het personeelslid het afwezigheidsattest af op het secretariaat. Die werkwijze, zo stelt verzoeker, werd ook gevolgd bij zijn afwezigheid wegens ziekte in januari 2023 en hierover werd nooit een opmerking gemaakt. Verzoeker meent dan ook erop te kunnen vertrouwen dat die vaste gedragslijn zou worden gevolgd, zodat de bestreden beslissing, door zulks niet te doen, het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel miskent. Beoordeling 24. Uit de bespreking van het eerste middelonderdeel is gebleken dat de bestreden beslissing niet kan standhouden omdat ze de hoorplicht miskent. Daaruit volgt dat het college van directeurs verzoeker de mogelijkheid moet bieden om zijn standpunt omtrent het al dan niet tijdig indienen van zijn medisch attest te doen kennen. Verzoeker heeft in het kader daarvan de mogelijkheid om inzage of kopie van zijn personeelsdossier te vragen en in voorkomend geval zijn argumentatie aan de hand daarvan te onderbouwen. IX-10.347-17/18 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van het college van directeurs van scholengroep 26 Kortrijk Mandel en Leie van 14 juni 2023 waarbij de afwezigheid van D.Q. van 27 april 2023 tot 21 mei 2023 als ongewettigd wordt aangemerkt. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.347-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.346 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div