id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.347 Rolnummer: A. 240700/IX-10392 Zaak: Arrest 262347 - Tucht (openbaar ambt) - 13/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-17 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-17 03:01 Fiche Arrest nr 262.347 van 13 februari 2025 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Inwilliging tussenkomst Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 262.347 van 13 februari 2025 in de zaak A. 240.700/IX-10.392 In zake : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 26 Kortrijk xplora, voorheen Mandel en Leie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nicolaas Vinckier kantoor houdend te 8800 Roeselare Hoogleedsesteenweg 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : I.D. woonplaats kiezend te -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 december 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs van 3 oktober 2023 waarbij de op 20 juni 2023 door de raad van bestuur van scholengroep 26 Mandel en Leie van het Gemeenschapsonderwijs aan I.D. opgelegde tuchtstraf ‘schorsing gedurende één maand’ wordt vernietigd en “impliciet maar zeker wordt geweigerd om [I.D.] schuldig te bevinden aan het tuchtfeit van 1 maart 2023 en haar daarvoor een tuchtsanctie op te leggen”. IX-10.392-1/25 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. I.D. heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 januari
- Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Maximilien Storme, die loco advocaat Nicolaas Vinckier verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- IX-10.392-2/25 III. Feiten 3.
- Verzoekster in tussenkomst is tijdens het schooljaar 2022-2023 als vast benoemd leraar levensbeschouwelijk onderricht (protestants-evangelische godsdienst) werkzaam in de school GO! Athena Campus Pottelberg te Kortrijk, waarvan de verzoekende partij het schoolbestuur is. 3.
- Op grond van twee vaststellingsfiches van de schooldirectie van 6 maart en 18 april 2023 beslist de raad van bestuur van de verzoekende partij om lastens verzoekster in tussenkomst een tuchtprocedure op te starten. De volgende twee feiten worden haar ten laste gelegd: “- Op 1 maart 2023 pas om 9.00 uur op school (GO! Athena Pottelberg) te zijn aangekomen, in plaats van om 8.15 uur, onder het mom van autopech terwijl [zij] de dag voordien, op 28 februari 2023, al aan de leerlingen had gemeld dat [zij] de dag nadien pas om 9.00 uur op school zou zijn en dat de leerlingen het eerste lesuur mochten skippen, waarbij [zij] het dus enerzijds op een akkoordje gooit met de leerlingen om een lesuur te laten wegvallen en [zij] dan achteraf ook nog liegt tegenover de directie over de ware reden van [haar] laattijdige aankomst op school. - In oktober 2021 in GO! Athena Heule aan de leerling [X] – die tijdens [haar] les zei dat hij depressies en suïcidale gedachten had – tijdens de les en dus in het bijzijn van zijn medeleerlingen te hebben voorgesteld om via bidden en handoplegging de uitdrijving van demonen bij hem te bewerkstelligen, waarna deze leerling zich angstig en beschaamd voelde en nooit meer een les bij [haar] wilde bijwonen, zodat hij ook effectief een andere keuze van levensbeschouwing gemaakt heeft, terwijl nu pas recent, via de zus en de moeder van deze leerling in GO! Athena Pottelberg de ware ernst van de feiten van oktober 2021 aan het licht kwam.” De raad van bestuur geeft zijn voornemen te kennen om voor deze feiten aan verzoekster in tussenkomst de tuchtmaatregel van het ontslag op te leggen. 3.
- Verzoekster in tussenkomst gehoord, beslist de raad van bestuur op 16 mei 2023 principieel om aan haar de tuchtstraf van het ontslag op te leggen. IX-10.392-3/25 De algemeen directeur van de scholengroep vraagt daarop aan de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of zij kan instemmen met deze tuchtmaatregel. Op 9 juni 2023 antwoordt de voorzitter van de vzw Comité Protestants-Evangelisch Godsdienstonderwijs, bij wijze van conclusie, wat volgt: “De Erkende Instantie van het Protestants-Evangelisch Godsdienstonderwijs stemt niet in met de tuchtmaatregel ‘ontslag’ voor de tenlastelegging van 1 maart 2023 en oktober 2021, zoals principieel beslist door de raad van bestuur op datum van 16 mei
- Voor de feiten van 1 maart 2023 kan de Erkende Instantie van het Protestants-Evangelisch Godsdienstonderwijs hoogstens instemmen met een tuchtmaatregel ‘blaam’.” 3.
- Op 20 juni 2023 beslist de raad van bestuur van de betrokken scholengroep dat alleen de eerste tenlastelegging – op 1 maart 2023 te laat op school aankomen – is bewezen. Aan verzoekster in tussenkomst wordt de tuchtstraf ‘schorsing voor één maand’ opgelegd. Verzoekster in tussenkomst dient daarop bezwaar in bij de kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs. 3.
- Op 3 oktober 2023 vernietigt de kamer van beroep de tuchtmaatregel ‘schorsing voor één maand’. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “4.
- Artikel 61, § 1, tweede lid van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs stipuleert uitdrukkelijk dat een tuchtstraf aan een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht enkel kan worden opgelegd ‘op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer’. Het betreft een substantieel vormvoorschrift dat dient te worden nageleefd opdat op rechtsgeldige wijze een tuchtstraf kan worden opgelegd. De Kamer van beroep benadrukt dat de algemene formulering van deze bepaling het niet toelaat om een onderscheid te maken naargelang de IX-10.392-4/25 tuchtfeiten verband zouden houden met louter niet-vakinhoudelijke of niet-vaktechnische aspecten, dan wel met louter vakinhoudelijke of vaktechnische aspecten (vgl. art. 73decies, § 3 van voormeld decreet). Uit de bewoording van de toepasselijke bepaling blijkt duidelijk dat voor een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, zoals in casu, elke specifieke tuchtmaatregel slechts kan worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer. 4.
- De Kamer van beroep stelt vast dat de brief d.d. 9 juni 2023 van de Erkende Instantie van het Protestants-Evangelisch Godsdienstonderwijs geen voorstel noch een instemming bevat om de door de verwerende partij [versta: de huidige verzoekende partij] aangenomen tuchtmaatregel op te leggen. Aangezien de door de verwerende partij [versta: de huidige verzoekende partij] opgelegde tuchtmaatregel niet is genomen op voorstel of met instemming van de Erkende Instantie van het Protestants-Evangelisch Godsdienstonderwijs, miskent de bestreden beslissing een substantiële voorwaarde. 4.
- Gelet op het voorgaande beslist de Kamer van beroep om de tuchtmaatregel te vernietigen.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Tussenkomst
- Verzoekster in tussenkomst blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing die een aan haar opgelegde tuchtmaatregel vernietigt. Zij heeft er bijgevolg belang bij dat het beroep wordt verworpen. Het verzoek tot tussenkomst moet worden ingewilligd. V. Onderzoek van het eerste middelonderdeel van het enige middel Standpunt van de partijen
- Een enig middel is geput uit de schending van de artikelen 61, § 1, tweede lid, en 71, tweede lid, van het decreet van 27 maart 1991 ‘betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs’ (“rechtspositiedecreet”), artikel 33septies, § 4, van het besluit van de Vlaamse IX-10.392-5/25 Regering van 22 mei 1991 ‘omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en tucht in het gemeenschapsonderwijs’ (“tuchtbesluit”), het “beginsel van de devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep”, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”), de “in artikel 33decies van het [tuchtbesluit] begrepen formele motiveringsplicht”, de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek “en de daarin begrepen bewijskracht van een akte”, de formele- en materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. In het eerste middelonderdeel acht de verzoekende partij de bestreden beslissing onwettig “doordat de verwerende partij uitdrukkelijk beslist om de opgelegde tuchtmaatregel ‘schorsing gedurende één maand’ te vernietigen (omdat het voorstel of de instemming van de Erkende Instantie van het Protestants Evangelisch godsdienstonderwijs ontbrak), zonder na te gaan en daarover te beraadslagen en te stemmen of het tenlastegelegde tuchtfeit ook in beroep bewezen was, [de tussenkomende partij] daaraan schuldig was en haar daarvoor een andere mildere tuchtsanctie kon en moest worden opgelegd en geen tuchtsanctie op te leggen. Daardoor schond de verwerende partij de devolutieve werking die aan het georganiseerd beroep toekomt en nam zij impliciet doch zeker de beslissing [de tussenkomende partij] niet schuldig te bevinden en haar geen tuchtsanctie op te leggen zonder deze beslissing ook maar enigszins te motiveren. De verwerende partij handelde zodoende niet zorgvuldig en kwam te kort aan zowel de formele als materiële motiveringsplicht”. De verzoekende partij licht toe dat uit de voormelde bepalingen van het rechtspositiedecreet volgt dat de tuchtstraffen op het niveau van de scholengroep worden opgelegd door de raad van bestuur en dat tegen zo een beslissing een georganiseerd administratief beroep openstaat bij de kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs, die de bevoegdheid heeft om de tuchtstraf te bevestigen of te vernietigen, of om een lichtere tuchtstraf uit te spreken. Overeenkomstig artikel 33septies, § 4, van het tuchtbesluit kan de kamer van beroep de door de tuchtoverheid uitgesproken sanctie niet verzwaren. IX-10.392-6/25 Uit de voormelde bepalingen en uit het beginsel van de devolutieve werking van het administratief beroep volgt, zo betoogt de verzoekende partij, dat de kamer van beroep over dezelfde ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid als de raad van bestuur van de scholengroep beschikt. De devolutieve werking van het administratief beroep impliceert niet alleen de mogelijkheid voor de kamer van beroep om de tuchtzaak opnieuw te beoordelen. Zij heeft de verplichting dit te doen. Dit betekent dat de kamer van beroep zich niet ertoe mag beperken de uitspraak van de raad van bestuur te vernietigen. Zij moet opnieuw oordelen over het al dan niet bewezen zijn van de tuchtfeiten en desgevallend over de daaraan te koppelen tuchtsanctie. Artikel 61, § 1, tweede lid, van het rechtspositiedecreet bepaalt dat een tuchtstraf aan een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht enkel mag worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer. Dit voorstel en deze instemming worden volgens de verzoekende partij niet aan enig formalisme onderworpen, zodat ze op gelijk welke wijze kunnen worden geformuleerd en bijvoorbeeld kunnen blijken uit een brief van de bevoegde instantie. Veeleer dan als een vormvoorwaarde is dit voorstel of deze instemming dan ook te kwalificeren als een materiële voorwaarde voor het opleggen van deze of gene tuchtstraf aan een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht. Een tuchtorgaan dient, zowel in eerste aanleg als in graad van administratief beroep, erop toe te zien dat de tuchtstraf die door het orgaan wordt opgelegd, aan deze voorwaarde voldoet. De verzoekende partij is zich ervan bewust dat het voorstel of de instemming temporeel vóór het opleggen van de tuchtsanctie moet worden geformuleerd of verkregen. De verzoekende partij argumenteert dat, zelfs indien het voorschrift van artikel 61, § 1, tweede lid, van het rechtspositiedecreet moet worden gekwalificeerd als een substantiële vormvereiste, een eventueel IX-10.392-7/25 vormgebrek in dat verband in de loop van de tuchtprocedure – en dus ook bij de behandeling in beroep met devolutieve werking – kan worden rechtgezet. Dit kan door alsnog deze vormvereiste in acht te nemen, mits geen afbreuk wordt gedaan aan het normdoel dat de vormvoorwaarde tracht te beschermen. Dat een tuchtsanctie in eerste aanleg niet voldoet aan deze vormvereiste, belet niet dat in graad van administratief beroep een tuchtsanctie wordt opgelegd die wel aan deze vormvoorwaarde tegemoetkomt. De verzoekende partij wijst erop dat de ter zake bevoegde instantie in haar brief van 9 juni 2023 ermee heeft ingestemd dat voor de tuchtfeiten van 1 maart 2023 de tuchtstraf van de blaam zou worden opgelegd. In de bestreden beslissing wordt volgens de verzoekende partij vooreerst geoordeeld dat het voorschrift van artikel 61, § 1, tweede lid, van het rechtspositiedecreet een substantieel vormvoorschrift is. Vervolgens wordt vastgesteld dat de brief van 9 juni 2023 van de bevoegde instantie geen voorstel van of instemming met de door de raad van bestuur opgelegde tuchtmaatregel ‘schorsing voor één maand’ bevat. De kamer van beroep vernietigt deze tuchtmaatregel wegens miskenning van wat als een substantiële voorwaarde werd beschouwd. De verzoekende partij betoogt dat de kamer van beroep vervolgens impliciet maar zeker weigert om een andere tuchtsanctie op te leggen, namelijk de blaam, waarmee de bevoegde instantie nochtans had ingestemd. De kamer van beroep verzuimt ook om na te gaan of het tuchtfeit dat door de raad van bestuur bewezen werd geacht, ook in beroep bewezen blijft en weigert dus impliciet om de tussenkomende partij schuldig te achten aan het ene tuchtfeit. De impliciete beslissing om geen enkele tuchtsanctie op te leggen en om de tussenkomende partij niet schuldig te bevinden aan het betrokken tuchtfeit wordt op geen enkele wijze gemotiveerd, zo meent de verzoekende partij. Nochtans volgt uit artikel 33decies van het tuchtbesluit en de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet dat de beslissingen van de kamer van beroep gemotiveerd IX-10.392-8/25 moeten zijn. Deze formelemotiveringsplicht volgt ook uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur verplichten de kamer van beroep ertoe bij het nemen van haar beslissingen – ook bij impliciete beslissingen – het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht in acht te nemen. Wanneer niet wordt nagegaan of een tuchtfeit in beroep bewezen is, niet wordt geoordeeld over de schuld van betrokkene en niet wordt nagegaan of voor een tuchtfeit een tuchtsanctie – in dit geval de blaam – kan worden opgelegd, dan wordt volgens de verzoekende partij niet zorgvuldig gehandeld. Doordat elke motivering ontbreekt waarom de tussenkomende partij niet schuldig wordt bevonden of waarom geen tuchtsanctie wordt opgelegd, kan niet worden nagegaan op welke materiële motieven deze beslissing steunt. De verzoekende partij benadrukt nog dat het impliciete karakter van de bestreden beslissing, geenszins betekent dat de kamer van beroep van de voormelde motiveringsverplichtingen en beginselen van behoorlijk bestuur is vrijgesteld.
- In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij wat volgt: “III.
- Er bestaat uiteraard geen algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van de formele motiveringsplicht. De materiële motiveringsplicht is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, maar er bestaat geen algemeen beginsel van de formele motiveringsplicht. De verzoekende partij heeft zich wel daaromtrent beroepen op de wet van 29 juli
- Maar in de mate het eerste middel ook gebaseerd is op een niet-bestaand algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, is dit middel onontvankelijk, minstens kennelijk ongegrond. III.
- Het eerste middel gaat grotendeels uit van een verkeerde lezing van het betwiste besluit. De Kamer van Beroep heeft zich er zonder meer toe beperkt vast te stellen dat in tegenstrijd met artikel 61, laatste lid Decreet Rechtspositie Gemeenschapsonderwijs de sanctie van 1 maand schorsing is opgelegd, zonder dat er daaromtrent een voorstel was gedaan door de erkende instantie van het Protestants-Evangelisch Godsdienstonderwijs, en ook zonder consensus. Integendeel, er is net een weigering van de erkende instantie met betrekking tot een hogere sanctie dan een blaam. Dit werd aanzien als een substantieel vormvoorschrift, uiteraard, en dit impliceerde IX-10.392-9/25 dat door de schending van dit substantiële vormvoorschrift, het tuchtbesluit vernietigd werd. De stelling van de verzoekende partij die dan vooral ontwikkeld wordt onder het eerste onderdeel dat eerst moest onderzocht worden of het ten laste gelegde tuchtfeit ook in beroep bewezen was, wat niet gebeurde wat dan een schending zou inhouden van een aantal bepalingen, is naast de kwestie. Niet zozeer omdat de materialiteit van het eerste tuchtfeit eigenlijk nooit betwist was, waardoor de vraag eigenlijk rijst waarover dan wel zou moeten overlegd worden. Eigenlijk was dit eerste tuchtfeit as such niet eens ter discussie. Waarom er zou moeten overlegd worden over een niet- bediscussieerd feit, dat blijft een open vraag. III.
- Maar er is natuurlijk meer. Zelfs als er nog discussie zou geweest zijn over dit feit – quod certe non – dan nog zou er uitgegaan zijn van een verkeerde lezing van het betwiste besluit door de verzoekende partij. Er werd nu eenmaal vastgesteld dat er een sanctie werd opgelegd die niet de sanctie was die was voorgesteld door de erkende instantie of waarmee de instantie akkoord ging. En daarmee viel het doek. Er is een tuchtmaatregel opgelegd die net niet het akkoord wegdraagt van de erkende instantie en dit kan niet. Meer hoeft het ook niet te zijn en meer heeft de Kamer van Beroep ook niet gemotiveerd. III.
- Op een wat complexe manier snijdt de verzoekende partij eigenlijk de rechtsvraag aan, de juridische discussie aan, wat moet begrepen worden onder de devolutiviteit van het beroep bij de Kamer van Beroep. De verzoekende partij is eigenlijk van mening, maar die mening berust op een verkeerde lezing van de rechtsregels die de verzoekende partij inroept, dat de Kamer van Beroep klaarblijkelijk dan zelf in de plaats van de verzoekende partij, een consensus met de erkende instantie moest bewerkstelligen. Eerst en vooral weze herhaald: de relevantie van de uitweiding over het al dan niet bewezen zijn van het eerste tuchtfeit, ontgaat de verwerende partij. Dat dit eerste tuchtfeit bewezen is, dit staat eigenlijk niet ter discussie. Waarover er dan zou moeten beraden zijn, dit blijft een open vraag. De verzoekende partij is daar wel geconfronteerd met het verweer van [de tussenkomende partij], verweer dat is hernomen op één of andere wijze door [de tussenkomende partij] in haar verzoek aan de Kamer van Beroep, nl. dat zij effectief een uurtje ‘opzettelijk gespijbeld’ heeft als lerares, maar dat dit toch niet in verhouding staat met de vele uren die zij te veel heeft moeten werken, dat de directie geen aandacht had voor haar, dat er geen redelijke aanpassingen waren, dat er met de VOP-premie niet gewerkt werd naar behoren, enzovoort. Maar er wordt voorbijgegaan aan de evidentie door de verzoekende partij: daarover hoefde de Kamer van Beroep geen onderzoek te doen. Het zou bijvoorbeeld anders zijn indien de erkende instantie akkoord was gegaan met een hogere sanctie, dat bijvoorbeeld een sanctie was opgelegd met het akkoord van de erkende instantie van 1 maand schorsing, waarna [de tussenkomende partij] dit zou kunnen betwisten voor de Kamer van IX-10.392-10/25 Beroep en van mening zijn dat een lagere sanctie zou moeten opgelegd worden, wat de visie van de erkende instantie ook mocht zijn. Een lagere sanctie zou kunnen opgelegd worden binnen de devolutiviteit van het beroep, en dat zou ook niet weerhouden of tegengewerkt kunnen worden door het feit dat de erkende instantie met een hogere sanctie akkoord ging. Maar daarover gaat het natuurlijk niet. Nogmaals: er kan enkel een tuchtsanctie worden opgelegd met consensus van de erkende instantie, die consensus was er hier duidelijk niet, en er is dus vernietigd. De verzoekende partij betoogt daaromtrent ten onrechte dat de Kamer van Beroep niet enkel moest vernietigen maar dan zelf een bepaalde sanctie opleggen. III.
- Als de verzoekende partij goed begrepen wordt, redeneert de verzoekende partij als volgt:
- De Kamer van Beroep beschikt over een devolutieve beroepsbevoegdheid.
- De erkende instantie ging akkoord met een blaam.
- Als de Kamer het feit bewezen acht, wat de Kamer eerst en vooral zou moeten onderzoeken, onderzoek dat hier geen zin heeft, dan zou de Kamer dan moeten oordelen dat de Kamer dus de blaam oplegt, want daarmee ging de erkende instantie akkoord. Daarbij rijst dan natuurlijk meteen de vraag dat als de verzoekende partij dat meent, waarom de verzoekende partij dan niet zelf heeft gedaan wat hier volgens haar de evidentie zelve is, nl. de blaam opleggen? A fortiori, rijst dan die vraag waar behoorlijk snel […] zeer duidelijk de inbreng van de inspectie en ook van de erkende instantie naar voor kwam. Zeer duidelijk werd er door de inspectie en de erkende instantie om meer overleg gevraagd. Men hield zich ook ter beschikking. En de tuchtoverheid wist perfect dat de tuchtoverheid de consensus nodig had. Maar als dan gemotiveerd wordt over de uiteindelijke sanctie, wordt plots aan de bevindingen van de inspectie en de erkende instantie voorbij gegaan. Hoe valt dit eigenlijk te verklaren? En is het dan toch wel niet uiterst merkwaardig dat de verzoekende partij naar de Raad van State stapt met verzoek de Kamer van Beroep te zeggen voor recht, waar het toch voor de hand lag dat de tuchtinstantie dit zelf moest gedaan hebben, nl. dat overeenkomstig de consensus met de erkende instantie een blaam werd opgelegd? De proceshouding van de verzoekende partij is toch de merkwaardigheid zelf. III.
- Er kan met de verzoekende partij akkoord gegaan worden dat de Kamer van Beroep over een ruime bevoegdheid beschikt, gezien de Kamer van Beroep oordeelt in laatste aanleg. Het gaat dus om een werkelijk devolutief beroep. Maar er zijn ook zaken die zonder meer niet herstelbaar zijn, hoe devolutief het beroep nu ook is. Wat volstrekt nietig is, kan niet onder het mom van devolutiviteit opnieuw tot leven worden gewekt. Aldus kan de Kamer van Beroep, ook al oordeelt de Kamer in laatste aanleg, geen sanctie opleggen als de feiten verjaard zijn. Of als er geen tuchtvordering is ingesteld op een correcte wijze. IX-10.392-11/25 En ook als er niet voldaan is aan art. 61, § 1, laatste lid van het Decreet Rechtspositie Gemeenschapsonderwijs waar duidelijk wordt aangegeven: ‘Betreft het een leerkracht Levensbeschouwelijk Onderricht, dan kan de tuchtstraf enkel worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.’ Dit is een absolute voorwaarde, er kan enkel een tuchtstraf worden opgelegd op voorstel van of met instemming van. Er moest evenwel vastgesteld worden dat er een sanctie ter beoordeling werd voorgelegd, die zonder meer niet voldeed aan deze substantiële voorwaarde. Die dus volstrekt nietig was. De Kamer van Beroep kan hervormen, zonder een hogere sanctie te mogen opleggen, in die zin moet de autonomie van de Tuchtoverheid klaarblijkelijk behouden worden (en moet ook het beschikkingsbeginsel van de tuchtrechtelijke beroeper gerespecteerd worden). Maar wat niet is, en wat nooit kon zijn, kan niet hervormd worden. De schending, zelfs klaarblijkelijk bewuste schending als het dossier goed gelezen wordt, van dit substantiële voorschrift van art. 61 § 1, laatste lid Decreet Rechtspositie, is niet herstelbaar, is niet remedieerbaar. III.
- Het middel van verzoekende partij dat de Kamer van Beroep zou moeten doen wat de verzoekende partij klaarblijkelijk poneert zelf te hebben kunnen gedaan, maar bewust niet te hebben gedaan, mist dus elke grond.”
- Met betrekking tot het enige middel blijft het betoog van de tussenkomende partij ertoe beperkt te hopen “op een volledig bekijken van [haar] dossier” en dat de Raad van State “oordeelt dat de kamer van beroep juist heeft gehandeld en [zij] geen sanctie verdien[t]”.
- In haar laatste memorie noemt de verwerende partij de bestreden beslissing “echt eenvoudig”: “Er is een sanctie opgelegd met miskenning van een substantiële vorm, dit wordt dus vernietigd. Net zoals men bij vaststelling van verjaring niet moet gaan onderzoeken of de feiten nu al dan niet gebeurd zijn, of ze strafwaardig zijn, of het de juiste sanctie zal zijn, net als het daar zou volstaan verjaring te constateren, volstaat het te constateren dat de sanctie is opgelegd met schending van art. 61 § 1, laatste lid Decreet Rechtspositie Gemeenschapsonderwijs. Enkel en alleen als die vernietiging door de Kamer zou vernietigd worden, zou dan het onderzoek moeten gevoerd worden of al dan niet er een tuchtfeit is gepleegd (maar daarover is er eigenlijk niet echt veel discussie, ook niet bij de levensbeschouwelijke instantie, dat is enkele malen in de memorie van antwoord aangegeven, maar dat is eigenlijk niet echt nodig om daarop in IX-10.392-12/25 te gaan omdat dit niet aan de orde was en pas aan de orde zou zijn na een vernietiging door uw Raad).” Voorts verdedigt de verwerende partij de stelling dat “[d]e devolutiviteit […] niet [kan] opgerekt worden tot op een niveau waar in eerste aanleg om niets zou moeten gekeken worden, en waar substantiële vormvoorschriften willens en wetens naast zich zouden neergelegd worden”. De verwerende partij ziet geen onderscheid tussen het geval waarin werd nagelaten de instemming te vragen en dit waarin wel om de instemming werd verzocht, maar deze vervolgens terzijde wordt gelaten. De verwerende partij benadrukt het belang van het substantieel vormvoorschrift van de instemming. Zij verwijst daarbij naar de artikelen 21 en 24, § 3, van de Grondwet en rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State. Zij besluit in dat verband: “Kortom, de leraar levensbeschouwelijke vakken is uiteraard een leraar die niet gelijk is aan een andere leraar in het gemeenschapsonderwijs, gezien deze leraar levensbeschouwelijke vakken net fungeert op het identiteitseiland binnen het onderwijspersoneel in het officieel onderwijs. Identiteitseiland waarop ouders voor de opvoeding van hun kinderen net een beroep kunnen doen, zoals grondwettelijk vastgelegd. En over de identiteit kan enkel de levensbeschouwelijke instantie zich uitspreken en kan de levensbeschouwelijke instantie als enige oordelen wat de gevolgen zijn van het niet respecteren van die identiteit door de onderwijsleraar die op dit levensbeschouwelijke identiteitseiland fungeert.” Volgens de verwerende partij is het betrokken vormvoorschrift zelfs grondwettelijk verankerd: “Kortom, het gaat om een substantieel vormvoorschrift, geworteld in de Grondwet, vanaf
- Dit is helemaal geen bagatel dus, waarmee nu eens in bepaalde hypotheses rekening zou moeten gehouden worden, in andere hypotheses niet […].” De verwerende partij betoogt voorts nog: IX-10.392-13/25 “II.
- Een leraar levensbeschouwelijke vakken heeft dus de garantie dat op het identiteitseiland waar hij zich bevindt, of in de hybride statutaire situatie zoals het Grondwettelijk Hof het omschrijft, hij zich bevindt, hij of zij kan rekenen op de statutair, zelfs grondwettelijk, verankerde positie van de levensbeschouwelijke instantie. (Precies omwille van het grote belang van de rol van de levensbeschouwelijke instantie met betrekking tot het hybride statuut van de leraar levensbeschouwelijke vakken, heeft Uw Raad overigens ook gewezen dat de RIBZ beantwoordt aan het voor de rechtsmacht van de Raad van State uiteindelijk determinerende criterium, met name de vraag of hij beslissingen kan nemen die derden kunnen binden. Dit is uiteraard positief beantwoord door Uw Raad, waardoor Uw Raad daaromtrent ook rechtsmacht heeft. Cfr. R.v.St. nr. 172.519, 21 juni 2007 en R.v.St. nr. 172.737, 26 juni 2007 en de noot daaromtrent M. van Stiphout ‘De juridische bevoegdheden van de levensbeschouwelijke instanties voor de organisaties van het godsdienstonderwijs en van de niet-confessionele zedenleer in Vlaanderen’, T.O.R.B., 2007-2008, 234-239.) Het ware een aanfluiting van het decretale voorschrift, met constitutionele verankering, als dit pas zou kunnen nadat die persoon zich dan maar heeft verhaald tegen een besluit dat daartegen indruist. Het substantieel karakter van het voorschrift van art. 61 § 1 laatste lid is zo fundamenteel, dat het niet kan weggemoffeld of weggegoocheld worden met de stelling dat men zich dan maar in beroep moet voorzien als men die garantie wil, en dat in beroep dan die garantie kan gegeven worden. En wie niet in beroep gaat, die zou dus kunnen fluiten naar die garantie. Het enige wat men daarover kan zeggen, is dat dit een onaanvaardbare aanfluiting zou zijn van art. 61 § 1 laatste lid decreet rechtspositie Gemeenschapsonderwijs en van art. 21 en art. 24 van de Grondwet. II.
- Er zijn nu eenmaal een aantal uiterst fundamentele garanties, waar men hoe dan ook steeds moet kunnen op rekenen, ook in eerste aanleg. Zo is het evident dat een tuchtrechtelijke opgeroepene moet gehoord worden en er zou niet kunnen geredeneerd worden dat het horen dan maar voor het eerst moet gebeuren door de Kamer van Beroep. Want de Kamer van Beroep hoort evidentelijk. En dan zouden er ook geen aparte hypotheses moeten gemaakt worden – en zonder verwarring te willen stichten maar precies om de waarheid te willen vinden, zal er op deze hypotheses even gewezen worden – als zou het dan niet onder de banier van devolutiviteit kunnen rechtgezet worden als men niet gehoord wordt, maar dan eventueel wel als men gehoord wordt maar dat men geen dossier had gekregen om het horen voor te bereiden? Men wordt gehoord of niet gehoord dat is het. En dat is niet recht te zetten. Men heeft dus de mening van de levensbeschouwelijke instantie te respecteren en als men dat niet doet, kan er zonder meer geen tuchtsanctie worden opgelegd, daarmee valt het doek. En dan moeten er ook geen hypotheses gezocht worden van een tuchtoverheid die het gevraagd heeft IX-10.392-14/25 of niet gevraagd heeft, van een tuchtoverheid die het gevraagd heeft maar dan gewoon naast zich heeft neergelegd. Het substantiële vormvoorschrift is zo fundamenteel, dat wie het niet respecteert, zonder meer geen tuchtsanctie meer kan opleggen. Oordelen in de zin zoals gevraagd door de verzoekende partij, zou er kunnen toe leiden dat in de toekomst er bij de tuchtrechtelijke beoordeling, zonder meer niet gevraagd wordt naar de instemming van de levensbeschouwelijke erkende instantie of als dit dan toch zou gebeuren, dit zonder meer naast zich wordt neergelegd. Een systeem dat er zou op neerkomen dat het substantieel vormvoorschrift enkel dan maar zou moeten gerespecteerd worden als de tuchtrechtelijk beteugelde de grote inspanning doet om zich in verhaal te voorzien voor de Kamer van Beroep, is zonder meer onbestaanbaar met het zeer fundamentele en constitutioneel verankerde karakter van dit substantieel vormvoorschrift. II.
- Er moet ook nog verwezen worden naar een tekstargument. Art. 61 § 1 laatste lid van het Decreet rechtspositie Gemeenschapsonderwijs luidt als volgt: ‘Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, dan kan de tuchtstraf enkel worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet confessionele zedenleer’. Kortom, het gaat over ‘de tuchtstraf’. Er kan niet geredeneerd worden dat dit voorschrift naast zich neer wordt gelegd, de tuchtstraf kan zonder meer niet worden uitgesproken zonder die instemming. II.
- En tenslotte, de verzoekende partij legt een substantieel vormvoorschrift voor zich neer, verdedigt zich daaromtrent niet voor de Kamer van Beroep, maar komt dan naar Uw Raad om te poneren dat de Kamer moet teruggefloten worden, in die zin dat de Kamer de verzoekende partij ook [al] had moeten terugfluiten, maar klaarblijkelijk op een wat mindere manier dan ze gedaan had. Waar de verzoekende partij bewust het substantieel vormvoorschrift naast zich neergelegd heeft. Welnu, nemo auditur propriam turpitudinem allegans. Als verzoekende partij zelf bewust het decreet overtreedt, mag de verzoekende partij de hoop niet koesteren dat haar eigen turpitudo dan maar door de Kamer van Beroep wordt rechtgezet, Kamer van Beroep die dat alleen maar kan trouwens als de Kamer van Beroep daartoe gesolliciteerd wordt door degene wie onrecht is aangedaan. Een dergelijke redenering kan niet bijgetreden worden. In casu is er geen sprake van een of andere onduidelijkheid in het schrijven van de levensbeschouwelijke instantie waar er dan eventueel discussie kan ontstaan, neen, het komt er zonder meer op neer dat de standpuntbepaling van de levensbeschouwelijke instantie door de verzoekende partij vlakaf is genegeerd en naast zich neergelegd. Dit is niet herstelbaar.” Beoordeling IX-10.392-15/25
- Met de bestreden beslissing vernietigt de kamer van beroep de aan de tussenkomende partij opgelegde tuchtstraf ‘schorsing gedurende één maand’ op grond van de vaststelling dat de bevoegde instantie in haar brief van 9 juni 2023 deze tuchtmaatregel noch heeft voorgesteld, noch daarmee heeft ingestemd. Aldus heeft de raad van bestuur van de verzoekende partij een substantiële voorwaarde miskend, zo besluit de kamer van beroep. De vormvoorwaarde waaraan de kamer van beroep refereert, is neergelegd in artikel 61, § 1, tweede lid, van het rechtspositiedecreet: “Betreft het een leerkracht levensbeschouwelijk onderricht, dan kan de tuchtstraf enkel worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer.”
- Dat de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer de tuchtstraf zelf moet voorstellen of minstens haar instemming ermee moet verlenen, is een substantiële vormvereiste. Ze is niet uitdrukkelijk op straffe van nietigheid voorgeschreven.
- Met de kamer van beroep leest de Raad van State in de brief van 9 juni 2023 van de betrokken bevoegde instantie geen voorstel tot of instemming met de tuchtsanctie ‘schorsing gedurende één maand’. Wél heeft de bevoegde instantie in die brief te kennen gegeven dat zij “[v]oor de feiten van 1 maart 2023 […] hoogstens [kan] instemmen met een tuchtmaatregel ‘blaam’”. Die mededeling kan niet anders worden begrepen dan dat de bevoegde instantie voor die “feiten” – het enige tuchtfeit waarvoor de tussenkomende partij met de vernietigde tuchtbeslissing van 20 juni 2023 werd gestraft – instemt met de tuchtmaatregel van de blaam. Ze stemt “hoogstens” in met de tuchtstraf van de blaam en bijgevolg alléén daarmee, aangezien die IX-10.392-16/25 tuchtstraf naar luid van artikel 61, § 1, eerste lid, van het rechtspositiedecreet de lichtste straf is.
- Aan de substantiële vorm van artikel 61, § 1, tweede lid, van het rechtspositiedecreet is bijgevolg voldaan wanneer aan de tussenkomende partij “hoogstens” de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd.
- Thans rijst de vraag wat in dat geval de opdracht van de kamer van beroep is.
- De kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs is een orgaan van de Vlaamse Gemeenschap dat krachtens artikel 71, tweede lid, van het rechtspositiedecreet over een hervormingsbevoegdheid beschikt: “De kamer van beroep doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep dat een personeelslid heeft ingesteld tegen de tuchtstraf die de raad van bestuur […] heeft uitgesproken. De kamer van beroep heeft de bevoegdheid om de tuchtstraf te bevestigen of te vernietigen, of om een lichtere tuchtstraf uit te spreken. […]”
- Ingevolge de zogenaamd devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep verwerft de kamer van beroep de beslissingsmacht over de tuchtzaak zelf, op dezelfde wijze als de tuchtoverheid binnen de scholengroep, en zij stelt haar beslissing in de plaats van die van de laatstgenoemde overheid. Dit houdt in dat de kamer van beroep – uitgezonderd op het vlak van de straftoemeting die zij niet mag verzwaren – over dezelfde ruime discretionaire bevoegdheid beschikt als de tuchtoverheid binnen de scholengroep om te oordelen over de bij haar aanhangig gemaakte tuchtzaak en om naar aanleiding van de aan een personeelslid toegeschreven feiten tuchtrechtelijk op te treden. De kamer van beroep spreekt zich uit op grond van een eigen beoordeling, zowel in rechte als in feite. IX-10.392-17/25
- Omdat haar beslissing in de plaats komt van de oorspronkelijke tuchtbeslissing, is de kamer van beroep ertoe gehouden haar bevoegdheid volledig uit te putten. In de voorliggende zaak betekent zulks, bijvoorbeeld, dat de kamer van beroep de feiten voor niet-bewezen mag houden, mag oordelen dat voor deze feiten geen tuchtsanctie wordt opgelegd, dat zij een andere kwalificatie aan de feiten mag geven of een andere – lichtere – tuchtstraf mag opleggen. Zij is niet beperkt tot het hanteren van louter wettigheidsargumenten en zij mag in voorkomend geval haar eigen opportuniteitsoordeel over wat in de concrete omstandigheden van de zaak als een aangepaste tuchtmaatregel te beschouwen is, in de plaats stellen van de zienswijze die de oorspronkelijke tuchtoverheid erop nahield. Van de kamer van beroep wordt niet op grond van de formelemotiveringswet verwacht dat zij expliciteert om welke redenen zij het eventueel anders ziet dan de oorspronkelijke tuchtoverheid; het volstaat dat zij als tuchtoverheid in hoger beroep motiveert hoe zij het zelf ziet en wat háár ertoe brengt te beslissen wat zij heeft beslist. De kamer van beroep is daarbij niet verplicht om in te gaan op de redenen die de in eerste aanleg bevoegde tuchtoverheid ertoe hebben aangezet om een bepaalde beslissing te nemen, zij is niet gebonden door argumenten die werden aangewend in die voorafgaande administratieve procedure en zij is er niet toe gehouden te verantwoorden waarom zij de opvatting van de in eerste aanleg bevoegde tuchtoverheid als zodanig niet bijvalt.
- In de voorliggende zaak volgt uit wat voorafgaat dat de kamer van beroep, na de vaststelling dat de oorspronkelijke tuchtoverheid aan de tussenkomende partij een tuchtmaatregel had opgelegd waarvoor zij niet over het vereiste voorstel of de vereiste instemming van de bevoegde instantie beschikte en na de vernietiging van de oorspronkelijke tuchtbeslissing om die reden, moest nagaan of zij, om haar bevoegdheid volledig uit te putten, als beroepsinstantie zelf nog een nieuwe beslissing mocht – en in bevestigend geval: moest – nemen. IX-10.392-18/25
- In de bestreden beslissing is niet uitdrukkelijk geargumenteerd waarom de kamer van beroep van oordeel is dat zij geen nieuwe beslissing mocht nemen. 19.
- In de procedure voor de Raad van State betoogt de verwerende partij dat “er […] zaken [zijn] die zonder meer niet herstelbaar zijn, hoe devolutief het beroep nu ook is” en dat “[w]at volstrekt nietig is, […] niet onder het mom van devolutiviteit opnieuw tot leven [kan] worden gewekt”. Dat standpunt is, zoals gezien sub 18, niet te lezen in de bestreden beslissing. Voorts blijkt uit niets dat het aan de kamer van beroep is toe te schrijven en dat het dus op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, de reden is geweest waarom zij op het stuk van het ene tuchtfeit er het zwijgen toe doet. Zelfs als voor het debat wordt aangenomen dat de kamer van beroep op grond van die gedachtegang van oordeel was dat zij, na de vernietiging van de oorspronkelijke tuchtbeslissing, géén nieuwe beslissing over de zaak mócht nemen, bedenkt de Raad van State dat dat standpunt in de voorliggende zaak hoe dan ook niet kan overtuigen. 19.
- Wat in deze zaak “nietig” – of beter: onwettig – is wegens het ontbreken van de instemming van de bevoegde instantie in de zin van artikel 61, § 1, tweede lid, van het rechtspositiedecreet met de tuchtsanctie ‘schorsing gedurende één maand’, is hoogstens die tuchtsanctie. Waarom daardoor de tuchtprocedure in haar geheel zou zijn aangetast, verduidelijkt de verwerende partij niet in de memorie van antwoord. 19.
- De vergelijking die zij aldaar maakt met tuchtfeiten die verjaard zijn, gaat in ieder geval niet op. De verjaring van (alle) ten laste gelegde tuchtfeiten sluit de tuchtrechtelijke vervolging ervoor volkomen uit. Alsdan moet IX-10.392-19/25 het beroepsorgaan zich beperken tot het vaststellen van de verjaring en het ongedaan maken van de tuchtbeslissing die op deze verjaarde tuchtfeiten steunt. Daarmee is de bevoegdheid van het beroepsorgaan immers uitgeput. 19.
- De vraag of een onvolkomenheid bij de start van de tuchtvordering het opleggen van een tuchtsanctie door een beroepsorgaan onmogelijk maakt, kan en hoeft de Raad van State te dezen niet te beantwoorden. Bij die vergelijking laat de verwerende partij immers in het geheel na te preciseren welk gebrek zij bedoelt. 19.
- In haar laatste memorie beargumenteert de verwerende partij het “fundamentele karakter” van de betrokken substantiële vormvereiste. Wat de aard van het betrokken vormvoorschrift ook mag zijn, het verandert niets aan de inhoud ervan. De vormvereiste vraagt dat voor het opleggen van een tuchtstraf aan een leerkracht levensbeschouwelijke vakken een voorstel daartoe uitgaat van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer, dan wel dat die bevoegde instantie met de door de tuchtoverheid voorgestelde tuchtstraf instemt. Niets meer, niets minder. Zoals gezien, heeft de betrokken bevoegde instantie in deze zaak in de brief van 9 juni 2023 ingestemd met de tuchtstraf van de blaam. Evenmin wijzigt het “fundamentele karakter” van de betrokken vormvoorwaarde iets aan de bevoegdheid van de kamer van beroep.
- De verwerende partij neemt vooral aanstoot eraan dat haar beslissing aan de Raad van State wordt voorgelegd op vraag van de verzoekende partij, die zelf zou hebben nagelaten de bepalingen van artikel 61, § 1, tweede lid, van het rechtspositiedecreet na te leven. Gewis kan dat een bijzondere situatie worden genoemd. IX-10.392-20/25 Dat de verzoekende partij zelf niet in overeenstemming met de voormelde bepalingen van het rechtspositiedecreet zou hebben gehandeld, ontneemt haar evenwel niet het recht of het belang om een onwettige beslissing die haar benadeelt, te doen vernietigen. De verwerende partij verwijst in dat verband ten onrechte naar het rechtsadagium nemo auditur propriam turpitudinem allegans. Dit beginsel houdt in essentie in dat niemand zich op zijn eigen tekortkomingen of fouten kan beroepen. Er valt niet in te zien hoe de verzoekende partij zich in deze procedure op een eigen tekortkoming of fout beroept ter ondersteuning van haar vordering. Zij vraagt niet de annulatie van de bestreden beslissing in de mate dat ze de oorspronkelijke tuchtbeslissing vernietigt. Zij vraagt alleen dat de kamer van beroep zich uitspreekt over het tuchtfeit dat aan de tussenkomende partij ten laste is gelegd en dat zij, met andere woorden, haar bevoegdheid volledig uitput.
- De verwerende partij betoogt, tot slot, dat de kamer van beroep een fout van de oorspronkelijke tuchtoverheid alleen maar kan rechtzetten als zij “daartoe gesolliciteerd wordt door degene wie onrecht is aangedaan”. Als zij daarmee bedoelt dat zij gebonden is door de beroepsargumenten van de bezwaarindiener, moet worden herhaald dat het beroep bij de kamer van beroep devolutieve werking heeft. Dit betekent dat alle aspecten van de zaak opnieuw ter beoordeling voorliggen en dat de beroepsinstantie daarbij over een even ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid als de oorspronkelijke tuchtoverheid beschikt.
- Het middelonderdeel is in de aangegeven mate gegrond. VI. Omvang van de nietigverklaring en gevolgen van het vernietigingsarrest
- De verzoekende partij vordert de nietigverklaring van de bestreden beslissing, niet omdat daarmee de oorspronkelijke tuchtbeslissing van 20 juni 2023 is vernietigd omwille van het gebrek aan instemming van de IX-10.392-21/25 bevoegde instantie met de opgelegde tuchtmaatregel, maar wél omdat de kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs volgens de verzoekende partij “impliciet maar zeker” heeft geweigerd om de tussenkomende partij schuldig te bevinden aan het tuchtfeit van 1 maart 2023 en haar daarvoor een tuchtsanctie op te leggen. 24.
- Anders dan de verzoekende partij het ziet, blijkt uit wat voorafgaat dat de kamer van beroep met betrekking tot het ene tuchtfeit, níéts heeft beslist, noch uitdrukkelijk, noch impliciet. Wat niet bestaat – zelfs niet impliciet – kan ook niet vernietigd worden. 24.
- Maar er is meer. De jurisprudentiële techniek van de bijkomende vernietiging van een impliciete weigeringsbeslissing strekt ertoe de verzoekende partij ruimere waarborgen te verschaffen wat het rechtsherstel betreft dat na een nietigverklaring door de overheid moet worden verstrekt. Naar het oordeel van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (arrest nr. 222.357 van 1 februari 2013) moet deze techniek weliswaar worden voorbehouden aan uitzonderlijke gevallen. Hoewel de Raad van State in dat verband als exceptioneel geval “bij uitstek” beschouwt datgene waarin de verzoekende partij specifiek aannemelijk maakt, in haar middelen, dat het aan een derde verstrekte voordeel integendeel aan haarzelf moest zijn toegekend – geval dat thans niet voorligt – sluit hij andere dergelijke exceptionele gevallen niet bij voorbaat uit. Wél doet de Raad opmerken dat hun uitzonderlijkheid dan toch steeds op een overtuigende, afdoende wijze beargumenteerd moet zijn geworden door de verzoekende partij. Een dergelijke overtuigende, afdoende argumentatie van de zijde van de verzoekende partij ontbreekt evenwel. IX-10.392-22/25 Bovendien zou de vernietiging van de impliciete weigering om de tussenkomende partij schuldig te bevinden aan en te straffen voor het tuchtfeit van 1 maart 2023, strijden met de hiervóór sub 15, 16 en 21 in herinnering gebrachte ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid waarover de kamer van beroep ter zake beschikt.
- De hierna uit te spreken vernietiging laat de vernietiging van de oorspronkelijke tuchtbeslissing van 20 juni 2023 onverlet en ziet alleen op de verplichting van de kamer van beroep om zich over het ene tuchtfeit – in welke zin dan ook – uitdrukkelijk uit te spreken. VII. Kosten
- In haar laatste memorie doet de verwerende partij nog gelden wat volgt: “En a fortiori kan wie aldus redeneert, dan ook niet menen dat, waar de tuchtrechtelijk beteugelde nu eenmaal de Kamer heeft moeten vatten om de substantiële bescherming te bekomen, de kosten voor de procedure bij Uw Raad ten laste van de verwerende partij zouden moeten gelegd worden. In deze specifieke omstandigheden kan er hoe dan ook geen kost ten nadele van de verwerende partij worden gelegd.”
- Gelet op de hiervóór vastgestelde onwettigheid, moet de verwerende partij als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 68, vijfde lid, van het algemeen procedurereglement worden beschouwd. De kosten moeten, overeenkomstig dezelfde bepaling, ten laste van de verwerende partij worden gelegd. Dat de kamer van beroep zelf eerst een onwettigheid heeft vastgesteld in de oorspronkelijke tuchtbeslissing van de verzoekende partij, verandert daaraan niets. BESLISSING IX-10.392-23/25
- Het verzoek van I.D. tot tussenkomst wordt ingewilligd.
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs van 3 oktober 2023 waarbij de op 20 juni 2023 door de raad van bestuur van scholengroep 26 Mandel en Leie van het Gemeenschapsonderwijs aan I.D. opgelegde tuchtstraf ‘schorsing gedurende één maand’ wordt vernietigd, in de mate dat geen uitspraak over het tuchtfeit van 1 maart 2023 wordt gedaan.
- De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter IX-10.392-24/25 Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.392-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.347 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div