id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.355 Rolnummer: A. 243509/XII-9805 Zaak: Arrest 262355 - Voedselveiligheid (FAVV) - 14/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-20 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-17 03:01 Fiche Arrest nr 262.355 van 14 februari 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 262.355 van 14 februari 2025 in de zaak A. 243.509/XII-9805 In zake: G.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joris Claes en Aline Mertens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 tegen: het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN (FAVV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 19 november 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het FAVV van 20 september 2024 waarbij overeenkomstig artikel 6, §2, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 ‘houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen’ alle runderen aanwezig op verzoekers bedrijf in beslag worden genomen. XII-9805-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 februari
- Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Laura Roose, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij , zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker exploiteert een landbouwbedrijf in Beveren-Waas. Het bedrijf omvat onder meer een rundveehouderij. 3.
- Naar aanleiding van plannen voor de uitbreiding van de infrastructuur van de Antwerpse Haven met een nieuwe containerdok worden er in de omgeving en op gronden van verzoekers bedrijf bodemonderzoeken uitgevoerd door de nv Tractebel engineering. De resultaten daarvan leiden er toe dat er bij meerdere landbouwbedrijven en bij particulieren in de omgeving testen worden XII-9805-2/14 uitgevoerd op dieren en landbouwproducten (gewassen, eieren, melk en vlees) en op groenten uit moestuinen. De nv Tractebel laat aan de verwerende partij onder meer weten dat er in twee door verzoeker in april 2024 afgegeven stalen rundsvlees (van eenzelfde rund) een te hoge concentratie PFOS (een van vele stoffen van de PFAS-groep) wordt aangetroffen. Ook bij twee andere landbouwbedrijven in de omgeving wordt PFOS-contaminatie van runderen vastgesteld en worden er door de verwerende partij maatregelen opgelegd. Ook deze maatregelen maken het voorwerp uit van vorderingen tot schorsing ( gekend de rolnummers A. 243.945/XII-9827 en A. 243.949./XII-9829). 3.
- In juli 2024 verricht de verwerende partij zelf een staalname op een (om andere redenen) geëuthanaseerd rund (dit is de koe “6124” waarvan sprake in de bestreden beslissing). Op 17 juli 2024 laat de verwerende partij aan verzoeker weten dat uit de analyse opnieuw een overschrijding van de normen blijkt. Verzoeker maakt geen gebruik van de mogelijkheid om een tegenanalyse te vragen. 3.
- Op 24 juli 2024 legt de verwerende partij bij toepassing van artikel 6, § 1, van het koninklijk van 22 februari 2001 ‘houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen’ (hierna: koninklijk van 22 februari 2001) bezwarend beslag op alle runderen op verzoekers bedrijf, met het oog op onderzoek of analyse. Op 22 augustus 2024 wordt dit bewarend beslag verlengd, en worden bloedstalen genomen bij 14 runderen, die zo worden geselecteerd dat ze door rekening te houden met de leeftijd, met de tijd die de dieren hebben doorgebracht op het bedrijf, met de plaatsen waar de dieren hebben gegraasd, … een representatief beeld zouden geven van de hele rundveestapel. 3.
- De analyses van deze bloedstalen wijzen er volgens de verwerende partij op dat alle runderen op het bedrijf zijn gecontamineerd met PFOS, in concentraties die de normen inzake voedselveiligheid overschrijden. Op XII-9805-3/14 13 september stelt de verwerende partij verzoeker hiervan in kennis, en deelt zij haar voornemen mee om over te gaan tot een definitieve inbeslagneming. 3.
- Verzoeker laat zijn bezwaren kennen. 3.
- Op 20 september 2024 beslist de verwerende partij om bij toepassing van artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 beslag te leggen op de 225 op het bedrijf aanwezige runderen en op alle runderen die er vanaf deze datum geboren worden of worden aangekocht, op grond van de volgende overwegingen: “In de geuite bezwaren vertrekt men verkeerdelijk vanuit het idee dat deze definitieve inbeslagname zal leiden tot de euthanasie van de gehele veestapel. Zoals men verder zal kunnen lezen in deze brief, heeft het FAVV geen intentíe tot opleggen van deze maatregel. Bovendien legt art.6 §2 van het KB van 22 februarí 2001 geen euthanasie noch vernietiging van de díeren op. Bovendien heeft het FAVV vanaf de start van deze problematiek op het bedrijf van meneer Meersschaert laten weten dat de kalveren tot de leeftijd van 30 dagen het bedrijf mogen verlaten om te worden vetgemest in een vleeskalverhouderij. U beperkt zich in uw bezwaar tot het toepassen van art. 6 §2 van het KB van 22 februari 2001 en dat deze zich zou beperken tot schadelijke en schadelijk verklaarde producten, maar het artikel verwijst ook naar producten die niet conform zijn aan de bepalingen van de wet die ze regelt of aan de uítvoeringsbesluiten ervan. De Europese Verordening (EC) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong definieert in zijn bijlage I het vlees als volgend: 1.
- Vlees: eetbare delen van de in de punten 1.2 tot en met 1.8 bedoelde dieren, inclusíef het bloed. Aangezien de waarden van het bloedmonster bij alle bemonsterde dieren hoger zijn dan de norm vastgelegd voor vlees, dienen de dieren beschouwd te worden als zijnde niet conform aan de wettelijke bepalingen. Het FAVV stelt dat de rechten tot verdediging niet geschonden werden gezien het FAVV ter plaatse is geweest om de intentie kenbaar te maken en de toen gemaakte bezwaren genoteerd had in het missierapport. Bijkomend houdt het recht op verdediging niet in dat het FAVV verplicht is om de betrokkene fysiek te horen. Het FAVV heeft de betrokkene gevraagd om een schriftelijk verweer in te dienen gezien u reeds lang op de hoogte bent van de problematiek. Door deze acties, kan het FAVV stellen dat het de rechten tot. Verdediging gerespecteerd heeft. Uit alle gesprekken die gehouden werden met de heer Meersschaert, zowel telefonisch als ter plaatse tijdens de bezoeken, is steeds naar boven gekomen dat de heer Meersschaert niet bereid was om de kosten te betalen. Gezien de veehouder verantwoordelijk is voor het betalen van de tegenanalyse, gezien XII-9805-4/14 dit dient te gebeuren door een labo dat geaccrediteerd is voor dergelijke analyse, gezien het enige geschikte labo het labo Vito is dat €300 vraagt per analyse, werd de betrokkene niet rechtstreeks gevraagd indien híj een tegenanalyse wenst of niet. Het staat hem uiteraard vrij om opnieuw bloedstalen te nemen van de 14 bemonsterde dieren indien de betrokkene onze resultaten betwist. Indien de betrokkene effectief gebruik wenst te maken van zijn recht tot tegenanalyse, kan hij dit communiceren naar zijn LCE OVB ten laatste op dinsdag 24 september
- Het FAVV betwist de bewering dat de betrokkene geen inzage had in de staalname, gezien de veehouder aanwezig was tijdens de bloedname uitgevoerd door de medewerkers van het FAVV Het labo VITO voert de analyses uit volgens de werkwijze die geaccrediteerd is door BELAC onder certificaatnummer 045-TEST. In uw bezwaar is ook te lezen dat het FAVV niet alle dieren bemonsterd heeft en stelt u dat hierdoor niet alle díeren als schadelijk kunnen beschouwd worden gezien PFOS niet besmettelijk is. Het is inderdaad zo dat PFOS niet besmettelijk is en gaat zich inderdaad niet verspreiden, het FAVV maakt deze claim dan ook niet. Maar PFOS is een contaminant dat men kan terugvinden in de bodem en het water. Zoals u ook kan lezen op onze website wordt PFAS nauwelijks afgebroken in een dergelijke omgeving. (bron: https://favv-afsca.be/nl/pfas-veel-gestelde-vragen#Q3). Dieren contamineren zich door opnemen van gecontamineerd voeder, door het drinken van gecontamineerd water en door te grazen op gecontamineerde weiden. Dieren die gehouden worden onder dezelfde omstandigheden zullen zich op dezelfde wijze contamineren waardoor een monstername van een representatief staal van, in het geval van de heer Meersschaert, 14 dieren, wetenschappelijk te verantwoorden is gezien de verschillende types van bemonsterde runderen en gezien de verschillende leeftijdscategorieën en de wijze waarop u uw dieren houdt. Alle dieren worden gehouden voor één van volgende redenen: • Fokstier: doen tijdens het graasseizoen meerdere weides aan; vertegenwoordigd door de bemonsterde dieren […] (4,5 jaar oud, waarvan 3,5 jaar aanwezig op het bedrijf en heeft nooit op het Verdronken Land van Saeftinghe gestaan) en […] (3,5 jaar oud); • Mestdieren: verlaten de bedríjfsruimten niet, vertegenwoordigt door de bemonsterde dieren […] (jong dier van 1,5 jaar), […] (jong dier van 1,5 jaar) en […] (dier van 3,5 jaar oud); • Afmestkoeien: dieren die meerdere jaren op het Verdronken Land van Saeftinghe hebben gestaan, en die na de fok afgemest worden om te worden geslacht, vertegenwoordigd door de díeren […] (7,5 jaar oud) en […] (5,5 jaar oud); • Fokkoeien: doen meerdere weides aan tot ze op het Verdronken Land van Saeftinghe worden geplaatst en daar meerdere jaren staan tijdens het graasseizoen. Dit zijn volgende dieren […] (6,5 jaar oud), […] (5,5 jaar oud), […] (3,5 jaar oud), […] (7,5 jaar oud), […] (7,5 jaar oud) en […] (4,5 jaar oud) waarvan 3,5 jaar aanwezig op het bedrijf). Het rund […] (3,5 jaar oud) heeft zích enkel verplaatst op de weiden nabij het bedrijf maar niet op het Verdronken Land van Saeftínghe. De 14 resultaten van het bloed kan u als bijlage vinden van dit schrijven maar overschrijden in alle stalen steeds de norm van PFOS in het vlees, zijnde 0,30 µg/kg volgens de Verordening 2023/915 en in tegenstelling tot wat het bezwaar aangeeft liggen de waarden van het bloed tussen de 0,8 µg/L en de 86 µg/L en is er maar één officieel staal genomen van vlees met een resultaat XII-9805-5/14 van 1,2 µg/kg bij het dier ‘6124’. Het FAW wenst er ook op te wijzen dat de koe “6124” op eigen wil van de heer Meersschaert geëuthanaseerd werd wegens ziekte. Het idee dat men op basís van één resultaat van één dier, een correlatie kan leggen tussen de waarde vastgelegd in het bloed en deze in het vlees en dit dan toepassen op alle dieren van het bedrijf van de heer Meersschaert, is wetenschappelijk niet te verantwoorden. Bovendien is het effect van de ziekte op de waarde in het vlees en in het bloed onvoldoende gekend om te kunnen besluiten dat de vastgestelde correlatie bij deze koe representatief is voor de veestapel van de heer Meersschaert, Íaat staan voor alle runderen in België of zelfs de wereld. Bijkomend werden de analyses uitgevoerd door het labo VITO dat geaccrediteerd is voor deze analyse door BELAC onder certificaatnummer 045-TEST, dít in tegenstelling [tot] het labo AML dat verantwoordelijk was voor de analyse van het bloed van het rund ‘6124’. Het FAVV is momenteel zelf bezig met een studie om te kijken of het inderdaad mogelijk is een correlatie te doen tussen de waarden Ín het bloed, deze in het vlees en deze in de lever. Het heeft bovendien een aanvraag ingediend bij het Wetenschappelijk Comité zich uit te spreken in deze materie. De vraag wordt gesteld waarom het FAVV een defínitief beslag legt op de dieren terwijl u geen acuut gevaar ziet voor de gezondheid. Het FAVV stelt dat er wel degelijk een (mínstens chronisch) gevaar bestaat voor de consumenten wanneer ze regelmatig in contact komen met gecontamineerde levensmiddelen en stelt dat het de taak van de operator is om de verontreiníging van de voedselketen moet voorkomen zoals gestipuleerd in de preambule van de Verordening 2023/915: De maximumgehalten moeten op een strikt niveau worden vastgesteld dat redelijkerwijs haalbaar is met goede landbouw-, visserij- en productiepraktijken en rekening houdend met de risico’s in verband met de consumptie van de levensmiddelen. In het geval van een mogelijk gezondheidsrisico moeten maximumgehalten voor verontreinigingen worden vastgesteld op een niveau dat zo laag als redelijkerwijs mogelijk (‘as low as reasonably achievable’, ALARA) is. Een dergelijke aanpak zorgt ervoor dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven maatregelen nemen om verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken met het oog op de volksgezondheid. Voorts is het met het oog op de bescherming van de gezondheid van zuigelingen en peuters, als kwetsbare groep, passend om de laagste maximumgehalten vast te stellen die kunnen worden bereikt door een strikte selectie van de grondstoffen die voor de productie van levensmiddelen voor die bevolkingsgroep worden gebruikt, in voorkomend geval gecombineerd met specifieke productiepraktijken. Deze strikte selectie van grondstoffen past ook bij de productie van specifieke levensmiddelen die in de handel worden gebracht voor de eindverbruiker en waarvoor een strikt maximumgehalte is vastgesteld om kwetsbare bevolkingsgroepen te beschermen. Het FAVV stelt dat zij als bevoegde autoriteit voor de veiligheid van de voedselketen, ervoor moet zorgen dat alleen dierlijke producten in de voedselketen gebracht worden die conform zijn aan alle wettelijke bepalingen en normen en stelt bijgevolg dat het verantwoord is om alle dieren van het bedrijf van de heer Meersschaert definitief in beslag te nemen zoals verder beschreven wordt. In uw bezwaren is er onduidelijkheid over de gebruikte normen, nochtans heeft het FAVV op 17 juli 2024 wanneer het niet conform resultaat voor het XII-9805-6/14 vleesmonster werd meegedeeld alsook bij de bewarende inbeslagname van 24 juli 2024 en bij de verlenging ervan op 22 augustus 2024 meegedeeld dat het vleesmonster niet conform is aan de norm zoals voorzien In de hier bovenaan aangehaalde verordening 2023/915 zijnde 0,30 µg/kilo voor PFOS. Het FAVV gebruikt geen normen en overschrijdingen van 0,05 µg/kg en heeft geen idee welke bron er aangehaald wordt. Bovendien is het normenkader aangehaald in het bezwaar van toepassing op bodemverontreiniging en dat valt onder de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest en niet van het FAVV, dat zich dan ook volledig onthoudt om enige uitspraak over eventuele metingen gedaan van de bodem en drinkwater. Het FAVV neemt om die reden dan ook geen stalen van bodem en drenkwater. Bijkomend wordt er het FAVV verweten dat het geen buurtonderzoek uitvoert en geen maatregelen neemt bij andere veehouders in de buurt. Het FAVV heeft sinds 2021 monsters genomen van dierlijke producten afkomstig uit landbouwbedrijven in heel België. Het is gestart in juli 2021 met bedrijven gelegen in de buurt van de 3M fabriek zie bron (https://favv-afsca.be/nl/publication/milieuverontreiniging-pfas-eerste-result aten-van-de-specifieke-bemonsteringscampagne-die-het-favv). Verder uitgebreid over heel Vlaanderen in 2021 (bron https://favv-afsca.be/nl/publication/milieuverontreiniging-pfas-onderzoek-n aar-achtergrondwaarden-vlaamse-landbouwproducten-afgerond) en Wallonië in 2022 (bron https://favv-afsca.be/nl/publication/milieuverontreiniging-pfas-onderzoek-n aar-achtergrondwaarden-wallonie-afgerond-vooruitblik-op-2023). Vervolgens opnieuw een monitoring in de no reget zones vastgelegd door de Vlaamse overheid in 2023 […]. Deze laatste monitoring heeft geleid tot maatregelen op twee landbouwbedrijven die zich situeren in de gemeente Zwijndrecht (gemeente maakte deel uit van een eerste monitoring in 2021) en Stabroek. In 2024 werden bijkomende bedrijven bemonsterd in Stabroek waarbij steeds een conform resultaat bekomen werd. Voor wat betreft de door u aangehaalde naburige bedrijven, die volgens u gelijkaardige werking en weidebeloop hebben als u, is het Agentschap eveneens gestart met de nodige onderzoeken en het Agentschap zal ook daar de nodige maatregelen nemen. Gezien de resultaten van deze 14 dieren aantonen dat alle dieren, ongeacht de leeftijdsgroep en hun bestemming gecontamineerd zijn met PFOS; Gezien perfluoroctaansulfonzuur (=PFOS) deel uitmaakt van een groep moleculen [die] de verzamelnaam per- en polyfluoralkylverbindingen of PFAS draagt. Dergelijke moleculen zijn toxísch zowel voor mens als dier en kunnen volgende effecten hebben op mens en dier: • Beperking of ontregeling van de immuniteit, • Verstoring van de hormoonbalans, • Verstoring van de lever- en schildklierfunctie • Veroorzaken tumoren bij dieren • Vermindert de immuun respons bij vaccinatie van jonge kinderen. Gelet op de norm voor het vlees, zijnde 0,30 µg/kg volgens de hierboven aangehaalde Verordening 2023/915, Gelet op het uitgevoerde onderzoek zoals hierboven beschreven, Gelet op het feit dat uit het hierboven aangehaalde onderzoek blijkt dat al uw dieren gecontamineerd zijn met PFOS en dat de producten van deze dieren tevens gecontamineerd zijn met PFOS, Gelet op het hierboven aangehaalde gevaar voor de volksgezondheid en de diergezondheid gelinkt aan PFOS en XII-9805-7/14 Gelet op art l4.8 van de Verordening (EC) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2OO2 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden dat stelt ‘
- Het feit dat een levensmiddel voldoet aan de voor dat levensmiddel geldende specifieke bepalingen belet de bevoegde autoriteiten niet de nodige maatregelen te nemen om beperkingen op te leggen aan het in de handel brengen of te eisen dat het uit de handel wordt genomen indien er redenen zin om te vermoeden dot het levensmiddel onveilig is, al voldoet het aan de bepalingen.’ Dit betekent, dat het Agentschap bij een vermoeden van onveiligheid de nodige maatregelen dient te nemen en zoals hierboven reeds werd uiteengezet, is een contaminatie met PFOS wel degelijk een gevaar voor de veiligheid van de volksgezondheid en dierengezondheid. Worden alle dieren aanwezig op uw [bedrijf] definitief in beslag genomen conform artikel 6, paragraaf 2 van het eerdere vermeldde Koninklijk Besluit van 22 februari
- De bestemming van de dieren is steeds een Belgisch slachthuis waar een analyse van het vlees (en indien gewenst de lever) dient uitgevoerd te worden op het geslachte dier op uw kosten. Enkel wanneer het resultaat van deze analyse conform de Verordening 2023/915 is, kan het karkas (en bij conform resultaat van de analyse op de lever ook het slachtafval) conform artikel 6, paragraaf 3, derde lid van het hierboven aangehaalde KB van 22 februari 2001 vrijgegeven worden en in de voedselketen gebracht worden. Het FAVV kan op uw vraag beslissen op basis van de historiek van de in beslaggenomen dieren en de resultaten van alle analyses om groepen van gelijkaardige dieren te vormen. Naargelang de grootte van elke groep, kan het FAVV conform artikel 6, paragraaf 3, derde lid van het hierboven aangehaalde KB van 22 februari 200l dan beslissen om het definitief beslag op te heffen van één of meerdere groepen van dieren op basis van één of meerdere conforme analyseresultaten, waarbij het aantal nodige conforme analyseresultaten bepaald zal worden op basis van het aantal dieren in een groep. Concreet wil dit zeggen dat: • Geen enkel levend dier uw bedrijf mag verlaten zonder toelating van de LCE OVB via (pri.ovb@favv-afsca.be); • Elk sterftegeval dient u te melden aan de LCE en Rendac; • Indien u dieren wenst te laten slachten, dient u het vertrek van het dier of van de groep van díeren mínstens I werkdag op voorhand aan te vragen bij de LCE OVB via pri.ovb@favv-afsca.be. U dient hierbij te melden naar welk slachthuis het dier of groep dieren zal vertrekken. • Van elk dier dat wordt geslacht zal er een staal moeten genomen waarvan de staalname, het transport en de analyse ter uwe laste zal worden gelegd. Het karkas, de ingewanden en slachtafval kunnen pas worden vrijgegeven indien het resultaat conform is aan de normen zoals bepaald in de Ver. 2023/
- Het staat u vrij: • Om van elk dier dat sterft op uw bedrijf een staalname te laten uitvoeren door uw bedrijfsdierenarts. U kan voor deze staalname de nodige instructies opvragen via de LCE OVB (pri.ovb@favv-afsca.be). • Om pasgeboren kalveren tot de leeftijd van 30 dagen het bedríjf te laten vertrekken met als enige bestemming de vleeskalverhouderij; • Om dieren aan te kopen. Gezien de bron(nen) van contaminatie van XII-9805-8/14 PFOS op uw bedrijf niet gedefinieerd werd(en), vallen de aangekochte dieren automatisch onder dit definitief beslag. U dient de LCE OVB in te inlichten bij elke aankoop waarbij het oormerknummer van elk rund wordt vermeld in uw communicatíe. Het FAW heeft uw vraag om een dier aan te kopen en gedurende 30 dagen vet te mesten, zoals genoteerd in het door u ondertekende missierapport van de controle op 24 juli 2024 waarvan u een kopij hebt mogen ontvangen, bestudeerd en het volgende besloten: ○ Indien het aangekocht dier slechts gehouden wordt voor maximaal 30 dagen voor de vetmesting, dan mag dit dier het bedrijf verlaten zonder verplichte analyse op PFOS. ○ Het aangekocht dier mag gedurende de 30 dagen de bedrijfsruimten niet verlaten en mag enkel gevoederd worden met commercieel voeder. ○ U dient de LCE OVB minstens 1 werkdag op voorhand op de hoogte te brengen van het vertrek naar het slachthuis van het betrokken dier. Alle kosten voor de staalnames, het transport van de monsters en de analysekosten zijn conform artikel 6, paragraaf 6 van het hierboven vermelde KB van 22 februari 2001 ter uwe laste. Aangezien de staalnames dienen te gebeuren in kader van uw autocontrole, zal er geen tegenanalyse mogelijk zijn.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Standpunt van de verzoekende partijen
- Verzoeker laat ter verantwoording van de spoedeisendheid in essentie gelden dat de verwerende partij in de bestreden beslissing overgaat tot de definitieve inbeslagname van zijn ganse veestapel, alsook van alle runderen die vanaf de datum van de bestreden beslissing worden geboren of worden XII-9805-9/14 aangekocht. Hierdoor wordt volgens verzoeker de werking van zijn rundveebedrijf evident onmogelijk gemaakt, zodat als hij de uitkomst van een vernietigingsprocedure ten gronde moet afwachten, de schade wellicht onherroepelijk zal zijn en zijn bedrijf niet overeind zal kunnen blijven. Verzoeker benadrukt dat de definitieve inbeslagname het voortbestaan van het rundveebedrijf zeer ernstig in het gedrang brengt, en zelfs als die inbeslagname vernietigd zou worden na anderhalf jaar of meer, dit wellicht te laat zal komen om het bedrijf nog te redden. Daarom ziet verzoeker zich genoodzaakt om naast de vernietiging ook de schorsing van de uitvoering van de bestreden beslissing te vragen. De bestreden beslissing brengt immers onherroepelijke schade met zich mee in zijn hoofde, daar die inbeslagname noodzakelijkerwijze zal leiden tot de (volledige) stopzetting van de het rundveebedrijf. Bovendien maakt de doorlooptijd van de vernietigingsprocedure een eventuele door- of heropstart onmogelijk. Alzo, dreigt het bestaan van het rundveebedrijf, zonder de schorsing van de tenuitvoerlegging van bestreden beslissing, volgens verzoeker in het gedrang te komen. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verant-woorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. XII-9805-10/14 Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (Memorie van toelichting, SENAAT, 2012-2013, 7 oktober 2013, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Memorie van toelichting, SENAAT, 2012-2013, 7 oktober 2013, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- Vooreerst dient te worden benadrukt dat, zoals hiervoor is vastgesteld, de (beweerde) vaststelling dat de doorlooptijd van de vernietigingsprocedure een eventuele door- of heropstart onmogelijk, op zich niet volstaat om de spoedeisendheid te verantwoorden.
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat de inbeslagname niet inhoudt dat verzoeker het bezit en de eigendom van de dieren verliest, noch dat hij de dieren moet laten slachten. Het beslag houdt in dat levende dieren het bedrijf niet mogen verlaten zonder toelating van de LCE OVB (Lokale controle-eenheid Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant van het FAVV), met uitzondering van kalfjes tot 30 dagen oud die naar een vleeskalverhouderij mogen worden gebracht. Wanneer dieren naar een slachthuis worden gebracht moet dit minstens een werkdag eerder worden aangevraagd bij de LCE, met opgave van het betreffende slachthuis. Na het slachten moet uit staalname en analyse blijken dat het vlees voldoet aan Verordening 2023/915 opdat het karkas zou worden vrijgegeven. Als uit staalname en analyse van de lever blijkt dat wordt voldaan aan die verordening worden ook de ingewanden en het slachtafval vrijgegeven. Er mogen ook nieuwe XII-9805-11/14 dieren worden aangekocht, die dan in beginsel onder het beslag vallen. Als deze evenwel gedurende maximaal 30 dagen binnen de bedrijfsruimten worden vetgemest, uitsluitend met commercieel voeder, mogen ze het bedrijf verlaten en worden geslacht zonder verplichte analyse op PFOS.
- In zoverre verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing de werking van het rundveebedrijf “evident onmogelijk” maakt en “noodzakelijker-wijze zal leiden tot de (volledige) stopzetting” ervan, beroept hij zich op een financieel-economisch nadeel. In de mate dat een verzoekende partij een financieel nadeel aanvoert, dient te worden opgemerkt dat het op zich niet volstaat een dergelijk nadeel in te roepen, om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financiële nadeel op de situatie van de verzoekende partij een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan lijden tot de uitspraak ten gronde. Om de spoedeisendheid aan te tonen, moeten de financiële gevolgen, zo zij concreet zijn aangetoond, in beginsel onomkeerbaar zijn en moet de omvang cq impact van een financieel en economisch nadeel bijgevolg, om een gebeurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat een verzoekende partij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Het financieel nadeel kan derhalve de spoedeisendheid verantwoorden wanneer het bestaan of voortbestaan zelf of, nog, het financieel evenwicht van een rechtspersoon ernstig in gevaar wordt gebracht en een vernietigingsarrest te laat zou komen. Als de activiteiten van de rechtspersoon zelf op een definitieve of op een moeilijk omkeerbare wijze in gevaar worden gebracht, dan geldt dit als een bijzondere reden. Wat dat betreft kan een verzoekende partij er zich niet toe beperken te stellen dat zij dit nadeel lijdt, zonder enig gegeven te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. De verzoekende partij dient bijgevolg het bewijs aan te brengen, minstens door het voorleggen van concrete argumenten en XII-9805-12/14 gegevens en door het toelichten van de te verwachten gevolgen van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en dit alles gestaafd met verifieerbare overtuigingsstukken. De gegevens en stukken moeten de rechter wel toelaten de spoedeisendheid te verifiëren, wat inhoudt dat de verzoekende partij redelijkerwijze aannemelijk dient te maken dat, gelet op de omvang en impact van de te verwachten financiële gevolgen, de vernietigingsprocedure niet kan worden afgewacht. Daarbij mag de Raad van State in beginsel alleen rekening houden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet en gestaafd. Hoewel het zich laat verstaan dat de inbeslagname van de runderen voor verzoeker ingrijpende gevolgen heeft, waardoor de werking van het rundveebedrijf zal worden verstoord, dan nog is vereist dat verzoeker, wil hij de spoedeisendheid verantwoorden, concreet aantonen aan de hand van verifieerbare gegevens én stavingstukken, dat het door hem aangevoerde nadeel, onomkeerbaar is en dat de omvang en impact van een financieel en economisch nadeel bijgevolg, om een gebeurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat hij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Een financieel-economisch nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid tenzij verzoeker concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat hij de normale afloop van de annulatieprocedure niet kan afwachten, bewijs dat zoals hierna zal blijken door hem niet wordt geleverd. Vermits het hoe dan ook aan verzoeker toekomt om door middel van overtuigende stukken een globaal en betrouwbaar inzicht te geven van de financiële toestand zodat de Raad van State het door hem aangevoerde financieel nadeel met kennis van zaken kan beoordelen, volstaat de vaststelling dat, nu verzoeker zich beperkt tot het louter poneren dat de werking van het rundveebedrijf evident onmogelijk wordt gemaakt en het noodzakelijkerwijze zal leiden tot de (volledige) stopzetting ervan, hij, door het ontbreken van overtuigingsstukken ter zake, verzuimt dienaangaande enig zicht te geven in zijn financiële en economische toestand, op een wijze die de Raad van State zou toelaten een getrouw beeld te krijgen van het geclaimde financieel-economisch XII-9805-13/14 nadeel. Verzoeker maakt bijgevolg geenszins aannemelijk dat de werking van het rundveebedrijf evident onmogelijk wordt gemaakt en dat het bedrijf op korte termijn noodgedwongen zal moeten worden stopgezet door de bestreden beslissing en dat hij niet in de mogelijkheid is om de duur van de annulatieprocedure te overbruggen.
- Wat voorafgaat leidt tot het besluit dat de verzoekende partij niet aantoont dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9805-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.355 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.