id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.360 Rolnummer: A. 243390/XII-9798 Zaak: Arrest 262360 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 14/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-20 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-17 03:01 Fiche Arrest nr 262.360 van 14 februari 2025 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.360 no lien 281498 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 262.360 van 14 februari 2025 in de zaak A. 243.390/XII-9798 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Clonen kantoor houdend te 2610 Antwerpen Sneeuwbeslaan 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij Federale politie DGR/Legal/CTX Kroonlaan 145A 1050 Elsene -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 4 november 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: 1) “[d]e beslissing van de deliberatiecommissie van 2 september 2024 waarbij verzoeker voor het vergelijkend examen voor bevordering door overgang naar een hoger kader (middenkader) sessie 2024-2025, ’geschikt’ werd bevonden”; 2) “[d]e beslissing van de Federale Politie - Algemene Directie van het Middelenbeheer en de informatie – Directie van het Personeel – Dienst Rekrutering en Selectie hem ter kennis gebracht op 3 september 2024 waarbij verzoeker niet batig gerangschikt werd en niet toegelaten werd tot de opleiding aspirant-hoofdinspecteur”. XII-9798-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 februari
- Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yentl Stevens, die loco advocaat Koen Clonen verschijnt voor verzoeker en adviseur Vincent Govaerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Samuel Mens, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is inspecteur van politie. 3.
- Verzoeker neemt deel aan het vergelijkend examen voor bevordering door overgang naar een hoger kader (hoofdinspecteur - middenkader) voor de bevorderingssessie 2024-
- XII-9798-2/10 3.
- Na te zijn geslaagd in de voorafgaande beroepsproeven legt verzoeker in de loop van 2024 de persoonlijkheidsproeven af, waarvoor verzoeker eveneens slaagt. 3.
- Op 2 september 2024 wordt verzoeker door de deliberatiecommissie “geschikt” verklaard. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
- De eerste bestreden beslissing wordt bij brief van 3 september 2024 door het diensthoofd DRP – Rekrutering en Selectie ter kennis gegeven aan verzoeker. Deze brief vermeldt onder meer: “Als bijlage kan je de resultaten van de globale evaluatie terugvinden die werd opgemaakt door de deliberatiecommissie naar aanleiding van je deelname aan het vergelijkend examen tot aspirant-hoofdinspecteur via bevordering door overgang naar het middenkader, sessie 2024-
- Deze globale evaluatie werd gerealiseerd op basis van het geheel van de proeven waaraan je hebt deelgenomen gedurende de ganse selectieprocedure. Je werd door de deliberatiecommissie geschikt verklaard maar wist zich jammer genoeg niet batig te rangschikken. De minister van Binnenlandse Zaken besliste immers om voor de Nederlandstalige taalrol 282 laureaten toe te laten tot de opleiding aspirant-hoofdinspecteur terwijl jij uiteindelijk pas op plaats 325 werd gerangschikt. Wanneer mocht blijken dat er voldoende laureaten van dit vergelijkend examen verzaken aan de opleiding waardoor jij alsnog batig gerangschikt kan worden, dan zullen wij het niet nalaten jou hieromtrent te contacteren.” 3.
- De in de hiervoor vermelde kennisgeving vervatte beslissing dat verzoeker niet batig wordt gerangschikt en bijgevolg niet wordt toegelaten tot de opleiding aspirant-hoofdinspecteur duidt verzoeker aan als de tweede bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van gebrek aan belang
- De verwerende partij werpt op dat verzoeker geen belang heeft bij het beroep, omdat het geen nuttig effect meer kan hebben. De schorsing (en ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.360 XII-9798-3/10 nietigverklaring) van de bestreden beslissingen heeft niet tot gevolg dat verzoeker alsnog wordt toegelaten tot de opleiding die op 1 oktober 2024 van start ging. Verzoeker zou ingevolge een schorsing (en nietigverklaring) van de eerste bestreden beslissing immers niet automatisch als “zeer geschikt” worden beschouwd. Voorts voert de verwerende partij aan dat verzoeker het vereiste belang ontbeert, daar hij het besluit van de deliberatiecommissie tot vaststelling van de lijst van geslaagde en batig gerangschikte kandidaten niet heeft aangevochten, zodat deze lijst, zelfs na een schorsing en nietigverklaring van de bestreden beslissingen, blijft bestaan. Beoordeling
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals van toepassing op het tijdstip van het indienen van het beroep, kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid
- Verzoeker voert aan dat hij door de bestreden beslissingen op thans (bijna) 50-jarige leeftijd professioneel wordt benadeeld. Daar zowel de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.360 XII-9798-4/10 selectieprocedure als de opleiding minstens één jaar in beslag nemen en hoogstens éénmaal per jaar worden georganiseerd, zal verzoeker in het beste geval zijn opleiding pas kunnen finaliseren op 54-jarige leeftijd. Verzoeker wordt er alzo toe gedwongen een loopbaan als hoofdinspecteur definitief vaarwel te zeggen. Bovendien oordeelt verzoeker dat zijn morele integriteit in belangrijke mate wordt aangetast. De bestreden beslissingen houden bovendien geen rekening met verzoekers inspanningen om te slagen noch met de door hem behaalde resultaten. Voorts kan verzoeker zich niet van de indruk ontdoen dat er de facto sprake is van discriminatie wegens zijn leeftijd en gezondheidstoestand. Volgens verzoeker lijdt hij een aanzienlijke morele schade die niet kan worden goedgemaakt door een latere vernietiging van de bestreden beslissingen. Een moreel nadeel kan in principe worden hersteld door een latere nietigverklaring, maar volgens verzoeker zijn er te dezen bijzondere omstandigheden die ertoe nopen anders te oordelen, zoals de periode van onzekerheid, de leeftijd van verzoeker, alsook de flagrante onwettigheid van de bestreden beslissingen. Indien verzoeker het verloop van de normale procedure tot nietigverklaring moet afwachten, zal hij amper nog over enkele nuttige jaren kunnen beschikken om alsnog de functie van hoofdinspecteur uit te oefenen. Verzoeker verwijst voorts naar de materiële nadelen op vlak van verloning en beroepsloopbaan. Tot slot voert verzoeker aan dat bij de beoordeling van “de ernst en de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel” ook rekening moet worden gehouden met de kennelijke onwettigheid van de bestreden beslissingen. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het inmiddels opgeheven koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. XII-9798-5/10 Voorts kan luidens het toentertijd geldende artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (Memorie van toelichting, SENAAT, 2012-2013, 7 oktober 2013, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Memorie van toelichting, SENAAT, 2012-2013, 7 oktober 2013, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (het toentertijd geldende artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan aan te voeren dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- De bestreden beslissing situeert zich binnen een vergelijkende selectieprocedure voor bevordering door overgang naar een hoger kader. De Raad van State merkt te dezen op dat, wie deelneemt aan een selectieprocedure zoals de voorliggende, ermee rekening moet houden dat hij niet batig wordt gerangschikt en dat hij dus, bij gebreke daaraan, een andere wending aan zijn loopbaan moet geven dan de geambieerde. Dit feit op zich toont uit zichzelf niet aan dat verzoeker daardoor in omstandigheden verkeert die de zaak spoedeisend maken. Het komt derhalve aan verzoeker toe om aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen en dat hij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak te gronde. XII-9798-6/10
- In de mate dat verzoeker vreest dat hij de geambieerde loopbaan als hoofdinspecteur vaarwel moet zeggen, gelet op zijn leeftijd, de periodiciteit van de selectieprocedures en de duur van de opleiding, komt deze vrees over als voorbarig en toekomstig van aard. Dit kan geenszins de schorsing van de bestreden beslissing verantwoorden. Verzoeker maakt overigens niet aannemelijk dat – gelet op zijn leeftijd – het uitgesloten zou zijn dat hij in de toekomst alsnog opnieuw kan deelnemen aan een gelijkaardige selectieprocedure en, indien hij vervolgens batig zou worden gerangschikt, aan de opleiding tot aspirant-hoofdinspecteur. Verzoekers argument dat hij nog maar over enkel jaren kan beschikken om de functie van hoofdinspecteur uit te oefenen, indien hij de procedure ten gronde moet afwachten, doet evenmin tot de spoedeisendheid besluiten. Zoals hiervoor werd overwogen (zie supra, nr. 8), volstaat het niet om aan te voeren dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- Verzoeker voert voorts de aantasting van zijn morele integriteit en morele schade aan. In zoverre verzoeker zich, in algemene bewoordingen, beroept op een moreel nadeel, merkt de Raad van State op dat een moreel nadeel in beginsel door een eventueel vernietigingsarrest wordt hersteld, behoudens wanneer er bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat het aangevoerde moreel nadeel van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. Verzoeker overtuigt te dezen geenszins waarom de vermeende morele schade niet kan worden goedgemaakt door een eventueel tussen te komen vernietigingsarrest.
- In de mate dat verzoeker beweert dat de hem gegeven beoordeling zijn morele integriteit aantast en dat geen rekening wordt gehouden met zijn inspanningen om te slagen en met de door hem behaalde resultaten, betreft het –- nog daargelaten dat deze stelling niet concreet wordt onderbouwd terwijl ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.360 XII-9798-7/10 verzoeker weliswaar niet “zeer geschikt”, maar wel degelijk “geschikt” werd bevonden – geen bijzondere omstandigheden die ertoe nopen te besluiten dat hij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak te gronde. In de mate dat verzoeker zich, als bijzondere omstandigheid, beroept op zijn leeftijd, wordt verwezen naar wat hiervoor werd overwogen (zie supra, nr. 10). In de mate dat verzoeker de periode van onzekerheid inroept in afwachting van het resultaat van de annulatieprocedure, stelt de Raad van State vast dat dit het onvermijdelijke lot van elke beroepsindiener is. Zelfs aangenomen dat het weliswaar niet uitgesloten kan zijn dat de hiermee verband houdende onzekerheid, afhankelijk van de concrete omstandigheden van een zaak, zodanig is dat verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde hierdoor niet kan afwachten, dan nog komt het aan verzoeker toe om dit aan de hand van voldoende precieze en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken. De loutere bewering ter zake voldoet niet. Te dezen toont verzoeker niet in concreto aan dat hij de aangevoerde onzekerheid niet kan dragen in afwachting van het resultaat van de annulatieprocedure. In de mate dat verzoeker aanvoert dat rekening moet worden gehouden met de flagrante en kennelijke onwettigheid van de bestreden beslissingen, herinnert de Raad van State eraan dat een aangevoerde onwettigheid op zich niet kan volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering spoedeisend is. De schorsingsvoorwaarde van het spoedeisend karakter van de vordering is immers een op zich staande voorwaarde waaraan moet zijn voldaan doch die moet worden onderzocht los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het bestreden besluit prima facie kan verantwoorden. Met de verwijzing naar een onwettigheid op zich – hoe “flagrant” of “kennelijk” die volgens verzoeker ook zou zijn – toont verzoeker derhalve nog niet aan dat hij de procedure ten gronde niet kan afwachten om de door hem nagestreefde vernietiging te verkrijgen, op XII-9798-8/10 straffe van zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- Verzoeker kan zich “niet van de indruk ontdoen” dat de verwerende partij alles in het werk stelt om te beletten dat hij de hoedanigheid van hoofdinspecteur verwerft en dat er de facto sprake is van discriminatie wegens leeftijd en gezondheidstoestand. Verzoekers loutere indruk die evenwel niet in concreto wordt toegelicht, laat staan aannemelijk gemaakt, volstaat niet om tot de spoedeisendheid van de vordering te besluiten.
- Tot slot verwijst verzoeker naar de materiële nadelen op vlak van verloning en beroepsloopbaan. De omvang van een dergelijk financieel en economisch nadeel moet, om een gebeurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat verzoeker de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Verzoeker kan zich er niet toe beperken louter aan te voeren dat hij dit nadeel lijdt, zonder enig gegeven te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. Om de spoedeisendheid aan te tonen moeten de financieel-economische gevolgen in beginsel onomkeerbaar zijn. De Raad van State stelt vast dat verzoeker te dezen geen enkel stuk neerlegt dat toelaat de impact van de bestreden beslissing op de concrete financiële situatie van verzoeker te beoordelen om alzo desgevallend tot de onherroepelijkheid van de geleden of te lijden financiële schade te besluiten. De aangevoerde materiële nadelen op vlak van verloning en beroepsloopbaan volstaan bijgevolg niet om tot de spoedeisendheid van de vordering te besluiten.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals van XII-9798-9/10 toepassing op het tijdstip van het indienen van het beroep, die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-9798-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.360 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div