← België

Arrest 262361 - Varia (economische zaken) - 17/02/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.361 Rolnummer: A. 239456/XIV-39230 Zaak: Arrest 262361 - Varia (economische zaken) - 17/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-20 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-17 01:49 Fiche Arrest nr 262.361 van 17 februari 2025 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 262.361 van 17 februari 2025 in de zaak A. 239.456/XIV-39.230 In zake : de NV K. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2000 Antwerpen Scheldestraat 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie en Werk bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 26 juni 2022, strekt tot de nietigverklaring van de directeur-generaal van de algemene directie Economische inspectie van de FOD Economie van 12 april 2023 waarbij aan de verzoekende partij een administratieve geldboete wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Adjunct-auditeur Lennard Michaux heeft een verslag opgesteld. XIV-39.230-1/23 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wannes Op De Becq, die loco advocaat Stijn Brusselmans verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Lukas Asselman, die loco advocaat Tine Bricout verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Lennard Michaux heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 25 januari 2023 wordt lastens de verzoekende partij een aanvankelijk proces-verbaal opgesteld waarin het volgende wordt vastgesteld: “Op 22 december 2022 werd door het Fonds voor Analyse van Aardolieproducten bij een tankstation met het merk […] gelegen […] staalnemingen van brandstoffen uitgevoerd. Na analyse en tegenanalyse is gebleken dat de norm waaraan de gasolie-diesel voor wegentoepassingen […] dient te beantwoorden niet werd gehaald voor wat betreft het vlampunt. Een vlampunt van maximum 52 C° was vastgesteld op basis van analyses in plaats van een vlampunt van minimum 55 C°. Op 6 januari 2023 werd de firma die het tankstation heeft [b]eleverd door waarschuwing gewaarschuwd. De firma heeft de waarschuwing ontvangen op dezelfde dag. De regularisatietermijn was onmiddellijk. XIV-39.230-2/23 Op 17 januari 2023 werd opnieuw door het Fonds voor Analyse van Aardolieproducten bij dezelfde tankstation staalnemingen van brandstoffen uitgevoerd. Een vlampunt van maximum 52 C° was opnieuw vastgesteld op basis van analyses in plaats van een vlampunt van minimum 55 C°. Het product, gasolie diesel voor de wegtoepassingen bij het station geleverd door de [verzoekende partij], blijft dus buiten de specificaties na een twee kwaliteitscontroles.” Op dezelfde dag bevestigt de verzoekende partij de ontvangst van dit proces-verbaal. 3.
  6. Op 7 maart 2023 wordt de verzoekende partij bij aangetekende brief in kennis gesteld dat “overeenkomstig de artikelen XV.60/4 tot en met XV.60/20 WER, […], op basis van dit proces-verbaal, volgende inbreuken aanleiding [kunnen] geven tot het opleggen van een administratieve geldboete door de dienst ‘sancties en juridische geschillen’ van de Economische Inspectie.” Tevens wordt gemeld dat, alvorens een beslissing te nemen, de verzoekende partij over de mogelijkheid beschikt om haar verweermiddelen aan de dienst ‘sancties en juridische geschillen’ voor te leggen en dat de verzoekende partij, vanaf de dag van aanbieding van deze aangetekende zending over een termijn van 30 dagen beschikt om haar verweer mondeling of schriftelijk kenbaar te maken. Op 8 maart 2023 neemt de verzoekende partij kennis van deze brief. De verzoekende partij voert geen verweer. 3.
  7. Op 12 april 2023 beslist de directeur-generaal van de algemene directie Economische inspectie tot het opleggen van een administratieve geldboete van 18.000 euro. De beslissing is als volgt gemotiveerd wat de sanctie betreft: “III. Motivering van de sanctie Overwegende dat artikel XV.60/4 van het WER het volgende stipuleert: ‘De Koning wijst de ambtenaren van de Algemene Directie Economische Inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie aan die gemachtigd zijn om administratieve geldboeten op te leggen’; XIV-39.230-3/23 Overwegende de bewoording van artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 24 juni 2021 houdende aanwijzing van de ambtenaren van de Algemene Directie Economische Inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie die gemachtigd zijn om de administratieve geldboeten op te leggen bedoeld in boek XV, titel 1/2, van het Wetboek van economisch recht; Overwegende dat artikel XV.70, § 1, lid 1, 2° van het WER het volgende stipuleert: ‘§
  8. De inbreuken op de bepalingen van dit Wetboek, van zijn uitvoeringsbesluiten, van de wetten en uitvoeringsbesluiten waarvoor dit boek in sancties voorziet en van de verordeningen van de Europese Unie waarvoor dit boek in sancties voorziet, worden bestraft met een sanctie tussen niveau 1 en niveau 6, en dit als volgt: (…) 2° de sanctie van niveau 2 bestaat uit een strafrechtelijke geldboete van een minimumbedrag van 26 euro tot een maximumbedrag van 10 000 euro of tot 4 % van de totale jaaromzet in het laatst afgesloten boekjaar voorgaand aan het opleggen van de geldboete waarover gegevens beschikbaar zijn die toelaten om de jaaromzet vast te stellen, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt’; Overwegende dat artikel XV.83, 2° van het WER het volgende stipuleert: ‘Met een sanctie van niveau 2 worden gestraft, zij die de bepalingen overtreden : 2° van artikel VI. 8 betreffende de benaming, de samenstelling en de etikettering van producten en ook van de besluiten ter uitvoering van de artikelen VI. 9 en VI. 10’; Overwegende dat artikel XV.60/20, § 2 van het WER het volgende stipuleert: ‘Voor het opleggen van de administratieve geldboete wordt rekening gehouden met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria: 1° de aard, de ernst, de omvang en de duur van de inbreuk; 2° de door de onderneming genomen maatregelen om de door de consumenten geleden schade te beperken of te verhelpen; 3° de eerdere inbreuken van de onderneming; 4° de door de onderneming als gevolg van de inbreuk behaalde financiële voordelen of vermeden verliezen, als daarover relevante informatie beschikbaar is; 5° de sancties die in grensoverschrijdende zaken in andere lidstaten aan de onderneming zijn opgelegd voor dezelfde inbreuk, wanneer informatie over dergelijke sancties beschikbaar is via het bij Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad opgericht mechanisme; 6° de andere verzwarende of verzachtende omstandigheden die van toepassing zijn op de zaak’; Overwegende dat bepaling waarop een inbreuk werd gepleegd dient ter bescherming van de consument; Overwegende dat [de verzoekende partij] brandstoffen levert aan zeer veel tankstations[…], waardoor de impact van een niet-conforme levering potentieel groot is; Overwegende dat uit de informatie waarover de dienst sancties en juridische geschillen beschikt, blijkt dat de inbreuk betrekking had op slechts één product; Overwegende dat de duur van het bestaan van de inbreuk niet met zekerheid kan worden bepaald, maar dat de inbreuk volgens de vaststellingen van de Economische Inspectie in ieder geval voortduurde vanaf 22 december 2022 tot 17 januari 2023; XIV-39.230-4/23 Overwegende dat de door de onderneming genomen maatregelen om de door de consumenten geleden schade te beperken of te verhelpen niet kunnen worden bepaald; Overwegende dat [de verzoekende partij] reeds eerder een strafrechtelijke veroordeling, administratieve minnelijke schikking, administratieve geldboete of waarschuwing kreeg voor feiten van dezelfde aard[…]; Overwegende dat geen gevolg werd gegeven aan de waarschuwing van 6 januari 2023; Overwegende dat de door de onderneming als gevolg van de inbreuk behaalde financiële voordelen of vermeden verliezen niet kunnen worden bepaald; Overwegende dat [de verzoekende partij] met een omzet van 2.349.661.883 euro, een balanstotaal van 760.432.303 euro en een gemiddeld aantal personeelsleden van 378,1 in het boekjaar dat werd afgesloten in 2022, kwalificeert als een zeer grote onderneming (omzet > 34 miljoen euro, balanstotaal > 17 miljoen euro en > 250 werknemers); Overwegende dat geen bewijs van regularisatie werd geleverd door [de verzoekende partij]; Overwegende dat geen kwade trouw in hoofde van [de verzoekende partij] kan worden bewezen; Hebben de ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het WER beslist een administratieve geldboete van achttienduizend euro (18.000€) op te leggen aan [de verzoekende partij] voor de administratieve inbreuken zoals hierboven uiteengezet. Het bedrag van de administratieve geldboete werd als volgt berekend: -verhoging van het op basis van de ernst bepaald forfaitair startbedrag van 300 euro omwille van het feit dat [de verzoekende partij] zeer veel tankstations belevert: tussentijds basisbedrag van 900 euro; -verhoging van het tussentijds basisbedrag van 900 euro omwille van recidive binnen een termijn van vijf jaar: tussentijds basisbedrag van 1.800 euro; - verhoging van het tussentijds basisbedrag van 1.800 euro omwille van de omvang van de onderneming (zeer groot): basisbedrag van 14.400 euro; -verhoging van het basisbedrag van 14.400 euro omwille van het feit dat geen gevolg werd gegeven aan de waarschuwing van 6 januari 2023: boetebedrag van 18.000 euro.” Dit is de bestreden beslissing. 3.
  9. Op 24 april 2024 om 10u21 zendt de verzoekende partij de volgende e-mail aan de verwerende partij: “Ik ontving vandaag jullie brief ivm […] met datum 7 maart
  10. Wij zouden graag om een mondeling verweer willen voeren en kijken uit naar uw voorstel voor een datum. Het product was afkomstig van de […] raffinaderij [van een derde] en was daar on spec. Een mogelijke verklaring die wij u willen toelichten tijdens ons verweer is dat een off spec op vlampunt van diesel veroorzaakt kan zijn door benzine retour dampen tijdens lossing in geval van combivrachten aan stations.” XIV-39.230-5/23 IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
  11. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift, hetgeen zij herneemt in de toelichtende memorie, in een enig middel de schending aan van artikel 8ter, lid 3, van richtlijn 2019/2161 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 ‘tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en Richtlijnen 98/6/EG, 2005/29/EG en 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad’ (hierna: richtlijn 2019/2161), artikel XV.60/20, § 2, van het Wetboek Economisch recht (hierna: WER), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij zet uiteen dat het samen lezen van artikel XV.60/20, § 2, WER met het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht maakt dat de verwerende partij bij het betrekken van de in artikel XV.60/20, § 2, WER opgesomde criteria diende uit te gaan van correcte gegevens en op grond daarvan een redelijke beslissing diende te nemen. Uit de formelemotiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, samen te lezen met artikel XV.60/20, § 1, WER volgt dat wanneer de verwerende partij zich bij het opleggen van de administratieve geldboete bedient van een niet in artikel XV.60/20, § 2, WER vermelde verzwarende omstandigheid of criterium, zij in het bijzonder in de bestreden beslissing de motieven moet opnemen die haar ertoe brachten om deze verzwarende omstandigheid of dit criterium bij de beoordeling te betrekken. De verzoekende partij onderscheidt vervolgens twee onderdelen in het middel. Het eerste middelonderdeel betreft het motief dat bij de straftoemeting in rekening is gebracht dat de verzoekende partij aan zeer veel XIV-39.230-6/23 tankstations levert waardoor de impact van een niet-conforme levering potentieel groot is. Volgens haar is dat een ondeugdelijk motief. Zij erkent wel dat zij brandstof levert aan zeer veel tankstations, maar de brandstof waarmee zij die bevoorraadt, is echter niet afkomstig van een eigen raffinaderij: zij stelt dat zij geen eigen raffinaderij in België heeft, hetgeen de verwerende partij volgens haar weet. Te dezen stelt de verzoekende partij dat zij kan aantonen dat in de periode van 22 december 2022 tot 17 januari 2023 de brandstof in de raffinaderij waar zij de brandstof afnam voor de belevering van het tankstation, voldeed aan de vlampuntnormering. Zij wijst er ter zake op dat zij op 24 april 2023 de verwerende partij aanschreef met het bericht dat de gecontroleerde brandstof afkomstig was van de raffinaderij van een derde, dat deze aldaar beantwoordde aan de vlampuntnormering en dat het afwijkende vlampunt mogelijks het gevolg was van benzineretourdampen tijdens lossing bij combivrachten. Hoewel zij dit bericht slechts aan de verwerende partij bezorgde nadat de bestreden beslissing was genomen – en in se dus niet aan de verwerende partij verwijt dat die dit niet heeft betrokken bij haar beoordeling –, toont volgens de verzoekende partij dit gegeven wel aan dat de verwerende partij voorafgaand aan het nemen van de bestreden beslissing geen correcte feitenvinding heeft gedaan. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij aannam dat de verzoekende partij mogelijks aan zeer veel tankstations brandstof zou hebben geleverd die niet voldeed aan de vlampuntnormering. Hiermee nam de verwerende partij het standpunt in dat het de aan het tankstation geleverde brandstof was die afweek van de vlampuntnormering. Dit is pertinent foutief nu blijkt dat de geleverde brandstof in de raffinaderij voldeed aan de vlampuntnormering. De verwerende partij heeft echter geenszins het nodige gedaan om de oorzaak van de afwijking op de vlampuntnormering na te gaan en heeft zich gebaseerd op aannames. De verwerende partij is dus niet overgegaan tot een correcte feitenvinding om in de bestreden beslissing het standpunt te kunnen innemen dat er sprake zou kunnen zijn van een mogelijke levering van niet-conforme brandstof aan zeer veel tankstations. Subsidiair en indien zou worden geoordeeld dat de zorgvuldigheidsplicht niet zo ver zou gaan dat de verwerende partij het nodige moest doen om na te gaan wat de oorzaak was van de afwijking van de vlampuntnormering, moet volgens de verzoekende partij nog steeds worden XIV-39.230-7/23 vastgesteld dat op het ogenblik waarop de verwerende partij haar beslissing nam, het administratief dossier waarop zij zich diende te baseren, geen stukken bevatte waarop in redelijkheid kon worden geoordeeld dat er mogelijks sprake kon zijn van een situatie waarbij niet-conforme brandstof werd geleverd aan zeer veel tankstations. Daarbij moet volgens de verwerende partij ten overvloede nog worden opgemerkt dat, zo het probleem van de afwijking van de vlampuntnorm toch eigen zou zijn aan het geleverde product, er nog steeds niet in redelijkheid kon worden aangenomen dat er mogelijks sprake was van een grootschalige verspreiding bij zeer veel tankstations. Zij haalt ter zake statistische gegevens aan die volgens haar doen blijken dat er slechts in een beperkt aantal gevallen, vaststellingen zijn van afwijking van de vlampuntnorm. De verzoekende partij besluit dat op basis van wat voorafgaat, moet worden geoordeeld dat de verwerende partij bij het nemen van de besteden beslissing niet is uitgegaan van correcte feitelijke gegevens, minstens dat de verwerende partij bij het nemen van haar beslissing onzorgvuldig, dan wel kennelijk onredelijk is geweest door zonder ter zake over zekerheid te beschikken, het argument dat er mogelijks sprake was van levering van niet-conforme brandstof aan zeer veel tankstations, aan te grijpen om de administratieve geldboete significant te verhogen. Het tweede middelonderdeel heeft betrekking op het motief dat bij de straftoemeting rekening is gehouden met de omvang van de onderneming. Ook dat is volgens de verzoekende partij een ondeugdelijk motief. Vooreerst wordt nergens in de bestreden beslissing gemotiveerd waarom gelet op de omvang van de onderneming (het basisbedrag van) de administratieve geldboete zou moeten of kunnen worden verhoogd. Te dezen geeft artikel XV.60/20, § 2, WER een opsomming van niet-limitatieve en indicatieve criteria waarmee rekening wordt gehouden bij het opleggen van de administratieve geldboete. Die bepaling is een omzetting van artikel 8ter, lid 3, van richtlijn 2019/
  12. Daaruit blijkt zeer duidelijk dat de Europese regelgever wou dat bij het opleggen van een sanctie er in elk geval rekening wordt gehouden met de criteria vermeld onder de punten a tot en met e van de voornoemde richtlijnbepaling, maar dat daarnaast ook nog de mogelijkheid aan de lidstaten wordt geboden om met andere verzwarende of verzachtende factoren rekening te houden die van toepassing zijn op de XIV-39.230-8/23 omstandigheden van de zaak. Te dezen komt de omvang van de onderneming niet voor in de niet-limitatieve lijst die werd opgenomen in artikel XV.60/20, § 2, WER. De omvang van de onderneming kan dan ook niet als een verzwarende omstandigheid zoals bedoeld in artikel XV.60/20, § 2, 6°, WER worden aangenomen. Op geen enkele manier kan volgens haar immers worden ingezien hoe de omvang van de onderneming als een verzwarende omstandigheid zou kunnen worden beschouwd. Minstens ontbeert de bestreden beslissing dienaangaande elke motivering. Voorts benadrukt de verzoekende partij dat overeenkomstig het Belgische strafrecht verzwarende omstandigheden alleen maar kunnen worden toegepast wanneer deze specifiek door de wet zijn omschreven. Ook dit is hier niet het geval. Aldus heeft de verwerende partij in de bestreden beslissing op geheel foutieve wijze, minstens zonder afdoende motivering, de omvang van de verzoekende partij als verzwarende omstandigheid in acht genomen bij de beoordeling en begroting van de administratieve geldboete. Subsidiair en indien geoordeeld zou worden dat de verwerende partij weldegelijk gelet op de niet-limitatieve opsomming van criteria in artikel XV.60/20, §2, 6°, WER, de omvang van de verzoekende partij als criterium mocht betrekken bij het opleggen en begroten van de administratieve geldboete, moet nog steeds worden geoordeeld dat de verwerende partij diende te motiveren waarom naar haar mening de omvang van de onderneming in de voorliggende zaak uitdrukkelijk bij de beoordeling moest worden betrokken en dit net omwille van het feit dat de omvang van de onderneming niet uitdrukkelijk als criterium werd vermeld in artikel XV.60/20, § 2, WER.
  13. In haar laatste memorie betwist de verzoekende partij, wat het eerste middelonderdeel betreft, op zich niet dat er bij de beoordeling van de hoogte van de geldboete rekening kan worden gehouden met de potentiële impact van een overtreding en dit ongeacht of dit kan worden geplaatst onder punt 1 dan wel punt 6 van artikel XV.60/20, § 2, WER, maar dat neemt volgens haar niet weg dat bij het beoordelen van deze eventuele potentiële impact er rekening moet worden gehouden met feitelijk correcte gegevens en dat er niet louter met aannames en veronderstellingen kan worden gewerkt. De eventuele potentiële impact moet ook zorgvuldig worden beoordeeld en ook op redelijke wijze worden ingeschat op XIV-39.230-9/23 basis van correcte feitelijke gegevens en mag geenszins worden overdreven. Voorts doet zij gelden dat de omstandigheid dat de verwerende partij geen memorie van antwoord of een administratief dossier heeft ingediend, tot gevolg heeft dat de door haar aangehaalde feitelijke omstandigheden in het verzoekschrift, feitelijk correct en bewezen zijn. Dit volgt volgens haar uit artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Op grond daarvan stelt zij dat, nu blijkt dat de oorzaak van de afwijkende vlampuntnormering het gevolg is van specifieke en lokale omstandigheden die ofwel te maken hebben met de tankwagen waarmee de brandstof werd geleverd aan het tankstation, ofwel met omstandigheden die eigen zijn aan het tankstation zelf, er dan ook geen potentiële impact kon zijn voor andere stations en de verwerende partij dan ook geenszins op zorgvuldige en redelijke wijze het feit dat de verzoekende partij aan zeer veel stations brandstof levert, in aanmerking kon nemen als een potentiële impact en dus als een criterium dat in casu meegenomen kon worden bij het bepalen van de hoogte van de administratieve geldboete. Inzake het tweede middelonderdeel doet de verzoekende partij gelden dat het feit dat bij het bepalen van de hoogte van de administratieve geldboete rekening mag worden gehouden met de totale jaaromzet, niet impliceert dat de totale jaaromzet of de omvang (balanstotaal en personeelsleden) van de verzoekende partij ook als een verzwarende omstandigheid kan worden beschouwd. In de thans bestreden beslissing wordt de jaaromzet en de omvang van de verzoekende partij uitdrukkelijk als een verzwarende omstandigheid aangehaald. Op geen enkele manier houdt de jaaromzet of de omvang van de onderneming verband met omstandigheden waarin de feiten die aanleiding geven tot het opleggen van de geldboete zich hebben voorgedaan, zodat dit niet een als verzwarende omstandigheid in acht kan worden genomen. XIV-39.230-10/23 Beoordeling A. Vooraf
  14. De verzoekende partij kan niet op ontvankelijke wijze een schending van artikel 8ter, lid 3, van richtlijn 2019/2161 inroepen vermits deze geen rechtstreekse werking heeft en de verzoekende partij niet aanvoert dat de voornoemde bepaling ervan niet, niet volledig of niet correct zou zijn omgezet in het Belgische recht.
  15. Het middel is in die mate niet-ontvankelijk. B. Eerste middelonderdeel
  16. De verzoekende partij richt zich in het middelonderdeel tegen de deugdelijkheid van het volgende motief voor de bepaling van de strafmaat: “Overwegende dat [de verzoekende partij] brandstoffen levert aan zeer veel tankstations, waardoor de impact van een niet-conforme levering potentieel groot is.” In de bestreden beslissing is in voetnoot gesteld dat er 194 vestigingseenheden staan ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Voorts blijkt uit de bestreden beslissing dat het forfaitaire startbedrag van 300 euro werd verhoogd tot 900 euro “omwille van het feit dat [de verzoekende partij ] zeer veel tankstations belevert”. Uit dit motief blijkt dat de verwerende partij bij de straftoemeting rekening heeft gehouden met de potentiële impact van de door de verzoekende partij begane overtreding. De verzoekende partij voert in essentie in het verzoekschrift aan dat de verwerende partij voorafgaand aan het nemen van de bestreden beslissing geen correcte feitenvinding heeft gedaan wat dit straftoemetingsmotief betreft XIV-39.230-11/23 doordat zij, samengevat, niet het nodige zou hebben gedaan om de oorzaak van de afwijking op de vlampuntnormering na te gaan, minstens dat indien de verwerende partij zulks niet moest doen, het administratief dossier niet toeliet in redelijkheid te oordelen dat er mogelijks sprake kon zijn van een situatie waarbij niet-conforme brandstof werd geleverd aan zeer veel stations, en indien de afwijking van de vlampuntnorm toch eigen zou zijn aan het geleverde product, in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat er mogelijks spraks was van een grootschalige verspreiding. Het middelonderdeel wordt vanuit dit oogpunt getoetst aan de door de verzoekende partij geschonden geachte bepaling en beginselen van behoorlijk bestuur.
  17. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Ter beoordeling van de vraag of het betwiste motief deugdelijk is, moet die beoordeling worden gekaderd binnen enerzijds de criteria van straftoemeting die in het eveneens geschonden geachte artikel XV.60/20, § 2, WER zijn bepaald en anderzijds de beoordelingsbevoegdheid ter zake van de sanctionerende overheid. Artikel XV.60/20, § 2, WER bepaalt de niet-limitatieve en indicatieve criteria waarmee de verwerende partij rekening houdt bij het opleggen van de administratieve boete. Het luidt: “§
  18. Voor het opleggen van de administratieve geldboete wordt rekening gehouden met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria: 1° de aard, de ernst, de omvang en de duur van de inbreuk; 2° de door de onderneming genomen maatregelen om de door de consumenten geleden schade te beperken of te verhelpen; 3° de eerdere inbreuken van de onderneming; 4° de door de onderneming als gevolg van de inbreuk behaalde financiële voordelen of vermeden verliezen, als daarover relevante informatie beschikbaar is; 5° de sancties die in grensoverschrijdende zaken in andere lidstaten aan de onderneming zijn opgelegd voor dezelfde inbreuk, wanneer informatie over XIV-39.230-12/23 dergelijke sancties beschikbaar is via het bij Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad opgericht mechanisme; 6° de andere verzwarende of verzachtende omstandigheden die van toepassing zijn op de zaak.” In de parlementaire voorbereiding is ter zake het volgende gesteld (Parl. St. Kamer 2021-2022, nr. 55 2473/001, 42): “De Omnibusrichtlijn bepaalt voor alle richtlijnen, waarvoor ze wijzigingen voorziet, dat bij het opleggen van een sanctie, waar passend, rekening wordt gehouden met een aantal niet-limitatieve en indicatieve criteria in de gevallen waarin dit gepast is. De criteria opgenomen in de Omnibusrichtlijn werden aldus hernomen in een nieuwe tweede paragraaf van artikel XV.60/20, WER, dat betrekking heeft op de bedragen van de administratieve geldboetes. Het blijft de bedoeling dat de opgelegde administratieve geldboete doeltreffend, evenredig en afschrikkend is. Om hiervoor te zorgen, zal evenwel steeds rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval die een invloed zullen hebben op het bedrag van de administratieve geldboete. Zo zal er onder meer rekening gehouden worden met de aard, ernst, omvang en duur van de inbreuk alsmede de voordelen die de onderneming uit de inbreuk heeft gehaald, eventuele recidive in hoofde van de inbreukplegende onderneming, de eventuele toezeggingen die zij overeenkomstig artikel XV.30/2, WER, heeft gedaan en andere verzachtende of verzwarende omstandigheden.” De “omnibusrichtlijn” betreft richtlijn 2019/
  19. Artikel 34 van de wet van 8 mei 2022 ‘houdende wijziging van boeken I, VI en XV van het Wetboek van economisch recht’, waarbij artikel XV.60/20, § 2, in het WER werd ingevoegd, is aldus de omzetting van de overeenkomstige bepaling(en) uit de voornoemde “omnibusrichtlijn” waarbij diverse richtlijnen werden gewijzigd. Overweging 7 van die richtlijn luidt: “

(7)Om een consistentere sanctietoepassing te bevorderen, met name voor inbreuken binnen de Unie, wijdverbreide inbreuken en wijdverbreide inbreuken met een Uniedimensie in de zin van Verordening (EU) 2017/2394, dienen in Richtlijnen 93/13/EEG, 98/6/EG, 2005/29/EG en 2011/83/EU gemeenschappelijke niet-limitatieve en indicatieve criteria te worden ingevoerd voor de toepassing van sancties. De aard, ernst, de omvang en duur van de inbreuk moeten bijvoorbeeld tot deze criteria behoren, evenals elke vergoeding die de handelaar de consumenten voor de geleden schade heeft aangeboden. Herhaalde inbreuken door dezelfde dader wijzen op een neiging tot het plegen van dergelijke inbreuken, en vormen daarom een belangrijke indicatie van de ernst van het gedrag en derhalve van de noodzaak om het niveau van de sanctie te verhogen teneinde een afschrikkend effect te bereiken. Indien de relevante gegevens beschikbaar zijn, moet rekening worden gehouden met de als gevolg van de inbreuk behaalde financiële voordelen of vermeden verliezen. Ook kunnen andere XIV-39.230-13/23 voor de omstandigheden van de zaak toepasselijke verzwarende of verzachtende factoren in acht worden genomen.” Zoals de wetsbepaling uitdrukkelijk stelt, zijn de in artikel XV.60/20, § 2, WER opgesomde criteria indicatief en niet-limitatief, hetgeen overeenstemt met de omgezette bepaling van richtlijn 2019/
  1. Het zijn aan alle lidstaten gemeenschappelijke criteria die ertoe strekken “een consistentere sanctietoepassing te bevorderen”. Op zich sluit deze opsomming juist door het expliciet indicatief en niet-limitatief karakter ervan, dus niet uit dat ook andere in rechte aanvaardbare – i.e. legitieme - criteria ter bepaling van de grootte van de administratieve geldboete in aanmerking kunnen worden genomen. Het komt aan de sanctionerende overheid toe om binnen de in artikel XV.60/20, § 1, WER bepaalde minimale en maximale bedragen van de administratieve geldboete, te oordelen met welke administratieve geldboete een inbreuk bedoeld in artikel XV.60/20, § 1, WER moet worden gesanctioneerd. Zij houdt hierbij rekening met de voormelde niet-limitatieve en indicatieve criteria, zonder dat zulks uitsluit dat zij bij de straftoemeting nog andere in rechte aanvaardbare criteria hanteert. Binnen deze grenzen heeft de overheid bij het bepalen van de strafmaat, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat en de criteria die ter zake zijn aangewend. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de sanctionerende overheid bij de straftoemeting is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit inzake de strafmaat is gekomen. De verzoekende partij voert ook de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. In samenlezing met de overige aangevoerde beginselen houdt zulks in dat de sanctionerende overheid op zorgvuldige wijze haar beslissing moet voorbereiden, hetgeen te dezen impliceert dat de straftoemeting dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste XIV-39.230-14/23 zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is hierbij onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Het komt evenwel aan de verzoekende partij toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de sanctionerende overheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door de verzoekende partij van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De verzoekende partij voert tot slot ook de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende sanctionerende overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou zijn gekomen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan de verzoekende partij de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door de verzoekende partij in het middel aangevoerde argumenten die volgens haar doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel miskent.
  2. De sanctionerende overheid hanteert in de bestreden beslissing de mogelijke of “potentiële” impact of omvang van de gepleegde (en bewezen) inbreuk als motief voor de concrete straftoemeting. Door dit te doen gaat de verwerende partij haar discretionaire bevoegdheid inzake de straftoemeting niet te buiten ongeacht of dat criterium al dan niet kan worden begrepen onder een van de in artikel XV.60/20, § 2, WER opgesomde indicatieve en niet-limitatieve criteria, minstens maakt de verzoekende partij zulks niet aannemelijk. De verzoekende partij betwist in haar laatste memorie overigens niet (langer) dat bij het bepalen van XIV-39.230-15/23 de hoogte van de administratieve geldboete met de potentiële impact van een inbreuk rekening kan worden gehouden, ongeacht of dit kan worden geplaatst onder punt 1 dan wel punt 6 van artikel XV.60/20, § 2, WER.
  3. De kritiek dat de verwerende partij bij het hanteren van dit straftoemetingscriterium niet is overgegaan tot een correcte feitenvinding omdat zij zich heeft gesteund op “aannames” zonder het nodige te hebben gedaan om de oorzaak van de afwijking op de vlampuntnormering na te gaan, wordt niet bijgevallen. Te dezen blijkt dat de verzoekende partij wordt gesanctioneerd wegens overtreding van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 juli 2018 ‘betreffende de benaming en de kenmerken van gasolie-diesel en van de benzines’, met name door het op de markt brengen van een product onder de benaming gasolie-diesel, terwijl dat niet de kenmerken bezit bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 8 juli
  4. Opdat deze inbreuk is bewezen, volstaat het derhalve dat de verwerende partij, op grond van het aangedragen bewijsmateriaal, in hoofde van de overtreder vaststelt dat die een product op de markt heeft gebracht dat niet de vereiste kenmerken bezit. De vraag wat de oorzaak is van deze inbreuk – te dezen of dit aan de geleverde brandstof zelf ligt, dan wel aan specifieke omstandigheden eigen aan het betrokken station – is voor het vaststaan van deze overtreding derhalve niet relevant. Indien de overtreder meent dat hijzelf niet instaat voor dit gebrekkig product – en hem dus niet de schuld treft voor de inbreuk – omdat te dezen de afwijking van de vlampuntnotering niet aan hem is te wijten maar aan de specifieke kenmerken van het betrokken station waar de staalname is gebeurd –, dan draagt hij ter zake de aanvoeringslast: hij moet aantonen dat zijn bewering niet van alle grond is ontbloot. Te dezen heeft de verzoekende partij zich, om redenen die haar eigen zijn, van elk verweer onthouden (zie supra, punt 3.2.) en is het “bewijs” dat de oorzaak van het te lage vlampunt niet aan de verzoekende partij is te wijten of haar toerekenbaar is, in ieder geval pas “geleverd” of aangereikt nadat de bestreden beslissing is genomen zodat, zoals de verzoekende partij overigens terecht stelt, de verwerende partij er geen acht kon op slaan bij het nemen van de bestreden XIV-39.230-16/23 beslissing. Hieruit volgt dat, op het ogenblik van de straftoemeting, de vaststelling volstaat dat de verzoekende partij een niet-conform product op de markt heeft gebracht. In deze context gaat, bij gebrek aan enig verweer ter zake in de loop van de procedure, of andere indices die zouden (kunnen) blijken uit het dossier, de zorgvuldige feitenvinding niet zover dat op de verwerende partij de plicht zou rusten om bij het bepalen van de strafmaat voor de hiervoor nader bepaalde inbreuk, een onderzoek te doen naar de oorzaak van de gepleegde inbreuk. De verzoekende partij doet in het verzoekschrift weliswaar gelden dat de verwerende partij enerzijds wist dat zij geen eigen raffinaderij heeft en dat de brandstof waarmee het kwestieuze tankstation werd bevoorraad, was afgenomen van een raffinaderij van een derde en anderzijds dat zij heeft aangetoond dat in de periode waarbinnen de vaststellingen zijn gebeurd de door de raffinaderij geleverde brandstof “on spec” was – wat volgens haar zou moeten aantonen dat de afwijking het gevolg was van specifieke en lokale omstandigheden – maar hiermee toont zij niet aan dat de verwerende partij op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing wist dat de geleverde brandstof in de betrokken raffinaderij voldeed aan de vlampuntnotering. Immers, zoals de verzoekende partij zelf in haar verzoekschrift erkent, heeft zij pas na de bestreden beslissing aan de verwerende partij per e-mailbericht laten weten dat het product, afkomstig van een raffinaderij van een derde, daar “on spec” was en dat “een mogelijke verklaring” die zij wenste toe te lichten het feit is “dat een off spec op vlampunt van diesel veroorzaakt kan zijn door benzine retour dampen tijdens lossing in geval van combivrachten aan stations”. Aldus blijkt niet uit de feiten dat de sanctionerende overheid op de hoogte was of moest zijn van dit feit. Zelfs aangenomen dat de verwerende partij wist of moest weten dat de beleverde brandstof afkomstig was van een raffinaderij toebehorend aan een derde, maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat deze indices in het dossier van die aard zijn dat aldus de verwerende partij een onderzoek moest instellen naar de oorzaak van de inbreuk. Op het ogenblik van de straftoemeting staan immers twee zaken vast: enerzijds het bewezen zijn van de inbreuk, met name een product XIV-39.230-17/23 op de markt te hebben gebracht onder de benaming gasolie-diesel dat niet conform is aan de voor dat product vereiste normen, en anderzijds het gegeven dat de verzoekende partij zeer veel tankstations belevert: de verzoekende partij maakt trouwens zelf in haar verzoekschrift melding van meer dan 400 stations. Door uit deze vaststellingen in de bestreden beslissing het gevolg te trekken dat de impact van de inbreuk “potentieel groot” is, stelt de sanctionerende overheid een verband vast tussen de beide vaststellingen enerzijds en de potentiële impact van de inbreuk anderzijds. Met de eigen (en niet door de verwerende partij gekende) vaststelling dat de brandstof in de raffinaderij beantwoordde aan de vlampuntnormering en het feit dat de verwerende partij weet dat zij geen eigen raffinaderij heeft, maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat, zonder dat de verwerende partij hiertoe voorafgaand een onderzoek diende te voeren naar de oorzaak van de inbreuk, deze gevolgtrekking niet met voldoende zekerheid uit de voornoemde beide vaststellingen zou kunnen worden afgeleid. Overigens heeft de verzoekende partij, om redenen die haar eigen zijn, zich onthouden van elk verweer in de loop van de administratieve procedure, wat maakt dat van een verwerende partij niet kan worden geëist dat zij, zonder enige aanwijzing ter zake van de verzoekende partij, een proactief onderzoek gaat doen naar de potentiële weerslag “op het terrein” van de gepleegde inbreuk en dat zij dus niet mocht uitgaan van het vermoeden dat gelet juist op de aard van de inbreuk enerzijds en het feit dat de verzoekende partij levert aan zeer veel stations anderzijds, de potentiële impact van de inbreuk groot is. De kritiek dat er geen stukken voorliggen waaruit dit vermoeden blijkt, is evenmin relevant nu van een vermoeden per definitie niet kan worden geëist dat daarvan stukken bestaan. Het gegeven dat volgens de verzoekende partij uit statistieken blijkt dat de vastgestelde inbreuk eerder uitzonderlijk zou zijn, belet evenmin dat de inbreuken die wel zijn gepleegd, potentieel een grote impact kunnen hebben ten aanzien van een overtreder zoals de verzoekende partij, die levert aan zeer veel tankstations.
  5. De verzoekende partij beroept zich in haar laatste memorie op de sanctie vervat in artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, – de verwerende partij heeft inderdaad het administratief dossier XIV-39.230-18/23 laattijdig toegestuurd – om te besluiten dat de door haar in het verzoekschrift aangehaalde feitelijke omstandigheden “feitelijk correct en bewezen zijn”. Dit wettelijk vermoeden leidt evenwel niet tot een andere conclusie. De omstandigheid dat volgens de verzoekende partij uit die aldus “feitelijk correct en bewezen” gegevens zou moeten blijken dat de door de raffinaderij geleverde brandstof “on spec” was – waaruit de verzoekende partij afleidt dat de afwijking van de vlampuntnorm het gevolg is van specifieke en lokale omstandigheden –, toont niet aan dat de verwerende partij dit gegeven kende of moest kennen op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing. Aan dat feit verandert het voornoemde wettelijk vermoeden niets, te meer de verzoekende partij zelf erkent dat de verwerende partij dit niet kon betrekken bij haar beoordeling.
  6. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet met concrete gegevens aannemelijk maakt dat de verwerende partij op onzorgvuldige wijze aan feitenvinding heeft gedaan wat dit motief voor de straftoemeting betreft. Aldus maakt zij niet aannemelijk dat er “zekerheid” moest bestaan dat er mogelijks sprake was van een levering van niet-conforme brandstof aan zeer veel tankstations om te oordelen dat de impact van de inbreuk “potentieel groot” is, noch dat er te dezen geen sprake zou zijn van een correcte feitenvinding. In de mate dat de verzoekende partij tot slot ook nog de schending van het redelijkheidsbeginsel aanvoert, valt dit samen met wat hiervóór al is besproken. De verzoekende partij geeft weliswaar blijk van een eigen mening dat het “kennelijk onredelijk” is om zonder ter zake over zekerheid te beschikken te oordelen dat er mogelijks sprake is van een levering van niet-conforme brandstof aan zeer veel tankstations om de administratieve geldboete te verhogen, maar met die blote bewering maakt zij niet aannemelijk dat de verwerende partij ter zake haar discretionaire bevoegdheid heeft miskend door op grond van het thans betwiste motief de hoogte van de administratieve geldboete (mede) te bepalen. XIV-39.230-19/23
  7. Het voor het eerst in de laatste memorie aangevoerde argument dat de eventuele potentiële impact ook zorgvuldig moet worden beoordeeld en op redelijke wijze moet worden ingeschat op basis van correcte feitelijke gegevens, is nieuw en niet ontwikkeld in het verzoekschrift. De verzoekende partij toont niet aan dat, in de mate dat dit al kan worden betrokken bij het initieel in het verzoekschrift ontwikkelde middelonderdeel, zij dat niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft de verzoekende partij op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Het kan derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
  8. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. C. Tweede middelonderdeel
  9. De verzoekende partij richt zich in het middelonderdeel tegen de deugdelijkheid van het volgende motief voor de strafmaat: “Overwegende dat [de verzoekende partij] met een omzet van 2.349.661.883 euro, een balanstotaal van 760.432.303 euro en een gemiddeld aantal personeelsleden van 378,1 in het boekjaar dat werd afgesloten in 2022, kwalificeert als een zeer grote onderneming (omzet > 34 miljoen euro, balanstotaal > 17 miljoen euro en > 250 werknemers).” Voorts blijkt uit de bestreden beslissing dat het “tussentijds basisbedrag van 1.800 euro” werd verhoogd “omwille van de omvang van de onderneming (zeer groot): basisbedrag van 14.400 euro.” Uit dit motief blijkt dat de verwerende partij bij de straftoemeting rekening heeft gehouden met de omvang van de onderneming.
  10. De verzoekende partij voert in hoofdorde aan dat op geen enkele manier kan worden ingezien hoe de omvang van de onderneming als een verzwarende omstandigheid in de zin van artikel XV.60/2°, § 2, 6°, WER kan worden aangezien, minstens ontbreekt ter zake dienaangaande elke motivering. XIV-39.230-20/23 Deze grief is ongegrond om de volgende reden. Artikel XV.60/20, § 2, WER en de draagwijdte ervan is hiervoor reeds aangehaald. Er wordt naar verwezen (supra, punt 9.). Zoals hiervoor is gesteld, sluit de niet-limitatieve en indicatieve aard van de criteria waarmee rekening kan worden gehouden bij het vaststellen van een administratieve geldboete, op zich niet uit dat ook andere (legitieme) criteria in aanmerking worden genomen. Anders dan hoe de verzoekende partij het ziet, is het limitatief karakter van die andere criteria niet beperkt tot de in 6° voorziene “andere verzwarende of verzachtende omstandigheden die van toepassing zijn op de zaak”. In wezen kunnen alle rechtens aanvaardbare criteria in aanmerking worden genomen bij de straftoemeting. Op zich is overigens het criterium dat het bedrag van de geldboete wordt vastgesteld in verhouding tot de omvang van de rechtspersoon, geen “verzwarende of verzachtende omstandigheid”, maar een straftoemetingscriterium op zich, om ter individualisering, een straf te bepalen tussen het wettelijke maximumbedrag en minimumbedrag. De vraag of de omvang van de onderneming al dan niet als een “verzwarende omstandigheid” in de zin van artikel XV.60/20, § 2, 6°,WER kan worden beschouwd is derhalve in rechte irrelevant. Het middelonderdeel faalt derhalve in rechte. De omvang van de onderneming is als straftoemetingscriterium in aanmerking genomen om inzonderheid de weerslag van de sanctie voor de rechtspersoon-overtreder (individueel) te moduleren voor een “zeer grote onderneming”. Anders dan hoe de verzoekende partij het ziet, betreft het hierbij aldus niet de toepassing van een “verzwarende omstandigheid” in de zin van het Belgisch (straf)recht. Verzwarende omstandigheden naar Belgisch (straf)recht zijn immers uitdrukkelijk in de wet bepaalde omstandigheden die tot gevolg hebben dat hetzij de maximumstraf, hetzij de minimumstraf, voor de betrokken inbreuk wordt opgetrokken. Het zijn derhalve factoren die een strafverzwaring kunnen meebrengen waardoor een straf kan worden opgelegd die het maximum, bepaald voor de inbreuk, overtreft, of waardoor de minimumstraf, bepaald voor het misdrijf, wordt opgetrokken. Te dezen is hiervan evenwel duidelijk geen sprake. XIV-39.230-21/23
  11. In de mate dat de verzoekende partij, in subsidiaire orde, het standpunt huldigt dat de bestreden beslissing moet motiveren waarom de omvang van de verzoekende partij wordt betrokken bij de straftoemeting, aangezien dit criterium niet uitdrukkelijk is opgenomen in artikel XV.60/20, § 2, WER, vraagt zij eigenlijk naar de beweegredenen van de motieven voor de straftoemeting. Dat ligt niet vervat in de geschonden geachte formele- en/of materiëlemotiveringsplicht.
  12. Het voor het eerst in de laatste memorie aangevoerde argument dat het rekening houden met de totale jaaromzet niet impliceert dat de totale jaaromzet ook als een verzwarende omstandigheid kan worden aangewend, is nieuw en niet ontwikkeld in het verzoekschrift. De verzoekende partij toont niet aan dat, in de mate dat dit al kan worden betrokken bij het initieel in het verzoekschrift ontwikkelde middelonderdeel, zij dat niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft de verzoekende partij op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Het kan derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
  13. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. D. Conclusie
  14. Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt het beroep.
  16. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verwerende partij. XIV-39.230-22/23
  17. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.230-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.361 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.