id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.361 Rolnummer: A. 239456/XIV-39230 Zaak: Arrest 262361 - Varia (economische zaken) - 17/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-20 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-17 01:49 Fiche Arrest nr 262.361 van 17 februari 2025 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 262.361 van 17 februari 2025 in de zaak A. 239.456/XIV-39.230 In zake : de NV K. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2000 Antwerpen Scheldestraat 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie en Werk bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(7)Om een consistentere sanctietoepassing te bevorderen, met name voor inbreuken binnen de Unie, wijdverbreide inbreuken en wijdverbreide inbreuken met een Uniedimensie in de zin van Verordening (EU) 2017/2394, dienen in Richtlijnen 93/13/EEG, 98/6/EG, 2005/29/EG en 2011/83/EU gemeenschappelijke niet-limitatieve en indicatieve criteria te worden ingevoerd voor de toepassing van sancties. De aard, ernst, de omvang en duur van de inbreuk moeten bijvoorbeeld tot deze criteria behoren, evenals elke vergoeding die de handelaar de consumenten voor de geleden schade heeft aangeboden. Herhaalde inbreuken door dezelfde dader wijzen op een neiging tot het plegen van dergelijke inbreuken, en vormen daarom een belangrijke indicatie van de ernst van het gedrag en derhalve van de noodzaak om het niveau van de sanctie te verhogen teneinde een afschrikkend effect te bereiken. Indien de relevante gegevens beschikbaar zijn, moet rekening worden gehouden met de als gevolg van de inbreuk behaalde financiële voordelen of vermeden verliezen. Ook kunnen andere XIV-39.230-13/23 voor de omstandigheden van de zaak toepasselijke verzwarende of verzachtende factoren in acht worden genomen.” Zoals de wetsbepaling uitdrukkelijk stelt, zijn de in artikel XV.60/20, § 2, WER opgesomde criteria indicatief en niet-limitatief, hetgeen overeenstemt met de omgezette bepaling van richtlijn 2019/
- Het zijn aan alle lidstaten gemeenschappelijke criteria die ertoe strekken “een consistentere sanctietoepassing te bevorderen”. Op zich sluit deze opsomming juist door het expliciet indicatief en niet-limitatief karakter ervan, dus niet uit dat ook andere in rechte aanvaardbare – i.e. legitieme - criteria ter bepaling van de grootte van de administratieve geldboete in aanmerking kunnen worden genomen. Het komt aan de sanctionerende overheid toe om binnen de in artikel XV.60/20, § 1, WER bepaalde minimale en maximale bedragen van de administratieve geldboete, te oordelen met welke administratieve geldboete een inbreuk bedoeld in artikel XV.60/20, § 1, WER moet worden gesanctioneerd. Zij houdt hierbij rekening met de voormelde niet-limitatieve en indicatieve criteria, zonder dat zulks uitsluit dat zij bij de straftoemeting nog andere in rechte aanvaardbare criteria hanteert. Binnen deze grenzen heeft de overheid bij het bepalen van de strafmaat, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat en de criteria die ter zake zijn aangewend. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de sanctionerende overheid bij de straftoemeting is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit inzake de strafmaat is gekomen. De verzoekende partij voert ook de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. In samenlezing met de overige aangevoerde beginselen houdt zulks in dat de sanctionerende overheid op zorgvuldige wijze haar beslissing moet voorbereiden, hetgeen te dezen impliceert dat de straftoemeting dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste XIV-39.230-14/23 zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is hierbij onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Het komt evenwel aan de verzoekende partij toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de sanctionerende overheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door de verzoekende partij van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De verzoekende partij voert tot slot ook de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende sanctionerende overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou zijn gekomen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan de verzoekende partij de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door de verzoekende partij in het middel aangevoerde argumenten die volgens haar doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel miskent.
- De sanctionerende overheid hanteert in de bestreden beslissing de mogelijke of “potentiële” impact of omvang van de gepleegde (en bewezen) inbreuk als motief voor de concrete straftoemeting. Door dit te doen gaat de verwerende partij haar discretionaire bevoegdheid inzake de straftoemeting niet te buiten ongeacht of dat criterium al dan niet kan worden begrepen onder een van de in artikel XV.60/20, § 2, WER opgesomde indicatieve en niet-limitatieve criteria, minstens maakt de verzoekende partij zulks niet aannemelijk. De verzoekende partij betwist in haar laatste memorie overigens niet (langer) dat bij het bepalen van XIV-39.230-15/23 de hoogte van de administratieve geldboete met de potentiële impact van een inbreuk rekening kan worden gehouden, ongeacht of dit kan worden geplaatst onder punt 1 dan wel punt 6 van artikel XV.60/20, § 2, WER.
- De kritiek dat de verwerende partij bij het hanteren van dit straftoemetingscriterium niet is overgegaan tot een correcte feitenvinding omdat zij zich heeft gesteund op “aannames” zonder het nodige te hebben gedaan om de oorzaak van de afwijking op de vlampuntnormering na te gaan, wordt niet bijgevallen. Te dezen blijkt dat de verzoekende partij wordt gesanctioneerd wegens overtreding van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 juli 2018 ‘betreffende de benaming en de kenmerken van gasolie-diesel en van de benzines’, met name door het op de markt brengen van een product onder de benaming gasolie-diesel, terwijl dat niet de kenmerken bezit bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 8 juli
- Opdat deze inbreuk is bewezen, volstaat het derhalve dat de verwerende partij, op grond van het aangedragen bewijsmateriaal, in hoofde van de overtreder vaststelt dat die een product op de markt heeft gebracht dat niet de vereiste kenmerken bezit. De vraag wat de oorzaak is van deze inbreuk – te dezen of dit aan de geleverde brandstof zelf ligt, dan wel aan specifieke omstandigheden eigen aan het betrokken station – is voor het vaststaan van deze overtreding derhalve niet relevant. Indien de overtreder meent dat hijzelf niet instaat voor dit gebrekkig product – en hem dus niet de schuld treft voor de inbreuk – omdat te dezen de afwijking van de vlampuntnotering niet aan hem is te wijten maar aan de specifieke kenmerken van het betrokken station waar de staalname is gebeurd –, dan draagt hij ter zake de aanvoeringslast: hij moet aantonen dat zijn bewering niet van alle grond is ontbloot. Te dezen heeft de verzoekende partij zich, om redenen die haar eigen zijn, van elk verweer onthouden (zie supra, punt 3.2.) en is het “bewijs” dat de oorzaak van het te lage vlampunt niet aan de verzoekende partij is te wijten of haar toerekenbaar is, in ieder geval pas “geleverd” of aangereikt nadat de bestreden beslissing is genomen zodat, zoals de verzoekende partij overigens terecht stelt, de verwerende partij er geen acht kon op slaan bij het nemen van de bestreden XIV-39.230-16/23 beslissing. Hieruit volgt dat, op het ogenblik van de straftoemeting, de vaststelling volstaat dat de verzoekende partij een niet-conform product op de markt heeft gebracht. In deze context gaat, bij gebrek aan enig verweer ter zake in de loop van de procedure, of andere indices die zouden (kunnen) blijken uit het dossier, de zorgvuldige feitenvinding niet zover dat op de verwerende partij de plicht zou rusten om bij het bepalen van de strafmaat voor de hiervoor nader bepaalde inbreuk, een onderzoek te doen naar de oorzaak van de gepleegde inbreuk. De verzoekende partij doet in het verzoekschrift weliswaar gelden dat de verwerende partij enerzijds wist dat zij geen eigen raffinaderij heeft en dat de brandstof waarmee het kwestieuze tankstation werd bevoorraad, was afgenomen van een raffinaderij van een derde en anderzijds dat zij heeft aangetoond dat in de periode waarbinnen de vaststellingen zijn gebeurd de door de raffinaderij geleverde brandstof “on spec” was – wat volgens haar zou moeten aantonen dat de afwijking het gevolg was van specifieke en lokale omstandigheden – maar hiermee toont zij niet aan dat de verwerende partij op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing wist dat de geleverde brandstof in de betrokken raffinaderij voldeed aan de vlampuntnotering. Immers, zoals de verzoekende partij zelf in haar verzoekschrift erkent, heeft zij pas na de bestreden beslissing aan de verwerende partij per e-mailbericht laten weten dat het product, afkomstig van een raffinaderij van een derde, daar “on spec” was en dat “een mogelijke verklaring” die zij wenste toe te lichten het feit is “dat een off spec op vlampunt van diesel veroorzaakt kan zijn door benzine retour dampen tijdens lossing in geval van combivrachten aan stations”. Aldus blijkt niet uit de feiten dat de sanctionerende overheid op de hoogte was of moest zijn van dit feit. Zelfs aangenomen dat de verwerende partij wist of moest weten dat de beleverde brandstof afkomstig was van een raffinaderij toebehorend aan een derde, maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat deze indices in het dossier van die aard zijn dat aldus de verwerende partij een onderzoek moest instellen naar de oorzaak van de inbreuk. Op het ogenblik van de straftoemeting staan immers twee zaken vast: enerzijds het bewezen zijn van de inbreuk, met name een product XIV-39.230-17/23 op de markt te hebben gebracht onder de benaming gasolie-diesel dat niet conform is aan de voor dat product vereiste normen, en anderzijds het gegeven dat de verzoekende partij zeer veel tankstations belevert: de verzoekende partij maakt trouwens zelf in haar verzoekschrift melding van meer dan 400 stations. Door uit deze vaststellingen in de bestreden beslissing het gevolg te trekken dat de impact van de inbreuk “potentieel groot” is, stelt de sanctionerende overheid een verband vast tussen de beide vaststellingen enerzijds en de potentiële impact van de inbreuk anderzijds. Met de eigen (en niet door de verwerende partij gekende) vaststelling dat de brandstof in de raffinaderij beantwoordde aan de vlampuntnormering en het feit dat de verwerende partij weet dat zij geen eigen raffinaderij heeft, maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat, zonder dat de verwerende partij hiertoe voorafgaand een onderzoek diende te voeren naar de oorzaak van de inbreuk, deze gevolgtrekking niet met voldoende zekerheid uit de voornoemde beide vaststellingen zou kunnen worden afgeleid. Overigens heeft de verzoekende partij, om redenen die haar eigen zijn, zich onthouden van elk verweer in de loop van de administratieve procedure, wat maakt dat van een verwerende partij niet kan worden geëist dat zij, zonder enige aanwijzing ter zake van de verzoekende partij, een proactief onderzoek gaat doen naar de potentiële weerslag “op het terrein” van de gepleegde inbreuk en dat zij dus niet mocht uitgaan van het vermoeden dat gelet juist op de aard van de inbreuk enerzijds en het feit dat de verzoekende partij levert aan zeer veel stations anderzijds, de potentiële impact van de inbreuk groot is. De kritiek dat er geen stukken voorliggen waaruit dit vermoeden blijkt, is evenmin relevant nu van een vermoeden per definitie niet kan worden geëist dat daarvan stukken bestaan. Het gegeven dat volgens de verzoekende partij uit statistieken blijkt dat de vastgestelde inbreuk eerder uitzonderlijk zou zijn, belet evenmin dat de inbreuken die wel zijn gepleegd, potentieel een grote impact kunnen hebben ten aanzien van een overtreder zoals de verzoekende partij, die levert aan zeer veel tankstations.
- De verzoekende partij beroept zich in haar laatste memorie op de sanctie vervat in artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, – de verwerende partij heeft inderdaad het administratief dossier XIV-39.230-18/23 laattijdig toegestuurd – om te besluiten dat de door haar in het verzoekschrift aangehaalde feitelijke omstandigheden “feitelijk correct en bewezen zijn”. Dit wettelijk vermoeden leidt evenwel niet tot een andere conclusie. De omstandigheid dat volgens de verzoekende partij uit die aldus “feitelijk correct en bewezen” gegevens zou moeten blijken dat de door de raffinaderij geleverde brandstof “on spec” was – waaruit de verzoekende partij afleidt dat de afwijking van de vlampuntnorm het gevolg is van specifieke en lokale omstandigheden –, toont niet aan dat de verwerende partij dit gegeven kende of moest kennen op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing. Aan dat feit verandert het voornoemde wettelijk vermoeden niets, te meer de verzoekende partij zelf erkent dat de verwerende partij dit niet kon betrekken bij haar beoordeling.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet met concrete gegevens aannemelijk maakt dat de verwerende partij op onzorgvuldige wijze aan feitenvinding heeft gedaan wat dit motief voor de straftoemeting betreft. Aldus maakt zij niet aannemelijk dat er “zekerheid” moest bestaan dat er mogelijks sprake was van een levering van niet-conforme brandstof aan zeer veel tankstations om te oordelen dat de impact van de inbreuk “potentieel groot” is, noch dat er te dezen geen sprake zou zijn van een correcte feitenvinding. In de mate dat de verzoekende partij tot slot ook nog de schending van het redelijkheidsbeginsel aanvoert, valt dit samen met wat hiervóór al is besproken. De verzoekende partij geeft weliswaar blijk van een eigen mening dat het “kennelijk onredelijk” is om zonder ter zake over zekerheid te beschikken te oordelen dat er mogelijks sprake is van een levering van niet-conforme brandstof aan zeer veel tankstations om de administratieve geldboete te verhogen, maar met die blote bewering maakt zij niet aannemelijk dat de verwerende partij ter zake haar discretionaire bevoegdheid heeft miskend door op grond van het thans betwiste motief de hoogte van de administratieve geldboete (mede) te bepalen. XIV-39.230-19/23
- Het voor het eerst in de laatste memorie aangevoerde argument dat de eventuele potentiële impact ook zorgvuldig moet worden beoordeeld en op redelijke wijze moet worden ingeschat op basis van correcte feitelijke gegevens, is nieuw en niet ontwikkeld in het verzoekschrift. De verzoekende partij toont niet aan dat, in de mate dat dit al kan worden betrokken bij het initieel in het verzoekschrift ontwikkelde middelonderdeel, zij dat niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft de verzoekende partij op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Het kan derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- Het eerste middelonderdeel is ongegrond. C. Tweede middelonderdeel
- De verzoekende partij richt zich in het middelonderdeel tegen de deugdelijkheid van het volgende motief voor de strafmaat: “Overwegende dat [de verzoekende partij] met een omzet van 2.349.661.883 euro, een balanstotaal van 760.432.303 euro en een gemiddeld aantal personeelsleden van 378,1 in het boekjaar dat werd afgesloten in 2022, kwalificeert als een zeer grote onderneming (omzet > 34 miljoen euro, balanstotaal > 17 miljoen euro en > 250 werknemers).” Voorts blijkt uit de bestreden beslissing dat het “tussentijds basisbedrag van 1.800 euro” werd verhoogd “omwille van de omvang van de onderneming (zeer groot): basisbedrag van 14.400 euro.” Uit dit motief blijkt dat de verwerende partij bij de straftoemeting rekening heeft gehouden met de omvang van de onderneming.
- De verzoekende partij voert in hoofdorde aan dat op geen enkele manier kan worden ingezien hoe de omvang van de onderneming als een verzwarende omstandigheid in de zin van artikel XV.60/2°, § 2, 6°, WER kan worden aangezien, minstens ontbreekt ter zake dienaangaande elke motivering. XIV-39.230-20/23 Deze grief is ongegrond om de volgende reden. Artikel XV.60/20, § 2, WER en de draagwijdte ervan is hiervoor reeds aangehaald. Er wordt naar verwezen (supra, punt 9.). Zoals hiervoor is gesteld, sluit de niet-limitatieve en indicatieve aard van de criteria waarmee rekening kan worden gehouden bij het vaststellen van een administratieve geldboete, op zich niet uit dat ook andere (legitieme) criteria in aanmerking worden genomen. Anders dan hoe de verzoekende partij het ziet, is het limitatief karakter van die andere criteria niet beperkt tot de in 6° voorziene “andere verzwarende of verzachtende omstandigheden die van toepassing zijn op de zaak”. In wezen kunnen alle rechtens aanvaardbare criteria in aanmerking worden genomen bij de straftoemeting. Op zich is overigens het criterium dat het bedrag van de geldboete wordt vastgesteld in verhouding tot de omvang van de rechtspersoon, geen “verzwarende of verzachtende omstandigheid”, maar een straftoemetingscriterium op zich, om ter individualisering, een straf te bepalen tussen het wettelijke maximumbedrag en minimumbedrag. De vraag of de omvang van de onderneming al dan niet als een “verzwarende omstandigheid” in de zin van artikel XV.60/20, § 2, 6°,WER kan worden beschouwd is derhalve in rechte irrelevant. Het middelonderdeel faalt derhalve in rechte. De omvang van de onderneming is als straftoemetingscriterium in aanmerking genomen om inzonderheid de weerslag van de sanctie voor de rechtspersoon-overtreder (individueel) te moduleren voor een “zeer grote onderneming”. Anders dan hoe de verzoekende partij het ziet, betreft het hierbij aldus niet de toepassing van een “verzwarende omstandigheid” in de zin van het Belgisch (straf)recht. Verzwarende omstandigheden naar Belgisch (straf)recht zijn immers uitdrukkelijk in de wet bepaalde omstandigheden die tot gevolg hebben dat hetzij de maximumstraf, hetzij de minimumstraf, voor de betrokken inbreuk wordt opgetrokken. Het zijn derhalve factoren die een strafverzwaring kunnen meebrengen waardoor een straf kan worden opgelegd die het maximum, bepaald voor de inbreuk, overtreft, of waardoor de minimumstraf, bepaald voor het misdrijf, wordt opgetrokken. Te dezen is hiervan evenwel duidelijk geen sprake. XIV-39.230-21/23
- In de mate dat de verzoekende partij, in subsidiaire orde, het standpunt huldigt dat de bestreden beslissing moet motiveren waarom de omvang van de verzoekende partij wordt betrokken bij de straftoemeting, aangezien dit criterium niet uitdrukkelijk is opgenomen in artikel XV.60/20, § 2, WER, vraagt zij eigenlijk naar de beweegredenen van de motieven voor de straftoemeting. Dat ligt niet vervat in de geschonden geachte formele- en/of materiëlemotiveringsplicht.
- Het voor het eerst in de laatste memorie aangevoerde argument dat het rekening houden met de totale jaaromzet niet impliceert dat de totale jaaromzet ook als een verzwarende omstandigheid kan worden aangewend, is nieuw en niet ontwikkeld in het verzoekschrift. De verzoekende partij toont niet aan dat, in de mate dat dit al kan worden betrokken bij het initieel in het verzoekschrift ontwikkelde middelonderdeel, zij dat niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft de verzoekende partij op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Het kan derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- Het tweede middelonderdeel is ongegrond. D. Conclusie
- Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verwerende partij. XIV-39.230-22/23
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.230-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.361 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div