id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 Rolnummer: A. 240376/IX-10367 Zaak: Arrest 262362 - Diploma'sen gelijkwaardigheid van diploma’s - 17/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-18 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-17 01:49 Fiche Arrest nr 262.362 van 17 februari 2025 Onderwijs en cultuur - Diploma'sen gelijkwaardigheid van diploma's Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 no lien 281931 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 262.362 van 17 februari 2025 in de zaak A. 240.376/IX-10.367 In zake : P.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michiel Deweirdt kantoor houdend te 9000 Gent Molenaarsstraat 111 bus 1A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VZW SINT-ALBERTUSCOLLEGE-HAASRODE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel Peeters kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 731 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 oktober 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Sint- Albertuscollege-Haasrode van 8 september 2023 waarbij aan verzoeker een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Daniël Plas heeft een verslag opgesteld. IX-10.367-1/32 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september 2024. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laurens Mertens, die loco advocaat Michiel Deweirdt verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Karel Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Daniël Plas, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is in het schooljaar 2022-2023 leerling in het tweede leerjaar van de derde graad wetenschappen-wiskunde in het Sint-Albertuscollege te Haasrode, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. 3.2. Op het einde van het schooljaar laat verzoeker jaartekorten optekenen voor Nederlands (46%), Frans (34%), aardrijkskunde (47%), chemie (46%) en wiskunde (45%). De klassenraad beslist om aan verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen. De motivering luidt als volgt: IX-10.367-2/32 “Onvoldoende op het jaartotaal voor vijf vakken. Er is onvoldoende herstel te zien na de duidelijke waarschuwingen en begeleiding op het einde van het eerste semester.” Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad. Verzoeker stelt daarop bezwaar in bij het schoolbestuur. 3.3. Op 8 september 2023 handhaaft de beroepscommissie het C- attest. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “I. Met betrekking tot de grieven verwoord in de § 6.1 dat door de school voor de taalvakken de compenserende maatregelen niet werden toegepast, stelt de beroepscommissie vast dat de […] school een aanbod van maatregelen deed maar dat de leerling daar niet of amper op inging. Zo kon de leerling gebruik maken van Sprint. De commissie stelt vast dat de leerling geen gebruik maakte van de aangeboden luisterboeken of samenvattingen voor Frans en dat de leerling er voor koos om de voorleesfunctie van Sprint niet te gebruiken omdat hij niet graag luistert naar een computerstem. Tijdens de lessen nam de leerling zelden de laptop mee en maakte hij geen gebruik van Sprint. Bovendien hebben de leerling en/of zijn ouders, dit op geen enkel moment concreet aangekaart of een concrete oplossing aangereikt of besproken. De moeilijkheden die de leerling ondervond bij het gebruik van Sprint werden niet besproken met de school en ook de ouders namen geen stappen om deze moeilijkheden weg te werken (o.a. last van achtergrondgeluid bij het afleggen van een proefwerk kon verholpen worden met een koptelefoon). De beroepscommissie stelt dat de praktische moeilijkheden die [verzoeker] ervaart bij het gebruik van Sprint o.a. dat het examen moet afgedrukt worden en nog nagelezen worden, dat het printen soms lang duurt, dat de voorleesfunctie niet goed werkt bij het voorlezen van getallen, niets te maken heeft met de kwaliteit van de testing en niet de verantwoordelijkheid zijn van de school. II. Met betrekking tot de in § 6.2 gemaakte opmerking dat de remediëring van de school er in het beste geval was enkele weken na Kerst, en dus quasi onbestaande, ondanks duidelijke afspraken hierover voor het tweede semester, merkt de beroepscommissie op dat er wel degelijk een aanbod was maar dat de leerling daar maar beperkt op inging. De bijlessen wiskunde die elke maandagmiddag werden georganiseerd van januari tot juni woonde [verzoeker] de eerste 2 maanden na de kerstvakantie bij maar daarna kwam hij niet meer opdagen. [Verzoeker] geeft aan de commissie toe dat hij dat beter wel was blijven doen. De mogelijkheid om voor Nederlands een extra taak te maken als remediëring die ook extra punten kon opleveren, nam [verzoeker] niet. Hierover zegt [verzoeker] aan de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 IX-10.367-3/32 commissie dat hij dat niet deed omdat het veel werk was en hij het nut er niet van inzag. Bovendien zegt [verzoeker] dat hij niet graag leest en het daarom ook vermijdt. De beroepscommissie stelt vast dat [verzoeker] kennelijk niets heeft ondernomen om extra begeleiding of hulp te krijgen voor de vakken waar hij een tekort haalde bij de kerstexamens zodat hij de tekorten mogelijks had kunnen wegwerken. III. Met betrekking tot de grief dat de kwaliteit van lesgeven voor de vakken waarvoor [verzoeker] een onvoldoende heeft duidelijk ondermaats was gelet op de veelheid van toetsen met een laag tot zeer leeg klasgemiddelde stelt de beroepscommissie dat conclusies over de kwaliteit van lesgeven op basis van de resultaten van één klas binnen één evaluatieperiode niet representatief zijn. Bovendien merkt de commissie op dat de resultaten over alle klassen een normale verdeling vertonen. Voorts merkt de beroepscommissie op dat de Raad van State (hierna RVS) de visie hanteert dat de motivering van het al dan niet slagen van een leerling in de eerste plaats besloten ligt in de behaalde punten. (RvS, 220.963 dd 11/10/2012) Die punten worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. De RvS gaat ervanuit, dat de leerkrachten tijdens het schooljaar de aan de eindtermen gerelateerde en door het leerplan vereiste leerstof volledig en bekwaam hebben onderwezen, dat zij de vorderingen van de leerling correct hebben geobserveerd en geëvalueerd tijdens het ‘dagelijks werk’ of de permanente evaluatie. Bovendien gaat de RvS ervanuit – totdat zonder enige twijfel het tegendeel wordt bewezen – dat leerkrachten examens opstellen die niet enkel bedoeld zijn om het klasgemiddelde op te smukken maar representatief zijn voor de effectief onderwezen leerstof naar leerinhoud zowel als moeilijkheidsgraad, dat zij die examens objectief en vakkundig hebben verbeterd en aan de hand van een valide puntenspreiding over de leeronderdelen gequoteerd ten einde over de bereikte kennis, vaardigheden en eventueel attitudes van de leerling te rapporteren en dat de relatieve waarde tussen de punten voor dagelijks werk en de proefwerken weloverwogen het leerproces van de leerling tijdens het jaar en zijn of haar capaciteit tot verwerking van afgewerkte en grotere gehelen weergeeft. Het is dan ook aan de verzoekers om te bewijzen dat de leraren zouden tekortschieten in hun deskundigheid. Een laag klas gemiddelde is op zich daarvoor geen afdoend bewijs. Van een verzoekende partij verwacht de RvS dat zij gegevens en argumenten aanbrengt die verder gaan dan een loutere verwijzing naar het klasgemiddelde en dus van die aard zijn dat ze aan de ernst van de voor de examens toegekende punten doen twijfelen. (RvS 111.840, dd 24/10/2002) IV. Inzake de opmerking in § 6.4 dat de afspraken van Kerst van een ‘significante verbetering’ eenzijdig gewijzigd en aangescherpt werden naar ‘volledig opgehaald’, wijst de beroepscommissie er op dat de klassenraad op het einde van het schooljaar oordeelt of de leerling de doelstellingen van het leerplan voldoende heeft bereikt. Het is de klassenraad die op basis daarvan een attest uitreikt. IX-10.367-4/32 Bovendien stelt de beroepscommissie vast dat de klassenraad in maart op het rapport [noteerde]: ‘Op dit moment heb je nog steeds verschillende zware tekorten. Bovendien zien we voor verschillende van deze vakken erg weinig vooruitgang ondanks alle aangeboden hulp en ondersteuning. Als je op het einde van het schooljaar wil slagen, zal je deze tekorten moeten wegwerken’. Voorts wijst de beroepscommissie erop aanmoedigende woorden van leraren of een klassenraad niet uitsluiten dat een klassenraad streng mag zijn. In lijn met de rechtspraak van de RvS oordeelt ook de beroepscommissie dat streng zijn niet onwettig is. (RvS, 111.840 dd 24/10/2002; 175.202 dd 2/10/2007; 220.915 dd 9/10/2012; [222.335] dd 31/1/2013) De Raad van State kan als wettigheidsrechter een leerling derhalve niet beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen. Een strenge beslissing kan door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren worden. Het is ook niet uitgesloten dat een ándere beroepscommissie, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de haar toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen. V. Met betrekking tot de grieven verwoord in de § 6.5 dat de school het C-attest als sanctie motiveert en dat dit blijkt uit de zin die de klassenraad op het rapport schrijft, met name ‘Wat jammer dat dit niet is gelukt.’, concludeert de beroepscommissie dat dit een interpretatie is van de motivering en dat de klassenraad doorheen het schooljaar in zijn feedback steeds op de mogelijke gevolgen van de resultaten heeft gewezen. De beroepscommissie stel[t] op basis van onderstaande feiten vast dat de klassenraad steeds vanuit een zorgzame houding en niet vanuit een sanctionerende houding heeft geageerd: Zo geeft de klassenraad in oktober als feedback op het rapport: ‘Er staan op dit rapport toch wel een aantal duidelijke tekorten. Probeer op tijd aan te geven wanneer iets niet helemaal duidelijk is. Je vakleerkrachten zijn beschikbaar om je extra hulp aan te bieden, maar jij moet aangeven wanneer je die hulp nodig acht. Probeer door te zetten, maar eerst genieten van je vakantie! We nodigen graag je ouders uit om even op gesprek te komen bij mevrouw [B] tijdens het oudercontact.’ In november formuleert de klassenraad op het rapport: ‘Het is het uur van de waarheid. Laat zien wat je kan! Veel succes met je examens.’ Na de kerstexamens staat er op het rapport: ‘[Verzoeker], dit is echt een slecht rapport. Wij maken ons als klassenraad ernstige zorgen over deze resultaten. Indien je cijfers niet significant beter worden, zal dit resulteren in een C-attest. Je moet nu echt actie ondernemen om te zorgen dat dit nog goedkomt! Wij nodigen jou uit om samen met (één van) je ouders tijdens het leerlingencontact op vrijdag met de leerlingbegeleiding en je klasleraar je rapport te bespreken.’ Na de klassenraad in maart, noteert de klassenraad deze feedback op het rapport: ‘Op dit moment heb je nog steeds verschillende ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 IX-10.367-5/32 zware tekorten. Bovendien zien we voor verschillende van deze vakken erg weinig vooruitgang ondanks alle aangeboden hulp en ondersteuning. Als je op het einde van het schooljaar wil slagen, zal je deze tekorten moeten wegwerken. Als klassenraad maken we ons bijgevolg ernstige zorgen.’ VI. Met betrekking tot de bemerking in § 6.6 dat de klassenraad geen rekening zou houden met het belang van de leerling in het licht van zijn verdere schoolloopbaan en dat er geen enkele motivatie en geen enkele reden zou zijn waarom het C-attest in het belang van de leerling zou zijn, wijst de beroepscommissie er op dat de leerling en zijn ouders gekozen hebben voor een richting binnen het ASO. Deze keuze impliceert dat de leerling een brede vorming krijgt met het oog op doorstroom naar alle richtingen in het hoger onderwijs. Dit wil zeggen dat de leerling de eindtermen moet halen voor alle vakken binnen de brede vorming en niet enkel voor de vakken die voorbereiden op een specifiek persoonlijke studiekeuze in het hoger onderwijs. Aanvullend en tot slot wil de beroepscommissie er de aandacht op vestigen dat de (schoolse) opleiding van kinderen en het daarbij maken van gepaste keuzes een aangelegenheid is waarbij niet enkel de school maar ook de gezamenlijke ouders een belangrijke rol spelen. Ouderparticipatie en een actieve en betrokken ondersteuning van ouders is, zoals de Vlaamse Onderwijsraad het verwoordt, een onmiskenbaar element voor het opleiden van kinderen. (VLOR, Samenwerking tussen ouders en school, 2004, p. 14)”. Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel 4. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 123/17, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs, “het Schoolreglement 2022-2023 van Sint-Albertuscollege Haasrode” en het onpartijdigheidsbeginsel: “Doordat de samenstelling van de beroepscommissie niet rechtsgeldig is. Terwijl artikel 123/17, § 2 van de Codex Secundair Onderwijs en het Schoolreglement bepalen dat de leden van de commissie moeten bestaan uit interne en externe leden. En terwijl het onpartijdigheidsbeginsel onder andere de persoonlijke onpartijdigheid van de leden van de commissie waarborgt.” IX-10.367-6/32 Verzoeker merkt vooreerst op dat geen beslissing van het schoolbestuur voorligt in verband met de samenstelling van de beroepscommissie. Bijgevolg kan hij niet nagaan of zo’n beslissing bestaat en, in bevestigend geval, of die beslissing “rechtsgeldig en zorgvuldig” werd genomen. Wat dat betreft, maakt verzoeker “alle voorbehoud”. Voorts leidt hij uit de parlementaire werken af dat de keuze van de leden van de beroepscommissie belangrijk is om de objectiviteit en onafhankelijkheid te waarborgen. Maar ook los van de bepalingen van de Codex Secundair Onderwijs geldt het onpartijdigheidsbeginsel, zo doet verzoeker gelden. Dit beginsel waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid als de structurele onpartijdigheid. Volgens verzoeker vermeldt de bestreden beslissing dat de over hem delibererende beroepscommissie was samengesteld uit twee ‘externe leden’ en twee ‘interne leden’. Hij betoogt dat één van de externe leden – FB – directeur is van een school die deel uitmaakt van dezelfde scholengemeenschap als de school die het beroepen oriënteringsattest heeft toegekend. Leden van dezelfde scholengemeenschap, zo gaat verzoeker voort, moeten worden aangezien als interne leden. Minstens is er volgens verzoeker om dezelfde reden sprake van “een vorm van partijdigheid”. FB draagt verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs in de “scholengroep”. Wanneer er twijfel bestaat of wanneer een persoon vanuit zijn hoedanigheden zowel intern als extern lid kan zijn, wordt hij geacht een intern lid van de beroepscommissie te zijn. Verzoeker besluit dat de beroepscommissie om die reden niet rechtsgeldig was samengesteld. 5. In de memorie van wederantwoord voert verzoeker nog aan dat FB een schooldirecteur is binnen de scholengroep van het katholiek onderwijs Leuven en dat hij dus lid is van het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt. Bijgevolg moet hij worden beschouwd als een intern lid van de beroepscommissie. Het is volgens verzoeker “niet louter de school als onafhankelijke vzw die het onderwijs organiseert, het is minstens de scholengroep, en uiteindelijk zelfs het Katholiek Onderwijs dat het onderwijs in deze school organiseert”. Het feit dat de scholengemeenschap geen vzw is, maar ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 IX-10.367-7/32 een feitelijke vereniging, verandert daaraan niets. Er is een “inhoudelijk samenwerkingsverband”, waardoor FB “dagelijks samenwerkt” met de verwerende partij. Volgens verzoeker heeft hij daardoor “dezelfde visie op het onderwijs” als de verwerende partij en zal hij “minder geneigd zijn collega’s tegen te [spreken]”. Daardoor is er sprake van “minstens een schijn van partijdigheid”. FB is een professionele collega van de schooldirecteur van zijn school. Hij kan dus niet “ongebonden en objectief” zijn. Door zijn “functie, beroep en positie” is hij “minstens vermoedelijk” niet objectief. Die verdenking volstaat om als intern lid te worden beschouwd. De rechtspraak waaraan de verwerende partij refereert, heeft betrekking op externe leden die geen actieve rol meer uitoefenen binnen een scholengemeenschap – een gewezen directeur, een gepensioneerd personeelslid van de school. FB is daarentegen in actieve dienst in een school van hetzelfde samenwerkingsverband en in hetzelfde “orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerd onderwijs draagt”. 6. In zijn laatste memorie doet verzoeker nog het volgende gelden: “2. [FB] is een schooldirecteur in de scholengroep van het katholiek onderwijs Leuven. De Auditeur stelt dan ook terecht dat de relatie tussen verwerende partij en [FB] een objectief gegeven is. In zo’n situatie moeten er minstens voldoende waarborgen zijn om objectief gewettigde twijfels over de onpartijdigheid uit te sluiten. Dergelijke waarborgen zijn er niet. Aangezien er geen waarborgen zijn, kunnen er terechte twijfels rijzen over de onpartijdigheid van de leden, waarbij zelfs de gewekte schijn belang kan hebben. De decreetgever had juist de bedoeling om het ‘gevoel van objectiviteit en onafhankelijkheid’ van de beroepsprocedures te verhogen (Parl. St. Vl. Parl. 2013-14, nr. 2421/6, 5), zodat elke schijn van partijdigheid en afhankelijkheid moet vermeden worden. Aangezien [FB] deel uitmaakt van dezelfde scholengroep en verantwoordelijkheid draagt voor het georganiseerde onderwijs in de scholengroep, kan hij niet aanzien worden als een extern lid. In geval van IX-10.367-8/32 twijfel of wanneer een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, wordt die geacht een intern lid te zijn. De Auditeur stelt dat ter definiëring van wat externe leden zijn, niet is geschreven als spiegelbeeld van wat te lezen is over de interne leden. Als interne leden niet noodzakelijk het tegengestelde van externe leden betekent, betekent dit ook dat één en dezelfde [persoon] zowel intern als extern kan zijn. Immers de beide termen sluiten elkaar, althans volgens de Auditeur, niet uit. Alleszins is een [persoon] die desgevallend zowel als intern als extern zou kunnen worden beschouwd noodzakelijkerwijze intern aan het orgaan dat het onderwijs organiseert. 3. De scholengemeenschap waarvan [FB] directeur is, is onder andere bevoegd inzake het maken van afspraken over een rationeel onderwijsaanbod en objectieve leerlingenoriëntering en -begeleiding. (art. 57 VCSO) De leerlingenoriëntering en -begeleiding is essentieel voor het schooltraject van elke leerling. Deze begeleiding van verzoeker is juist een belangrijk aspect bij de beoordeling van verwerende partij. [FB] kan dan ook niet als een extern lid aangezien worden, aangezien hij juist (mede)verantwoordelijk was van deze oriëntering en begeleiding van verzoeker. Het gevolgde traject tijdens het leerjaar maakt deel uit van de evaluatie en deliberatie van verzoeker, zodat [FB] als eindverantwoordelijke voor de leerlingenoriëntering en -begeleiding niet als externe kan aanzien worden. Het is dan ook duidelijk dat [FB] deel uitmaakt van dezelfde organisatie die het onderwijs en de leerlingenbegeleiding organiseert, waardoor hij als intern lid moet worden beschouwd. In geval van twijfel is de persoon als intern te beschouwen. Als [FB] deel uitmaakt van dezelfde organisatie, is hij uiteraard niet onafhankelijk. Hij werkt op regelmatige basis samen met de directeur van de school zelf, en is eigenlijk een collega op het werk. Er is dus zeker een objectieve schijn van partijdigheid. [FB] zal zijn directe collega niet tegenspreken, daarvoor is er een duidelijke drempel. Dit is vermoedelijk ook de reden waarom verwerende partij hem heeft aangeduid als lid… Aldus maakt [FB] wel degelijk deel uit van dezelfde organisatie die het onderwijs en de leerlingenbegeleiding organiseert, en is het zeker geen extern lid, en dus te beschouwen als intern lid.” Beoordeling 7. In het administratief dossier is ook de beslissing van de verwerende partij van 17 augustus 2023 opgenomen, waarbij de over hem beraadslagende beroepscommissie wordt samengesteld. IX-10.367-9/32 De kennisname van die beslissing heeft niet ertoe geleid dat verzoeker daaromtrent een nieuw middel heeft geformuleerd in zijn eerstvolgende procedurestuk. De Raad van State mag bijgevolg het voorbehoud onbesproken laten. 8. Verzoeker neemt aanstoot eraan dat FB, directeur van een onderwijsinstelling die deel uitmaakt van dezelfde scholengemeenschap als de school waar het bestreden oriënteringsattest werd toegekend, als ‘extern lid’ van de beroepscommissie werd aangeduid. 9.1. Wat de samenstelling van de beroepscommissie betreft, heeft de decreetgever de volgende minimale bepalingen vastgelegd in artikel 123/17, § 2, eerste lid, van de Codex Secundair Onderwijs: “In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen: 1° de samenstelling kan per te behandelen dossier verschillen, doch kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen; 2° de samenstelling is als volgt: enerzijds ‘interne leden’, zijnde leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter van de klassenraad, die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen, en eventueel een lid van het school- of centrumbestuur; anderzijds ‘externe leden’, zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen. In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen:
- a)wordt onder een lid van het school- of centrumbestuur een lid verstaan van het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt;
- b)wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid, geacht een intern lid te zijn;
- c)wordt een lid van de ouderraad, de leerlingenraad of, met uitzondering van het personeel, de schoolraad van de school of het centrum waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling vermeld in punt
- b)van toepassing is; 3° de voorzitter wordt door het school- of centrumbestuur of zijn afgevaardigde onder de externe personen aangeduid.” IX-10.367-10/32 Het schoolbestuur is luidens artikel 123/13, § 2, eerste lid, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs “het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt”. 9.2. Verzoeker beweert terecht niet dat FB verbonden is aan de school die hem het oorspronkelijke oriënteringsattest C heeft toegekend, laat staan lid was van de klassenraad die over hem heeft beraadslaagd. Hij beweert – andermaal terecht – ook niet dat FB lid is van enig orgaan – raad van bestuur of algemene vergadering – van de verwerende partij. 9.3. Evenmin wordt betwist dat beide scholen – de school die de bestreden evaluatiebeslissing heeft genomen en de school waarvan FB directeur is – een eigen schoolbestuur hebben. Anders dan verzoeker het ziet, is in dat geval een schooldirecteur van een andere school waarvoor een ander schoolbestuur verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt, géén ‘intern lid’ van de beroepscommissie van de ene school. Dat beide scholen tot eenzelfde scholengemeenschap behoren, verandert daaraan niets. Bepalend ter zake is immers of de betrokkene lid is van “het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt”. Die verantwoordelijkheid berust uitsluitend bij de rechtspersoon die het onderwijs organiseert. Dat is voor de school van verzoeker alléén de verwerende partij. Naar luid van artikel 57 van de Codex Secundair Onderwijs kan een scholengemeenschap over bepaalde aangelegenheden “afspraken [maken]” (bijvoorbeeld: de ordening van een rationeel onderwijsaanbod, een objectieve leerlingenoriëntering en -begeleiding, het personeelsbeleid), advies uitbrengen of ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 IX-10.367-11/32 een samenwerkingsakkoord sluiten met andere scholen van het (buitengewoon) secundair onderwijs, basisonderwijs, deeltijds kunstonderwijs of met centra voor volwassenenonderwijs. Dat afspraken worden gemaakt, betekent in het geheel niet dat er sprake zou zijn van enige bevoegdheidsoverdracht om het onderwijs te organiseren. De schoolbesturen bepalen welke afspraken tot stand komen; zij blijven dus de verantwoordelijkheid dragen én voor het georganiseerde onderwijs én voor (de werking van) de scholengemeenschappen (artikel 52, § 1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs). Dat er een “inhoudelijk samenwerkingsverband” bestaat tussen de beide scholen, is bijgevolg evenmin van aard om FB als een ‘intern lid’ te beschouwen. Een dergelijke uitsluitingsgrond is niet te lezen in de hiervóór aangehaalde bepalingen van de Codex Secundair Onderwijs. Verzoeker voert voorts geen enkel concreet gegeven aan omtrent de inhoud van het samenwerkingsverband. Hij toont derhalve ook niet aan dat dit samenwerkingsverband zou betekenen dat de schoolbesturen die eraan deelnemen de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs aan de scholengemeenschap zouden hebben overgedragen. Daargelaten of de regelgeving dit toestaat, is het des te meer onwaarschijnlijk, nu de betrokken scholengemeenschap geen rechtspersoonlijkheid heeft. Of er, zoals verzoeker beweert maar niet nader staaft, “afspraken over een rationeel onderwijsaanbod en objectieve leerlingenoriëntering en -begeleiding” zouden bestaan tussen de verschillende schoolbesturen die aan het samenwerkingsverband deelnemen, doet niet anders besluiten. 9.4. Dat ook Katholiek Onderwijs Vlaanderen (KOV) het onderwijs van de betrokken school zou organiseren, strookt niet met de werkelijkheid. KOV is een zogenaamde koepelorganisatie, die volgens haar statuten tot doel heeft “de organisatie van de diensten die nodig zijn voor de pedagogische, administratieve en planologische coördinatie van het geheel en van de onderscheiden niveaus van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 IX-10.367-12/32 het Nederlandstalig katholiek onderwijs in België, overeenkomstig de richtlijnen van het door de Bisschoppenconferentie daartoe gemandateerd beleidsorgaan van het katholiek onderwijs”. Zij “behartigt de belangen van het Nederlandstalig katholiek onderwijs bij de verschillende openbare overheden en waakt in het bijzonder over de grondwettelijk bepaalde vrijheid van onderwijs” en “geeft richtlijnen met het oog op de coördinatie van dat onderwijs, de publicatie van tijdschriften, de organisatie van vormingssessies voor leden van inrichtende machten, directies en personeelsleden, enz.”. Anders dan verzoeker het ziet, impliceren deze ondersteunende, coördinerende en representerende taken echter niet dat KOV een orgaan is dat verantwoordelijkheid voor het aan hem gegeven onderwijs draagt. 10. In die mate is het middel ongegrond. 11. In zijn verzoekschrift zet verzoeker uiteen dat “minstens” een “vorm van partijdigheid” aanwezig is. 12.1. Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op de organen van de verwerende partij als actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de leden van de beroepscommissie, als de functionele of structurele onpartijdigheid van dat orgaan of één of meer leden ervan, op het vlak van zijn organisatie, het verloop van de procedure en het tot stand komen van zijn beslissingen. 12.2. Een subjectieve partijdigheid brengt verzoeker niet ter sprake. 12.3. In de mate dat verzoeker aanvoert dat FB deel uitmaakt van dezelfde scholengemeenschap, wat betekent dat er een inhoudelijk samenwerkingsverband is tussen de verwerende partij en de school waarvan FB de directeur is, dat FB “dus” dezelfde visie op onderwijs heeft en “door de samenwerking minder geneigd [zal] zijn collega’s tegen te [spreken]”, gaat het om de functionele of structurele onpartijdigheid van het orgaan of de leden ervan. IX-10.367-13/32 In die situatie moet worden onderzocht of er voldoende waarborgen zijn om objectief gewettigde twijfels over de onpartijdigheid uit te sluiten. Zulke twijfels kunnen rijzen ten gevolge van vaststelbare feiten, waarbij in bepaalde gevallen zelfs de gewekte schijn belang kan hebben. De toetsing aan het onpartijdigheidsbeginsel kan in deze situatie een “objectieve” toetsing worden genoemd. De onpartijdigheid van FB dient alzo vanuit dit objectief oogpunt te worden beoordeeld. 12.4. Bij de beoordeling of er verifieerbare gegevens zijn die ten minste een schijn van verdenking kunnen wettigen ten aanzien van de leden van de beroepscommissie, moet weliswaar de optiek van de rechtzoekende in aanmerking worden genomen, maar speelt ze geen doorslaggevende rol. Doorslaggevend is of de beweerde vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid als objectief verantwoord kan worden beschouwd. Om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken, volstaat bijgevolg geen louter subjectieve indruk van verzoeker, maar moet hij die indruk objectief kunnen rechtvaardigen, rekening houdend met de concrete elementen van de zaak. 12.5. In zijn verzoekschrift doet verzoeker gelden dat FB “deel uitmaakt van dezelfde [scholengemeenschap] en verantwoordelijkheid draagt voor het georganiseerde onderwijs in de [scholengemeenschap]”. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker nog dat er “duidelijk een inhoudelijk samenwerkingsverband” bestaat tussen zijn school en de school waarvan FB directeur is, wat maakt dat FB “dagelijks samenwerkt” met de verwerende partij. FB zou daardoor “dezelfde visie op onderwijs” hebben als de verwerende partij en “minder geneigd zijn collega’s tegen te [spreken]”. Samengevat, stelt verzoeker dat FB “door zijn functie, beroep en positie minstens vermoedelijk niet objectief [is]”. 12.6. De professionele relatie die bestaat tussen FB en de school van verzoeker vormt weliswaar een objectief gegeven – het bestaan van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 IX-10.367-14/32 scholengemeenschap doet aannemen dat er overleg is, ongetwijfeld ook op het niveau van de directies, over die zaken waarover conform artikel 57 van de Codex Secundair Onderwijs afspraken kunnen worden gemaakt – maar daarom nog geen voldoende objectief gewettigde aanwijzing of grond om de door verzoeker gevreesde partijdigheid, of zelfs maar de schijn ervan, aan te tonen. 12.7. Hoe een gedeelde visie op onderwijs een voldoende bewijs verschaft voor de partijdigheid – of de schijn ervan – bij de behandeling van een evaluatiebetwisting door de beroepscommissie, maakt verzoeker niet inzichtelijk. De Raad van State ziet dat evenmin spontaan in. Dat FB “minder geneigd [is] collega’s tegen te [spreken]”, is evenzeer een veronderstelling die verzoeker op geen enkel ogenblik concretiseert en objectiveert. 13. Ook in die mate is het middel ongegrond. 14. Het middel is in zijn geheel ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 15. Een tweede middel is geput uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”), het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker vat dit middel samen als volgt: “Doordat de bestreden beslissing geen rekening houdt met alle nuttige gegevens van het Leerlingendossier, waaronder de belangen van de leerling, de ijkingsproef en het gebrek aan aanbevelingen van de klassenraad. IX-10.367-15/32 Terwijl de verwerende partij een zorgvuldig onderzoek moet besteden aan de beroepsgrieven, zoals dient te blijken uit de uitdrukkelijke en afdoende motieven van de beslissing. En terwijl artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen vereist dat de bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de grondslag van de beslissing liggen en dat deze afdoende zijn. En terwijl het materieel motiveringsbeginsel inhoudt dat een overheidsbeslissing gemotiveerd wordt met begrijpelijke motieven die juridisch en feitelijk correct zijn en die voldoende draagkrachtig zijn om de beslissing te schragen.” Verzoeker licht vervolgens toe dat hij op 26 augustus 2023 de ijkingsproef voor het hoger onderwijs heeft afgelegd en daarvoor een score van 16 punten op 20 heeft behaald. Daaruit leidt hij af dat hij “meer dan duidelijk [heeft] aangetoond klaar te zijn voor het hoger onderwijs”. Voor hem is het niet duidelijk waarom de beroepscommissie vindt dat hij de leerdoelstellingen in onvoldoende mate heeft bereikt. Verzoeker wijst erop dat hij het resultaat van die proef op 30 augustus 2023 aan twee leden van de beroepscommissie heeft meegedeeld met de vraag om daarmee rekening te houden. In de bestreden beslissing wordt daarvan geen melding gemaakt. De stelling dat verzoeker de leerplandoelen niet in voldoende mate heeft bereikt, klinkt volgens hem “zeer ongeloofwaardig”: verzoeker behaalde een veel hoger resultaat op de ijkingsproef dan leerlingen die “theoretisch” wél de leerplandoelstellingen hebben behaald. Voorts voert verzoeker aan dat het schoolreglement stipuleert dat een klassenraadbeslissing “steeds het resultaat [is] van een weloverwogen evaluatie in het belang van de leerling”. In de bestreden beslissing leest verzoeker enkel een verwijzing naar de onvoldoende resultaten en de waarschuwingen. Het belang van de leerling ziet hij nergens betrokken. Als de beroepscommissie werkelijk het belang van de leerling zou hebben behartigd, zou zij – gelet op zijn resultaat voor de ijkingsproef – hebben vastgesteld dat verzoeker zeker in voldoende mate de leerplandoelen heeft bereikt. Verzoeker wijst ook erop dat op zijn kerstrapport was vermeld dat “er op het einde van het jaar een ‘significante verbetering’ diende te zijn”. Daarmee heeft de school de doelstellingen voor het einde van het schooljaar ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 IX-10.367-16/32 vastgelegd. Het geldt als kader voor de beoordeling van de prestaties van verzoeker. Volgens verzoeker was deze verbetering “zeker behaald”. De beroepscommissie heeft de afspraken tussen de school en de leerling verbroken door alleen naar de onvoldoende resultaten te verwijzen en de “significante verbetering” onbesproken te laten. De commissie beperkt zich ertoe te overwegen dat zij “streng” mag zijn, maar zij kon evengoed “minder streng” zijn. Bijgevolg moest zij motiveren waarom verzoeker streng werd beoordeeld. Had verzoeker al met kerst de boodschap gekregen dat zijn onvoldoende resultaten “niet meer voldoende konden opgehaald worden”, dan zou hij voor een andere – “lagere” – studierichting hebben geopteerd, zodat hij het leerjaar niet moest overzitten. Tot slot voert verzoeker nog aan dat de bestreden beslissing alleen verwijst naar de beknopte notities in de schoolrapporten. Andere waarschuwingen waren er volgens hem niet. Van beslissingen of aanbevelingen van de begeleidende klassenraad is geen sprake. Een aantekening op het rapport beschouwt verzoeker niet als begeleiding. In Smartschool is bij de rubriek ‘leerlingbegeleiding’ niets ingevuld. Dat verzoeker “duidelijk werd gewaarschuwd”, blijkt uit niets. Overigens zou zo een waarschuwing wijzen op een sanctie. De bestreden beslissing is volgens verzoeker dus niet genomen in het licht van “de vraag of de leerling voldoende bagage en achtergrond heeft om verdere studies aan te vatten”. 16. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker als volgt: “1. De ijkingsproef werd afgelegd op 26 augustus 2023, en de resultaten ervan werden op 30 augustus 2023 aan de verwerende partij bezorgd via e-mail, rechtstreeks aan de beide interne leden van de beroepscommissie. (stuk 6-7) De verwerende partij vermeldt dit niet als feitelijk gegeven. De resultaten van deze proef zijn duidelijk meegedeeld vóór de datum van de bestreden beslissing. De beroepscommissie was dus weldegelijk op de hoogte van deze ijkingsproef en van de zeer goede resultaten ervan op het ogenblik van de eindbeslissing. Nergens in regelgeving staat dat verzoeker pas tot op het moment van de hoorzitting nieuwe elementen kan aanbrengen. De informatie over de ijkingsproef werd meer dan een week voor de beslissing van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 IX-10.367-17/32 beroepscommissie meegedeeld, zodat er voldoende tijd was om dit mee te nemen in het beslissingsproces. Desondanks heeft de verwerende partij hieromtrent niets gezegd in de bestreden beslissing. Aangezien het gaat om een welomschreven, gewichtige grief van verzoeker, moeten de redenen uitdrukkelijk in de beslissing van de beroepsinstantie worden weergegeven. Van een zorgvuldig handelende beroepsinstantie mag immers worden verwacht dat zij in haar beslissing formeel aandacht besteedt aan de wezenlijke grieven van diegene die het beroep heeft ingesteld en dat zij hem aldus de antwoorden geeft die laten begrijpen waarom zijn beroep wordt verworpen. 2. Verwerende partij kan nu in haar memorie van antwoord niet a posteriori standpunt innemen over de ijkingsproef. Dergelijke motivering is laattijdig waarmee Uw Raad geen rekening kan houden. De beroepscommissie moet rekening houden met alle relevante gegevens eigen aan de betrokken leerling, inclusief een noodzakelijk toekomstverkennend onderzoek naar zijn slaagkansen in een volgend jaar; zo’n ijkingsproef is zo’n gegeven waarmee rekening […] moet worden gehouden. 3. De verwerende partij dient ook het belang van de leerling in overweging te nemen bij het nemen van een beslissing. Dit werd niet meegenomen in de bestreden beslissing. Het staat vast dat het belang van de leerling uiteraard hetzelfde is als diens verdere schoolloopbaan. Dat de leerling geen algemeen voldoende haalt voor alle vakken in deze richting, betekent niet dat hij niet klaar is en niet over voldoende bagage beschikt voor zijn verdere schoolloopbaan. Wat de leerling wel heeft aangetoond, en zelf[s] met verve, en wat uiteraard de enige parameter is die objectief het belang van de leerling bepaalt, is dat hij zeker een voldoende niveau haalt om in het hoger onderwijs in te stappen in de richting van zijn keuze. De verwijzing naar een probleemloze verdere opleiding is uiteraard niet relevant. Verwerende partij kan niet in de toekomst kijken, en kan slechts oordelen op basis van de beschikbare gegevens en in het licht van de geplande toekomstige studiekeuze. Er kan enkel worden vastgesteld dat de leerling heeft aangetoond klaar te zijn om het hoger onderwijs in te stappen in zijn gekozen richting wat ook zijn belang vertegenwoordig[t]. Verwerende partij heeft er met geen woord over gerept als bewijs dat zij geen rekening heeft gehouden met het belang van de leerling. Het bestaan en de zin van een beroepsprocedure vereisen dat de motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. 4. Dat verzoeker uiteindelijk na het kerstrapport niet heeft gekozen om naar een andere school te gaan, is irrelevant waar het een beoordeling ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 IX-10.367-18/32 betreft in het belang van de leerling. Het is niet bewezen dat een overstap naar een andere school wel in het belang van de leerling zou zijn geweest. De verwerende partij komt in de feiten terug op de afspraken die nochtans duidelijk op het kerstrapport zijn vermeld. Zij stelt dat, indien de resultaten niet significant verbeteren, er een C-attest zal volgen. En dat zou niet hetzelfde zijn als stellen dat het wel significant verbeteren geen C-attest tot gevolg zou hebben. Voor zover deze redenering zou kunnen worden gevolgd, moet worden vastgesteld dat deze dan wel heel duidelijk misleidend en onzorgvuldig zou zijn. Een dergelijke motivatie toont zeer duidelijk de kwade trouw van de verwerende partij. Zij draait de woorden van kerstrapport in alle richtingen om verzoeker toch maar een C-attest te kunnen toekennen. 5. Het staat immers vast dat de verwerende partij zeer zwaar tilt aan de onvoldoende resultaten, maar negeert dat deze tekorten slechts enkele procenten betreffen en dus niet significant zijn. Aldus kunnen de naakte resultaten geen maatstaf zijn voor de duidelijke en onomkeerbare beslissing tot het toekennen van een C-attest. De onvoldoendes zijn immers niet significant. Aldus werd voldaan aan de eisen van het kerstrapport, en is de basis om te besluiten tot een C-attest niet aanwezig. Het is dan ook duidelijk dat de stelling van verwerende partij dat de leerling geen voldoende niveau haalt voor het hoger onderwijs kant noch wal raakt. Aldus is deze beslissing duidelijk onzorgvuldig genomen, en niet in het belang van de leerling. Bijgevolg moet verzoeker, in het geval van niet-significante onvoldoendes, en in het licht van het belang van de leerling, het voordeel van de twijfel krijgen. Een beroepscommissie, die moet oordelen in het belang van de leerling en in het licht van een essentiële stap in de studieloopbaan van de leerling, kan zich niet laten leiden door de cijfers alleen. De vraag is of er wat er in het kerstrapport staat, uiteindelijk ook wordt toegepast in de eindbeslissing. Met andere woorden, is er een significante verbetering of niet gerealiseerd. 6. Of de school remediëring heeft aangeboden, en of de leerling daarvan al dan niet heeft gebruik gemaakt, doet geen afbreuk aan de verplichting van de beroepscommissie dat zij het belang van de leerling in overweging dient te nemen. De verwerende partij verwart bovendien zeer duidelijk het ondersteunen van een leerling, en het dreigen met een C-attest. Over de hele lijn staan de rapporten vol van dreigementen, en vaststellingen van wat de leerling niet goed heeft gedaan, maar slechts zeer sporadisch staat er op welke manier de leerling zijn resultaten dan wel kan verbeteren. Het dreigen met een C-attest staat niet gelijk aan het ondersteunen en begeleiden van een leerling. 7. Het staat bovendien vast dat het louter niet geslaagd zijn voor een vak niet vanzelfsprekend leidt tot een C-attest. Er is immers een mogelijkheid tot deliberatie. Als de school zich beperkt tot het vaststellen van een tekort, dan ontkent zij de mogelijkheid van deliberatie. Als zij deliberatie niet toepast dient zij dit te verantwoorden van uit het belang van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 IX-10.367-19/32 leerling. Het dient dus duidelijk te zijn welk voordeel de leerling in kwestie zou halen om in concreto door het C-attest, zijn jaar over te doen. Dat is nergens vermeld of gemotiveerd, maar wel een essentiële voorwaarde om een C-attest toe te kennen.” 17. In zijn laatste memorie doet verzoeker nog het volgende gelden: “2. De beroepscommissie dient haar beslissing te steunen op alle nuttige gegevens van het leerlingendossier. Dit betekent dat de beroepscommissie niet alleen rekening moet houden met de resultaten die onvoldoende zijn, maar ook met de resultaten voor de andere vakken of vakonderdelen, desgevallend ook met de evolutie van deze resultaten, de remediëringsmaatregelen die tijdens het jaar werden genomen, de inzet van de leerling of andere relevante gegevens eigen aan de betrokken leerling. (RvS nr. 251.653 van 28 september 2021) De Auditeur stelt hierbij terecht vast dat de verwerende partij geen formele motieven wijdt aan het resultaat van de ijkingsproef voor het hoger onderwijs die verzoeker heeft afgelegd. (stuk 5) Verzoeker betwist niet dat er rekening moet gehouden worden met de behaalde punten, maar de ijkingsproef is een relevant gegeven waarbij rekening had moeten gehouden worden. In zijn verslag gaat de Auditeur verder in op de ijkingsproef, doch op deze wijze voegt hij zelf een a posteriori motivering toe aan het bestreden besluit. Het is niet aan de Auditeur om de relevantie en de impact van de ijkingsproef te beoordelen, wanneer de verwerende partij heeft nagelaten dit te doen. De Auditeur verwijst hierbij naar een arrest van Uw Raad van 11 oktober 2023 met nummer 257.608. Dit arrest is niet relevant, aangezien de beroepscommissie in dit dossier wél de ijkingsproef in overweging neemt. Dit arrest toont juist aan dat een ijkingsproef weldegelijk een relevant gegeven is waarmee rekening moet gehouden worden. Verzoeker heeft dus meer dan duidelijk aangetoond klaar te zijn voor het hoger onderwijs. 3. De ijkingsproef is een parallelle maatstaf om te bepalen of de leerling in kwestie voldoende kennis heeft om naar het hoger onderwijs te gaan. Er dient vastgesteld dat de leerling met verve slaagt voor deze ijkingsproef, doch op de school wel onvoldoendes haalt. De resultaten die de leerling op de school haalt, zijn dus geen correcte weergave van zijn kennis die hij in het secundair onderwijs heeft verworven. Door de resultaten van de ijkingsproef terzijde te laten, negeert de verwerende partij bewust zeer relevante informatie die belangrijk is om te bepalen wat juist het belang van de leerling is. Deze ijkingsproef maakt zeker deel uit van het belang van de leerling nu deze duidt of de leerling klaar is voor het hoger onderwijs, dan wel essentiële en noodzakelijke kennis ontbreekt om deze stap te maken. IX-10.367-20/32 Wanneer men geen rekening houdt met de ijkingsproef, negeert men ook het belang van de leerling. 4. De Auditeur stelt dat het argument dat de tekorten in de meeste gevallen slechts enkele procenten betreffen, nieuwe argumenten zijn die al eerder konden worden aangehaald. Dit is echter geen nieuwe argumentatie maar eerder feiten die besloten liggen in de resultaten en de cijfers zelf. Deze resultaten zijn niet gewijzigd door de antwoordnota. De vaststelling dat de tekorten slechts enkele procenten betreft is dan ook geen nieuwe argumentatie. Bovendien volgt deze ‘argumentatie’ slechts als antwoord op het feit dat verwerende partij blijk geeft zich blind te staren op de kleur waarin de resultaten zijn geschreven en niet op de resultaten op zich. Deze argumentatie volgt dan ook als repliek op het feit dat verwerende partij zich slechts beperkt tot het vaststellen dat enkele resultaten onvoldoende zijn, en weigert verder in detail te kijken. 5. Verder stelt de Auditeur dat de verwerende partij correct vaststelt dat een A-attest toegang zou geven tot alle richtingen van het hoger onderwijs, terwijl de ijkingsproef slechts toegang geeft tot de studie van Industrieel Ingenieur. Doch deze stelling raakt kant noch wal. Eerst en vooral vormt het resultaat op de ijkingsproef voor Industrieel Ingenieur geen toelating om deze studie te starten. Deze proef is een verplichte toets, maar het resultaat ervan is niet bindend. Ook een leerling die een onvoldoende haalt op deze ijkingsproef kan worden toegelaten tot de studie. Verder zijn er in het hoger onderwijs haast geen richtingen waar er eisen worden gesteld naar de gevolgde richting of behaalde resultaten in het secundair onderwijs. Een getuigschrift van secundair onderwijs volstaat. 6. De Auditeur stelt verder dat de verwerende partij de kritiek weerlegt dat het uitgereikte C-attest in strijd is met de afspraken. De Auditeur verwijst hierbij enkel naar de commentaar die op het rapport van maart staat geschreven, met name dat alle tekorten moeten opgehaald zijn. De Auditeur weigert dan ook het verschil te lezen tussen de melding op het rapport van maart, en de melding op het rapport van kerst. Hiermee wordt niet geantwoord op het middel van verzoekende partij welke net deze discrepantie vaststelt als duidelijke gebrekkige en onzorgvuldig onderzoek en motivering vanwege de verwerende partij. De beroepscommissie heeft immers net de taak rekening te houden met de evolutie van de resultaten; het is net deze evolutie die werd gevraagd in het kerstrapport. Verwerende partij heeft hiermee geen rekening gehouden, ondanks dat ze deze evolutie heeft gevraagd, en dat deze ook zeer positief was vanaf kerst.” Beoordeling 18. Aan verzoeker is een oriënteringsattest C toegekend, wat betekent dat hij het betrokken leerjaar “zonder vrucht heeft beëindigd” (artikel 39 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de IX-10.367-21/32 organisatie van het voltijds secundair onderwijs’, dat op de evaluatiebeslissing van verzoeker van toepassing was). Die beslissing steunt wezenlijk op de jaartekorten voor Nederlands, Frans, aardrijkskunde, chemie en wiskunde. Of, zoals verzoeker het in zijn memorie van wederantwoord zelf formuleert: “de verwerende partij [tilt] zeer zwaar […] aan de onvoldoende resultaten”. 19.1. Vastgesteld wordt dat verzoeker de (onvoldoende) cijfers voor deze vakken in zijn verzoekschrift niet betwist. 19.2. In de memorie van wederantwoord heet het dan dat “deze tekorten slechts enkele procenten betreffen en dus niet significant zijn”, dat deze “naakte resultaten geen maatstaf zijn voor de duidelijke en onomkeerbare beslissing tot het toekennen van een C-attest”. 19.3. In zijn laatste memorie voert verzoeker dan weer aan dat de voormelde resultaten “geen correcte weergave [zijn] van zijn kennis die hij in het secundair onderwijs heeft verworven”. 19.4. De hiervóór aangehaalde argumentatie van verzoeker in de memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie, is wel degelijk nieuw. De stelling van verzoeker dat dit “eerder feiten [zijn] die besloten liggen in de resultaten en de cijfers zelf”, kan de Raad van State niet bijvallen. Immers, in zijn verzoekschrift betoogt verzoeker alléén dat de beroepscommissie ook met het resultaat van de ijkingstoets rekening moest houden. In de memorie van wederantwoord minimaliseert hij vervolgens de tekorten en betoogt hij dat ze niet de toekenning van een C-attest vermogen te verantwoorden. IX-10.367-22/32 In zijn laatste memorie is de kern van zijn betoog dat zijn schoolse resultaten geen representatief beeld geven van zijn kennis en kunde. Aldus geeft verzoeker een andere wending aan het middel. Zonder dat verzoeker een verklaring geeft waarom die kritiek niet al in het verzoekschrift kon worden opgenomen, is deze laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. 20.1. Verzoeker neemt vooreerst aanstoot eraan dat zijn resultaat van 16 punten op 20 voor een ijkingstoets voor de hogeronderwijsopleiding ‘industrieel ingenieur’ niet in de bestreden beslissing is betrokken. Hij noemt het “zeer ongeloofwaardig” dat de klassenraad en de beroepscommissie het “behalen van het leerplan” hebben beoordeeld “nu de leerling in kwestie een veel hoger resultaat haalt op een ijkingsproef dan leerlingen die theoretisch wel de doelstellingen van het leerplan halen omdat de andere leerlingen die aan de ijkingsproef deelnemen quasi zeker wel een A-attest hebben behaald”. 20.2. De beroepscommissie is, als orgaan van actief bestuur met volle hervormingsbevoegdheid, ertoe gehouden haar oordeel te steunen op alle relevante gegevens die haar bekend zijn op háár beslissingsmoment. Zo is het, bijvoorbeeld, niet onmogelijk dat een leerling in de loop van de beroepsprocedure, door te slagen voor examens bij de Vlaamse examencommissie secundair onderwijs, heeft kunnen bewijzen bepaalde vaktekorten te hebben opgehaald. Het valt in dat geval moeilijk te begrijpen dat een beroepscommissie dit niet relevant zou achten. Zij is dan ertoe gehouden ook die nieuwe elementen in haar beslissing te betrekken en desgevallend uit te leggen waarom die nieuwe gegevens niet relevant zouden zijn. 20.3. In dat verband moet echter vooreerst eraan worden herinnerd dat de formelemotiveringswet, waarvan verzoeker de schending aanvoert, aan het bestuur – in dit geval: de beroepscommissie – niet de verplichting oplegt om alle grieven die door een leerling worden opgeworpen, afzonderlijk te beantwoorden. IX-10.367-23/32 Het volstaat daarentegen dat in de beslissing zelf de motieven worden opgenomen die de beslissing kunnen dragen. Waar, zoals te dezen, de regelgeving in een administratieve beroepsprocedure voorziet, moet de indiener van het beroep wel erop kunnen rekenen dat de argumenten die hij daarbij aanhaalt, zorgvuldig worden onderzocht en dat, wanneer het gaat om een welomschreven, gewichtige grief van de beroepsindiener, de redenen voor de verwerping ervan uitdrukkelijk in de beroepsbeslissing moeten worden weergegeven. Daarbij bedenkt de Raad van State evenwel dat artikel 14, § 1, tweede lid, van zijn gecoördineerde wetten bepaalt dat de in het beroep tot nietigverklaring aangevoerde onregelmatigheden “slechts aanleiding [geven] tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden”. Dat betekent voor de voorliggende zaak dat, in het geval dat verzoeker terecht zou aanvoeren dat de beroepscommissie één of meer van zijn bezwaren niet in overweging heeft genomen en in de nieuwe beoordeling heeft betrokken, hij op het stuk van de schending van de formelemotiveringswet slechts belang heeft bij een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing indien blijkt dat deze grieven niet van iedere redelijkheid zijn ontdaan en minstens de potentie hebben tot een voor hem gunstiger resultaat te leiden. Er anders over oordelen, zou immers betekenen dat ook onbeantwoorde grieven die zonder relevantie blijken, tot een nietigverklaring aanleiding kunnen geven. Dat spoort niet met het vereiste dat de begane onregelmatigheid een invloed moet kunnen uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing. IX-10.367-24/32 20.4. Zoals de verwerende partij in de memorie van antwoord aangeeft, blijft de ijkingstoets waaraan verzoeker refereert beperkt tot wiskunde. Verzoeker behaalt, zoals gezien, echter ook tekorten voor vier andere vakken. 20.5. De verwerende partij wijst eveneens terecht erop dat de website met betrekking tot de ijkingstoetsen (https://www.ijkingstoets.
- be)uitdrukkelijk vermeldt dat “[d]e inhoud van de vragen […] grotendeels [verderbouwt] op, volgens de oude leerplannen, de leerstof van richtingen uit het secundair onderwijs met 4 uur wiskunde”. Verzoeker betwist dit niet. Evenmin betwist hij dat de studierichting waarin hij een C- attest behaalde een wiskundeprogramma van zes uren per week voorziet. 20.6. Eveneens is op de voormelde webstek aangegeven dat “[d]e leerinhouden wiskunde van zowel eerste, tweede als derde graad […] aan bod [komen]”. Alsdan valt redelijkerwijze niet uit te sluiten – en verzoeker laat na de Raad daarover nader in te lichten – dat in de ijkingstoets ook vraagstukken werden voorgelegd die betrekking hebben op wiskundeleerstof van de eerste en de tweede graad van het secundair onderwijs. Of hij de leerstof van de twee voorgaande graden in voldoende mate beheerst, is niet de vraag waarover de beroepscommissie zich in de bestreden beslissing had te buigen. 20.7. Waarom, met de voormelde concrete elementen voor ogen, zijn resultaat voor de ijkingstoets een ander licht moet doen werpen op de door hem behaalde punten – álle punten – verduidelijkt verzoeker niet. IX-10.367-25/32 Hij deed dat al niet voor de beroepscommissie: in de e- mailberichten van 30 augustus 2023 worden de punten weergegeven, net als verzoekers plaats binnen de deelnemersgroep, en vervolgens deelt de moeder van verzoeker mee dat zij “meen[t] dat [verzoeker] hiermee heeft aangetoond dat hij klaar is voor de studies die hij wenst aan te vangen”. Ook voor de Raad van State biedt hij op dat vlak geen opheldering. Alleszins is om de hiervóór vermelde redenen, die de betekenis van deze ijkingstoets in het licht van de beoordeling die de beroepscommissie had te doen over het al dan niet slagen van verzoeker in het tweede jaar van de derde graad danig nuanceren, het enkele argument dat hij een “veel hoger resultaat” heeft behaald dan andere kandidaten die “quasi zeker wel een A-attest hebben behaald” zonder relevantie. 20.8. Een en ander klemt des te meer nu de punten die verzoeker op school behaalde, worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. Uitgaande van het vermoeden van deskundigheid dat tot weerlegging ervan kleeft aan de hoedanigheid van de leerkracht immers, wordt aangenomen dat de leerkrachten tijdens het schooljaar de aan de leerplandoelen gerelateerde en door het leerplan vereiste leerstof – kennisinhouden, vaardigheden en attitudes – volledig en bekwaam hebben onderwezen, dat zij de vorderingen van de leerling correct hebben geobserveerd en geëvalueerd tijdens het ‘dagelijks werk’ of de permanente evaluatie, dat zij examens hebben opgesteld die niet eenzijdig zijn maar representatief voor de effectief onderwezen leerstof naar leerinhoud zowel als moeilijkheidsgraad, dat zij die examens objectief en vakkundig hebben verbeterd en aan de hand van een valide puntenspreiding over de leeronderdelen gequoteerd teneinde over de bereikte kennis en vaardigheden (en eventueel attitudes) van de leerling te rapporteren en dat de relatieve waarde van de punten voor dagelijks werk en de proefwerken – in voorkomend geval, voor de permanente evaluatie – weloverwogen het leerproces van de leerling tijdens het jaar en zijn of haar capaciteit tot verwerking van afgewerkte en grotere gehelen weergeeft. IX-10.367-26/32 Aangenomen wordt bijgevolg dat het voor elk opleidingsonderdeel ordentelijk toegekende jaarcijfer in beginsel een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gehecht aan procesevaluatie en aan verwerking van grotere gehelen – zowel tijdens dagelijks werk, tijdens een eventuele permanente evaluatie als tijdens de eventuele examenperiodes – en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het betrokken vak in de loop van het jaar aan bod zijn gekomen en dat het om die reden ook betekenisvol is om later studiesucces te voorspellen. Daaruit volgt, in principe, dat de leerling die niet een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de leerplandoelstellingen ook niet op voldoende wijze heeft bereikt. Een verwijzing naar een bij veronderstelling ordentelijk vastgelegd jaartekort volstaat dan ook in de regel als formele motivering voor die vaststelling. 20.9. Wat voorafgaat, doet aannemen dat verzoeker zonder belang is bij het middel in de mate dat hij aan de beroepscommissie verwijt niet zijn resultaat voor de ijkingstoets ‘industrieel ingenieur’ in rekening te hebben gebracht. 21. Hetzelfde geldt voor het bezwaar dat de bestreden beslissing niet “in het belang van de leerling” werd genomen. Immers, verzoeker licht in dat verband alleen – en bijgevolg, zoals gezien, onterecht – toe dat “[a]ls de beroepscommissie werkelijk het belang van de leerling zou hebben behartigd en vooropgesteld, […] zij [zou] hebben vastgesteld dat verzoeker […] over voldoende ‘leerdoelstellingen’ beschikt om verder te gaan naar het hoger onderwijs (cf. ijkingsproef)”. 22.1. De grief dat van verzoeker werd verwacht dat hij tegen het einde van het schooljaar 2022-2023 van een “significante verbetering” van zijn resultaten moest blijk geven, dat dit “als referentie of kader” voor de beoordeling van zijn prestaties moest gelden en dat zijn resultaten ook blijk geven van een ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 IX-10.367-27/32 dergelijke verbetering, heeft verzoeker ook al doen gelden voor de beroepscommissie. De commissie heeft daarop als volgt geantwoord: “Inzake de opmerking […] dat de afspraken van Kerst van een ‘significante verbetering’ eenzijdig gewijzigd en aangescherpt werden naar ‘volledig opgehaald’, wijst de beroepscommissie er op dat de klassenraad op het einde van het schooljaar oordeelt of de leerling de doelstellingen van het leerplan voldoende heeft bereikt. Het is de klassenraad die op basis daarvan een attest uitreikt. Bovendien stelt de beroepscommissie vast dat de klassenraad in maart op het rapport [noteerde]: ‘Op dit moment heb je nog steeds verschillende zware tekorten. Bovendien zien we voor verschillende van deze vakken erg weinig vooruitgang ondanks alle aangeboden hulp en ondersteuning. Als je op het einde van het schooljaar wil slagen, zal je deze tekorten moeten wegwerken’. Voorts wijst de beroepscommissie erop [dat] aanmoedigende woorden van leraren of een klassenraad niet uitsluiten dat een klassenraad streng mag zijn. In lijn met de rechtspraak van de RvS oordeelt ook de beroepscommissie dat streng zijn niet onwettig is. […] De Raad van State kan als wettigheidsrechter een leerling derhalve niet beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen. Een strenge beslissing kan door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren worden. Het is ook niet uitgesloten dat een ándere beroepscommissie, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de haar toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen.” 22.2. Daarmee heeft de beroepscommissie wel degelijk onderzocht of er van een “significante verbetering” sprake was. Zij herinnert eraan dat moet worden afgetoetst of verzoeker de leerplandoelen in voldoende mate heeft bereikt. Zij verwijst voorts naar het standpunt van de klassenraad in maart 2023 dat er voor de betrokken vakken weinig vooruitgang merkbaar is en dat de tekorten moeten worden weggewerkt. Daargelaten dat de beroepscommissie – en dus niet de klassenraad – de bestreden beslissing heeft genomen en dat zij daarbij over de volheid van bevoegdheid beschikt, zodat eventuele voorafspiegelingen door de klassenraad de beroepscommissie niet kunnen binden, kan de boodschap van die klassenraad aan de leerling dat zijn cijfers “significant beter [moeten] worden” om een C-attest af te wenden, niet anders worden begrepen dan dat een betekenisvolle kentering van de resultaten wordt verwacht. In een schoolse ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 IX-10.367-28/32 context en met de resultaten van verzoeker voor ogen, kan dat niets anders betekenen dan dat van verzoeker werd verwacht dat hij de leerplandoelen in voldoende mate zou behalen en bijgevolg zijn tekorten tot slaagcijfers zou ombuigen. Verzoeker mag zijn cijfers voor sommige vakken dan wel zien stijgen – voor Nederlands: van 36% naar 46%; voor Frans: van 25% naar 34%; voor wiskunde: van 36% naar 45%; voor geschiedenis: van 42% naar 60% – het blijven, met uitzondering van geschiedenis, wel tekorten. Voor aardrijkskunde blijft het cijfer (47%) constant. Voor chemie – een profielbepalend vak in de studierichting van verzoeker – verschijnt, anders dan op het kerstrapport (62%), op het eindrapport van verzoeker eveneens een jaartekort (46%). IX-10.367-29/32 Bezwaarlijk kan aan de beroepscommissie worden verweten dat zij in die evolutie, waarbij het aantal onvoldoendes gelijk blijft, geen betekenisvolle verbetering ziet. 22.3. Zelfs als een C-attest in dat geval ‘streng’ zou moeten worden genoemd, maakt verzoeker in het geheel niet inzichtelijk dat de beroepscommissie met haar beoordeling de grenzen van de redelijkheid heeft overschreden. 22.4. Dat als hem “met kerst duidelijk [was] gecommuniceerd dat de onvoldoende resultaten niet meer voldoende konden opgehaald worden”, verzoeker van studierichting zou zijn veranderd, is niet ter zake dienend. Daargelaten of de toentertijd geldende regelgeving een dergelijke overgang in de loop van de derde graad van het secundair onderwijs toestond, lag volgens de klassenraad op dat ogenblik de mogelijkheid om de tekorten op te halen voor verzoeker nog open. Dat hij dit – achteraf beschouwd – niet heeft waargemaakt, kan niet aan de klassenraad of de beroepscommissie worden verweten. 22.5. Ook in die mate is het middel niet gegrond. 23.1. Voor zover verzoeker betoogt dat hij onvoldoende werd “gewaarschuwd” voor het op til zijnde C-attest en dat er “geen concrete beslissingen of aanbevelingen […] van de begeleidende klassenraad [voorliggen]”, klaagt hij wezenlijk een gebrek aan begeleiding en communicatie van de school aan. In zijn algemeenheid kan dit betoog niet worden bijgevallen. Zoals de Raad van State immers al in tal van arresten heeft overwogen is het, in beginsel, één zaak of een leerling bewezen heeft de van hem verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als hij die kennis en kunde niet ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 IX-10.367-30/32 blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste kan diegene zijn die hem op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven. Zelfs indien een leerling de school terecht zou verwijten niet tijdig over problemen te hebben gecommuniceerd en geïnformeerd, niet in de passende begeleidingsmaatregelen te hebben voorzien of ze niet te hebben toegepast of aangepast, dan kan dat hoogstens betekenen dat de school schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van die leerling, maar kan zulks dit eindresultaat niet meer zo beïnvloeden dat het gunstiger wordt, laat staan dat een diploma secundair onderwijs moet worden toegekend. Om uitzondering te genieten op dit beginsel dat falende begeleiding inroepen geen nuttig rechtsmiddel is omdat dit hoogstens een (mede)schuldige aanwijst maar niet vermag de punten beter te maken dan ze uiteindelijk zijn, is vereist dat de verzoekende partij in staat is om, met de nodige precisie, aan te tonen dat de school tekortgeschoten is in welbepaalde vooraf individueel gemaakte afspraken, waarbij dat feilen daarenboven door de aard van die afspraken in een rechtstreeks oorzakelijk verband gebracht kunnen worden met de wettigheid van de door haar bestreden beslissing. De Raad van State merkt op dat verzoeker zelfs niet beweert, laat staan bewijst, dat met en over hem enige specifieke en geïndividualiseerde afspraken zijn opgesteld. 23.2. Daargelaten bijgevolg de vraag of het argument betreffende de tekortgeschoten begeleiding in zijn algemeenheid in feite juist is, faalt het in rechte. 24. Het tweede middel kan niet tot vernietiging leiden. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-10.367-31/32 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Wouter Pas, staatsraad, waarnemend kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Wouter Pas IX-10.367-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.362 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div