id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.377 Rolnummer: A. 242405/X-18734 Zaak: Arrest 262377 - Polders en Wateringen - 17/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-18 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-17 01:52 Fiche Arrest nr 262.377 van 17 februari 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Polders en Wateringen Beslissing : Vernietiging Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 262.377 van 17 februari 2025 in de zaak A. 242.405/X-18.734 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Messiaen en Daphne Segers kantoor houdend te 9051 Gent Kortrijksesteenweg 1084/401 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthias Kirsch kantoor houdend te 1040 Brussel Sint-Michielslaan 55/10 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de ISABELLAPOLDER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Boullart en Ibe Delbeke kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 augustus 2024, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen van 20 juni 2024 ‘tot de afzetting van XXXX uit zijn functie als ontvanger-griffier van de Isabellapolder’. X-18.734-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De tussenkomende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991’ tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 februari
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daphne Segers, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Matthias Kirsch, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Sven Boullart, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-18.734-2/9 III. Feiten 3.
- Op 28 november 2023 beslist de algemene vergadering van de Isabellapolder om verzoeker, ontvanger-griffier, in het kader van “een tuchtzaak” met onmiddellijke ingang de “sanctie” van de schorsing van één maand op te leggen, om reden van verschillende “feiten die ten laste worden gelegd”. Tevens beslist de algemene vergadering om aan de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen (hierna: de deputatie) een voorstel tot afzetting van verzoeker te doen. 3.
- De deputatie adviseert op 25 april 2024 aan de gouverneur om op grond van dezelfde “ten laste gelegde feiten” tot de afzetting van verzoeker over te gaan. 3.
- Op 20 juni 2024 sluit de gouverneur zich aan bij het advies van de deputatie en beslist zij verzoeker af te zetten uit zijn functie als ontvanger-griffier, overwegende dat “de weerhouden tuchtfeiten, zowel gezamenlijk als elk afzonderlijk beschouwd, een ernstige tuchtsanctie verantwoorden”. 3.
- Op 6 november 2024 beslist de algemene vergadering van de Isabellapolder om haar beslissing van 28 november 2023 om verzoeker met onmiddellijke ingang te schorsen als ontvanger-griffier voor een periode van één maand, in te trekken. IV. Toepassing kortedebattenprocedure – onderzoek van de middelen A. Vooraf 4.
- Het auditoraat heeft geoordeeld dat de beslechting van het geschil kan worden afgedaan met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, X-18.734-3/9 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. In het auditoraatsverslag, dat met toepassing van deze kortedebattenprocedure werd opgesteld, wordt onder meer het eerste middel gegrond bevonden. 4.
- De verwerende partij en de tussenkomende partij bekritiseren de toepassing van de kortedebattenprocedure, om reden dat zij geen afdoende (schriftelijk) verweer tegen verzoeksters wettigheidskritiek, zoals aangenomen in het auditoraatsverslag, hebben kunnen voeren. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht op verdediging is volgens de tussenkomende partij geschonden. 4.
- De Raad van State ziet het anders. Het hierna besproken eerste middel werd reeds met ’s Raads tussenarrest nr. 260.430 van 12 juli 2024, gewezen in het kader van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, ernstig bevonden. De verwerende en de tussenkomende partij hadden de gelegenheid om daar schriftelijk standpunt over in te nemen. In hun respectievelijke nota’s, ingediend tijdens de onderhavige schorsingsprocedure, beperkten zij zich er evenwel toe een identiek verweer te voeren als uiteengezet in hun nota, respectievelijk verzoekschrift tot tussenkomst, ingediend tijdens de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Van enige kritiek op de beoordeling van het eerste middel in ’s Raads tussenarrest nr. 260.430 van 12 juli 2024 is geen sprake. De verwerende en de tussenkomende partij kunnen er zich in dit licht niet over beklagen dat het auditoraat, na te hebben vastgesteld dat de partijen niets hebben ingebracht tegen de beoordeling van het eerste middel in ’s Raads tussenarrest nr. 260.430 van 12 juli 2024, heeft beslist dat het geschil met toepassing van de kortedebattenprocedure kan worden beslecht. X-18.734-4/9 B. Eerste middel Standpunt van de partijen 5.
- Verzoeker leidt een eerste middel af uit de schending van artikel 58 van de wet van 3 juni 1957 ‘betreffende de polders’ (hierna: de polderwet) en het non bis in idem-beginsel: “Doordat de bestreden beslissing werd genomen nadat de Isabellapolder op 28 november 2023 reeds een sanctie heeft genomen voor dezelfde feiten, zijnde de schorsing van één maand. Terwijl krachtens artikel 58 van de wet van 3 juni 1957 de Algemene Vergadering slechts ofwel een disciplinaire schorsing van een maand [kan] opleggen ofwel de afzetting door de provinciegouverneur [kan] voorstellen.” 5.
- Volgens de verwerende partij achtte de algemene vergadering van de Isabellapolder “in ieder geval een strengere sanctie noodzakelijk dan de schorsing van één maand” en kan de schorsing van één maand door de algemene vergadering van de Isabellapolder niet anders begrepen worden dan als een ordemaatregel in afwachting van de beslissing over het voorstel tot afzetting van verzoeker aan de deputatie. Het opleggen van een ordemaatregel belet niet dat later een tuchtstraf wordt uitgesproken. Bovendien maakt de beslissing van de algemene vergadering van de Isabellapolder van 28 november 2023 het voorwerp uit van een vernietigings- beroep door verzoeker. Nu de sanctie van de schorsing van één maand nog niet onherroepelijk in werking is, is er geen beletsel voor de gouverneur om gebruik te maken van haar eigen bevoegdheid om zich, met toepassing van artikel 58 van de polderwet, uit te spreken over het voorstel van de deputatie. 5.
- De tussenkomende partij meent dat nergens uit de tekst van artikel 58 van de polderwet blijkt dat er in die bepaling “sprake is van of-of en niet en-en”. Er volgt uit dat de algemene vergadering tot een schorsing van één maand X-18.734-5/9 kan beslissen en dat, als zij een strengere sanctie noodzakelijk acht, zij “eveneens kan overgaan tot een voorstel tot afzetting aan de Deputatie”. Nog volgens de tussenkomende partij is het, gelet op het zorgvuldigheidsbeginsel, vanzelfsprekend dat er twee afzonderlijke tucht- procedures zijn gevoerd. Maar het is niet omdat er twee afzonderlijke tuchtprocedures zijn gevoerd dat er ook sprake is van twee afzonderlijke tuchtsancties. De uiteindelijke afzetting volgt op de schorsing van één maand, “enkel en alleen omdat tussenkomende partij geen bevoegdheid tot afzetting had en aldus een voorstel aan de Deputatie moest doen waarop verwerende partij dan de uiteindelijke beslissing tot afzetting nam”. Beoordeling 6.
- Artikel 58 van de polderwet luidt: “Meent het bestuur dat een sanctie moet worden getroffen ten laste van de ontvanger-griffier, dan brengt het de zaak voor de algemene vergadering. Deze hoort de belanghebbende. Zij kan hem voor één maand schorsen. Acht zij een strengere sanctie noodzakelijk, dan kan zij aan de bestendige deputatie de schorsing voor meer dan een maand of de afzetting voorstellen. De gouverneur doet uitspraak over het voorstel van de bestendige deputatie.” Het non bis in idem-beginsel verbiedt dat iemand opnieuw vervolgd of berecht wordt voor een tuchtfeit dat al aanleiding gaf tot een veroordeling. 6.
- Zoals de Raad van State artikel 58 van de polderwet begrijpt, plaatst het de algemene vergadering die meent dat een sanctie jegens de ontvanger-griffier noodzakelijk is voor de keuze: ofwel schorst zij hem voor één maand, ofwel, als zij meent dat een strengere sanctie moet worden opgelegd, richt zij zich daartoe tot de deputatie. X-18.734-6/9 6.
- Te dezen heeft eerst de algemene vergadering van de Isabellapolder verzoeker een tuchtstraf opgelegd en daarna, voor dezelfde tuchtfeiten, de gouverneur. De formulering van de beslissing van de Isabellapolder van 28 november 2023 laat te dezen geen enkele twijfel toe: de beslissing legt als uitkomst van een tuchtprocedure de sanctie van één maand schorsing op. De beslissing is een tuchtstraf en geen tijdelijke ordemaatregel. Voorts is verzoekers annulatieberoep tegen die tuchtstraf (gekend onder nr. A. 240.672/X-18.527) als zodanig zonder invloed op het bestaan ervan, haar uitvoerbaarheid of inwerkingtreding. Ten slotte is er ook geen reden om de beslissing van de algemene vergadering van de Isabellapolder en die van de gouverneur tezamen te beschouwen als een “enige” tuchtsanctie. Het gaat om twee onderscheiden tuchtstraffen, waarbij de eerste inging op 28 november 2023 en al uitgewerkt was op het moment – ettelijke maanden later – dat de beslissing tot het opleggen van de tweede tuchtstraf werd genomen. 6.
- Zowel artikel 58 van de polderwet als het non bis in idem-beginsel zijn geschonden. 6.
- De algemene vergadering van de Isabellapolder heeft haar beslissing van 28 november 2023 om verzoeker met onmiddellijke ingang voor een periode van een maand als ontvanger-griffier te schorsen op 6 november 2024 ingetrokken. Het doet niet anders oordelen, temeer nu verzoeker de gevolgen van die schorsingsbeslissing reeds volledig heeft ondergaan, en de handelswijze van de tussenkomende partij er enkel op gericht blijkt te zijn te verijdelen dat de Raad van State de bestreden beslissing zou vernietigen. 6.
- Het middel is gegrond. X-18.734-7/9 V. Onderzoek van de vordering tot schorsing
- De hierna uit te spreken vernietiging heeft tot gevolg dat de vordering tot schorsing zonder voorwerp valt en onontvankelijk wordt. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen van 20 juni 2024 ‘tot de afzetting van XXXX uit zijn functie als ontvanger-griffier van de Isabellapolder’.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. X-18.734-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Stephan De Taeye, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Stephan De Taeye X-18.734-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.377 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.430 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div