id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.405 Rolnummer: A. 241686/XII-9589 Zaak: Arrest 262405 - Tucht (openbaar ambt) - 19/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-27 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-17 01:57 Fiche Arrest nr 262.405 van 19 februari 2025 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.405 no lien 281971 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 262.405 van 19 februari 2025 in de zaak A. 241.686/XII-9589 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/Legal/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 12 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 19 februari 2024 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld. XII-9589-1/17 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 februari
- Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Els Baeyens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor de verzoekende partij en adviseur Vincent Govaerts die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Samuel Mens, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.
- Op 27 juni 2023 gelast de hogere tuchtoverheid een voorafgaand onderzoek naar aanleiding van feiten die plaatsvonden op 8 februari
- Deze beslissing is ondertekend door HCP XXX, “wnd. tuchtoverheid”, “[v]oor de directeur-generaal van de […], verhinderd”. 3.
- Op 20 juli 2023 stelt de voorafgaand onderzoeker het verslag over het voorafgaand onderzoek op, waarvan de hogere tuchtoverheid op 27 juli 2023 kennis neemt. Deze kennisname wordt ondertekend door XXX, “wnd. Directeur-generaal”, “[v]oor de directeur-generaal van de […], verhinderd”. XII-9589-2/17 3.
- Op 11 augustus 2023 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. Het inleidend verslag is ondertekend door XXX, “wnd. Directeur-generaal”, “[v]oor de directeur-generaal van de […], verhinderd”. 3.
- Op 13 september 2023 dient verzoeker een schriftelijk verweer in en op 14 september 2023 wordt hij gehoord. 3.
- Op 19 september 2023 formuleert de hogere tuchtoverheid het voorstel om verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. Deze beslissing is ondertekend door XXX, “[w]nd. Directeur-generaal van de […]”, “[v]oor de directeur-generaal van de […], verhinderd”. Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
- Op 20 december 2023 adviseert de Tuchtraad: “In hoofdorde: dat het gepast voorkomt om af te zien van het opleggen van een tuchtstraf wegens schending van de Taalwet in bestuurszaken; In ondergeschikte orde: dat het gepast voorkomt af te zien van het opleggen van een tuchtstraf wegens de schending van de rechten van verdediging van verzoeker; In meer ondergeschikte orde: dat de ten laste gelegde feiten, zoals heromschreven in punt 5.1, bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend; dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal een gepaste straf is.” 3.
- Op 19 januari 2024 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad met het voorstel om de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. Deze beslissing is ondertekend door XXX, “Directeur-generaal van de […] a.i.”. 3.
- Nadat verzoeker op 7 februari 2024 een schriftelijk verweer heeft ingediend, beslist de hogere tuchtoverheid op 19 februari 2024 om XII-9589-3/17 verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. Deze beslissing is ondertekend door XXX, “Directeur-generaal van de […] a.i.”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging Verzoek van het auditoraat om het administratief dossier aan te vullen
- In het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat het administratief dossier onvolledig is en lijkt te berusten op een eigen selectie van stukken door de verwerende partij. Het auditoraatsverslag nodigt de verwerende partij uit om ter gelegenheid van het eventuele indienen van een laatste memorie (met verzoek tot voortzetting) het administratief dossier volledig te maken.
- In de laatste memorie repliceert de verwerende partij dat zij erkent dat het administratief dossier een selectie van stukken bevat, ingegeven door “proceseconomische motieven en redenen van efficiëntie”. Zij wijst op de “enorme hoeveelheid” aan stukken en voert aan dat de selectie het administratief dossier meer leesbaar en werkbaar maakt. De verwerende partij licht verder toe dat de selectie tot doel heeft om het omvangrijke dossier te herleiden tot die stukken die van belang zijn voor de beoordeling van de zaak en de door verzoeker opgeworpen middelen en het te ontdoen van alle niet dienstige onderdelen. De verwerende partij meent dat zij in haar opzet is geslaagd, daar het auditoraatsverslag opmerkt dat de onvolledigheid van het administratief dossier de auditeur-verslaggever niet heeft belet de zaak ten gronde op dienende wijze te kunnen beoordelen. Volgens de verwerende partij geeft het auditoraatsverslag niet aan welk specifiek stuk, noodzakelijk voor de beoordeling van de zaak, zou ontbreken, en “vergenoegt [het] zich met een algemene, doch niet-limitatieve, verwijzing naar ‘de ‘Referenties’ onder punt 2 van de bestreden beslissing en de ‘verwijzingen’ in het advies van de Tuchtraad.’” Nog volgens de verwerende partij “bestaat [er] ab initio overigens geen enkele wettelijke of reglementaire verplichting tot het bijbrengen van stukken in een procedure (uitgenomen dan de verplichting die op een verzoekende partij berust om de bestreden beslissing bij te ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.405 XII-9589-4/17 brengen)”. De verwerende partij wijst er voorts op dat de tegenpartij daarnaast nog de bijkomende stukken kan neerleggen, die zij dienstig of noodzakelijk acht voor de beslechting van de zaak, dan wel om het ontbreken van enig stuk op te werpen “in de uiteenzetting van haar middelen”, wat te dezen niet is gebeurd. Na deze omstandige repliek op het auditoraatsverslag besluit de verwerende partij: “Desalniettemin schikt verwerende partij zich in de bemerking en brengt zij bij onderhavige memorie het volledige tuchtdossier bij (adm. doss., stuk 12).” Beoordeling
- Artikel 6, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement) bepaalt dat de verwerende partij, indien zij in het bezit is van het administratief dossier, over een termijn van zestig dagen beschikt om aan de griffie een memorie van antwoord en het “volledige” administratief dossier toe te zenden. Dit verplicht toe te zenden administratief dossier betreft het “volledige” dossier dat bestond op het ogenblik dat de bestreden beslissing die het heeft voorbereid, werd genomen. Het omvat alle stukken die tijdens de administratieve voorbereiding van de bestreden beslissing zijn bijeengebracht, met inbegrip van alle stukken die volgens de wetten en verordeningen met het oog op het nemen van die beslissing moesten worden opgesteld. Het komt de verwerende partij allerminst toe om slechts een selectie van de desbetreffende stukken mee te delen. Alzo zou immers afbreuk worden gedaan aan het recht van de verzoekende partij om haar grieven met betrekking tot de wettigheid van de bestreden beslissing in het kader van haar annulatieberoep voor de Raad van State te laten gelden, alsook aan de mogelijkheid van de Raad om zijn wettigheidstoezicht op die beslissing uit te oefenen. Het volledige administratief dossier moet ook binnen de door artikel 6, § 2, van het algemeen procedurereglement opgelegde termijn van zestig dagen worden ingediend en niet pas ter gelegenheid van het indienen van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.405 XII-9589-5/17 laatste memorie, nadat het auditoraatsverslag daartoe aanmaant. Een laatste memorie strekt ertoe de Raad van State in te lichten hoe tegen de bevindingen van het auditoraatsverslag wordt aangekeken, maar is geen middel om nog essentiële stukken die deel dienen uit te maken van het administratief dossier, neer te leggen. Aan het auditoraat dienen ten behoeve van zijn onderzoek, te nuttigen tijde argumenten en een volledig administratief dossier te worden voorgelegd, daar van partijen wordt vereist dat zij hun medewerking verlenen aan de rechter. Voorts merkt de Raad van State op dat het verzuim door de verwerende partij om binnen de in artikel 6, § 2, van het algemeen procedurereglement bedoelde termijn het volledige administratief dossier neer te leggen, strijdt, niet alleen met de door de wetgever ingebouwde stappen van de schriftelijke procedure, en met de essentiële rol van het auditoraat bij het onderzoek van de zaak, doch eveneens met de in artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalde sanctie, met name dat de door de verzoekende partij aangehaalde feiten als bewezen worden geacht, tenzij die feiten kennelijk onjuist zijn. Deze bepaling is ook toepasselijk wanneer een administratief dossier onvolledig is en bepaalde stukken niet binnen de daartoe voorzien termijn zijn neergelegd.
- Uit wat voorafgaat volgt dat op de verwerende partij wel degelijk de verplichting rust om het volledige administratief dossier in te dienen binnen de in artikel 6, § 2, van het algemeen procedurereglement voorziene termijn. Het komt in de eerste plaats aan de verwerende partij toe om binnen de hiervoor geschetste contouren te bepalen welke stukken tot het administratief dossier behoren. In een tuchtdossier zoals te dezen, behoren hiertoe ten minste alle stukken waarnaar de bestreden beslissing zelf verwijst. Het komt de verwerende partij niet toe hierin een selectie te maken en alzo zelf te bepalen op welke stukken de Raad van State acht vermag te slaan, en bijgevolg ook, op welke niet. Indien het auditoraat oordeelt dat het administratief dossier onvolledig is, dient het onverwijld te worden aangevuld, zonder dat het auditoraat daarbij moet verantwoorden waarom dit noodzakelijk zou zijn voor de beoordeling van de zaak. XII-9589-6/17 XII-9589-7/17 V. Onderzoek van het vierde middel Standpunt van de partijen
- In het verzoekschrift voert verzoeker de “onbevoegdheid van de steller van de handeling”, alsook de schending van artikel VII.III.32 RPPol en van artikel II.15 UBPol aan. Verzoeker zet uiteen dat luidens artikel 20, 2°, a), van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de politiediensten’ (hierna: wet van 13 mei 1999) de directeur-generaal de hogere tuchtoverheid van verzoeker is. Te dezen gaan het inleidend verslag en het voorstel van zware tuchtstraf uit van een waarnemend directeur-generaal “voor de directeur-generaal ad interim”. Het voornemen tot afwijken van het advies van de Tuchtraad en de bestreden beslissing gaan uit van de “directeur-generaal ad interim” zelf. Verzoeker merkt op dat er aldus vanaf het begin van de procedure is gehandeld ofwel namens ofwel door de directeur-generaal ad interim. Volgens verzoeker blijkt uit het Belgisch Staatsblad weliswaar dat de directeur-generaal ad interim is aangesteld in het hoger ambt van directeur-generaal, maar is deze aanstelling in het hoger ambt hem niet tegenstelbaar, zodat zowel de bestreden beslissing als de eraan voorgaande beslissingen vanaf het inleidend verslag uitgaan van een onbevoegde overheid. Verzoeker verwijst desbetreffend naar artikel VII.III.32 RPPol dat bepaalt dat de aanwijzingen in een mandaat moeten worden bekendgemaakt aan de personeelsleden en dat de minister de nadere regels inzake de bekendmaking aan de personeelsleden bepaalt, alsook naar artikel II.15 UBPol dat uitvoering geeft aan deze bepaling. Verzoeker voert aan dat de aanstelling ad interim van HCP XXX in het mandaat van directeur-generaal in strijd met deze bepalingen niet is bekendgemaakt via het personeelsbulletin, zodat ze hem niet tegenstelbaar is.
- In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat zowel de aanstelling ad interim van XXX in het hoger ambt van directeur-generaal als de daaropvolgende verlenging werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, dat door de publicatie van deze ministeriële besluiten in het Belgisch Staatsblad deze rechtskracht hebben verkregen en dus tegenstelbaar zijn aan verzoeker. Voorst wijst de verwerende partij erop dat de aanstelling ad ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.405 XII-9589-8/17 interim van XXX in het hoger ambt van directeur-generaal bijkomend werd bekendgemaakt in de FED-Times van 15 juni 2023, die per e-mail ter kennis wordt gebracht aan alle personeelsleden van de Federale politie en ook wordt gepubliceerd op het intranet. Bovendien voert de verwerende partij aan dat er wekelijks op de Sharepoint van de Federale politie een overzicht wordt gepubliceerd van alle publicaties verschenen in het Belgisch Staatsblad en die betrekking hebben op of relevant zijn voor de Geïntegreerde politie. In de week van 19 juni 2023 werd zo de aanstelling van XXX belicht. Volgens een arrest van de Raad van State kan een publicatie op het intranet van de Federale politie worden beschouwd als bekendmaking bij het personeel, aldus de verwerende partij. Uit wat voorafgaat besluit de verwerende partij dat verzoeker niet hard kan maken dat hij geen kennis had van de aanstelling ad interim van XXX in het hoger ambt van directeur-generaal van de algemene directie XXX van de Federale politie noch van de verlenging ervan. De verwerende partij onderstreept verder dat verzoeker geen nadeel heeft ondervonden en ook niet aangeeft welk nadeel hij zou hebben ondervonden, van het niet publiceren in het personeelsbulletin van de aanstelling en de navolgende verlenging van HCP XXX in het hoger ambt. Verzoeker was immers op voldoende wijze in kennis gesteld en de vermeldingen in het personeelsbulletin bevatten geen andere informatie dan wat ter kennis werd gebracht via het Belgisch Staatsblad en via het intranet. Derhalve blijkt, aldus de verwerende partij, dat HCP XXX ad interim het hoger ambt op rechtmatige wijze uitoefende en op basis van artikel 120 van de wet van 7 december 1998 tot ‘organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ alle bij wet toegewezen bevoegdheden uitoefende, met inbegrip van de tuchtbevoegdheid. De verwerende partij besluit dat “[z]owel het inleidend verslag als het voorstel van zware tuchtsanctie” werden genomen door een daartoe bevoegde overheid. In de laatste memorie voegt de verwerende partij hieraan toe dat het auditoraatsverslag uitgaat van een “erg nauwe legalistische lezing” met verwijzing naar slechts één arrest van de Raad van State, waarbij wordt voorbijgegaan aan de ratio legis van de betreffende bepalingen. De verwerende partij wijst erop dat het RPPol enkel de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad oplegt en de overige bekendmakingsregels aan de minister overlaat. Daaruit leidt ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.405 XII-9589-9/17 zij af dat de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad volstaat om de aanstelling verbindend te maken en dat de door de minister voorgeschreven bekendmaking “slechts” tot doel heeft de personeelsleden zo doeltreffend mogelijk in kennis te stellen van de aangelegenheden die hen aanbelangen. Gelet op de veelheid aan communicatiekanalen wordt dit aan de minister overgelaten, wat de flexibiliteit onderstreept die de wetgever beoogt. Wat de bekendmaking in het personeelsbulletin betreft primeert volgens de verwerende partij dan ook het doel op het middel, zodat een rigide legalistische houding niet is aangewezen. De verwerende partij herhaalt dat volgens een arrest van de Raad van State een publicatie op het intranet van de Federale politie kan worden beschouwd als bekendmaking bij het personeel, en voegt daaraan toe de Raad van State in een ander arrest blijk gaf van een soepele interpretatie en een praktische ingesteldheid aan de dag legde bij de definiëring van het begrip ‘tegenstelbaarheid’. Naar analogie met dat arrest wijst de verwerende partij erop dat de te dezen gebruikte kanalen alle personeelsleden van de Federale politie als bestemmeling hebben en ook vrij raadpleegbaar zijn door die personeelsleden. De verwerende partij besluit dat de aanstelling ad interim van XXX in het mandaat van directeur-generaal en de latere verlenging ervan wel degelijk aan verzoeker tegenstelbaar zijn. Ten slotte werpt de verwerende partij nog op dat verzoeker dit middel voor aanvang van de annulatieprocedure nooit heeft opgeworpen. Beoordeling Wat de exceptie van gebrek aan belang bij het middel betreft
- De verwerende partij voert aan dat verzoeker geen nadeel heeft ondervonden en ook niet aangeeft welk nadeel hij zou hebben ondervonden, van het niet publiceren in het personeelsbulletin van de aanstelling ad interim van HCP XXX in het hoger ambt en de navolgende verlenging daarvan.
- Overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geven de onregelmatigheden die onder een in het eerste lid vermelde nietigheidsgrond ressorteren “slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.405 XII-9589-10/17 uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden”. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor hem brengt, doet blijken van een belang bij het aangevoerde middel. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast.
- Verzoeker voert de schending aan van de op grond van de artikelen VII.III.32 RPPol en II.15 UBPol voorgeschreven bekendmaking van de aanstelling ad interim van XXX als directeur-generaal -— die optrad als hogere tuchtoverheid —, evenals van de verlenging ervan, zodat die beslissing tot aanstelling en de verlenging ervan, hem niet tegenstelbaar zijn. Die schending kan, zo gegrond bevonden, een invloed hebben op de bevoegdheid van de hogere tuchtoverheid om een zware tuchtstraf op te leggen en op het eruit volgende verval van de tuchtvordering. Aldus heeft verzoeker belang bij het middel.
- De exceptie wordt verworpen. Ten gronde
- De verzoeker voert in essentie aan dat in de tuchtprocedure het inleidend verslag en het voorstel van zware tuchtstraf uitgaan van een waarnemend directeur-generaal die optreedt voor de directeur-generaal ad interim, alsook dat het voornemen tot afwijken van het advies van de Tuchtraad en de bestreden beslissing uitgaan van de directeur-generaal ad interim, terwijl de aanstelling van de directeur-generaal ad interim verzoeker niet tegenstelbaar is bij gebrek aan bekendmaking in het personeelsbulletin.
- Op grond van artikel 66, eerste lid, 3°, van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot XII-9589-11/17 de politiediensten’ wordt het ambt van directeur-generaal bij mandaat toegewezen. De artikelen VI.II.77 en volgende RPPol bepalen de regels inzake de uitoefening van een hoger ambt. Een hoger ambt is te dezen luidens artikel VI.II.77, 2°, RPPol “elke betrekking die is voorzien in de personeelsformatie en waarvan de toekenning aan het betrokken personeelslid het recht opent op een weddebijslag voor de uitoefening van een mandaatfunctie of, indien hij reeds op deze grond een dergelijke weddebijslag geniet, tot een hogere weddebijslag.” Luidens artikel VI.II.78, eerste lid, RPPol kan een personeelslid, “wanneer dwingende redenen van omkadering zulks vereisen, worden aangesteld in een hoger ambt voor een betrekking die tijdelijk of definitief niet wordt waargenomen door een titularis”. Op grond van artikel VI.II.81, 1°, RPPol is het te dezen de minister of zijn gemachtigde die beslist over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van hoger officier. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat HCP XXX bij ministerieel besluit van 14 juni 2023 ad interim werd aangesteld in het hogere ambt van directeur-generaal met uitwerking van 15 juni 2023 tot en met 14 december
- Bij ministerieel besluit van 11 december 2023 werd deze aanstelling verlengd met uitwerking van 15 december 2023 tot en met 14 juni
- Te dezen blijkt dus dat HCP XXX met de voornoemde ministeriële besluiten in het hogere ambt van directeur-generaal werd aangesteld. Deze aanstellingen in het hogere ambt behelsden tevens beslissingen tot aanwijzing — zij het ad interim— in een mandaat. Aldus was HCP XXX gedurende de gehele tuchtprocedure in de hoedanigheid van directeur-generaal ad interim bekleed met de in artikel 20 van de wet van 13 mei 1999 toegewezen bevoegdheid van hogere tuchtoverheid.
- Artikel VII.III.32 RPPol bepaalt de bekendmakingsregels voor de aanwijzing in een mandaat. Het luidt: “Art. VII.III.
- De in artikel VII.III.25 [bedoelde] directeur van de door de minister aangewezen dienst brengt de beslissing tot aanwijzing bij mandaat ter ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.405 XII-9589-12/17 kennis van het aangewezen personeelslid en maakt ze bekend aan de personeelsleden. Zij worden door toedoen van de minister of de directeur van de door hem aangewezen dienst bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De minister bepaalt de nadere regels inzake de bekendmaking aan de personeelsleden.” Artikel II.15 UBPol bepaalt de nadere regels inzake de bekendmaking aan de personeelsleden. Het luidt: “Art. II.
- De directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer van de federale politie verspreidt een personeelsbulletin dat alle beslissingen met betrekking tot het personeel betreft en inzonderheid de benoemingen, de bevorderingen, de detacheringen, de aanstellingen en de aanwijzingen bij mobiliteit bevat. Dit bulletin wordt ten minste in één exemplaar per korps van de lokale politie en per dienst of eenheid van de federale politie verspreid. De in het tweede lid bedoelde korpsen, diensten en eenheden staan in voor de verdere verspreiding van dit bulletin aan hun personeelsleden.” Uit deze bepalingen volgt dat de betrokken aanwijzing ad interim in een mandaat en de verlenging ervan, bij het personeel moeten worden bekendgemaakt via het personeelsbulletin en bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Dat de aanwijzing te dezen gebeurde via de rechtsfiguur van de aanstelling in het hogere ambt, doet aan die bekendmakingsplichten niet af.
- Volgens verzoeker is de bekendmaking aan het personeel via het personeelsbulletin niet gebeurd en de verwerende partij betwist dit niet. De betrokken aanstelling en verlenging van HCP XXX in het hogere ambt om ad interim het mandaat van directeur-generaal waar te nemen, zijn derhalve niet op de reglementair voorgeschreven wijze binnen de Geïntegreerde politie bekendgemaakt.
- Inzake het argument van de verwerende partij dat de (verlenging van de) aanstelling ad interim in het hoger ambt van XXX zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad — zodat die aan verzoeker tegenstelbaar zijn — en dat de tijdelijke aanstelling en de verlenging ervan via andere kanalen ter kennis werden gegeven aan het personeel, gaat de verwerende partij eraan voorbij dat het de regelgever zelf is die voor deze (top)mandaten een XII-9589-13/17 tweeledige bekendmaking heeft opgelegd, waarbij uitdrukkelijk is voorzien in een bijzondere bekendmaking aan de personeelsleden die, zoals blijkt, geschiedt via het personeelsbulletin. Hieruit blijkt dat de regelgever niet alleen wenst dat deze aanstellingen worden bekendgemaakt, maar ook dat de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad te dezen niet volstaat. Binnen de Geïntegreerde politie wordt, ten behoeve van de personeelsleden, aan die aanstellingen een bijkomende, bijzondere bekendheid gegeven door middel van een door de minister bepaalde bijzondere interne bekendmaking die de personeelsleden die effectief in de korpsen, diensten en eenheden van de Geïntegreerde politie zijn tewerkgesteld, erover inlicht dat een dergelijke aanstelling gebeurde. Wanneer de regelgeving zoals te dezen een tweeledige vorm van bekendmaking voorschrijft, moeten de personeelsleden ten aanzien van wie de bekendgemaakte overheidsakte niet moet worden betekend, er immers op kunnen vertrouwen dat alle beslissingen met betrekking tot het personeel hen pas verbinden en aan hen pas tegenstelbaar zijn nadat werd overgegaan tot de voorgeschreven bekendmaking. In het licht van deze bijzondere vorm van interne bekendmaking volstaat het enkele gegeven dat de betrokken aanstelling en de verlenging ervan bij uittreksel werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad derhalve niet, opdat die tegenstelbaar zouden zijn aan de personeelsleden.
- Evenmin gaat het argument van de verwerende partij op dat verzoeker voldoende kennis had van de aanstelling (en verlenging) ad interim van XXX in het hogere ambt van het mandaat van directeur-generaal, daarbij verwijzend naar diverse interne (e-)communicatie, met name de Fed-Times van 15 juni 2023, verspreid via e-mail en raadpleegbaar via SharePoint op het intranet, alsook het wekelijks overzicht van de publicaties in het Belgisch Staatsblad op SharePoint, te dezen “InfoLex - Week van 19/06/2023 tot en met 23/06/2023”. De verwerende partij wijst geen enkele normatieve bepaling aan die haar tot een dergelijke bekendmaking via nieuwsbrieven of via het intranet verplicht. In de mate dat de verwerende partij hiermee wil aantonen dat verzoeker feitelijke kennis had of redelijkerwijze moest hebben van de betrokken ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.405 XII-9589-14/17 aanstelling en de verlenging ervan, gaat zij voorbij aan het feit dat er een normatieve verplichting tot dubbele bekendmaking bestaat van dergelijke besluiten, zodat niet moet worden onderzocht of verzoeker ondanks het gebrek aan dubbele bekendmaking, al dan niet feitelijke kennis had of moest hebben van de aanstelling en de verlenging. Om dezelfde redenen is het verweer dat de vermeldingen in het personeelsbulletin geen andere informatie bevatten dan dat wat ter kennis werd gebracht via het Belgisch Staatsblad en via het intranet, niet pertinent.
- In de mate dat de verwerende partij verwijst naar rechtspraak van de Raad van State om haar verweer kracht bij te zetten, stelt de Raad van State vast dat, daargelaten dat het Belgische recht geen precedentenwerking kent zodat verzoeker er derhalve geen leer uit kan halen, de vergelijking mank loopt. De twee arresten waarnaar de verwerende partij verwijst, betreffen immers niet de normatieve dubbele bekendmakingsplicht van onder meer de aanstellingen in een mandaat, doch de voorwaarden waaronder delegatie van bevoegdheid is toegestaan en de tegenstelbaarheid van een dergelijke delegatie.
- De kritiek in de laatste memorie van de verwerende partij dat wordt voorbijgegaan aan de ratio legis van de betreffende bepalingen, dat overeenkomstig het RPPol de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad volstaat, alsook dat aan de minister voorts de nodige flexibiliteit wordt gelaten om de personeelsleden zo doeltreffend mogelijk in te lichten over aangelegenheden die hen aanbelangen, is loutere opportuniteitskritiek, die niet ingaat op — laat staan afbreuk doet aan — de normatieve plicht tot dubbele bekendmaking, eensdeels via bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, anderdeels via het personeelsbulletin. Deze kritiek doet derhalve niet anders oordelen.
- Tot slot werpt de verwerende partij op dat verzoeker “de problematiek” voorafgaand aan het inleiden van de annulatieprocedure niet heeft opgeworpen. Dit argument doet evenmin anders oordelen. Daargelaten dat de verwerende partij aan dat standpunt geen enkele conclusie verbindt, merkt de Raad van State op dat geen algemene rechtsregel voorschrijft dat de Raad van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.405 XII-9589-15/17 State enkel kennis mag nemen van grieven of middelen die tijdens de administratieve procedure door de betrokkene worden opgeworpen.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de aanstelling ad interim van HCP XXX in het mandaat van directeur-generaal en de latere verlenging ervan niet aan verzoeker kunnen worden tegengesteld. Hieruit volgt dat de hoedanigheid van directeur-generaal ad interim vermeld in het inleidend verslag, in het voorstel van zware tuchtstraf, in het voornemen tot afwijken van het advies van de Tuchtraad en in de bestreden beslissing, niet aan verzoeker kan worden tegengeworpen, zodat niet blijkt dat die stukken zijn uitgegaan van de bevoegde hogere tuchtoverheid.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 19 februari 2024 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal wordt opgelegd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.405 XII-9589-16/17 bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9589-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.405 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div