id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.406 Rolnummer: A. 233175/XII-9572 Zaak: Arrest 262406 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 19/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-27 Raadplegingen: 171 - laatst gezien 2026-06-18 19:49 Fiche Arrest nr 262.406 van 19 februari 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.406 no lien 281972 identiques ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2019 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 262.406 van 19 februari 2025 in de zaak A. é.175/XII-9572 In zake : A.T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kurt Demeester kantoor houdend te 9900 Eeklo Koningin Astridplein 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Joy Moens kantoor houdend te 1180 Brussel Bosveldweg 80 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 3 maart 2021, strekt tot de nietigverklaring van het “proces-verbaal van inbeslagname dd. 21 januari 2021 met referte mkx-2021-0003/04/000005”. II. Verloop van de rechtspleging Bij arrest nr. 261.319 van 18 november 2024 wordt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel als niet verricht beschouwd. 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. XII-9572-1/13 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 januari 2025, datum waarop de zaak is uitgesteld naar de terechtzitting van 12 februari 2025. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marijn Serneels, die loco advocaat Kurt Demeester verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Joy Moens, dieverschijnt voor de verwerende partij , zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 14 december 2020 wordt naar aanleiding van een controle door Douane & Accijnzen van de Federale Overheidsdienst Financiën, 320 kg snuiftabak, afkomstig uit Soedan en door Turkish Airlines via Turkije in België aangekomen, geblokkeerd. Verzoeker is de bestemmeling van deze snuiftabak. 3.2. Op 17 december 2020 wordt verzoeker door Douane & Accijnzen via e-mail om toelichting gevraagd omtrent deze snuiftabak, waarop verzoeker verklaart dat deze uit Soedan is en bedoeld is voor privégebruik. 3.3. Op 21 januari 2021 wordt door de Dienst Inspectie Consumptieproducten van het Directoraat-Generaal Dier, Plant en Voeding van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.406 XII-9572-2/13 Leefmilieu beslist om deze snuiftabak in beslag te nemen, op grond van de volgende overwegingen: “Reden van het beslag Wij betekenen aan T.A. het beslag van de producten uit de inventaris die als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd is. Deze producten op basis van tabak werden vanop afstand gekocht. Dit is in overtreding met artikel 13 van het koninklijk besluit van 5 februari 2016 betreffende het fabriceren en het in de handel brengen van producten op basis van tabak en voor roken bestemde kruidenproducten en zijn uitvoeringsbesluiten. Dit artikel stelt het volgende: ‘De verkoop op afstand aan consumenten en de aankoop op afstand door consumenten van producten op basis van tabak, voor roken bestemde kruidenproducten en apparaten zijn verboden.’ De betrokkene is eigenaar van de in overtreding bevonden producten. De producten worden beschouwd als schadelijk in de zin van artikel 18 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Verzoek toepassing van de kortedebattenprocedure 4. In het inleidend verzoekschrift vraagt verzoeker om toepassing te maken van de kortedebattenprocedure overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement). Beoordeling 5. De procedure die wordt voorzien in artikel 93 van het algemeen procedurereglement moet met de nodige omzichtigheid worden toegepast. De inwilliging van het voorstel van de auditeur door de alleen zetelende staatsraad ontzegt immers aan de partijen de waarborgen die door de gewone rechtspleging worden geboden, en met name de behandeling van hun zaak door een kamer met drie magistraten, en de mogelijkheid om hun standpunten schriftelijk uiteen te zetten in memories. XII-9572-3/13 Op de vraag om een vernietigingsberoep met een kort debat te behandelen wordt dan ook slechts ingegaan wanneer het op grond van een eenvoudige kennisname van het verzoekschrift en de voorgelegde gegevens onmiddellijk duidelijk is welke oplossing aan de zaak dient gegeven te worden en/of wanneer de partijen geen ernstige betwisting lijken te kunnen voeren over de oplossing die door de auditeur wordt voorgesteld. 6. Te dezen stelt de Raad van State vast dat door het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat een verslag op grond van artikel 12 van het algemeen procedurereglement werd opgesteld en dat verzoeker vervolgens een verzoek tot voortzetting van de procedure en een laatste memorie heeft ingediend. Deze vaststelling volstaat om verzoekers initieel verzoek om toepassing te maken van de kortedebattenprocedure overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het algemeen procedurereglement te verwerpen. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van gebrek aan belang in hoofde van verzoeker Standpunt van de partijen 7. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie van gebrek aan belang op in hoofde van verzoeker. Zij laat in essentie gelden dat, zoals in de bestreden beslissing verduidelijkt wordt, de in beslag genomen tabak gedurende zestig dagen wordt bewaard in een beveiligd lokaal van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en dat hierna deze snuiftabak op elk moment kan vernietigd worden. De verwerende partij benadrukt dienaangaande dat van de overheid redelijkerwijze niet kan worden verwacht dat zij producten die in strijd met de wetgeving geïmporteerd worden, langer dan deze periode van zestig dagen bewaart. Een vernietiging van de snuiftabak zou volgens de verwerende partij tot gevolg hebben dat verzoeker geen belang heeft bij huidig beroep, nu de vernietiging van de bestreden beslissing hem immers geen enkel voordeel zou opleveren, aangezien de kwestieuze tabak hem in dat geval niet teruggegeven zou kunnen worden. In deze omstandigheden zou het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.406 XII-9572-4/13 beroep tot nietigverklaring volgens de verwerende partij als niet-ontvankelijk moeten worden verworpen. 8. Verzoeker betwist in de memorie van wederantwoord het standpunt van de verwerende partij. Hij benadrukt dat de Raad van State na een eventuele vernietiging van een administratieve beslissing ook een schade-vergoeding kan toekennen op basis van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, met welk bedrag hij dan een nieuwe aankoop kan doen. Daarvoor moet de onwettigheid eerst worden vastgesteld. Volgens verzoeker heeft hij hoe dan ook een belang om (voorafgaandelijk) deze procedure te voeren, nu ook de burgerlijke rechter een schadevergoeding kan toekennen, na een vernietigingsarrest van de Raad van State. Bovendien zou het volgens verzoeker betekenen dat de verwerende partij op die manier – door de tabak te vernietigen – een procedure in haar voordeel kan manipuleren of rechterlijke controle kan afwenden. Een annulatieberoep zou in dat geval nooit mogelijk zijn, als de overheid zich ontdoet van de geconfisqueerde goederen, ofwel voor ofwel tijdens de rechtspleging voor de Raad van State. Nochtans vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk dat er een beroep kan worden aangetekend bij de Raad van State; dat de termijn om een beroep aan te tekenen 60 dagen bedraagt en de termijn om de in beslag genomen goederen te bewaren ook 60 dagen is. Dit zou volgens verzoeker in zulke zaken impliceren, enerzijds dat de rechtzoekende altijd (met bijkomende kosten) een een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid? moet opstarten met als beoogde voorlopige maatregel de verplichting tot bewaring van de in beslag genomen goederen, en anderzijds dat de Raad van State altijd verplicht zou zijn daarop in te gaan, omdat – zo niet – de procedure ten gronde onmogelijk wordt wegens gebrek aan belang. Het kan volgens verzoeker niet de bedoeling zijn dat de Raad van State wordt belast met dergelijke uiterst dringende ‘kortgedingen’, of dat advocaten – met oplopende rekening voor de cliënt – worden aangemoedigd dergelijke vorderingen in te stellen uit procedurele onzekerheid ten gronde. Verzoeker laat gelden dat hij niet alleen de teruggave van de in beslag genomen goederen beoogt (dit is uiteraard wel een mogelijk voordeel), maar in de eerste plaats de vernietiging van de bestreden beslissing vraagt met vaststelling dat er een ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.406 XII-9572-5/13 onwettigheid was voor later gevolg. Tot slot benadrukt hij dat de verwerende partij ostentatief de voorwaardelijke wijs hanteert in dit onderdeel van haar memorie en dat als de tabak nog niet vernietigd was op het ogenblik van het indienen van de memorie op 29 juli 2021, waarin op voorwaardelijke wijze de exceptie van gebrek aan belang wordt aangevoerd, maar wel nadien, er dan “rechtsmisbruik van jewelste” Is. De vernietiging van de goederen, die reeds vroeger kon gebeuren, wordt dan volgens hem enkel maar aangewend met strategische doeleinden om zijn vernietigingsberoep te dwarsbomen. In zijn laatste memorie wenst verzoeker als repliek op het auditoraatverslag nog het volgende onder de aandacht te brengen, met betrekking tot de ontvankelijkheid: “Het is niet duidelijk of de lading snuiftabak ondertussen vernietigd is. Hoe dan ook is de teruggave van het in beslag genomen goed niet het enige voordeel dat verzoeker uit de vastgestelde onwettigheid en vernietiging van de bestreden beslissing kan puren. Verzoeker stelt concreet een vordering tot schadevergoeding in overeenkomstig artikel 11bis RvS-Wet en artikel 25/2 van het Procedurereglement. Aangezien de toekenning van een schadevergoeding door de Raad van State wegens een onwettige administratieve rechtshandeling en de vernietiging van die administratieve rechtshandeling een onlosmakelijke tandem vormen -dat is cartesiaanse logica-, heeft verzoeker wel degelijk belang bij het annulatieberoep. Immers, als de bestreden beslissing niet wordt vernietigd, kan verzoeker geen aanspraak maken op een (reëel) gevorderde schadevergoeding tot herstel. Als teruggave in natura niet meer mogelijk is, kan een veroordeling bij equivalent soelaas bieden. Dat is een principe zo oud als de straat. Het zou anders allemaal wel heel makkelijk zijn voor de overheid. De vernietiging van de in beslag genomen goederen in de loop van de procedure zou dan kunnen resulteren in de automatische afwijzing van de vordering. De overheid kan dan naar believen de uitkomst van de procedure manipuleren. Een schadevergoeding is hier een valabel alternatief. In casu achtte verzoeker het niet wenselijk om een UDN-procedure op te starten (aangezien een gewone schorsingsprocedure al meer dan 60 dagen in beslag neemt), omwille van de proportionaliteit. Een UDN-procedure vergt veel middelen en tijdsmanagement van de Raad, en het gaat hier nu ook weer niet om een miljoenenproject dat verzoeker door de vingers glipt. De ‘nieuwe’ (maar ondertussen wellicht ingeburgerde) mogelijkheid tot het vorderen van schadevergoeding tot herstel kan een alternatief zijn, dat uitmondt in een efficiëntere en evenwichtigere verdeling van de schaarse middelen van Justitie. Zo kunnen de gebruikelijke procedures en reguliere doorlooptijd bij de Raad van State in stand worden gehouden, wanneer goederen met een relatief beperkte economische waarde (maar een hoge affectieve waarde zoals in casu ) dreigen vernietigd te worden. UDN is immers een uitzondering, en behoort dit te blijven. Verzoeker vindt dat de klassieke angst voor het gebrek aan belang bij de Raad van State advocaten soms verhindert om proceseconomische keuzes te maken. De XII-9572-6/13 raadsman van verzoeker doet vooral ‘gewone’ civiele procedures en daar gelden twee vuistregels :
(1)je jaagt de cliënt niet op kosten, en
(2)je bezorgt de rechter niet onnodige (over)last. De goede rechtsbedeling hangt voor een stuk samen met de processtrategie van de advocaten, en het is een ongeschreven regel dat balie en magistratuur hoffelijk omgaan met elkanders takenpakket. Een UDN-procedure voor een lading tabak die binnen de 60 dagen kan worden ‘verdelgd’, waarbij er op zeer korte termijn een uitspraak wordt verwacht, lijkt hier niet evenredig. Een (on)wettigheidsbeoordeling met schadevergoeding binnen een normale doorlooptijd is hier passender. Het belang dient ook in functie van de rechtsbedeling te worden geïnterpreteerd. Hierbij moet er ook rekening worden gehouden met de omstandigheid dat een procespartij voor een deel zelf bepaalt wat er voor haar belangrijk is. Belangen zijn subjectief, en verzoeker verkiest op heden een schadevergoeding, wanneer de teruggave van het goed niet meer mogelijk is. Dit is een gewettigd belang.” Beoordeling
- Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 243.406). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli XII-9572-7/13 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR. 105, punten B.11.
- en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR. 109, punt B.4.3.; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR. 105, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, Vermeulen/België, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406) (ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.406 XII-9572-8/13 dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen.
- Verzoeker laat gelden dat hij niet alleen de teruggave van de in beslag genomen goederen beoogt maar in de eerste plaats de vernietiging van de bestreden beslissing vraagt met vaststelling dat er een onwettigheid was voor later gevolg. Verzoeker heeft aldus de grenzen van de rechtsstrijd nauwkeurig afgebakend en heeft zijn door de bestreden beslissing vermeende veroorzaakte nadeel in wezen aangeduid.
- Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep, maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat.
- De Raad van State stelt vast dat ter terechtzitting door de verwerende partij wordt bevestigd dat de in beslag genomen tabak werd vernietigd. Bezien vanuit dat oogpunt kan een vernietiging van de bestreden beslissing verzoeker, in zoverre hij met het voorliggende beroep de teruggave van de in beslagenomen snuiftabak beoogde, niet tot voordeel strekken.
- Verzoeker verliest evenwel ten gevolge van de vernietiging van de in beslag genomen tabak niet noodzakelijk ingevolge deze gewijzigde (juridische) omstandigheid elk belang bij de nietigverklaring. Zoals hiervoor is aangenomen, kan de aard van het belang immers evolueren, maar dient verzoeker minstens aannemelijk te maken dat de gevraagde nietigverklaring hem nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Verzoeker doet zulks niet. XII-9572-9/13 Verzoeker geeft aan nog belang te hebben bij het ingestelde annulatieberoep tegen de bestreden beslissing. Ter zake heeft verzoeker een stelplicht. Te dezen laat verzoeker op algemene wijze gelden dat “hoe dan ook […] de teruggave van het in beslag genomen goed niet het enige voordeel [is] dat verzoeker uit de vastgestelde onwettigheid en vernietiging van de bestreden beslissing kan puren” en dat “als teruggave in natura niet meer mogelijk is, […] een veroordeling bij equivalent soelaas [kan] bieden”, waarbij hij zich, ondanks zijn stelplicht ter zake, – ter staving van zijn standpunt – beperkt tot het louter poneren van zijn mening zonder enig begin van bewijs gesteund op concrete en verifieerbare gegevens, die op hun merites door de Raad van State kunnen worden onderzocht. Dat betoog volstaat niet opdat hij doet blijken van een actueel belang. In die omstandigheden is wat verzoeker – thans – met de gevraagde nietigverklaring dan nog nastreeft niet méér dan het voordeel om derden te overtuigen van zijn initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het aldus beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door verzoeker aangevoerde middelen.
- In arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019 (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015) (ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015) heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat wanneer een verzoekende partij haar belang bij de gevorderde nietigverklaring heeft verloren, zodat deze moet worden afgewezen, het indienen van een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel met toepassing van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in voorkomend geval de Raad wel voor de verplichting plaatst om niettemin – voor zover het ingestelde annulatieberoep initieel ontvankelijk was en voor zover het verlies van het belang niet het gevolg is van een handeling die de verzoekende partij zelf heeft gesteld of heeft nagelaten te stellen en die haar persoonlijk ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.406 XII-9572-10/13 verwijtbaar is – een onderzoek van de middelen te verrichten en de eventuele onwettigheid van de bestreden beslissing vast te stellen voor zover dat nodig is om over het ingediende verzoek tot schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen. Aldus verschaft artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aan een verzoekende partij, wier belang in de annulatieprocedure buiten haar tekortkoming om evolueerde van een belang bij de nietigverklaring naar alleen nog een belang om de bestreden beslissing onwettig te horen verklaren met het oog op het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel, het nodige instrument om toch nog een beoordeling door de Raad van State te verkrijgen van de middelen die zij in het kader van haar annulatieberoep aanvoerde.
- Verzoeker geeft in zijn laatste memorie aan dat hij een vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 25/2 van het algemeen procedurereglement. Tevens benadrukt hij dat aangezien de toekenning van een schadevergoeding door de Raad van State wegens een onwettige administratieve rechtshandeling en de vernietiging van die administratieve rechtshandeling een onlosmakelijke tandem vormen, hij wel degelijk een belang heeft bij het annulatieberoep. Verzoeker is de mening toegedaan dat als de bestreden beslissing niet wordt vernietigd, hij geen aanspraak kan maken op een (reëel) gevorderde schadevergoeding tot herstel en dat als teruggave in natura niet meer mogelijk is, een veroordeling bij equivalent soelaas kan bieden. De Raad van State stelt in dat verband vast dat verzoeker met een verzoekschrift van 13 april 2024 een schadevergoeding tot herstel heeft gevorderd van “2.500 euro […] ex aequo et bono, onder voorbehoud van nadere begroting ad probationem pecuniae in de loop van het geding”. Op 25 juli 2024 heeft de hoofdgriffier, met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding tot herstel, op verzoek van het aangewezen lid van XII-9572-11/13 het auditoraat, aan verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het algemeen procedurereglement. Bij arrest nr. 261.319 van 8 november 2024 werd het verzoek als niet verricht beschouwd op grond van de hiernavolgende overwegingen: “Naar luid van artikel 71, vierde lid, van voormeld besluit van de Regent zal, indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, de vordering als niet verricht worden beschouwd. In het aangetekend schrijven waarbij aan verzoeker de voor het overschrijven van de verschuldigde kosten vereiste gegevens werden meegedeeld, heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 71, vierde lid. Verzoeker heeft de betrokken rekening niet gecrediteerd binnen de voormelde termijn van dertig dagen. Om die reden dient het verzoek als niet verricht te worden beschouwd.”.
- Uit het voorgaande dient te worden afgeleid dat verzoeker niet meer getuigt van een actueel belang bij het voorliggende beroep tot vernietiging.
- De exceptie is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-9572-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9572-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.406 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.319 citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div