id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.423 Rolnummer: A. 237677/VII-41744 Zaak: Arrest 262423 - Milieuvergunningen - 20/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-27 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-16 05:48 Fiche Arrest nr 262.423 van 20 februari 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.423 no lien 281989 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 262.423 van 20 februari 2025 in de zaak A. 237.677/VII-41.744 In zake :
(2)dat beroepsindiener het bewijs levert dat vermoedelijke overtreder in het licht van de zorgplicht onvoldoende maatregelen zou nemen. Beroepsindiener gaat er hierbij evenwel aan voorbij dat het aan haar is om in haar verzoekschrift het bestaan van een misdrijf aannemelijk te maken conform artikel 16.4.18, § 2 DABM. Beroepsindiener beperkt zich in haar verzoekschrift tot de vaststelling van wederkerige en regelmatige geluidshinder, bestempelt deze als abnormale geluidshinder en stelt dat er geen maatregelen werden genomen om de hinder te milderen. Beroepsindiener schakelt in haar beroepschrift aldus het ervaren van hinder onterecht gelijk aan een miskenning van de zorgplicht. Hoewel beroepsindiener inderdaad aannemelijk maakt dat zij hinder ervaart, maakt zij het bestaan van een misdrijf in hoofde van vermoedelijke overtreder niet aannemelijk. De loutere verwijzing naar hinder die (minstens deels) afkomstig is van vermoedelijke overtreder en het feit dat er geen maatregelen zouden zijn genomen door vermoedelijke overtreder, is niet afdoende om het bestaan van het misdrijf van de schending van de zorgplicht aannemelijk te maken. Om dit nog bijkomend te staven overweegt de bestreden beslissing nog bijkomend dat, gelet op de onzekerheden en onduidelijkheden over de schepen die geluidshinder veroorzaken, van vermoedelijke overtreder als normaal zorgvuldig persoon niet mag worden verwacht dat zij bepaalde maatregelen neemt, met name maatregelen om de geluidsemissies van de schepen (die hij niet uitbaat) te verhinderen of dat zij bepaalde schepen de toegang tot haar kade zou ontzeggen. Hoewel beroepsindiener in haar verzoekschrift geen ontbrekende maatregelen heeft gespecifieerd, biedt de bestreden beslissing aldus ten overvloede een motivering omtrent welke maatregelen, gelet op de onzekerheden, per definitie te vergaand zijn. Van verwerende partij kan niet worden verwacht dat zij van elke mogelijke maatregel, die mogelijks in een ander dossier werd opgelegd, motiveert waarom deze in voorliggend geval niet vereist is in het kader van de zorgplicht. Terzijde wordt er op gewezen dat de bestreden beslissing bovendien overweegt dat het op heden ook niet nuttig is om bijkomende studies of onderzoeken te bevelen, onder meer gelet op het feit dat er nog steeds een onderzoek lopende is door Port of Antwerp naar de geluidsdruk van de haven ten aanzien van Kieldrecht. De bestreden beslissing wijst ook nog op het feit dat vermoedelijke overtreder en Grimaldi thans verder onderzoeken hoe verdere investeringen in allerhande elektrische vaartuigen mogelijk zijn. In zoverre beroepsindiener aanhaalt dat het de taak is van de overheid om indien noodzakelijk verder onderzoek te doen naar het aandeel van de schepen in de hinder, kan worden vastgesteld dat uit de bestreden beslissing blijkt dat dit element wel degelijk mee werd betrokken in de beoordeling door verwerende partij. De bestreden beslissing werd dan ook afdoende gemotiveerd. Geconcludeerd moet worden dat beroepsindiener het bestaan van een misdrijf van een schending van de geluidsnormen of de zorgplicht niet ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.423 VII-41.744-12/25 aannemelijk maakt, nu de door haar aangehaalde studies en de daarin opgenomen metingen hier niet op wijzen en zij evenmin zelf elementen aanreikt die een schending van de geluidsnormen of de zorgplicht aantonen. Bij gebrek aan milieu-inbreuk of -misdrijf kan geen bestuurlijke maatregel worden opgelegd. Gelet op het voorgaande kon verwerende partij redelijkerwijze beslissen om geen bestuurlijke maatregelen op te leggen. Aangezien de weigering was uitgaand van de hypothese van beroepsindiener dat VLAREM II van toepassing is en de burgemeester bevoegd is, dient niet verder te worden ingegaan op de andere overwegingen in de bestreden beslissing, met name inzake de hypothese dat de geluidshinder van de zeeschepen geen exploitatie van een ingedeelde inrichting in strijd met de milieuvoorwaarden zou uitmaken, of inzake de (afwezigheid van) de bevoegdheid van de burgemeester om zeeschepen toegang tot de haven te ontzeggen, nu het onderzoek van deze andere overwegingen het voorgaande niet kunnen wegnemen.” IV. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In het eerste middel tot nietigverklaring voeren de verzoekers de schending aan van: - de artikelen 16.1.2, 2°, 16.4.3, 16.4.5, 16.4.18, § 1, 5.1.3, 1°, a, 5.4.1 en 5.4.9 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM); - de artikelen 4.1.2.1, 4.1.3.2, 4.1.3.3 en 4.5.1.1, § 1, en de bijlage 2.2.1, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 ‘houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (hierna: Vlarem II); - artikel 5.1.1, 8°, DABM (ingevoegd door artikel 177 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’); - de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet); - de beginselen van behoorlijk bestuur, met name de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel; VII-41.744-13/25 - de artikelen 1, 9.3 en 2.4 van het Verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’ (hierna: het Verdrag van Aarhus). Het middel wordt ontwikkeld in vier onderdelen.
- In het eerste onderdeel komen de verzoekers op tegen volgende “decisieve argumenten” van het bestreden besluit: - in het verzoekschrift en het beroepschrift wordt geen schending opgeworpen of aangetoond omtrent het specifiek geluid in open lucht voor ingedeelde inrichtingen; - de overtreding van geluidsnormen of de zorgplicht wordt niet aannemelijk gemaakt omdat de in de beroepschrift aangehaalde studies en de daarin opgenomen metingen daar niet op wijzen, en de verzoekers evenmin zelf daartoe elementen aanreiken; - een schending van de geluidsnormen blijkt niet uit een meting die is uitgevoerd conform de vereisten van Vlarem II; - het ervaren van hinder wordt in het beroepschrift ten onrechte gelijkgeschakeld met een miskenning van de zorgplicht. Volgens de verzoekers houdt het bestreden besluit ten onrechte voor dat het bewijs van een schending van de normen inzake het specifiek geluid in open lucht moet worden geleverd opdat een milieumisdrijf en geluidshinder kan worden bewezen. De exploitant dient steeds de best beschikbare technieken toe te passen ter bescherming van mens en milieu en alle maatregelen te nemen om de buurt niet te hinderen door geluid en trillingen (artikelen 4.1.2.1, § 1, 4.1.3.2 en 4.1.3.3 van Vlarem II). Ongeacht de verleende vergunning moet de exploitant de nodige maatregelen treffen om schade en hinder te voorkomen. Ook is de exploitant verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om mens en milieu te beschermen tegen milieuverstoring die niet kan worden voorkomen, beperkt of in voorkomend geval ongedaan kan worden gemaakt ingevolge de toepassing van hoofdstuk 4.5 van Vlarem II en ingevolge de toepassing van de zorgplicht zoals bepaald in de artikelen 4.1.2.1 en 4.1.3.2 van Vlarem II. Artikel 4.5.1.1 van Vlarem II bepaalt in het bijzonder dat de exploitant de nodige maatregelen moet nemen, gebruik makend van een oordeelkundige ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.423 VII-41.744-14/25 (her)schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme installaties en toestellen, geluidsisolatie en/of -absorptie en/of -afscherming. De wetgeving schrijft niet voor dat enkel een miskenning van de normen inzake het specifiek geluid in open lucht een schending uitmaakt van de zorgplicht en van voormelde bepalingen. De overheid dient de begrippen “schade” en “hinder” in te vullen aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak, de criteria in verwante regelgeving en de rechtspraak, met name de rechtspraak inzake milieuvergunningen. Uit de verslagen van geluidsonderzoeken (verslagen van geluidsdeskundige De Fonseca, een geluidsmeting van de gemeentelijke milieudienst, meetverslagen van tweede verzoeker), een brief van de burgemeester van 10 september 2021, en een e-mail van de afdeling Handhaving van 29 april 2021, blijkt met zekerheid dat de hinder die de verzoekers ondervinden, abnormaal is, en verklaard wordt door het intens laagfrequent geluid dat veroorzaakt wordt door scheepsmotoren/generatoren die aanmeren bij de tussenkomende partij. Aan die geluidshinder wordt door de tussenkomende partij niet verholpen. Het decisief argument dat de verzoekers geen schending opwerpen of aantonen van de normen omtrent het specifiek geluid in open lucht, doet geen afbreuk aan het feit dat de hinder duidelijk wordt aangetoond en dat geen enkel element erop wijst dat de exploitant zich schikt naar de artikelen 4.1.2.3, 4.1.3.3 en 4.5.1.1 van Vlarem II. Door niet te verhelpen aan de geluidshinder, overtreedt de tussenkomende partij de zorgplicht, te meer daar er geen enkel element is dat aantoont dat inspanningen worden geleverd om de hinder te milderen. Geluidshinder moet bovendien niet noodzakelijk worden aangetoond aan de hand van de miskenning van een specifieke geluidsnorm. Er zijn voldoende elementen die de geluidshinder aantonen, en van de verzoekers kan niet geëist worden dat zij een bewijs leveren dat zij onmogelijk kunnen leveren bij gebreke aan toegang tot andere meetresultaten. De verwerende partij is ervan op de hoogte dat het Havenbedrijf metingen heeft uitgevoerd waarvan de resultaten niet aan de verzoekers werden vrijgegeven omdat ze nog zouden moeten worden geëvalueerd. De verwerende partij had die meetresultaten wel kunnen opvragen voor zover zij het nodig achtte om de bevindingen van de milieudienst, van deskundige De Fonseca, van de burgemeester en van tweede verzoeker op hun juistheid te ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.423 VII-41.744-15/25 verifiëren. De metingen van tweede verzoeker worden zonder afdoende motivering afgedaan als waardeloos. Dit alles gaat in tegen de bepalingen van het Verdrag van Aarhus, in de zin dat de verzoekers de toegang wordt ontzegd tot de betrokken milieu-informatie. Ook het motief dat hinder subjectief is, en niet volstaat om een miskenning van de zorgplicht aan te nemen, is niet draagkrachtig. Alle ervaringen zijn subjectief, doch dit doet geen afbreuk aan de ernst en objectiviteit van de hinder. De geluidsverslagen, brieven en rapporten tonen afdoende aan dat er sprake is van onaanvaardbare hinder.
- Het tweede onderdeel wordt gericht tegen het “decisief argument” dat “de verwijzing naar het belang van de milieukwaliteitsnormen voor geluid in open lucht geen misdrijf betreft dat concreet aannemelijk werd gemaakt door beroepsindiener en bijgevolg geen aanleiding [kan] geven tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen”. De verzoekers wijzen erop dat uit het verslag van geluidsdeskundige De Fonseca blijkt dat de richtwaarden voor geluid in open lucht substantieel overschreden worden ten gevolge van de exploitatie van de tussenkomende partij. Deze substantiële overschrijding impliceert onmiskenbaar dat er sprake is van hinder. Als exploitant van een vergunningsplichtige inrichting is de tussenkomende partij ertoe gehouden om bij hinder onmiddellijk de nodige maatregelen te treffen om aan de toestand te verhelpen. Conform artikel 4.5.1.1 van Vlarem II dient zij de nodige maatregelen te treffen om de geluidsproductie aan de bron én de geluidsoverdracht naar de omgeving, te beperken. Naargelang de omstandigheden en op basis van de technisch verantwoorde mogelijkheden volgens de best beschikbare technieken, wordt hierbij gebruik gemaakt van een oordeelkundige (her)schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme installaties en toestellen, geluidsisolatie en/of -absorptie en/of -afscherming. De tussenkomende partij voldoet hieraan niet. De vastgestelde hinder werd bevestigd in de beslissing van de burgemeester, die ook heeft vastgesteld dat zeeschepen het laagfrequente geluid kunnen veroorzaken, waardoor de motivering van het bestreden besluit niet draagkrachtig en pertinent is. VII-41.744-16/25
- In het derde onderdeel van het middel betogen de verzoekers dat met de motieven die verwijzen naar de beslissing van de burgemeester minstens impliciet wordt erkend dat er milderende maatregelen dienen genomen te worden die evenwel vooruit worden geschoven omdat er nog een onderzoek lopende is. De verwerende partij weigert derhalve maatregelen te nemen niettegenstaande er sprake is van een milieumisdrijf, en schuift de beoordeling van zich af. Zij miskent daarbij het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en haar plicht om het leefmilieu te beschermen. Deze motivering is ook kennelijk onredelijk.
- Het vierde onderdeel komt op tegen het motief van het bestreden besluit dat stelt dat niet kan worden verwacht dat van elke mogelijke maatregel die mogelijks in een ander dossier werd opgelegd, wordt gemotiveerd waarom deze in voorliggend geval niet vereist is in het kader van de zorgplicht. Met dat motief wordt impliciet verwezen naar een ander dossier van de tussenkomende partij betreffende een exploitatie in Grobbendonk, waarop de verzoekers hadden gewezen, en waarbij bestuurlijke maatregelen werden opgelegd. Het bestreden besluit gaat niet in op de argumenten van de verzoekers in dat verband, maar de afdeling Handhaving heeft in correspondentie wel voorgehouden dat de vergelijking met voornoemd dossier niet opgaat omdat het in dat dossier ging om het geluid van kranen die zich op het perceel van de tussenkomende partij in Grobbendonk bevonden, terwijl het in de voorliggende zaak gaat om geluid van schepen die zich op het openbaar domein bevinden. De afdeling Handhaving houdt derhalve voor niet bevoegd te zijn in het voorliggend dossier, terwijl zij anders oordeelde voor het dossier in Grobbendonk waar de geluidsproblematiek ook afkomstig was van scheepsmaneuvers. Die stellingname is onredelijk en contradictorisch en vormt tevens een schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. VII-41.744-17/25 Beoordeling Eerste onderdeel
- In hun verzoek om bestuurlijke maatregelen op te leggen, hebben de verzoekers aangevoerd dat de tussenkomende partij zich schuldig maakt aan de schending van bepalingen van Vlarem II. Het bestreden besluit stelt vast dat er discussie bestaat over de toepassing van Vlarem II op de geviseerde activiteiten van de tussenkomende partij. De betwisting heeft betrekking op de vraag of het geluid dat wordt voortgebracht door schepen die zich aan de kade bevinden om geladen en gelost te worden, toegerekend kan worden aan het bedrijf dat de schepen laadt en lost en die ook de exploitant is van de in rubriek 48.1 van de indelingslijst bedoelde inrichting, zijnde de “doorvoeropslagplaatsen in zeehavengebieden, met uitsluiting van de doorvoeropslagplaatsen op de voorkaaien die uitsluitend worden benut voor kortstondige opslag in afwachting van de verscheping of van de uiteindelijke bestemming na lossing”. Met name rijst daarbij de vraag of deze schepen beschouwd kunnen worden als “aanhorigheden” van de ingedeelde inrichting in de zin van artikel 5.1.1, 8°, DABM, nu de doorvoeropslagplaatsen op de voorkaaien uitdrukkelijk worden uitgesloten van de als hinderlijk ingedeelde inrichtingen. De verwerende partij beslecht die discussie echter niet in het bestreden besluit: in de hypothese dat Vlarem II van toepassing is op de geviseerde activiteiten stelt de verwerende partij vast dat niet wordt aannemelijk gemaakt dat de tussenkomende partij de aangevoerde milieumisdrijven pleegt, zodat niet verder wordt ingegaan op de hypothese dat Vlarem II niet van toepassing is. In het kader van het wettigheidstoezicht op het bestreden besluit gaat de Raad van State uit van dezelfde hypothese, zodat hij geen uitspraak doet over de vraag of het geluid dat wordt voortgebracht door de bedoelde schepen wanneer zij zich aan de kade van de tussenkomende partij bevinden, aan de tussenkomende partij kan worden toegerekend. VII-41.744-18/25
- Het bestreden besluit stelt niet dat het bewijs van een schending van de normen inzake het specifiek geluid in open lucht moet worden geleverd opdat een milieumisdrijf en geluidshinder kan worden bewezen. De verwerende partij erkent immers uitdrukkelijk dat het veroorzaken van geluidshinder ook een milieumisdrijf kan uitmaken wanneer deze hinder een schending inhoudt van de artikelen 4.1.3.2, 4.1.3.3 en/of 4.5.1.1, § 1, van Vlarem II, met name een overtreding van: - de verplichting om als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen te treffen om de buurt niet te hinderen door geluid, - de verplichting om bij geluidshinder onmiddellijk de nodige maatregelen te treffen om die toestand te verhelpen, en/of - de verplichting om de nodige maatregelen te treffen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken. In zoverre in het eerste onderdeel van het middel het tegendeel wordt aangevoerd, mist het feitelijke grondslag.
- Bestuurlijke maatregelen kunnen op grond van artikel 16.4.5 DABM worden opgelegd na de vaststelling van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf. Personen “die rechtstreeks nadeel lijden als gevolg van de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf” kunnen op grond van artikel 16.4.18, § 1, DABM de oplegging verzoeken van bestuurlijke maatregelen. Het verzoek om bestuurlijke maatregelen op te leggen, moet blijkens artikel 16.4.18, § 2, DABM “voldoende gemotiveerd zijn en aannemelijk maken dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is”. De vereiste dat het verzoek moet “aannemelijk maken dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is” legt de verzoeker niet de verplichting op om zelf het bewijs te leveren van de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf. Het volstaat dat hij de concrete gegevens verschaft die het bestaan van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf waarschijnlijk maken. In voorkomend geval behoort het aan het bestuur om die gegevens verder te onderzoeken en/of te vervolledigen teneinde te kunnen vaststellen of er al dan niet een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf wordt gepleegd. VII-41.744-19/25 Een verplichting tot verder onderzoek en/of vervollediging bestaat echter niet wanneer het verzoek onvoldoende concrete gegevens bevat die het bestaan van de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf waarschijnlijk maken. Dergelijke verplichting kan evenmin uit de bepalingen van het Verdrag van Aarhus worden afgeleid. Om hun verzoek om bestuurlijke maatregelen op te leggen te kunnen staven, beschikken de verzoekers anderzijds wel over het recht op toegang tot de milieu-informatie waarover de overheid beschikt, en om eventuele weigeringen om de toegang te verlenen, in rechte te betwisten. In zoverre de verzoekers zich erover beklagen geen toegang te hebben tot bepaalde gegevens, maken zij niet duidelijk hoe die kritiek de wettigheid van het bestreden besluit kan aantasten.
- Volgens het bestreden besluit slagen de verzoekers er niet in voldoende aannemelijk te maken dat de geluidshinder die zij ervaren, veroorzaakt wordt door de motoren en generatoren van de schepen die aanmeren aan de kade van de tussenkomende partij. De verwerende partij sluit zich daartoe aan bij de bevinding van de burgemeester van de gemeente Beveren in eerste bestuurlijke aanleg dat de voorgelegde studies te veel onduidelijkheden laten bestaan om met zekerheid te kunnen besluiten dat het laagfrequent geluid dat als hinderlijk wordt ervaren, uitsluitend of hoofdzakelijk wordt voortgebracht door de schepen aan de kade van de tussenkomende partij. De verzoekers beweren dat uit de studies het tegendeel blijkt, doch slagen niet erin te overtuigen dat de verwerende partij de voorgelegde studies op onzorgvuldige of onredelijke wijze heeft gelezen wanneer zij erop wijst dat in de studies wordt “vastgesteld dat, hoewel er weliswaar laagfrequent geluid kon worden waargenomen en zeeschepen in theorie voldoende geluid kunnen veroorzaken om laagfrequent geluid te genereren ter hoogte van Kieldrecht, er tal van onbekende factoren zijn die impact kunnen hebben op de gemeten geluidsniveaus, zoals baggerschepen of geluidsbronnen (zoals warmtepompen) in de dichtere omgeving [en] dat evenmin valt uit te sluiten dat andere zeeschepen laagfrequent geluid veroorzaken”. VII-41.744-20/25 Ook de door de verzoekers aangehaalde brief van de burgemeester van Beveren van 10 september 2021, en de e-mail van de afdeling Handhaving van 29 april 2021, overtuigen niet van het onzorgvuldig of onredelijk karakter van voormelde vaststelling. In zijn brief erkent de burgemeester dat het geluid van scheepsmotoren “een aandeel heeft in de ervaren overlast”, maar stelt hij tegelijk dat er daarnaast nog andere bronnen zijn, die verder onderzocht moeten worden. De afdeling Handhaving schrijft in de e-mail van 29 april 2021 dat het haar “bekend [is] dat omwonenden geluidshinder ondervinden die gerelateerd is aan de activiteiten van [de tussenkomende partij]”, doch stelt hiermee niet ondubbelzinnig zelf het oorzakelijk verband vast tussen de door de verzoekers ervaren geluidshinder en de activiteiten van de tussenkomende partij.
- De milieumisdrijven die bestaan uit de schending van de artikelen 4.1.3.2, 4.1.3.3 en/of 4.5.1.1, § 1, van Vlarem II veronderstellen het bewijs van een oorzakelijk verband tussen de geluidshinder en de activiteiten van de geviseerde exploitant. Wanneer dat oorzakelijk verband niet aannemelijk wordt gemaakt, wordt ook het bestaan van het milieumisdrijf niet aannemelijk gemaakt. Het besluit dat de verzoekers niet aannemelijk maken dat de tussenkomende partij een milieumisdrijf begaat, wordt dan ook voldoende verantwoord door de vaststelling dat er nog te veel onduidelijkheden zijn over het uitsluitend of hoofdzakelijk oorzakelijk verband tussen de ervaren geluidshinder en de motoren en generatoren van de schepen die aanmeren bij de tussenkomende partij. Het is niet omdat het geluid van de schepen die bij de tussenkomende partij aanmeren, kan worden waargenomen en hinderlijk kan zijn, dat de ervaren geluidshinder hierdoor uitsluitend of hoofdzakelijk wordt veroorzaakt. Nu de verzoekers met de door hen voorgelegde gegevens niet erin slaagden aannemelijk te maken dat een milieu-inbreuk of milieumisdrijf wordt gepleegd, behoorde het niet aan de verwerende partij om, in het kader van het onderzoek van de vraag van de verzoekers tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen, verder onderzoek uit te voeren of onderzoeksgegevens op te vragen betreffende de geluidshinder waarover de verzoekers zich beklagen. VII-41.744-21/25
- Het eerste onderdeel is ongegrond. Tweede onderdeel
- Het in het tweede onderdeel van het middel bekritiseerde motief bevat als conclusie van de eraan voorafgaande motieven dat de verzoekers met de verwijzing naar het belang van de milieukwaliteitsnormen voor geluid in open lucht, niet voldoende het bestaan van een milieumisdrijf aannemelijk maken. Uit bovenstaande beoordeling van het eerste onderdeel van het middel blijkt dat het bestreden besluit voldoende verantwoord wordt door de vaststelling dat er nog te veel onduidelijkheden zijn over het uitsluitend of hoofdzakelijk oorzakelijk verband tussen de ervaren geluidshinder en de motoren en generatoren van de schepen die aanmeren bij de tussenkomende partij. De vaststelling dat de verzoekers met de door hen voorgelegde gegevens niet op afdoende wijze aannemelijk maken dat de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen van die aard is dat het bestaan van een milieumisdrijf kan worden aangenomen, vormt dan ook een overtollig motief waarvan de eventuele onjuistheid niet tot de vernietiging van het bestreden beslissing kan leiden. Het tweede onderdeel wordt verworpen. Derde onderdeel
- Ook in het derde onderdeel wordt kritiek uitgeoefend op de beoordeling dat geen milieumisdrijf wordt aangetoond. Het bestreden besluit wordt echter reeds afdoende verantwoord door de vaststelling dat er nog te veel onduidelijkheden zijn over het uitsluitend of hoofdzakelijk oorzakelijk verband tussen de ervaren geluidshinder en de motoren en generatoren van de schepen die aanmeren bij de tussenkomende partij, zodat ook de kritiek van het derde onderdeel van het middel niet tot de vernietiging kan leiden. Het derde onderdeel wordt verworpen. VII-41.744-22/25 Vierde onderdeel
- In zoverre in het vierde onderdeel van het middel kritiek wordt uitgeoefend op het advies van de afdeling Handhaving en niet op het bestreden besluit, is het onderdeel niet ontvankelijk. In het bestreden besluit wordt immers niet aangeduid dat de verwerende partij zich bij de motieven van dat advies aansluit.
- De verzoekers maken verder niet duidelijk hoe de door hen geviseerde zin in de motivering van het bestreden besluit een schending zou inhouden van de als geschonden opgegeven bepalingen en beginselen. Het vierde onderdeel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekers voeren de schending aan van artikel 16.4.18, § 2, DABM, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en de beginselen van behoorlijk bestuur waaronder de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Het middel komt op tegen volgend motief van het bestreden besluit: “Aangezien de weigering was uitgaand van de hypothese van beroepsindiener dat VLAREM II van toepassing is en de burgemeester bevoegd is, dient niet verder te worden ingegaan op de andere overwegingen in de bestreden beslissing, met name inzake de hypothese dat de geluidshinder van de zeeschepen geen exploitatie van een ingedeelde inrichting in strijd met de milieuvoorwaarden zou uitmaken, of inzake de (afwezigheid van) de bevoegdheid van de burgemeester om zeeschepen toegang tot de haven te ontzeggen, nu het onderzoek van deze andere overwegingen het voorgaande niet kunnen wegnemen.” VII-41.744-23/25 Deze motivering vormt volgens de verzoekers een schending van de materiëlemotiveringsplicht aangezien de decisieve argumenten van de beslissing niet draagkrachtig zijn en derhalve niet kunnen volstaan om de beslissing te dragen. De bestuurlijke overheid was dan ook gehouden de andere overwegingen te onderzoeken alsook alle beroepsargumenten die door de verzoekers werden ontwikkeld. Beoordeling
- Uit de beoordeling van het eerste middel blijkt dat het bestreden besluit voldoende verantwoord wordt door de vaststelling dat er nog te veel onduidelijkheden zijn over het uitsluitend of hoofdzakelijk oorzakelijk verband tussen de ervaren geluidshinder en de motoren en generatoren van de schepen die aanmeren bij de tussenkomende partij. Nu de weigering om de bestuurlijke maatregel op te leggen voldoende verantwoord wordt in de hypothese dat de burgemeester bevoegd is om de maatregel op te leggen en dat Vlarem II van toepassing is, diende de verwerende partij niet verder te onderzoeken of de burgemeester wel bevoegd is en evenmin of Vlarem II van toepassing is. Het middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-41.744-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.744-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.423 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div