← België

Arrest 262439 - Tucht (openbaar ambt) - 20/02/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.439 Rolnummer: A. 238992/IX-10245 Zaak: Arrest 262439 - Tucht (openbaar ambt) - 20/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-27 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-16 05:48 Fiche Arrest nr 262.439 van 20 februari 2025 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 262.439 van 20 februari 2025 in de zaak A. 238.992/IX-10.245 In zake : I.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Demeestere en Karel De Schoenmaeker kantoor houdend te 1930 Zaventem Gateway Building Luchthaven Nationaal 1J bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 28 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het bestuurscomité van het Universitair Ziekenhuis Gent van 27 februari 2023, waarbij aan verzoekster de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 257.679 van 19 oktober 2023 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. IX-10.245-1/39 De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 januari
  3. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Karel De Schoenmaeker, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is sinds 2006 verbonden aan het Universitair Ziekenhuis Gent (hierna: UZ Gent). Op het ogenblik van de bestreden beslissing is zij kliniekhoofd in de nucleaire geneeskunde binnen de dienst Medische Beeldvorming. IX-10.245-2/39 3.2.
  6. Er bestaat tussen partijen een procedurele voorgeschiedenis, die door verzoekster bij haar uiteenzetting wordt betrokken en die als volgt kort kan worden samengevat. 3.2.
  7. Op 30 maart 2015 beslist de raad van bestuur van het UZ Gent om onder meer het mandaat van medisch diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde met ingang van 1 januari 2016 opnieuw vacant te verklaren voor een periode van vier jaar. Verzoekster is de enige kandidaat voor dat mandaat. De faculteitsraad Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen van de Universiteit Gent (hierna: de faculteitsraad) bevindt verzoekster ‘niet geschikt’ en draagt geen kandidaat voor aanstelling voor. Verzoeksters beroep tegen die beslissing en tegen de beslissing van de raad van bestuur van het UZ Gent om hoofdarts R.P. met ingang van 1 januari 2016 aan te stellen als waarnemend diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde wordt verworpen bij arrest nr. 246.732 van 20 januari
  8. 3.2.
  9. Op voorstel van R.P. wordt B.B. door de faculteitsraad geschikt bevonden en voorgedragen voor het mandaat van waarnemend diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde. Verzoeksters beroep tegen eensdeels die beslissing van de faculteitsraad en anderdeels de beslissing van de raad van bestuur van het UZ Gent om B.B. aan te stellen als waarnemend diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde met ingang van 21 maart 2016 tot uiterlijk 20 maart 2017 wordt verworpen bij arrest nr. 246.733 van 20 januari
  10. 3.2.
  11. Inmiddels, op 29 februari 2016, heeft de raad van bestuur beslist het mandaat van medisch diensthoofd van de dienst Nucleaire Geneeskunde opnieuw vacant te verklaren voor de duur van het lopende mandaat van de aangestelde diensthoofden, namelijk tot 31 december
  12. IX-10.245-3/39 Verzoeksters beroep tegen eensdeels de beslissing van de faculteitsraad om B.B. voor te dragen en anderdeels de beslissing van de raad van bestuur om B.B. in het mandaat aan te stellen, wordt verworpen bij arrest nr. 246.734 van 20 januari
  13. 3.2.
  14. In het beroep dat verzoekster instelt tegen de beslissing van het bestuurscollege van de Universiteit Gent waarbij B.B. met ingang van 1 oktober 2016 wordt aangesteld tot ZAP-lid in de vakgroep GE16 Radiologie en Nucleaire Geneeskunde spreekt de Raad bij arrest nr. 249.391 van 31 december 2020 de afstand van geding uit. 3.2.
  15. Nadat B.B. het UZ Gent heeft verlaten, beslist het bestuurscomité van het UZ Gent (hierna: het bestuurscomité) op 28 mei 2018 na advies van de medische raad en de facultaire adviescommissie om de dienst Nucleaire Geneeskunde op te heffen en de erkende dienst ‘nucleaire geneeskunde met PET scanner’ en de activiteiten ‘nucleaire geneeskunde’ te integreren in de reeds bestaande dienst Radiologie, onder de leiding van E.A. Verzoeksters beroep tegen die beslissing wordt verworpen bij arrest nr. 246.731 van 20 januari
  16. 3.2.
  17. Met een aangetekende brief van 24 februari 2020 maant verzoekster het UZ Gent aan, met verwijzing naar artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, om haar aan te wijzen om in de nieuwe, eengemaakte dienst de verantwoordelijkheid en controle op te nemen met betrekking tot alle activiteiten van de dienst Nucleaire Geneeskunde. Tegen de fictieve weigeringsbeslissing die zij afleidt uit het stilzitten van het UZ Gent gedurende vier maanden na deze aanmaning, stelt verzoekster bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in. In die procedure heeft de Raad bij arrest nr. 257.501 van 3 oktober 2023 de afstand van geding uitgesproken. IX-10.245-4/39 3.2.
  18. Op 25 mei 2020 beslist het bestuurscomité om onder meer het mandaat van medisch diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming vacant te verklaren “voor de duur van het lopend mandaat van de huidige diensthoofden, zijnde tot en met 31.12.2023”. Verzoekster en G.V. stellen zich kandidaat. Het bestuurscomité beslist op 30 november 2020 om G.V. voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023 aan te stellen in het mandaat van medisch diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming. Bij arrest nr. 255.627 van 30 januari 2023 wordt verzoeksters beroep tegen die beslissing verworpen. 3.2.
  19. Tot slot kan nog worden vermeld dat verzoeksters beroep tegen de beslissing van de directeur-generaal ad interim van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, dienst Gezondheidsberoepen en Beroepsuitoefening van 6 oktober 2021 waarbij haar stagemeesterschap nucleaire geneeskunde wordt stopgezet, is verworpen bij arrest nr. 259.614 van 24 april
  20. 3.
  21. Met een aangetekend schrijven van 25 juni 2021 wordt verzoekster door haar direct leidinggevende (medisch diensthoofd G.V.) en haar hogere leidinggevende (sectorvoorzitter L.V.) uitgenodigd voor een gesprek op 27 juli 2021 in het kader van een mogelijke tuchtprocedure. De feiten en gedragingen die voorwerp van het gesprek zullen uitmaken zijn: (i) onbeheerd achterlaten van de dienst op 24 februari 2021, (ii) aanzetten van een arts-specialist in de nucleaire geneeskunde tot validering onder foutieve naam en zonder de noodzakelijke vergunning van het FANC, in strijd met het duidelijke verzoek van de direct leidinggevende om die validering zelf uit te voeren, (iii) gebrekkige samenwerking in teamverband en gebrekkige erkenning van het gezag van het medisch diensthoofd G.V., (iv) veelvuldige afwezigheden op overlegmomenten en (v) het in het gedrang brengen van de (financiële) belangen en het goede imago van het UZ Gent. IX-10.245-5/39 Het gesprek vindt, na een vraag tot uitstel van verzoekster, plaats op 7 september
  22. Verzoekster wordt bijgestaan door haar raadsman, die een nota neerlegt die als proces-verbaal van het mondelinge verweer wordt beschouwd. Van het verhoor wordt een verslag opgesteld, waarop verzoeksters raadsman nog enkele opmerkingen formuleert. Met een aangetekend schrijven van 4 oktober 2021 delen de twee vóórmelde leidinggevenden aan verzoekster mee dat het dossier aan het sectorbureau wordt bezorgd voor verder vervolg van de tuchtprocedure en dat zij adviseren om de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ voor te stellen aan het bestuurscomité. 3.
  23. Verzoekster wordt met een aangetekend schrijven van 14 oktober 2021 uitgenodigd voor een gesprek met het sectorbureau op 15 november
  24. Het gesprek vindt, na een vraag tot uitstel van verzoekster, plaats op 1 december
  25. Verzoeksters raadsman legt een nota neer die als proces-verbaal van het mondelinge verweer wordt beschouwd. Van het verhoor wordt een verslag opgesteld, waarop verzoeksters raadsman nog enkele opmerkingen formuleert. Met een aangetekend schrijven van 17 januari 2022 nodigt het sectorbureau verzoekster uit om op 31 januari 2022 aanwezig te zijn op een gesprek met G.V., aan wie als “bijkomende onderzoeksmaatregel” een aantal onderzoeksvragen worden voorgelegd. Van het gesprek wordt een verslag opgesteld, waarvan de schriftelijke neerslag van de toelichting van G.V. deel uitmaakt. Verzoekster wordt vervolgens met een aangetekend schrijven van 17 februari 2022 uitgenodigd voor een bijkomend gesprek met het sectorbureau op 7 maart 2022, waarop zij haar standpunt omtrent de toelichting van G.V. kan meedelen. De raadsman van verzoekster legt een nota neer die geldt als “syntheseconclusie” en die bij het verslag van het gesprek wordt gevoegd. IX-10.245-6/39 Met een aangetekend schrijven van 14 april 2022 stelt het sectorbureau verzoekster in kennis van zijn voorstel aan het bestuurscomité om de tuchtprocedure verder te zetten en de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ op leggen. 3.
  26. De tuchtprocedure voorziet in die stand van de procedure, wanneer het een ziekenhuisarts betreft, in een advies van de hoofdarts van het UZ Gent, van de medische raad en van het directiecomité. Deze drie gremia adviseren, elk na verzoekster te hebben gehoord, op respectievelijk 28 juni 2022, 28 juni 2022 en 3 oktober 2022 om aan verzoekster de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen. In de schoot van de medische raad en het directiecomité gebeurt dat met eenparigheid. 3.
  27. Met een aangetekend schrijven van 4 oktober 2022 wordt verzoekster uitgenodigd om door het bestuurscomité te worden gehoord op 24 oktober
  28. Op vraag van verzoeksters raadsman wordt de hoorzitting verdaagd naar 28 november
  29. Verzoekster legt een nota neer en van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld. Op 7 december 2022 formuleert verzoeksters raadsman nog enkele opmerkingen. 3.
  30. Op 19 december 2022 beslist het bestuurscomité om aan verzoekster de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen. Die beslissing steunt onder meer op de volgende overwegingen (voetnoten zijn weggelaten): “
  31. Beoordeling van het tuchtdossier: kwalificatie, evaluatie en beoordeling van de tuchtsanctie Het Bestuurscomité heeft kennisgenomen van het volledige tuchtdossier, het verweer van [verzoekster] zoals uiteengezet tijdens de hoorzitting d.d. 28.11.2022 en in de nota neergelegd op diezelfde datum, en heeft eveneens kennisgenomen van de bijkomende bemerkingen van (de raadsman van) [verzoekster] bij het verslag, overgemaakt per brief (bijgevoegd in de e-mail) van 07.12.
  32. […]
  33. Beoordeling van het verweer van [verzoekster] Wat het concrete verweer van [verzoekster] betreft, zoals naar voor gebracht tijdens de hoorzitting van 28.11.2022 en in de nota neergelegd ter zitting, en IX-10.245-7/39 aangevuld met de brief d.d. 07.12.2022 met bijlage, zal het Bestuurscomité hierna zijn standpunt toelichten volgens de volgende structuur:

(1)Beoordeling van de opportuniteit van de tuchtprocedure;
(2)Beoordeling van het vermeende gebrek aan onpartijdigheid;
(3)Beoordeling van de naleving van de tuchtprocedure;
(4)Beoordeling van het verweer inzake de verweten tuchtfeiten. A. Opportuniteit van de tuchtprocedure […] B. Naleving van het onpartijdigheidsbeginsel Stelling van [verzoekster] [Verzoekster] is van oordeel dat het onpartijdigheidsbeginsel flagrant werd geschonden: 1. [Verzoekster] stelt dat er telkens teruggevallen werd op de juridische dienst, en dat er duidelijk bij elke stap van de procedure geschreven is met dezelfde pen, zodat niet elk adviesorgaan onafhankelijk en autonoom haar advies heeft gegeven. De statutair voorziene ‘checks and balances’ zijn aldus niet verzekerd, aangezien er geen sprake zou geweest zijn van onafhankelijke organen. Integendeel zou er sprake zijn van een ‘goed geoliede machine’, waarbij alles ‘centraal werd begeleid en vooruit gestuwd’; 2. [Verzoekster] stelt dat [G.V.] een rechtstreeks en persoonlijk belang heeft bij de tuchtprocedure, en derhalve niet over de noodzakelijke (structurele en subjectieve) onpartijdigheid beschikt, omdat [verzoekster] een procedure heeft ingeleid bij de Raad van State tot vernietiging van de benoeming van [G.V.] tot medisch diensthoofd – waardoor hij dus een voordeel zou hebben bij een eventueel ontslag van [verzoekster]. Het gebrek aan onpartijdigheid van [G.V.] zou voorts blijken uit het feit dat [G.V.] op 8 maart 2022 een interne/externe vacature voor een voltijdse arts-specialist in de nucleaire geneeskunde met focus op de neurologische nucleair geneeskundige technieken heeft gepubliceerd. terwijl (
  1. i)dit net de specialisatie is van [verzoekster], (
  2. ii)er geenszins noodzaak is voor een voltijdse arts-specialist met die specialisatie, aangezien slechts 5% van de totale capaciteit op de dienst moet worden gewijd aan deze specialisatie, en (iii) men zou verwachten dat er wordt gezocht naar een arts-specialist gespecialiseerd in nucleaire geneeskunde voor longziekten of cardiologie – wat de specialisatie is van [S.] die haar vertrek had aangekondigd in het eerste trimester 2022. Dit toont dus aan dat er reeds naar een vervanger voor [verzoekster] wordt gezocht, die moet ontslagen worden als uitkomst van de tuchtprocedure. De aangeworven vervanger, [D.V.W.], zou ook meteen – met de goedkeuring van [G.V.] – procedures hebben aangepast voor het PET onderzoek van de hersentumoren, die voorheen door [verzoekster] waren opgesteld, terwijl [verzoekster] meer dan 25 jaar ervaring heeft, meer dan 120 internationale wetenschappelijke publicaties heeft en een dubbele erkenning in de nucleaire geneeskunde en neurologie heeft. Dit zou bevestigen dat [G.V.] niet handelt op basis van objectieve feiten, niet het belang van de patiënt vooropstelt, en handelt alsof [verzoekster] al ontslagen is. Tot slot verwijst (de raadsman van) [verzoekster] ook naar de brief van IX-10.245-8/39 29.11.2022, bezorgd aan [verzoekster] op 30.11.2022, waarin [verzoekster] wordt uitgenodigd voor een gesprek waarbij (
  3. i)de extern preventieadviseur de conclusies en resultaten van de uitgevoerde psychosociale risicoanalyse inzake de specifieke arbeidssituatie van de staf Nucleaire Geneeskunde zal toelichten, en (
  4. ii)zij aansluitend zal worden gehoord omtrent mogelijke remediëringsmaatregelen om het psychosociaal welzijn van de staf nucleaire geneeskunde te vrijwaren en zo mogelijk te herstellen, waarbij in afwachting van een structurele maatregel wordt overwogen om aan [verzoekster] een voorlopige maatregel van verplichte schorsing van tewerkstelling op te leggen. [Verzoekster] stelt dat ook hieraan wordt meegewerkt door dezelfde juridische dienst, en dat het feit dat deze brief wordt gedateerd daags na de hoorzitting en verstuurd twee dagen na de hoorzitting, het evident is dat er een schending is van het onpartijdigheidsbeginsel, en dat er een ‘tweede pijl op de ontslagboog’ wordt afgeschoten. Beoordeling 1. Met betrekking tot de betrokkenheid van de juridische dienst van het UZ Gent Het Bestuurscomité wenst vooreerst op te merken dat het overzicht van de procedurele voorgaanden duidelijk aantoont dat in het kader van een tuchtdossier bij het UZ Gent inderdaad een aanzienlijk aantal stappen worden doorlopen. Elk van deze stappen is voorzien om – zoals door [verzoekster] ook aangehaald – te voorzien in voldoende ‘checks and balances’, teneinde te vermijden dat er al te lichtzinnig een tuchtsanctie wordt opgelegd. De stelling dat niet elk van de adviesorganen autonoom en onafhankelijk haar advies zou hebben geformuleerd, en dat er sprake zou zijn van een ‘goed geoliede machine’ waarbij elk van adviezen in de procedure ‘duidelijk geschreven is met dezelfde pen’, wordt door het Bestuurscomité niet bijgetreden. Vooreerst wenst het Bestuurscomité op te merken dat de tuchtprocedure, getuige de talrijke stappen, een bijzonder complexe en juridische procedure is. Het getuigt dan ook van zorgvuldigheid dat de juridische dienst, die het best geplaatst is om de regeling in het Personeelsstatuut in de praktijk te brengen, bijstand verleen[t] in elke stap van de tuchtprocedure. Bovendien werd [verzoekster] vanaf de eerste stap in de procedure reeds bijgestaan door een raadsman, zodat het ook begrijpelijk is dat alle actoren vanuit het UZ Gent – die in de regel artsen zijn, en dus géén advocaten of juristen – zich laten ondersteunen, in het bijzonder wanneer bepaalde juridisch-technische kwesties aan bod zouden komen. De bijstand door de juridische dienst, die waakt over de correcte naleving van de procedure, heeft bovendien ook voor [verzoekster] het voordeel dat de rechten van verdediging ten volle kunnen worden uitgeoefend. Dit wordt bijvoorbeeld bevestigd in het verslag van het gesprek met het sectorbureau KOS op 07.03.2022 (naar aanleiding van de repliek van [verzoekster] op de antwoorden verstrekt door [G.V.] op de bijkomende vragen van het sectorbureau KOS). Tijdens dit gesprek was [G.V.] ook uitgenodigd, op vraag van de juridische dienst, teneinde [verzoekster] en haar raadsman toe te laten om hem eventueel nog te bevragen over zijn antwoorden op de bijkomende onderzoeksvragen. Dit bevestigt dus dat de juridische dienst IX-10.245-9/39 extra gewaakt heeft over de rechten van verdediging van [verzoekster] – zodat het aan het Bestuurscomité vreemd overkomt dat dit nu wordt aangevat door [verzoekster] om te stellen dat alles zou georkestreerd zijn door de juridische dienst. Dit is des te meer het geval, nu [verzoekster] ook zélf heeft toegejuicht dat de juridische dienst betrokken was. Meer bepaald heeft de raadsman van [verzoekster] zélf in diezelfde hoorzitting voor het sectorbureau KOS aangegeven: ‘Mr. Staelens zal vervolgens een aantal juridische invalshoeken uiteenzetten, maar kijkt hierbij ook naar het Sectorbureau [dat] de sleutel in handen heeft en in deze procedure de verantwoordelijkheid draagt. Hij stelt dat het sectorbureau zich, terecht, laat ondersteunen door de juridische dienst, maar dat de ethische en juridische verantwoordelijkheid om een beslissing te nemen toekomt aan het Sectorbureau’. Het Bestuurscomité merkt voorts op dat elk voorstel van tuchtsanctie, enerzijds van de direct leidinggevende en de hogere leidinggevende, anderzijds van het sectorbureau KOS, en elk advies, van de hoofdarts, de Medische Raad en het Directiecomité, telkens duidelijk andere klemtonen leggen. Dat de volledige procedure dus zou geschreven zijn met dezelfde pen, blijkt nergens uit. Het Bestuurscomité beklemtoont dat de appreciatie en beslissing tot het formuleren van een advies enkel en alleen aan het betreffende orgaan toekomt. De direct en hogere leidinggevende, het sectorbureau KOS, de hoofdarts en de Medische Raad zijn perfect in staat om zich van hun taak in het kader van een tuchtprocedure te kwijten, zijnde: de feiten te beoordelen. Zij zijn ook beter geplaatst dan de juridische dienst om een beoordeling te maken van de grond van de zaak, met name over de vraag of het gedrag van [verzoekster] problematisch is en de goede werking van de dienst in het gedrang brengt. Tot slot, wat betreft de brief met de uitnodiging voor het gesprek naar aanleiding van de psychosociale risicoanalyse van de staf nucleaire geneeskunde, doet het voor het Bestuurscomité niet ter zake dat hieraan zou worden meegewerkt door de juridische dienst. 2. Met betrekking tot het vermeende gebrek aan onpartijdigheid in hoofde van [G.V.] Wat de stelling betreft dat [G.V.] een persoonlijk belang heeft bij het ontslag van [verzoekster], en om die reden dus niet over de noodzakelijke onpartijdigheid beschikt, wenst het Bestuurscomité de rechtspraak van de Raad van State in herinnering te brengen die reeds door het Directiecomité werd aangehaald: Het enkele feit dat de bevoegde tuchtoverheid ook de hoedanigheid heeft van orgaan van de publieke rechtspersoon tegen wie verzoeker (...) een procedure heeft ingesteld, volstaat op zich niet om aan te nemen dat de hogere tuchtoverheid, niet meer in staat zou zijn om op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak van de verzoeker. Het komt aan verzoeker toe om (dit) met bijkomende en specifieke objectieve gegevens aannemelijk te maken (...). Subjectieve partijdigheid wordt niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen. Een loutere subjectieve indruk IX-10.245-10/39 van partijdigheid volstaat niet om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken. Het komt aan verzoeker toe de daadwerkelijke vooringenomenheid van de hogere tuchtoverheid in de voorliggende tuchtzaak aan te tonen. De toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel mag er bovendien niet toe leiden dat het nemen van een regelmatige beslissing onmogelijk wordt, met name doordat dit beginsel het optreden van het bevoegde orgaan onmogelijk zou maken. Het Bestuurscomité treedt het standpunt van het Directiecomité bij dat waar [het] stelde dat het begrijpelijk is dat [G.V.], die als medisch diensthoofd werd aangesteld door het UZ Gent, niet apathisch blijft wanneer deze aanstelling vervolgens wordt aangevochten. Het Bestuurscomité is voorts ook, samen met het Directiecomité en het sectorbureau KOS, van oordeel dat de procedure voor de Raad van State geen betrekking heeft op het handelen van [verzoekster], en de feiten die haar worden verweten in de huidige tuchtprocedure. Uit het bestaan van deze procedure blijkt op geen enkele wijze het standpunt van [G.V.] inzake de tuchtvergrijpen die aan [verzoekster] worden verweten. De procedure heeft voorts geen betrekking op [G.V.] in persoon. [Verzoekster] betwist de aanstelling (en dus haar niet-aanstelling) op zich, niet [G.V.], noch zijn handelen. Het is bovendien de vierde opeenvolgende keer dat [verzoekster] de aanstelling van het medisch diensthoofd van de dienst waarbinnen zij wordt tewerkgesteld, aanvecht (waarbij dit de voorgaande keren steeds werd afgewezen), zodat [G.V.] dit vermoedelijk weinig verrassend vond. Het Bestuurscomité volgt het Directiecomité in het standpunt dat er geen reden is waarom deze procedure tot persoonlijke wrok hoeft te leiden, met impact op de lopende tuchtprocedure. Verwijzend naar de hoger geciteerde rechtspraak van de Raad van State van 1 april 2022, is het bestaan van een procedure tegen de tuchtoverheid an sich (en a fortiori tegen de persoon die enkel een eerste tuchtvoorstel moet formuleren) niet voldoende om te besluiten tot een gebrek aan onpartijdigheid, waardoor de volledige tuchtprocedure nietig zou zijn. Het Bestuurscomité wijst er voorts op dat, zoals hoger aangehaald, het onpartijdigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur niet tot gevolg kan hebben dat het nemen van een rechtmatige beslissing onmogelijk wordt. De waarborgen gelden slechts in zoverre zulks verenigbaar is met de eigen aard en structuur van het bestuur en dat ze bijgevolg de uitoefening van de tuchtrechtspraak niet onmogelijk kunnen maken. Het Personeelsstatuut van het UZ Gent voorziet dat het de direct leidinggevende is die de tuchtprocedure moet opstarten – zodat het inroepen van het onpartijdigheidsbeginsel dit niet zomaar kan verhinderen. Zoals hoger aangehaald, gaat het in casu wel degelijk om tuchtfeiten, zodat [de] direct leidinggevende de verplichting had om hiertegen te akteren, in het bijzonder nu [de] goede werking van [de] dienst in gedrang is gekomen – wat genoegzaam blijkt uit de feiten. Deze direct leidinggevende heeft ook enkel een bevoegdheid om een eerste voorstel van tuchtsanctie op te leggen, waarna er nog tal van andere stappen worden doorlopen. Bij elk van deze volgende stappen werd opnieuw een hoorzitting georganiseerd – ook daar waar dit door het Personeelsstatuut niet IX-10.245-11/39 wordt voorzien (nl. voor de Medische Raad en voor de hoofdarts) –, werd het tuchtdossier met andere woorden opnieuw grondig onderzocht en werd in alle objectiviteit en zonder enige vooringenomenheid een advies geformuleerd over de eventueel op te leggen tuchtmaatregel. Wat de stelling betreft dat het gebrek aan onpartijdigheid in hoofde van [G.V.] ook zou blijken uit de vacature voor de nieuwe arts-specialist nucleaire geneeskunde met focus op de neurologische nucleair geneeskundige technieken (de specialisatie van [verzoekster]), terwijl [S.], die haar vertrek als staflid had aangekondigd – volgens [verzoekster] voorafgaand aan het plaatsen van de vacature –, gespecialiseerd is in longziekten en cardiologie, meent het Bestuurscomité dat dit element niet wijst op een gebrek aan onpartijdigheid, of een ‘kroniek van een aangekondigd ontslag’. Zoals [verzoekster] ook zélf bevestigt in haar verweer, hebben alle artsen-specialisten voldoende kennis om de andere artsen te vervangen – zodat een arts met een focus op neurologische nucleaire geneeskundige technieken ook de andere deelgebieden kan doen. Het feit dat er een vacature wordt geplaatst voor een arts-specialist met eenzelfde focusgebied als [verzoekster], betekent niet noodzakelijk dat deze arts-specialist moet worden beschouwd als een ‘vervanger’ van [verzoekster]. Zoals [verzoekster] ook zélf aangeeft, heeft ze zelf 25 jaar ervaring, terwijl de vacature ook openstond voor residenten of adjunct-kliniekhoofden – zijnde artsen-specialisten met substantieel minder ervaring. Ook uit het feit dat de uiteindelijke aangeworven arts-specialist een procedure voor het onderzoek van hersentumoren, die was opgesteld door [verzoekster], bijwerkt met goedkeuring van [G.V.], toont niet noodzakelijk aan dat [G.V.] zijn handelen niet langer zou baseren op objectieve feiten. [Verzoekster] geeft immers niet aan dat zij het niet eens is met de bijwerking van de procedure zoals ooit opgesteld door [verzoekster], zodat het bijwerken van deze procedure door de nieuw aangeworven arts-specialist niet kan worden bestempeld als een ‘onverantwoord handelen’ in hoofde van [G.V.], laat staan dat dit de partijdigheid van [G.V.] aantoont. Voorts meent het Bestuurscomité dat een vermeend gebrek aan onpartijdigheid ook niet blijkt uit het verslag van de hoorzitting van het sectorbureau KOS van 31.01.2022. Tijdens deze hoorzitting van het sectorbureau was [G.V.] uitgenodigd om te antwoorden op de bijkomende vragen die het sectorbureau hem had gesteld. Na zijn toelichting heeft [G.V.] gevraagd of er nog vragen waren voor hem (wat ook logisch is, hij had net een toelichting gegeven), en heeft hij – toen er geen vragen kwamen – iedereen bedankt voor de aanwezigheid. Uit deze uitspraak afleiden dat [G.V.] de ‘sleutelfiguur in de operatie ontslag van [verzoekster]’ zou zijn, gaat te ver. Uit de rest van het verslag blijkt immers duidelijk dat [V.N.] de vergadering heeft geleid, het woord aan [G.V.] en de raadsman van [verzoekster] heeft gegeven, en kortom een modererende rol heeft opgenomen. Het verslag toont evenwel aan dat [G.V.] als laatste aan het woord kwam – op een laatste vraag van mr. Staelens of er een bemiddeling mogelijk was – zodat het niet vreemd is dat hij na zijn antwoord nog rondvraagt of er eventueel nog vragen zijn, en besluit wanneer er geen vragen meer zijn. IX-10.245-12/39 Tot slot, wat de brief betreft van 29.11.2022, verstuurd aan [verzoekster] op 30.11.2022, merkt het Bestuurscomité op dat dit duidelijk gaat om onderscheiden feiten. Klaarblijkelijk heeft er een risicoanalyse plaatsgevonden inzake de specifieke arbeidssituatie van de stafleden Nucleaire Geneeskunde (waarbij het Bestuurscomité overigens opmerkt dat er geen enkele wettelijke verplichting is om een risicoanalyse uit te voeren op het niveau van de medische dienst). Met de brief wordt [verzoekster] uitgenodigd voor een gesprek waarbij (
  5. i)de externe preventieadviseur de conclusies en resultaten van de uitgevoerde psychosociale risicoanalyse inzake de specifieke arbeidssituatie van de staf Nucleaire Geneeskunde zal toelichten, en (
  6. ii)aansluitend zij zal worden gehoord omtrent mogelijke remediëringsmaatregelen om het psychosociaal welzijn van de staf nucleaire geneeskunde te vrijwaren en zo mogelijk te herstellen, waarbij in afwachting van een structurele maatregel wordt overwogen om aan [verzoekster] een voorlopige maatregel van verplichte schorsing van tewerkstelling op te leggen. Deze brief, die uitgaat van de hoofdarts en het medisch diensthoofd, toont geenszins enig gebrek aan onpartijdigheid aan, noch door de inhoud, noch door het tijdstip van verzenden. Het gaat duidelijk om onderscheiden feiten, die losstaan van de tuchtfeiten of de tuchtprocedure. Overeenkomstig de wetgeving inzake welzijn op het werk, en meer bepaald artikel 1.2-11, 4° van de Codex Welzijn op het Werk, hebben ‘de leden van de hiërarchische lijn’ (waaronder het medisch diensthoofd zonder meer valt) onder meer als taak om de psychosociale risico’s verbonden aan het werk op te sporen en te waken over de tijdige behandeling ervan. Het feit dat de brief aan [verzoekster] dus (mee) ondertekend is door het medisch diensthoofd, is dus geenszins een bewijs dat er ‘een tweede pijl’ zou zijn op de ontslagboog. Ook het feit dat de brief dateert van daags na de hoorzitting voor het Bestuurscomité, is geenszins een teken dat er sprake zou zijn van een gebrek aan onpartijdigheid. Waaruit [verzoekster] meent dit te kunnen afleiden, is voor het Bestuurscomité niet duidelijk. Het Bestuurscomité besluit dus dat er volgens [hem] geen schending is van het onpartijdigheidsbeginsel die tot gevolg zou hebben dat de volledige procedure nietig zou zijn. C. Naleving van de tuchtprocedure Stelling van [verzoekster] [Verzoekster] stelt dat de tuchtprocedure niet correct zou zijn nageleefd, omwille van het feit dat [G.V.] als direct leidinggevende samen met [L.V.] als hogere leidinggevende het eerste voorstel van tuchtsanctie heeft geformuleerd, en het doorsturen van het tuchtdossier naar het sectorbureau KOS ook gezamenlijk werd ondertekend – terwijl dit een exclusieve bevoegdheid van de hogere leidinggevende betreft. Op die manier werd door [G.V.] die een moreel en materieel belang zou hebben bij het ontslag van [verzoekster], de hogere leidinggevende ‘uitgeschakeld’, terwijl de rol van de hogere leidinggevende in de procedure net van determinerend belang was, aldus [verzoekster]. Vervolgens zou [L.V.] als hogere leidinggevende ook terzijde zijn geschoven, omdat het sectorbureau KOS bijkomende vragen heeft gesteld aan de direct leidinggevende [G.V.] – niet aan [L.V.], waarbij [G.V.] zelfs IX-10.245-13/39 aanwezig was op de zitting waar er zou worden gerepliceerd door [verzoekster] aan het sectorbureau op de antwoorden die door [G.V.] op de bijkomende vragen waren gegeven. Beoordeling Voor de beoordeling van de vraag of de tuchtprocedure correct werd nageleefd, citeert het Bestuurscomité het relevante artikel uit het Personeelsstatuut, waarbij de taken van de hogere leidinggevende worden gemarkeerd: ‘Art. VIII 19. § 1. Indien de direct leidinggevende de tuchtprocedure wenst op te starten, wordt het personeelslid schriftelijk uitgenodigd voor een gesprek. In de uitnodiging wordt beknopt vermeld welke feiten aanleiding geven tot het gesprek en dat het personeelslid zich kan laten bijstaan door een raadgever. Het gesprek wordt gevoerd op tegenspraak. De direct leidinggevende doet een voorstel van tuchtsanctie indien wordt beslist de tuchtprocedure verder te zetten. Van het gesprek wordt een verslag opgemaakt waarbij de eventuele opmerkingen en aanvullingen van het personeelslid worden opgenomen. Het verslag wordt door de direct leidinggevende en het personeelslid ondertekend. Het personeelslid tekent voor ontvangst. Indien het personeelslid weigert te tekenen, wordt het feit van niet-ondertekening bevestigd door twee getuigen. § 2. Het tuchtdossier wordt door de direct leidinggevende overgemaakt aan de hogere leidinggevende. Het personeelslid wordt door de hogere leidinggevende uitgenodigd voor een gesprek volgens de modaliteiten zoals beschreven in § 1, 2de tot en met 7de lid van dit artikel. In afwijking van deze paragraaf kan de hogere leidinggevende ook onmiddellijk deelnemen aan het gesprek met de direct leidinggevende. § 3. De hogere leidinggevende stuurt het tuchtdossier door naar het sectorbureau of het departementshoofd indien het een personeelslid van de Bedrijfsondersteunende sector betreft.’ […] Zoals ook door het Directiecomité aangegeven, volgt uit deze bepaling dat de hogere leidinggevende, in het kader van een tuchtprocedure, volgende verplichtingen heeft: (
  7. i)het uitnodigen van het personeelslid voor een gesprek, dat al of niet gezamenlijk met de direct leidinggevende kan plaatsvinden, en waarvan een verslag wordt opgemaakt dat moet worden ondertekend door de partijen en waarop het personeelslid zijn aanvullingen en opmerkingen kan maken; (
  8. ii)het nemen van de beslissing om de tuchtprocedure al dan niet voort te zetten, en in bevestigend geval, het doen van een voorstel van tuchtsanctie, dat eveneens al of niet gezamenlijk met de direct leidinggevende kan gebeuren; en (iii) het doorsturen van het tuchtdossier naar het sectorbureau. Het gezamenlijk spreken van het personeelslid in het kader van de IX-10.245-14/39 tuchtprocedure, het gezamenlijk evalueren van de tuchtfeiten en het verweer van het personeelslid, en het gezamenlijk nemen van de beslissing tot voortzetting en formuleren van een tuchtvoorstel, is dan ook zonder meer in overeenstemming met de bepalingen van de Rechtspositieregeling. Er is immers uitdrukkelijk voorzien in afwijking van de paragraaf waarin wordt voorzien dat de hogere leidinggevende het personeelslid moet uitnodigen (lid 2), een gesprek moet hebben met het personeelslid op tegenspraak (lid 3) waarvan een verslag wordt gemaakt (lid 5) dat door het personeelslid en de leidinggevende wordt ondertekend (lid 6) en een voorstel moet doen van luchtsanctie (lid 4), de hogere leidinggevende meteen kan deelnemen aan het eerste gesprek (en – impliciet – de daaropvolgende stappen). Het doorsturen van het tuchtdossier naar het sectorbureau, wat voorzien is in § 3, is ook volgens het Bestuurscomité een administratieve stap die door de hogere leidinggevende moet gebeuren (net zoals het doorsturen van het tuchtdossier naar de hogere leidinggevende een stap is die door de direct leidinggevende moet gebeuren), hetgeen ook gebeurd is. De brief werd weliswaar mede ondertekend door de direct leidinggevende, maar dit doet geen afbreuk aan het feit dat de hogere leidinggevende het ‘doorsturen’ (mede) heeft verzorgd. Bovendien betreft het ‘doorsturen’ een louter administratief gevolg van de eventuele beslissing tot het verderzetten van de tuchtprocedure, en het voorstel tot het opleggen van een tuchtsanctie. Deze verplichting kan dus slechts bestaan mits een beslissing tot het formuleren van een voorstel tot tuchtsanctie is genomen – wat, overeenkomstig het laatste lid van art. VIII 19, § 2, in samenspraak kan tussen de direct en de hogere leidinggevende. In navolging van het sectorbureau KOS en het Directiecomité ziet het Bestuurscomité geen enkel probleem in een gezamenlijke deliberatie van het tuchtdossier (inclusief het gevoerde verweer van [verzoekster]) en de gezamenlijke ondertekening van het voorstel van tuchtsanctie door de direct en de hogere leidinggevende, en meent het dat dit geenszins in strijd is met de Rechtspositieregeling. Het sectorbureau KOS werd wel degelijk rechtsgeldig gevat, en kon in alle onafhankelijkheid de tuchtfeiten beoordelen. Het feit dat dan vervolgens het sectorbureau KOS verduidelijkende vragen stelde aan [G.V.] als direct leidinggevende, en niet aan [L.V.] als hogere leidinggevende, moet naar het oordeel van het Bestuurscomité niet worden gezien als ‘het uitschakelen van de hogere leidinggevende’. De bijkomende vragen die het sectorbureau had, konden duidelijk enkel worden beantwoord door de direct leidinggevende, omdat deze over specifieke zaken gingen die betrekking hadden op de dienst Medische Beeldvorming en de activiteiten in de nucleaire geneeskunde. Het zou dan ook onzinnig geweest zijn deze vragen te stellen aan de hogere leidinggevende, die immers géén duidelijk zicht zou hebben en bijgevolg ook geen antwoord zou kunnen geven op de vragen waarop het sectorbureau KOS verduidelijking wenste. Wat de aanwezigheid van [G.V.] op de hoorzitting van 7.03.2022 betreft, blijkt uit het verslag zeer duidelijk wat de reden was voor deze aanwezigheid: de juridische dienst had [G.V.] gevraagd aanwezig te zijn, zodat [verzoekster] en haar raadsman de mogelijkheid zouden hebben om [G.V.] te bevragen over zijn antwoorden op de bijkomende IX-10.245-15/39 onderzoeksvragen. Dit was ook de enige reden van zijn aanwezigheid, wat wordt bevestigd door het feit dat van zodra duidelijk was dat [verzoekster] of haar raadsman geen vragen hadden, [G.V.] onmiddellijk de hoorzitting heeft verlaten. Het bovenstaande toont geenszins aan dat [L.V.] slechts een figurantenrol zou hebben gespeeld, maar is perfect begrijpelijk in het licht van de vraagstelling en het procedureverloop. Waaruit [verzoekster] overigens meent af te leiden dat het duidelijk zou zijn dat de juridische dienst de vragen mee zou hebben opgesteld, en de antwoorden van [G.V.] eveneens mee zou hebben geredigeerd, is niet duidelijk voor het Bestuurscomité. Het Bestuurscomité concludeert dat de procedure naar [zijn] oordeel wél correct werd nageleefd, en dat alle actoren die waarborgen dat de tuchtprocedure correct verloopt, en die door het Personeelsstatuut voorzien zijn, hun rol ten volle hebben kunnen spelen. D. Beoordeling van het verweer inzake de verweten tuchtfeiten […] Rekening houdend met bovenvermelde overwegingen, rekening houdend met het voorstel van tuchtsanctie van het sectorbureau KOS, het advies van de Medische Raad, het advies van de hoofdarts en het advies van het Directiecomité, waarbij het Bestuurscomité zich aansluit, en rekening houdend met het verweer van [verzoekster], zoals uiteengezet tijdens de hoorzitting d.d. 28.11.2022, in de nota neergelegd ter zitting en aangevuld met de brief van 7.12.2022 met bijlage, is het Bestuurscomité met 10 stemmen voor, 0 stemmen tegen bij 0 onthoudingen van oordeel dat de verweten tuchtfeiten verantwoorden om de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen aan [verzoekster].” 3.8. Tegen deze beslissing stelt verzoekster op 9 januari 2023 een beroep in bij de raad van beroep. Na verzoeksters raadsman op de zitting van 1 februari 2023 te hebben gehoord, adviseert de raad van beroep bij meerderheid van stemmen om het beroep ongegrond te verklaren. Daar het advies niet wordt verstrekt met een drievierdemeerderheid, is het overeenkomstig artikel VIII 24, tweede lid, van het ‘administratief en geldelijk statuut van het personeel van het UZ Gent’ (“personeelsstatuut”) niet bindend voor het bestuurscomité zetelend in tweede aanleg. De raadsman van verzoekster formuleert op 10 februari 2023 nog opmerkingen bij de weergave van zijn tussenkomst op de zitting van de raad van beroep en bezorgt op 17 februari 2023 een bijkomende verweernota. IX-10.245-16/39 3.9. Op 27 februari 2023 beslist het bestuurscomité opnieuw om aan verzoekster de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen. Overwogen wordt onder meer (voetnoten zijn weggelaten): “Op grond van het volledige tuchtdossier, met inbegrip van de beslissing van het Bestuurscomité d.d. 19 december 2022, het advies van de raad van beroep d.d. 1 februari 2023, en de opmerkingen geformuleerd door de raadsman van [verzoekster] met de brief d.d. 10 februari 2023 en de verweernota met bijlagen d.d. 17 februari 2023, komt het Bestuurscomité tot de volgende beoordeling: 1. Omtrent het verslag van de raad van beroep [Verzoekster] merkt bij monde van haar raadsman Mr. Staelens allereerst op dat de weergave van hetgeen is uiteengezet voor de raad van beroep, niet volstrekt correct is. Dit werd zowel aangegeven in de brief d.d. 10 februari 2023, als in de verweernota d.d. 17 februari 2023. Het Bestuurscomité wenst ter zake op te merken dat art. 14 van het huishoudelijk reglement van de raad van beroep van 15 april 1996 uitdrukkelijk vermeldt dat er geen notulen van de vergadering worden opgemaakt. Voorts voorziet art. VIII 22. van het Personeelsstatuut louter dat de raad van beroep na één of meerdere beraadslagingen een gemotiveerd advies geeft waaruit blijkt hoeveel stemmen voor of tegen de opgelegde tuchtstraf werden gegeven. Ook hier is niet voorzien dat een verslag moet worden opgemaakt van de zitting. Het feit dat het verslag van de zitting dan ook een zeer summiere, en desgevallend – naar het oordeel van [verzoekster] – zelfs niet volledig accurate weergave vormt van hetgeen werd gezegd tijdens de zitting, is dan ook niet relevant. Dit doet geen afbreuk aan het gemotiveerd advies dat werd verleend op dezelfde dag, door de leden die aan de hoorzitting voor de raad van beroep hebben deelgenomen, en die hun advies hebben verstrekt op grond van het aan hen overgemaakte tuchtdossier en hetgeen mondeling werd uiteengezet, onmiddellijk volgend op deze mondelinge uiteenzetting. Een eventuele onzorgvuldigheid in het niet-verplichte verslag kan dan ook geen enkele impact hebben op de motieven die de raad van beroep in haar overwegingen heeft meegenomen. [Verzoekster] heeft bovendien de mogelijkheid gekregen om haar opmerkingen omtrent dit verslag uiteen te zetten, wat zij uitvoerig heeft gedaan in de verweernota d.d. 17 februari 2023, zodat het recht op verdediging zonder meer werd gerespecteerd. Het is overigens ook enkel het gemotiveerd advies, punt 8 in het document met als titel ‘Verslag van de griffier in het kader van ingediende beroep tegen de opgelegde tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’’ dat het Bestuurscomité in overweging neemt in de voorliggende beslissing. Alle voorafgaande punten zijn voor het Bestuurscomité niet relevant. 2. Omtrent de naleving van de procedure Zoals uiteengezet in de beslissing tot het opleggen van de tuchtsanctie IX-10.245-17/39 ‘ontslag van ambtswege’ d.d. 19 december 2022 (verder ‘de Tuchtbeslissing’), is het Bestuurscomité van oordeel dat de tuchtprocedure wel degelijk correct is nageleefd. Het Bestuurscomité stelt vast, op grond van het advies van de raad van beroep, dat  de raad van beroep eveneens van oordeel is dat de tuchtprocedure correct is verlopen;  de beweerde partijdigheid van [G.V.] niet objectief is vastgesteld; en  er van mag worden uitgegaan dat elke actor in de procedure de volle verantwoordelijkheid neemt en geen stukken ondertekent waarmee hij/zij niet akkoord gaat. Het standpunt van [verzoekster], uiteengezet in de verweernota, dat de raad van beroep niet zou zijn ingegaan op de stelling dat [L.V.] ‘volledig is uitgeschakeld’ tijdens de procedure, en dat [G.V.] niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte, is dan ook niet correct. De raad van beroep heeft dit wel degelijk beoordeeld, en heeft vastgesteld dat er zich ter zake geen probleem stelt. Het Bestuurscomité treedt de raad van beroep inderdaad bij dat elke stap, elke ‘check and balance’ die in de tuchtprocedure is voorzien, wel degelijk correct werd gevolgd, en dat elkeen het (omvangrijke) tuchtdossier heeft beoordeeld en tot een advies en – wat het Bestuurscomité betreft – tot een beslissing is gekomen in eer en geweten en in volle onafhankelijkheid. De stelling van [verzoekster] dat [G.V.] de ‘hoofdrol’ speelt, wat volgens [verzoekster] dan nog eens wordt beklemtoond door het feit dat het nota bene [G.V.] is die tijdens de zitting van de raad van beroep aanwezig was om namens het UZ Gent het standpunt naar voor te brengen, kan niet worden bijgetreden. [G.V.] heeft enkel als direct leidinggevende de tuchtprocedure geïnitieerd, en werd door het sectorbureau KOS bevraagd omtrent een aantal feitelijkheden in het kader van de tuchtprocedure – waarvoor [G.V.] het best geplaatst was om het antwoord te geven. Hij was verder niet meer betrokken, laat staan dat hij een instrumenterende rol zou hebben gespeeld in het advies van het sectorbureau KOS, dat werd verleend door [V.N.] en [J.V.], het (unaniem) advies van de Medische Raad (bestaande uit 13 artsen), het (unaniem) advies van het Directiecomité (bestaande uit 7 leden) en de (unanieme) tuchtbeslissing van het Bestuurscomité (bestaande uit 10 leden). Dit wordt op geen enkele manier aangetoond, en blijkt ook nergens uit. Dat [G.V.] ook aanwezig was tijdens de zitting van de raad van beroep, is bovendien geenszins een bevestiging van zijn ‘hoofdrol’ of een ‘statement’. [G.V.] is als direct leidinggevende het best geplaatst om eventuele (feitelijke) vragen van de raad van beroep te beantwoorden omtrent de tuchtfeiten, zodat het ook begrijpelijk is dat hij aanwezig is tijdens de zitting van de raad van beroep. 3. Omtrent de verweten tuchtfeiten […] Het Bestuurscomité blijft dan ook bij [zijn] beslissing om de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen. Rekening houdend met het gehele tuchtdossier, in het bijzonder de beslissing IX-10.245-18/39 tot het opleggen van een tuchtsanctie van het Bestuurscomité d.d. 19 december 2022 die volledig als hernomen moet worden beschouwd, rekening houdend met het gemotiveerde advies van de raad van beroep opgenomen in punt 8 van het verslag d.d. 1 februari 2023, rekening houdend met het verweer van [verzoekster], zoals uiteengezet in de brief d.d. 10 februari 2023 en de verweernota met bijlagen d.d. 17 februari 2023, en rekening houdend met bovenstaande overwegingen, blijft het Bestuurscomité – na geheime stemming met 12 stemmen voor, bij 0 stemmen tegen en 0 onthoudingen – bij [zijn] oordeel dat de verweten tuchtfeiten verantwoorden om de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen aan [verzoekster].” Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Voorafgaand 4. Verzoekster voert zeven middelen aan. In haar toelichtende memorie doet zij afstand van haar eerste middel, zodat er geen uitspraak over hoeft te worden gedaan. De Raad onderzoekt de overige zes middelen hierna in de volgorde dat ze vroeger in de tuchtprocedure beogen in te grijpen casu quo het ruimste rechtsherstel kunnen bieden. B. Derde middel Uiteenzetting van het middel 5. In een derde middel stelt verzoekster dat de tuchtprocedure, door een miskenning van het onpartijdigheidsbeginsel en van artikel VIII 19, §§ 1, 2 en 3, van het personeelsstatuut, ab initio onregelmatig is. Verzoekster betoogt, wat het onpartijdigheidsbeginsel betreft, dat G.V. als direct leidinggevende de tuchtprocedure heeft geïnitieerd, terwijl verzoekster eertijds zijn aanstelling als diensthoofd heeft aangevochten (zie sub IX-10.245-19/39 3.2.8) en hij dus bij haar ontslag een persoonlijk voordeel heeft. Verzoekster ziet daarin een bewijs van zowel structurele als subjectieve partijdigheid, minstens een schijn daarvan, doordat G.V. heeft gepoogd om in de procedure voor de Raad van State tussen te komen. Zij stipt aan dat zij hierop doorheen de tuchtprocedure heeft gewezen en dat G.V. door een ander kliniekhoofd kon worden vervangen. Verzoekster ziet een bewijs van de partijdigheid van G.V. voorts daarin gelegen dat hij – tijdens de tuchtprocedure – naar aanleiding van het vertrek van een collega in 2022 een vacature plaatste die volledig met verzoeksters profiel overeenstemde (en niet met dat van de afscheidnemende collega) en dat hij na de aanwerving aan de nieuw in dienst getreden arts-specialist toestemming zou hebben gegeven om de door verzoekster uitgeschreven standard operating procedure voor hersentumorenonderzoek te herwerken. In die handelwijze ziet verzoekster de voorbode van haar defenestratie. Artikel VIII 19, § 1, van het personeelsstatuut werd volgens verzoekster miskend doordat zij niet werd uitgenodigd voor een gesprek dat een “reflectiemoment” zou moeten zijn. Verzoekster acht artikel VIII 19 van het personeelsstatuut bovendien geschonden doordat de hogere leidinggevende L.V. als schakel in de tuchtprocedure werd gepasseerd. L.V. was weliswaar, zo stelt verzoekster, “stilzwijgend” aanwezig op haar gesprek met direct leidinggevende G.V. – wat op zich niet is uitgesloten – maar dat gesprek werd duidelijk aangestuurd door G.V. en het feit dat L.V. en G.V. samen hebben besloten om verzoeksters dossier aan het sectorbureau voor te leggen, heeft doen voorbijgaan aan het afzonderlijk gesprek met de hogere leidinggevende en diens autonome beslissingsbevoegdheid om het dossier al dan niet aan het sectorbureau voor te leggen. De hogere leidinggevende heeft aldus, volgens verzoekster, niet in volle autonomie kunnen beslissen. 6. In haar laatste memorie betoogt verzoekster nog dat G.V. als direct leidinggevende alléén handelend de tuchtprocedure heeft geïnitieerd en dat de onpartijdigheid bij elke stap van een tuchtprocedure moet worden gewaarborgd. Zij beklemtoont voorts dat de direct leidinggevende en de hogere leidinggevende IX-10.245-20/39 niet gezamenlijk kunnen beslissen om een tuchtdossier aan het sectorbureau voor te leggen, maar dat de stap daartoe in alle autonomie door de hogere leidinggevende moet worden gezet. Beoordeling 7. Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke (subjectieve) onpartijdigheid van de personeelsleden en de leden van bestuurlijke organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen. 8.1. Te dezen moet worden vastgesteld dat de bevoegdheid van G.V. als direct leidinggevende overeenkomstig artikel VIII 19 van het personeelsstatuut is beperkt tot het opstarten van de tuchtprocedure en het formuleren van een eerste voorstel van tuchtsanctie. Het daadwerkelijk opleggen van een tuchtsanctie is slechts mogelijk (
  9. i)nadat de hogere leidinggevende het tuchtdossier doorstuurt naar het sectorbureau, (
  10. ii)indien het sectorbureau vervolgens beslist om een voorstel tot tuchtsanctie te formuleren en (iii) indien het bestuurscomité finaal, al dan niet in tweede aanleg, oordeelt dat er tuchtfeiten werden gepleegd en dat een tuchtsanctie moet worden opgelegd. Van dat bestuurscomité maakt G.V. geen deel uit. Door deze ruime getrapte procedure is de mogelijke invloed van G.V. als direct leidinggevende dermate beperkt dat hij, zelfs indien hij zulks zou hebben beoogd, geen beslissende invloed op de eindbeslissing kon uitoefenen. 8.2. In die omstandigheden kan een beroep op het onpartijdigheidsbeginsel niet slagen. 9. Louter ten overvloede is de Raad van State van oordeel dat de door verzoekster aangevoerde schendingen van het onpartijdigheidsbeginsel hoe dan ook niet overtuigen. IX-10.245-21/39 10.1. Verzoekster ziet vooreerst een bewijs van structurele partijdigheid daarin gelegen dat haar medisch diensthoofd G.V., wie zij een persoonlijke betrokkenheid verwijt, ten onrechte niet door een ander personeelslid is vervangen voor het opstarten van de tuchtprocedure. 10.2. Artikel VIII 19, § 1, van het personeelsstatuut luidt als volgt: “Indien de direct leidinggevende de tuchtprocedure wenst op te starten, wordt het personeelslid schriftelijk uitgenodigd voor een gesprek. In de uitnodiging wordt beknopt vermeld welke feiten aanleiding geven tot het gesprek en dat het personeelslid zich kan laten bijstaan door een raadgever. Het gesprek wordt gevoerd op tegenspraak. De direct leidinggevende doet een voorstel van tuchtsanctie indien wordt beslist de tuchtprocedure verder te zetten. Van het gesprek wordt een verslag opgemaakt waarbij de eventuele opmerkingen en aanvullingen van het personeelslid worden opgenomen. Het verslag wordt door de direct leidinggevende en het personeelslid ondertekend. Het personeelslid tekent voor ontvangst. Indien het personeelslid weigert te tekenen, wordt het feit van niet-ondertekening bevestigd door twee getuigen.” Uit deze bepaling volgt dat de tuchtregeling uitdrukkelijk voorschrijft dat het initiëren van een tuchtprocedure tot de bevoegdheid van de direct leidinggevende behoort, in casu G.V. De procedure voorziet niet in de mogelijkheid om die bevoegdheid aan een ander personeelslid van het UZ Gent over te dragen. 10.3. De toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel mag niet ertoe leiden dat het regelmatig doorlopen van een tuchtprocedure onmogelijk wordt gemaakt doordat een bevoegd orgaan niet zou kunnen optreden. De verwerende partij kan dan ook niet worden verweten niet een ander persoon dan de direct leidinggevende te hebben aangewezen voor het initiëren van de tuchtprocedure. 10.4. Een structurele partijdigheid is niet aangetoond. IX-10.245-22/39 11.1. Daarnaast voert verzoekster ook een subjectieve partijdigheid aan. 11.2.1. Die partijdigheid volgt naar oordeel van verzoekster in de eerste plaats uit het feit dat G.V. in 2022 een vacature heeft geplaatst die overeenstemt met verzoeksters profiel en dat hij aan de nieuw aangeworven arts toestemming heeft gegeven om de door verzoekster uitgeschreven standard operating procedure voor hersentumorenonderzoek te herwerken. Het bestuurscomité heeft deze grief beantwoord door erop te wijzen dat uit een vacature binnen hetzelfde focusgebied als dat van verzoekster niet kan worden afgeleid dat een vervanger voor verzoekster wordt gezocht, dat de vacature ook openstond voor residenten of adjunct-kliniekhoofden (zijnde artsen-specialisten met aanzienlijk minder ervaring dan verzoekster) en dat uit het bijwerken van een procedure die door verzoekster is opgesteld niet kan worden afgeleid dat verzoekster of haar werk wordt afgevallen. In beginsel kan uit het openstellen van een vacature ter vervanging van een tuchtrechtelijk vervolgd ambtenaar niet zonder meer worden afgeleid dat de overheid daarmee ook een voorafname doet op het gevolg dat zij uiteindelijk aan die tuchtprocedure zal geven. Te dezen moet worden vastgesteld dat het bestuurscomité bovendien voldoende overtuigend verantwoordt waarom het plaatsen van de vacature niet wijst op partijdigheid van het diensthoofd. In dat opzicht overtuigt het middel niet. 11.2.2. Voorts is het inderdaad zo dat verzoekster en G.V. in 2020 mededingers waren bij een vacature voor medisch diensthoofd van de dienst Medische Beeldvorming, dat verzoekster de aanstelling van G.V. bij de Raad van State heeft aangevochten en dat G.V. in die procedure vrijwillig wenste tussen te komen – een tussenkomst die op procedurele problemen is gestrand. IX-10.245-23/39 De Raad betrekt hierbij evenwel de – door verzoekster niet tegengesproken – vaststelling van het bestuurscomité dat verzoekster élke aanstelling van élk ander personeelslid dan zijzelf als diensthoofd heeft aangevochten en dat het, wat G.V. betreft, om de vierde opeenvolgende nietigverklaringsprocedure van verzoekster ging. In die concrete omstandigheden overtuigt verzoekster niet ervan dat het loutere gegeven dat zij een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld tegen de aanstelling van G.V. als diensthoofd volstaat om hieruit een persoonlijke animositeit tussen verzoekster en G.V. af te leiden. Hoe dan ook, zoals hiervóór is uiteengezet, zou deze eventuele subjectieve wrok jegens verzoekster hoogstens kunnen verklaren dat G.V. een tuchtprocedure heeft opgestart, maar die procedure kent zo veel tussenstadia dat dit onmogelijk kan hebben doorgewerkt in de eindbeslissing, waaraan G.V. geen deel had. Een subjectieve partijdigheid is evenmin aangetoond. 12.1. Tot slot betoogt verzoekster dat het hiervóór sub 10.2 aangehaalde artikel VIII 19, § 1, van het personeelsstatuut is geschonden doordat door direct leidinggevende G.V. “geen gesprek” is gevoerd en doordat de hogere leidinggevende niet afzonderlijk, na verzoekster te hebben gehoord, heeft beslist tot het doorsturen van het tuchtdossier aan het sectorbureau. Verzoekster is eerst met een brief van 25 juni 2021 en vervolgens met een brief van 9 augustus 2021 uitgenodigd voor een gesprek. In die brieven is vermeld wat door de hiervóór aangehaalde bepaling is voorgeschreven. Van het gesprek is een verslag opgemaakt, waarvan de namens verzoekster neergelegde nota integraal deel uitmaakt. Verzoekster heeft op dat verslag opmerkingen kunnen formuleren en zij heeft het vervolgens ondertekend. De procedure is derhalve verlopen zoals in artikel VIII 19, § 1, van het personeelsstatuut is voorgeschreven. De Raad van State leest in die IX-10.245-24/39 bepaling niet dat het gesprek een “reflectiemoment” moet zijn en hoe die reflectie zich dan zou moeten uiten. De Raad stelt overigens vast dat uit het verslag van het gesprek blijkt dat verzoekster het niet nodig achtte dat de feiten uit de oproepingsbrief zouden worden voorgelezen en dat haar verweer uitsluitend bestond uit de neergelegde nota. Voorts is in het verslag te lezen: “Na het verweer van mr. Staelens te hebben aanhoord, bedankt [G.V.] mr. Staelens voor deze uiteenzetting. Hij herhaalt dat het verslag via mail zal bezorgd worden aan mr. Staelens tegen ontvangstbewijs, met [verzoekster] in kopie. Mr. Staelens en [verzoekster] bevestigen hun akkoord met deze werkwijze. Tenslotte vraagt [G.V.] aan mr. Staelens en [verzoekster] of zij nog aanvullingen hebben. Beiden antwoorden op dit moment geen aanvullingen meer te hebben.” Dat het gesprek niet méér is geweest, kan het bestuur dan ook niet worden verweten. Een schending van artikel VIII 19, § 1, van het personeelsstatuut is niet aangetoond. 12.2. Artikel VIII 19, § 2, van het personeelsstatuut luidt: “Het tuchtdossier wordt door de direct leidinggevende overgemaakt aan de hogere leidinggevende. Het personeelslid wordt door de hogere leidinggevende uitgenodigd voor een gesprek volgens de modaliteiten zoals beschreven in § 1, 2de tot en met 7de lid van dit artikel. In afwijking van deze paragraaf kan de hogere leidinggevende ook onmiddellijk deelnemen aan het gesprek met de direct leidinggevende.” De “afwijking” waarvan in fine van deze bepaling sprake is, moet aldus worden gelezen dat het eerste en het tweede lid van § 2 buiten toepassing worden gelaten, zodat wanneer de hogere leidinggevende deelneemt aan het gesprek tussen het betrokken personeelslid en de direct leidinggevende, het tuchtdossier na dat gesprek niet meer aan de hogere leidinggevende moet worden IX-10.245-25/39 overgemaakt en het personeelslid ook niet meer door de hogere leidinggevende wordt gehoord. De brief van 4 oktober 2021 waarmee aan verzoekster wordt meegedeeld dat haar tuchtdossier aan het sectorbureau wordt voorgelegd met als advies de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen is medeondertekend door L.V. als de hogere leidinggevende. De brief vermeldt voorts uitdrukkelijk dat G.V. en L.V. “hun voorstel van tuchtsanctie” meedelen. Door samen met direct leidinggevende G.V. te beslissen dat het tuchtdossier aan het sectorbureau wordt overgemaakt, miskent de hogere leidinggevende niet artikel VIII 19, § 2, van het personeelsstatuut. Verzoekster toont daarnaast niet aan dat L.V. niet autonoom tot de vóórmelde beslissing is gekomen. Ook van artikel VIII 19, § 2, van het personeelsstatuut is geen schending aangetoond. 13. Het derde middel is niet gegrond. C. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 14. Verzoekster voert in een vierde middel een schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel, van de artikelen VIII 17, VIII 19 en VIII 20, § 3, van het personeelsstatuut en van het patere legem-beginsel. Zij betoogt dat het personeelsstatuut middels de vermelde bepalingen erin voorziet dat het aan de hogere leidinggevende toekomt om te beslissen om het tuchtdossier al dan niet aan het sectorbureau voor te leggen, dat het sectorbureau vervolgens eventueel beslist om het dossier “verder te sturen” en dat in verzoeksters geval aan het bestuurscomité als tuchtoverheid de adviezen IX-10.245-26/39 worden voorgelegd van het directiecomité, de medische raad en de hoofdarts. Aldus, zo stelt verzoekster, is voorzien in tal van garanties en checks and balances. Verzoekster verwijt de gevolgde procedure in de eerste plaats dat de hogere leidinggevende ná het gesprek met de direct leidinggevende niet zelf en eigener gezag heeft beslist om het tuchtdossier al dan niet aan het sectorbureau over te maken. Daarnaast stelt verzoekster dat bij de totstandkoming van de verschillende aan het bestuurscomité voorgelegde adviezen steeds een beroep werd gedaan op dezelfde interne juridische dienst, waarbij zij het niet aanvaardbaar acht dat eenzelfde jurist al deze gremia bijstaat. Zulks tast volgens verzoekster de onafhankelijkheid en onpartijdigheid aan en is “strijdig met de economie van de statuten”, niet het minst wanneer het sectorbureau vragen stelt aan de direct leidinggevende en beide door dezelfde juridische dienst worden bijgestaan. Verzoekster vergelijkt de tuchtprocedure eensdeels met een magistraat die binnen dezelfde zaak als bestuursrechter in de Raad voor vergunningsbetwistingen zou zetelen, vervolgens als auditeur in de cassatieprocedure vóór de Raad van State advies zou verlenen en tot slot als staatsraad zou oordelen en anderdeels met een jurist die de vóórmelde bestuursrechter, auditeur en staatsraad zou bijstaan. Bewijs van partijdigheid ziet verzoekster ten slotte in de wijze waarop aan de uitnodiging tot gesprek bij de direct leidinggevende is vormgegeven, namelijk niet als een “gewone uitnodiging”, maar als een “juridisch doorwrocht stuk”, en in het feit dat de bestreden beslissing naar de onderliggende adviezen verwijst. 15. In haar toelichtende memorie voert verzoekster nog aan dat artikel 5 van de deontologische codex van advocaten erin voorziet dat een advocaat niet kan optreden wanneer dat aanleiding geeft tot een belangenconflict. Beoordeling IX-10.245-27/39 16. Verzoekster zet niet uiteen op welke wijze de bestreden beslissing een schending inhoudt van artikel VIII 17 van het personeelsstatuut. In die mate is het middel onontvankelijk. 17. Voor zover verzoekster in haar toelichtende memorie verwijst naar de deontologische codex van advocaten en daarin een rechtsgrond tot vernietiging ziet, moet worden vastgesteld eensdeels dat verzoekster daarmee te laat en dus niet op ontvankelijke wijze aan haar middel een nieuwe draagwijdte geeft en anderdeels dat de vóórmelde codex hoe dan ook niet op de juridische dienst van de verwerende partij van toepassing is. In die mate is het vierde middel onontvankelijk en alleszins ongegrond. 18. Bij de bespreking van het derde middel is reeds geoordeeld dat de door verzoekster aangevoerde schending van artikel VIII 19, § 2, van het personeelsstatuut, wat de tussenkomst van de hogere leidinggevende betreft, niet overtuigt. In zoverre verzoekster deze kritiek in haar vierde middel herneemt, is ook dat middel ongegrond. 19. De tuchtprocedure zoals ze in het personeelsstatuut is uitgetekend, vermeldt nergens de tussenkomst van de juridische dienst van de verwerende partij; deze dienst verleent geen advies dat – bindend of niet – door een tuchtorgaan moet worden ingewonnen, laat staan dat die dienst enige beslissingsbevoegdheid zou hebben. De eventuele tussenkomst van de juridische dienst is derhalve beperkt tot een louter ondersteunende rol. Om die reden gaat de door verzoekster gemaakte vergelijking met magistraten alvast niet op. Verzoekster toont voorts op geen enkele wijze aan dat de juridische dienst de facto de verschillende tucht- of adviesorganen heeft beïnvloed, IX-10.245-28/39 in een bepaalde richting heeft gedwongen of hun autonome advies- of beslissingsbevoegdheid heeft belemmerd of ontnomen. In dat opzicht valt niet in te zien hoe een verwijzing in de bestreden beslissing naar de – verplicht in te winnen – adviezen de tuchtprocedure zou vitiëren. Ook in dat opzicht overtuigt het middel niet. Wat ten slotte de uitnodiging voor het gesprek met de direct leidinggevende betreft, brengt de Raad van State in herinnering dat het hiervóór aangehaalde artikel VIII 19 van het personeelsstatuut uitdrukkelijk voorschrijft dat die uitnodiging de feiten vermeldt die tot het gesprek aanleiding geven. Het kan de direct leidinggevende bezwaarlijk ten kwade worden geduid dat hij de moeite neemt om die feiten voldoende duidelijk in tijd en ruimte te situeren. Zelfs indien de juridische dienst de direct leidinggevende zou hebben bijgestaan bij de formulering – wat verzoekster niet aantoont – dan nog bewijst dit niet dat die juridische dienst op dat of op een later ogenblik in de procedure de besluitvorming heeft beïnvloed. Dat de brief door verzoekster niet wordt gepercipieerd als een vriendelijke invitatie toont op zich niet aan dat het personeelsstatuut wordt miskend of dat zij op een partijdige wijze wordt bejegend. 20. Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. D. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 21. In een zesde middel beroept verzoekster zich op machtsafwending. Zij betoogt dat de tuchtrechtelijke bevoegdheid werd afgewend om haar als kliniekhoofd te verwijderen, zonder een werkelijke tuchtrechtelijke finaliteit. Verzoekster zet het middel als volgt uiteen: IX-10.245-29/39 “Onder het feitenrelaas is reeds aangegeven dat verzoekster een discussie is aangegaan met betrekking tot het afleiden van aanvragen naar een wetenschappelijke studie. Er is ook aangetoond dat verzoekster niet akkoord kan gaan met de wijze waarop in de kliniek ten aanzien van het RIZIV wordt gewerkt. Er is ook aangetoond, en dit is ook niet betwist, dat verzoekster reeds tal van gedingen tegen de verwerende partij heeft gevoerd. ‘Men’ vond dat verzoekster moest geëlimineerd worden. Er is ook al aangetoond dat dit gebeurde met een geoliede machine, zonder oog voor de onpartijdigheid. En uiteindelijk kwam verzoekster voor een Bestuurscomité waar de powers that be, die zich al zeer geprononceerd hadden uitgesproken om verzoekster te ontslaan, mede delibereerden en beslisten. Dit is een aanfluiting van de tuchtprocedure maar het ging niet om tucht au fond, het ging erom dat verzoekster die al te lastig was, uit de instelling moest verwijderd worden.” Beoordeling 22. Bij het aanvoeren van machtsafwending dient de verzoekende partij aan te tonen dat het bestuur een bevoegdheid, toegekend tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt voor een ander doel en dat dit ongeoorloofde doel het enige doel van de betrokken handeling is. Het bestaan van machtsafwending kan worden afgeleid uit voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens. Voor zover verzoekster machtsafwending inroept, maar dit in haar uiteenzetting van het zesde middel op geen enkele wijze autonoom concretiseert of onderbouwt, is het middel onontvankelijk. In de mate dat verzoekster meent dat het bewijs van de aangevoerde machtsafwending volgt uit wat zij in de voorgaande middelen heeft uiteengezet, kan worden volstaan met de vaststelling dat die middelen hiervóór ongegrond zijn bevonden en daaruit dus geen bewijs van machtsafwending kan worden afgeleid. Die vaststelling geldt met uitzondering van het tweede middel dat, zoals hierna zal blijken, deels gegrond wordt bevonden. De aldaar vastgestelde miskenning van het onpartijdigheidsbeginsel levert naar oordeel van de Raad van State evenwel niet het bewijs dat er sprake is van machtsafwending. IX-10.245-30/39 23. Het zesde middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. E. Tweede middel Standpunt van de partijen 24. Verzoekster steunt een tweede middel op een schending van het onpartijdigheidsbeginsel. Zij zet uiteen dat twee leden van het bestuurscomité in voorgaande stappen van de tuchtprocedure reeds hadden geadviseerd om verzoekster te ontslaan – namelijk gedelegeerd bestuurder E.M. als voorzitter van het directiecomité en hoofdarts F.V. eensdeels als lid van het directiecomité en anderdeels persoonlijk binnen zijn eigen adviesbevoegdheid – zodat zij zich reeds een idee hadden gevormd en in de schoot van het bestuurscomité niet meer “met een open geest” konden oordelen. Dat hoofdarts F.V. in het bestuurscomité zetelt met raadgevende stem, doet daaraan voor verzoekster geen afbreuk. Verzoekster besluit dat de bestreden beslissing is behept met zowel een structurele als een subjectieve partijdigheid. 25. In haar toelichtende memorie stipt verzoekster nog aan dat het bestuurscomité, wat het quorum betreft, rechtsgeldig kon beslissen zonder E.M. en F.V., dat een statutair vastgelegde dubbele rol (verlenen van een advies en lidmaatschap van het bestuurscomité) de handhaving van het onpartijdigheidsbeginsel niet in de weg staat en dat beide personen “per definitie […] een grote invloed” hadden op de besluitvorming. 26. Verzoekster beklemtoont in haar laatste memorie dat de gedelegeerd bestuurder en de hoofdarts zich reeds zeer duidelijk en concreet hadden uitgesproken over haar ontslag en dus onmogelijk nog onbevangen konden oordelen in de schoot van het bestuurscomité. Wat de schijn van partijdigheid en het beginsel justice must not only be done, justice also has to be seen to be done betreft, verwijst zij naar arrest nr. 258.949 van 27 februari 2024. Zij voegt eraan toe IX-10.245-31/39 dat E.M. en F.V., in afwezigheid van de rector, “de twee belangrijkste leden van het bestuurscomité” zijn. Verzoekster weerspreekt tot slot de afweging in het auditoraatsverslag dat in hoofde van de twee voormelde leden van het bestuurscomité geen dusdanig persoonlijk engagement is aangetoond dat zij nog moeilijk op de door hen eerder ingenomen standpunten zouden kunnen terugkomen. 27. De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat de tussenkomst van de gedelegeerd bestuurder en de hoofdarts het onpartijdigheidsbeginsel niet schendt, omdat hun aanwezigheid volgt uit het bijzonder decreet van 26 juni 1991 ‘betreffende de Universiteit Gent’ (“het bijzonder decreet”) en zij derhalve slechts hun decretale bevoegdheden hebben uitgeoefend. Zij stelt voorts dat met betrekking tot een collegiaal orgaan slechts tot een schending van het onpartijdigheidsbeginsel kan worden besloten wanneer een partijdigheid wordt vastgesteld die bovendien een of meer leden van dat orgaan heeft kunnen beïnvloeden. Dat is, wat de hoofdarts en de gedelegeerd bestuurder betreft, volgens de verwerende partij niet aangetoond omdat uit de (mede) door hen verleende adviezen niet kan worden afgeleid dat zij zich reeds dermate tot een tuchtrechtelijk ontslag hadden geëngageerd dat zij zonder gezichtsverlies niet meer op dat standpunt konden terugkomen. Evenmin is, naar oordeel van de verwerende partij, aangetoond dat er sprake is van persoonlijke betrokkenheid of enige animositeit tussen verzoekster enerzijds en de hoofdarts of de gedelegeerd bestuurder anderzijds. De verwerende partij stipt daarbij nog aan dat de bedoelde adviezen – anders dan het standpunt van de tuchtoverheid in het door verzoekster bedoelde arrest nr. 258.949 van 27 februari 2024 – een voorgeschreven stap in de procedure vormen en enkel aan de interne tuchtorganen bekend waren, niet aan de buitenwereld. De stelling van verzoekster dat de hoofdarts en de gedelegeerd bestuurder de belangrijkste leden van het bestuurscomité zijn, is volgens de verwerende partij louter stemmingmakerij. IX-10.245-32/39 Beoordeling a. toepasselijke regelgeving 28. Krachtens artikel 40novies van het bijzonder decreet is het bestuurscomité van het UZ Gent samengesteld als volgt: “1° de rector van de Universiteit Gent die het Bestuurscomité van het UZ Gent voorzit; 2° de decaan van de faculteit Geneeskunde van de Universiteit Gent, ondervoorzitter van het Bestuurscomité van het UZ Gent; 3° drie leden, verkozen door de raad van bestuur van de Universiteit Gent, uit zijn midden; 4° twee leden, verkozen door de hoofdgeneesheer en door de geneesheren-diensthoofden, uit hun midden; 5° twee leden, verkozen door de geneesheren die geen diensthoofd zijn en minimaal een halftijdse opdracht vervullen, uit hun midden; 6° maximaal drie externe leden, met bijzondere deskundigheid in ziekenhuismanagement, aangewezen door de overige leden van het Bestuurscomité van het UZ Gent. 7° de voorzitter van de Academische Coördinatieraad. Bij onbeschikbaarheid van de rector wordt hij of zij door de vicerector van de Universiteit Gent vervangen. In dat geval wordt het voorzitterschap waargenomen door de decaan van de faculteit Geneeskunde. De gedelegeerd bestuurder maakt als gevolg van zijn of haar aanwijzing tot gedelegeerd bestuurder van rechtswege deel uit van het Bestuurscomité van het UZ Gent. De hoofdgeneesheer [lees: hoofdarts] van het UZ Gent zit met raadgevende stem in het Bestuurscomité. Eén beheerder van de Universiteit Gent zetelt met raadgevende stem in het Bestuurscomité van het UZ Gent.” De gedelegeerd bestuurder en de hoofdarts (met raadgevende stem) maken derhalve van rechtswege deel uit van het bestuurscomité. Artikel 40quindecies, § 3, van datzelfde bijzonder decreet bepaalt dat het directiecomité bestaat uit maximaal zeven leden, waaronder steeds de gedelegeerd bestuurder – die van rechtswege voorzitter is – en de hoofdarts. 29. In geval van een tuchtvervolging van een ziekenhuisarts – zoals bij verzoekster het geval is – schrijft het personeelsstatuut in artikel VIII 20 voor wat volgt: IX-10.245-33/39 “§ 1. Voor een ziekenhuisarts geldt de procedure zoals beschreven in artikel VIII 19, § 1 tot en met 6. § 2. Voor een ziekenhuisarts is het Bestuurscomité de bevoegde tuchtoverheid. § 3. Het Directiecomité verleent een gemotiveerd advies over het voorstel ten aanzien van het Bestuurscomité. Het voorstel van het sectorbureau wordt tegelijkertijd naar de Medische Raad en de hoofdarts gestuurd voor advies.” b. toepassing in casu - algemeen 30. Het onpartijdigheidsbeginsel, zoals van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt – zoals sub 7 reeds is overwogen – zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de leden van bestuurlijke organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen. De persoonlijke onpartijdigheid houdt te dezen in dat leden van de tuchtoverheid zich moeten onthouden van deelname aan het besluitvormingsproces in de voorliggende tuchtzaak indien zij een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben bij die zaak. Dit kan ook een moreel belang zijn, onder meer wanneer die personen reeds een duidelijk standpunt hebben ingenomen en niet zonder gezichtsverlies op dat standpunt zouden kunnen terugkomen. 31. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat getwijfeld moet worden aan de onpartijdigheid van de gedelegeerd bestuurder en de hoofdarts, op grond van het feit dat zij voorafgaand aan de beraadslaging in de schoot van het bestuurscomité over schuld en strafmaat reeds een advies hebben gegeven, gaat het om de subjectieve onpartijdigheid van de beide bestuurders. Verzoekster voert hiermee immers aan dat de beide bestuurders zich bij het verlenen van dat advies reeds op een dusdanige wijze persoonlijk hadden geëngageerd dat zij er een moreel belang bij hadden om in de bestreden beslissing niet anders over de situatie te oordelen. IX-10.245-34/39 32. De Raad van State herinnert eraan dat subjectieve partijdigheid niet wordt vermoed en slechts mag worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen. Een louter subjectieve indruk van partijdigheid volstaat niet om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken. Het komt aan verzoekster toe de daadwerkelijke vooringenomenheid van de betrokken leden van de tuchtoverheid in de voorliggende tuchtzaak aan te tonen. 33. Wat betreft het adagium justice must not only be done, justice also has to be seen to be done, kan de Raad met verzoekster een eindweegs meegaan: aangenomen wordt dat het algemeen rechtsbeginsel dat daarin besloten ligt ook toepassing vindt in tuchtaangelegenheden die binnen het actief bestuur hun beslag krijgen. Niet alleen partijdigheid, maar ook een schijn van partijdigheid moet worden vermeden. Anders dan verzoekster het ziet, is de Raad van State evenwel van oordeel dat het door verzoekster vermelde arrest nr. 258.949 van 27 februari 2024 niet dienstig op de beoordeling van haar beroep kan worden betrokken. In dat dossier immers, oordeelde de Raad dat een schijn van subjectieve partijdigheid was gewekt doordat de minister van Binnenlandse Zaken als hogere tuchtoverheid reeds bij aanvang van de tuchtprocedure publiekelijk had meegedeeld dat zij zelf een tuchtprocedure had opgestart “met het oog op zware tuchtstraffen”, nog vóór de betekening van het inleidend verslag aan de betrokkene en dus ook vóór die betrokkene enig verweer had kunnen uiteenzetten. De minister had, met andere woorden, voor haar beurt gesproken. Daarvan is te dezen geen sprake. c. wat de gedelegeerd bestuurder betreft 34. De verwerende partij kan worden bijgevallen in haar vaststelling dat de gedelegeerd bestuurder krachtens artikel 40novies van het bijzonder decreet van rechtswege deel uitmaakt van het bestuurscomité en dat hij krachtens artikel 40quindecies, § 3, van datzelfde bijzonder decreet lid is van het directiecomité. IX-10.245-35/39 De decreetgever heeft evenwel niet voorgeschreven dat het directiecomité in het geval van de tuchtrechtelijke vervolging van een ziekenhuisarts aan het bestuurscomité een gemotiveerd advies moet verlenen. Daartoe heeft enkel het bestuur van de verwerende partij besloten bij de redactie van artikel VIII 20, § 3, van het personeelsstatuut. Het is derhalve de verwerende partij, niet de decreetgever, die de situatie tot stand heeft gebracht dat de gedelegeerd bestuurder eerst (als lid en voorzitter van het directiecomité) advies verleent over de op te leggen tuchtsanctie en vervolgens (als lid van het bestuurscomité) daarover mee beslist. Daargelaten of daaruit een structurele partijdigheid blijkt, is de Raad van State van oordeel dat verzoekster moet worden bijgevallen in het oordeel dat in casu minstens een schijn van subjectieve partijdigheid is gewekt. Het directiecomité heeft immers op 3 oktober 2022 unaniem – en dus met inbegrip van de gedelegeerd bestuurder – geadviseerd om aan verzoekster de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen. Gevolg gevend aan de opdracht ex artikel VIII 20, § 3, van het personeelsstatuut, heeft het directiecomité een ‘gemotiveerd’ advies verleend, waarbij verzoeksters grieven inzake partijdigheid worden onderzocht en ongegrond worden verklaard en de tuchtfeiten worden beoordeeld en – verzoeksters verweer verwerpend – bewezen worden geacht. In die omstandigheden moet worden aangenomen dat de leden van het directiecomité minstens de schijn hebben gewekt dat zij zich reeds dermate in de beoordeling van het tuchtdossier hadden geëngageerd dat zij, ongeacht verzoeksters verweer ten overstaan van het bestuurscomité, niet meer op dat standpunt zouden kunnen terugkomen. Tevens kan in deze omstandigheden niet worden uitgesloten dat de gedelegeerd bestuurder de beraadslaging in de schoot van het bestuurscomité heeft kunnen beïnvloeden. IX-10.245-36/39 De uitoefening van het stemgerechtigd lidmaatschap van het bestuurscomité door de gedelegeerd bestuurder strijdt in die omstandigheden met het onpartijdigheidsbeginsel. 35. Het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond. d. wat de hoofdarts betreft 36. Zoals hiervóór sub 28 is aangehaald, is de hoofdarts krachtens het bijzonder decreet van rechtswege lid van het bestuurscomité (met raadgevende stem) en stemgerechtigd lid van het directiecomité. Naar luid van artikel VIII 20 van het personeelsstatuut verleent, in geval van de tuchtvervolging van een ziekenhuisarts, naast de medische raad zowel het directiecomité als de hoofdarts op persoonlijke titel een advies aan het bestuurscomité. Uit het administratief dossier blijkt dat de hoofdarts op 28 juni 2022 heeft geadviseerd om aan verzoekster de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen en dat hij als lid van het directiecomité op 3 oktober 2022 hetzelfde standpunt heeft ingenomen bij het unaniem door dat orgaan in die zin verleende advies. 37. Het standpunt van de hoofdarts – minstens middels het door hem persoonlijk verleende advies – maakt hoe dan ook deel uit van het tuchtdossier. Hij kan desgevallend zijn in dat advies ingenomen standpunt in het bestuurscomité herhalen of toelichten en hij zou zelfs door het bestuurscomité kunnen worden uitgenodigd om zulks te doen, maar dat doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de hoofdarts in dat orgaan slechts over een raadgevende stem beschikt. Gelet op de rol die de hoofdarts bijgevolg, ingevolge de statuutbepalingen, reeds heeft om in eigen naam en als lid van het directiecomité te adviseren, kan uit zijn aanwezigheid in het bestuurscomité met louter raadgevende stem geen schending van het onpartijdigheidsbeginsel worden afgeleid. IX-10.245-37/39 38. Wat de hoofdarts betreft, is het tweede middel niet gegrond. F. Vijfde en zevende middel 39. In een vijfde middel beroept verzoekster zich op een schending van de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat niet in redelijkheid is beslist dat er tuchtfeiten aanwezig zijn en dat die in redelijke verhouding staan met de sanctie van het ontslag. In een zevende middel betoogt verzoekster, ondergeschikt, dat de opgelegde tuchtmaatregel disproportioneel is, mede in het licht van het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. 40. Het valt, gelet op de beoordeling van het tweede middel wat de gedelegeerd bestuurder betreft, thans aan het bestuurscomité toe om, regelmatig samengesteld, over verzoeksters tuchtdossier uitspaak te doen. Op het resultaat van die beoordeling kan niet worden vooruitgelopen. Het vijfde en het zevende middel zijn voorbarig en behoeven derhalve vooralsnog geen onderzoek en beoordeling. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van het bestuurscomité van het Universitair Ziekenhuis Gent van 27 februari 2023, waarbij aan I.G. de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-10.245-38/39 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.245-39/39 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.439 Gerelateerde publicatie(
  11. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.679 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.