id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.458 Rolnummer: A. 238498/X-18346 Zaak: Arrest 262458 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 21/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-28 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-17 02:03 Fiche Arrest nr 262.458 van 21 februari 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 262.458 van 21 februari 2025 in de zaak A. 238.498/X-18.346 In zake : de GEMEENTE OVERIJSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Rasschaert kantoor houdend te 9620 Zottegem Gentse Steenweg 323 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Van Garsse en Koen De Metsenaere kantoor houdend te 2600 Antwerpen Prins Boudewijnlaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : VAN BELLE BOUWEN IO woonplaats kiezend te 3090 Overijse Lindaal 112 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 februari 2023, strekt tot de nietig-verklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken van 12 oktober 2022 tot inwilliging van het beroep van de tussenkomende partij tegen het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Overijse van 22 februari 2022 tot definitieve vaststelling van het rooilijnplan voor de verplaatsing van een deel van voetweg nr. 183 (hierna: het bestreden ministerieel besluit). X-18.346-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Van Belle Bouwen IO heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Evelien De Taeye heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 januari
- Kamervoorzitter Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Karel Verbestel, die loco advocaat Wim Rasschaert verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Koen De Metsenaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Evelien De Taeye heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met het besluit van 30 november 2021 stelt de gemeenteraad van X-18.346-2/9 de gemeente Overijse het ontwerp van rooilijnplan voor de verplaatsing van een deel van de voetweg nr. 183 voorlopig vast. 3.
- Tijdens het van 17 december 2021 tot 17 januari 2022 gehouden openbaar onderzoek dient de tussenkomende partij een bezwaarschrift in. 3.
- Met het besluit van 22 februari 2022 stelt de gemeenteraad van de gemeente Overijse het rooilijnplan definitief vast (hierna: het gemeenteraadsbesluit van 22 februari 2022). 3.
- Tegen het gemeenteraadsbesluit van 22 februari 2022 stelt de tussenkomende partij bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse regering. 3.
- Met het bestreden ministerieel besluit van 12 oktober 2022 wordt dit bestuurlijk beroep ingewilligd en wordt het gemeenteraadsbesluit van 22 februari 2022 vernietigd. In dit besluit wordt het volgende overwogen: “Overeenkomstig artikel 24, §1 Decreet Gemeentewegen kan tegen een besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan […] een georganiseerd administratief beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering. Overeenkomstig artikel 25, §2 Decreet Gemeentewegen kan een besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van een rooilijnplan alleen worden vernietigd: 1° wegens strijdigheid met dit decreet, in het bijzonder de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4; 2° wegens strijdigheid met het eventuele gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van dit decreet; 3° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste. […] Overwegende dat beroepsindieners […] van oordeel zijn dat [het gemeenteraadsbesluit van 22 februari 2022] moet worden vernietigd omdat het te verplaatsen deel van voetweg nr. 183 niet (meer) zou bestaan. […] […] Allereerst dient de toepasselijke wetgeving verduidelijkt te worden. Artikel 14 Decreet Gemeentewegen zou de verjaring van een buurtweg uitsluiten. Artikel 85 Decreet Gemeentewegen voorziet echter in volgende overgangsbepaling: X-18.346-3/9 ‘Alle gemeentelíjke wegen en buurtwegen in de zin van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen die bestaan op 1 september 2019, worden voor de toepassing van dit decreet geacht een gemeenteweg te zijn.’ De vraag moet aldus gesteld worden of de betrokken voetweg nog steeds [bestond] op 1 september
- Vóór de inwerkingtreding van het Decreet Gemeentewegen was de ‘Wet van 10 april 1841 op de buurtwegen’ (hierna: Wet Buurtwegen) van toepassing op buurtwegen. Artikel 12 Wet Buurtwegen bepaalde dat verjaring niet mogelijk was ‘zolang de buurtwegen dienen tot het openbaar gebruik (...)’. A contrario volgde uit die bepaling dat buurtwegen wel vatbaar waren voor verjaring wanneer het openbaar gebruik van de buurtweg had opgehouden. Of een buurtweg nog openbaar gebruikt werd, was een feitenkwestie die losstond van enige beslissing van de overheid […]. Daarbij moet ook worden gewezen op cassatierechtspraak in verband met artikel 12 Wet Buurtwegen, waaruit blijkt dat een toevallige en enkele overgang al volstaat om deze verjaring te stuiten […]. Het feit dat de buurtweg in de dertigjarige periode een enkele keer openbaar gebruikt was, volstond dus om de verjaring af te wenden […]. Beroepsindieners erkennen dat het tracé van het te verplaatsen deel van voetweg nr. 183 is opgenomen in de Atlas der Buurtwegen. Zij menen echter dat dit deel van voetweg nr. 183 reeds zeventig jaar geen feitelijk gebruik kent […]. Ter onderbouwing van deze stelling halen Beroepsindieners aan dat zij als familie reeds verschillende generaties lang in een aanpalende woning wonen en bijgevolg zeer goed op de hoogte zijn van de situatie. Bovendien zou er een vijftigtal jaren geleden een vijver zijn aangelegd op het tracé van de betrokken voetweg, wat volgens Beroepsindieners eveneens bewijst dat de voetweg al voor decennia in onbruik is.[…] Uit het administratief dossier dat aan de Vlaamse Regering werd overgemaakt kan vervolgens worden afgeleid dat Beroepsindieners een terecht punt lijken aan te halen wanneer zij beweren dat het te verplaatsen deel van voetweg nr. 183 reeds decennialang in onbruik is geraakt. […] De gemeenteraad verwijst in [het gemeenteraadsbesluit van 22 februari 2022] wel naar gegevens van Strava waaruit zou blijken dat er gewandeld wordt, naar een getuigenis van een gebruiker die het bestaan/gebruik van de voetweg zou bevestigen en naar de melding van overlast door sluikstorten, fietsers en motorcrossers door Beroepsindieners in hun eerdere bezwaarschrift. Deze elementen zouden dus moeten aantonen dat het te verplaatsen tracé wel degelijk gebruikt wordt. Samen met Beroepsindieners stelt de Vlaamse regering echter vast dat dit vermeend gebruik eerder betrekking lijkt te hebben op een tracé dat niet overeenstemt met het tracé zoals opgenomen in de Atlas der Buurtwegen. […] In dít dossier ontbreekt bijgevolg ieder spoor van een […] toevallige en enkele overgang op het tracé van het betrokken deel van voetweg nr. 183 zoals opgenomen in de Atlas der Buurtwegen die de verjaring zou kunnen afwenden. Bij gebrek hieraan lijken Beroepsindieners terecht een beroep te kunnen doen op de verjaring van de betrokken buurtwegen overeenkomstig artikel 12 Wet Buurtwegen. Op basis van het administratief dossier, de eigen bewoordingen van de gemeenteraad daarin en gelet op de door beroepsindieners eerder X-18.346-4/9 aangehaalde elementen, kan moeilijk worden aangenomen dat het te verplaatsen deel van de betrokken buurtweg nog bestond op het moment van inwerkingtreding van het Decreet Gemeentewegen. Minstens kan het Besluit in dat opzicht de Vlaamse Regering niet overtuigen dat een tegenovergestelde lezing verantwoord zou zijn. Ingevolge deze vaststelling bestond het te verplaatsen deel van de betrokken buurtweg niet meer op het moment van inwerkingtreding van het Decreet Gemeentewegen, waardoor geen toepassing kon worden gemaakt van de overgangsbepaling uit artikel 85 Decreet Gemeentewegen. Het Besluit kwam hierdoor dus in strijd met het Decreet Gemeentewegen tot stand. […] Het […] beroepsargument is gegrond.” IV. Ontvankelijkheid van het verzoekschrift tot tussenkomst 4.
- In haar memorie van wederantwoord voert de verzoekende partij aan dat het verzoekschrift tot tussenkomst niet ontvankelijk is daar niet blijkt welk belang de tot tussenkomst verzoekende partij heeft. 4.
- De exceptie kan niet worden aangenomen daar het bestreden ministerieel besluit het bestuurlijk beroep van de tussenkomende partij inwilligt, zodat zij een afdoende belang bij haar tussenkomst heeft. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen 5.
- In haar enig middel voert de verzoekende partij onder meer de schending aan van de grondwettelijke basisregel dat de regering geen andere macht heeft dan die welke de Grondwet en de wetten en decreten krachtens de Grondwet uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen. 5.
- De verzoekende partij voert aan dat het bestreden ministerieel besluit er ten onrechte van uitgaat dat het aan de verwerende partij toekomt om te oordelen over de verjaring van de wegzate van een in de Atlas der Buurtwegen opgenomen buurtweg. X-18.346-5/9
- In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat het middel de vraag aan de orde stelt wat de exacte draagwijdte is van haar beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van een bestuurlijk beroep tegen een gemeenteraadsbesluit tot definitieve vaststelling van een rooilijnplan. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, valt de problematiek van de verjaring onrechtstreeks wel degelijk binnen deze beoordelingsbevoegdheid. Artikel 25, § 2, 1°, van het gemeentewegendecreet vermeldt immers expliciet dat de verwerende partij kan overgaan tot vernietiging “wegens strijdigheid met dit decreet” en te dezen is de grondslag van het bestreden ministerieel besluit de overgangsbepaling in artikel 85 van het gemeentewegendecreet. Door te voorzien dat alle gemeentelijke wegen en buurtwegen die bestaan op 1 september 2019 geacht worden een gemeenteweg te zijn, houdt deze overgangsbepaling volgens de verwerende partij een duidelijke afbakening in van het toepassingsgebied van het gemeentewegendecreet. Dit decreet, inclusief de bepalingen op basis waarvan de verzoekende partij het betrokken gemeenteraadsbesluit heeft genomen, is immers enkel van toepassing op “gemeentewegen”. A contrario volgt uit deze overgangs-bepaling dat wanneer er sprake is van een buurtweg die op 1 september 2019 niet bestaat, deze voor de toepassing van dit decreet niet geacht wordt een gemeenteweg te zijn, wat als gevolg heeft dat de bepalingen uit het gemeentewegendecreet op basis waarvan het betrokken gemeenteraadsbesluit werd genomen niet kunnen worden toegepast. Bijgevolg is het dus wel degelijk een relevante vraag of de betrokken buurtweg al dan niet nog bestaat op het moment van de inwerkingtreding van het gemeentewegendecreet en diende de verzoekende partij bij het nemen van het gemeenteraadsbesluit houdende de definitieve vaststelling van het rooilijnplan deze elementen in haar besluitvorming te betrekken. De vraag of de beoordeling correct is gebeurd, valt vervolgens onder de beoordelingsbevoegdheid van de verwerende partij in het kader van het georganiseerd bestuurlijk beroep.
- In haar memorie stelt de tussenkomende partij dat het tracé waarvan de gemeente het gebruik bevestigt, niet het originele tracé is maar een door een gemeenteambtenaar zelf gecreëerd tracé dat feitelijk gebruikt wordt. X-18.346-6/9
- In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat aangezien een buurtweg op 1 september 2019 nog diende te bestaan om te worden beschouwd als een gemeenteweg in de zin van artikel 85 van het gemeentewegendecreet, het zeker een relevante vraag is of de buurtweg vóór die datum niet reeds verjaard was door een dertigjarig onbruik. Beoordeling 9.
- Inzake de omvang van de beoordelingsbevoegdheid van de verwerende partij ten aanzien van bestuurlijke beroepen tegen een gemeenteraadsbesluit tot definitieve vaststelling van een rooilijnplan bepaalt artikel 25, § 2, van het gemeentewegendecreet: “Art. 25 – […] §
- Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het rooilijnplan […] kan alleen worden vernietigd: 1° wegens strijdigheid met dit decreet […].” De grondslag van het bestreden ministerieel besluit tot vernietiging van het gemeenteraadsbesluit van 22 februari 2022 is het als volgt luidende artikel 85 van het gemeentewegendecreet: “Alle […] buurtwegen in de zin van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen die bestaan op 1 september 2019, worden voor de toepassing van dit decreet geacht een gemeenteweg te zijn.” 9.
- Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat het gemeenteraadsbesluit van 22 februari 2022 en het bestreden ministerieel besluit betrekking hebben op een gedeelte van de in de Atlas der Buurtwegen opgenomen voetweg nr. 183, die een in artikel 85 van het gemeentewegendecreet bedoelde “buurtweg[…] in de zin van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen” is. 9.
- Daar niet blijkt dat de voetweg nr. 183 uiterlijk op 1 september 2019 afgeschaft was volgens de in de buurtwegenwet van X-18.346-7/9 10 april 1841 voorgeschreven procedure, is het een bestaande buurtweg in de zin van artikel 85 van het gemeentewegendecreet. Krachtens dit artikel wordt de voetweg nr. 183 geacht een gemeenteweg te zijn waarop het gemeentewegendecreet toepasselijk is. 9.
- Het “bestaan” van buurtwegen in de zin van artikel 85 van het gemeentewegendecreet is met andere woorden een juridisch bestaan. Noch de feitelijke aanwezigheid op het terrein, noch de vraag of de wegzate van de buurtweg – vanuit het oogpunt van het eigendomsrecht – verjaard zou zijn is ter zake relevant.
- De motivering van het bestreden ministerieel besluit (randnr. 3.5) kan niet anders worden begrepen dan dat de minister ervan uitgaat dat het haar op grond van artikel 25 van het gemeentewegendecreet toekomt om zich uit te spreken over de verjaring daar het “bestaan” van een buurtweg in de zin van artikel 85 van dit decreet bepaald wordt door het feit of de wegzate ervan – vanuit het oogpunt van het eigendomsrecht – al dan niet verjaard is. Die zienswijze van de minister is onjuist, daar zij voorbijgaat aan wat in het vorige randnummer is gesteld. Overigens leidt die zienswijze tot het absurde resultaat dat – als gevolg van de beweerde verjaring van de wegzate – geen enkele overheid – dus ook de verwerende partij niet – een beslissing over de betrokken buurtweg zou kunnen nemen omdat het gemeentewegendecreet niet toepasselijk zou zijn.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken van 12 oktober 2022 tot inwilliging van het beroep van de tussenkomende partij tegen het besluit van de gemeenteraad X-18.346-8/9 van de gemeente Overijse van 22 februari 2022 tot definitieve vaststelling van het rooilijnplan voor de verplaatsing van een deel van voetweg nr.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenentwintig februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.346-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.458 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.017 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.232 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div