id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.462 Rolnummer: A. 231546/X-18742 Zaak: Arrest 262462 - O.C.M.W. - 21/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-28 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-16 05:49 Fiche Arrest nr 262.462 van 21 februari 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Vernietiging heropening debatten Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 262.462 van 21 februari 2025 in de zaak A. 231.546/X-18.742 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jonas De Wit en Wouter Rubens kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : S.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Socquet kantoor houdend te 3000 Leuven Engels Plein 35 bus 107 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 13 augustus 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemeenteraad van XXXX van 28 mei 2020 houdende de aanstelling van S.B. als algemeen directeur. Met een op 18 oktober 2024 ingediend verzoekschrift vraagt de verzoeker de Raad van State om de verwerende partij te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding tot herstel. X-18.742-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 21 september 2020. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 januari 2025. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Angélique Van de Meirssche, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor verzoeker, advocaat Wouter Rubens, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Tom Socquet, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-18.742-2/15 III. Feiten 3.1. Naar luid van artikel 162, § 1, eerste lid, van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: het decreet lokaal bestuur) is er in elke gemeente een algemeen directeur die ten dienste staat van zowel de gemeente als het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) dat de gemeente bedient. Gelet op artikel 583, § 1, van het decreet lokaal bestuur heeft de gemeente de mogelijkheid om ofwel de titularissen van het ambt van gemeentesecretaris of van secretaris van het OCMW op te roepen om zich kandidaat te stellen voor het ambt van algemeen directeur, ofwel om ervoor te opteren onmiddellijk het ambt in te vullen door aanwerving of bevordering. Artikel 589, § 1, van het decreet lokaal bestuur schrijft voor dat de functiehouder die niet wordt aangesteld als algemeen directeur, wordt aangesteld hetzij als adjunct-algemeendirecteur, hetzij in een passende functie van niveau A. 3.2. Op 6 juli 2018 maken de tussenkomende partij, stadssecretaris van de stad XXXX, en verzoeker, secretaris van het OCMW van XXXX, in een consensusnota afspraken “met betrekking tot de ambtelijke invullingen vanaf 1 augustus 2018 naar aanleiding van de inwerkingtreding van het Decreet Lokaal Bestuur en met betrekking tot de verdere organisatie van de Lokale Besturen van XXXX”. Het hoofddoel bestaat erin 1° dat een OCMW-welzijnsvereniging wordt opgericht volgens een welbepaald organisatiemodel (Blue Sky), 2° dat de huidige OCMW-functiehouders daarin worden aangesteld en 3° dat de tussenkomende partij wordt aangesteld als algemeen directeur van de stad. Een en ander kadert “binnen een organisatiebrede en conflictvrije context”. Concreet wordt in de consensusnota in de eerste plaats gemikt op de oprichting van een publiekrechtelijke OCMW-welzijnsvereniging, met de naam Zorg- Experten- en Patrimoniumgroep (hierna: ZEP), waarin verzoeker de X-18.742-3/15 functie van algemeen directeur bij voorrang zal aangeboden krijgen met toepassing van artikel 589 van het decreet lokaal bestuur. Ook wordt in punt 11 van de consensusnota in een regeling voorzien voor het geval waarin de welzijnsvereniging niet ten laatste op 1 januari 2020 tot stand komt. Na een oproep tot de huidige functiehouders om zich kandidaat te stellen voor het ambt van algemeen directeur wordt dan als volgt gehandeld: “
- a)de beide functiehouders hebben zich kandidaat gesteld: er wordt een selectieprocedure georganiseerd met een schriftelijk en een mondeling deel waarvan de inhoud evenwicht[ig] is gespreid over de materies die in beide lokale besturen aan bod komen en dit met een waterdichte garantie op een objectief verloop. Alle verdere modaliteiten hiervan worden alsdan vastgesteld in een bijkomend te sluiten consensus tussen de huidige functiehouders om vervolgens voor goedkeuring te worden voorgelegd aan de gemeenteraad. Indien geen van beide functiehouders is geslaagd voor deze selectieprocedure wordt een nieuwe equivalente selectieprocedure georganiseerd tussen de beide functiehouders.
- b)er heeft zich slechts één functiehouder tijdig kandidaat gesteld: deze wordt met toepassing van artikel 583, §1, tweede lid, [decreet lokaal bestuur] aangesteld als algemeen directeur. Gelet op de verdiensten van de huidige functiehouders zal de gemeenteraad op het ogenblik van de definitieve aanstelling van een algemeen directeur, in toepassing van artikel 589, §1, [decreet lokaal bestuur] voorzien in de functie van een adjunct-algemeendirecteur, en deze functie aanbieden aan de functiehouder die niet tot algemeen directeur is aangesteld. Overeenkomstig artikel 175 [decreet lokaal bestuur] staat de adjunct-algemeen directeur de algemeen directeur bij in de vervulling van zijn ambt en vervangt hem in geval van afwezigheid of verhindering. Binnen dit decretale kader zal aan de functie-inhoud van de adjunct-algemeen directeur concreet invulling worden gegeven in een functiebeschrijving, waarbij rekening moet worden gehouden met de competenties en de belangstellingensfeer van het betrokken personeelslid. Om die redenen zal de functiebeschrijving in samenspraak met het betrokken personeelslid worden opgesteld en zijn instemming bekomen, bij gebreke waaraan op verzoek van betrokkene tot disponibiliteit wegens ambtsopheffing moet worden besloten aangezien er geen andere passende functie denkbaar is met een hogere of gelijke hiërarchische positie, expertiseniveau en representativiteitsgraad als deze van adjunct-algemeen directeur. […] Bij aanvaarding van deze functie van adjunct-algemeen directeur gebeurt dit met behoud van het dienstverband, de rechtspositieregeling en decretale waarborgen. […].” X-18.742-4/15 3.3.1. Op 19 juli 2018 verklaart de gemeenteraad van de stad XXXX de procedure in, en de inhoud van, de consensusnota te onderschrijven en tot de zijne te maken. Onder meer wordt goedgekeurd in artikel 8, § 1: “Indien ten laatste op 1 januari 2020 geen welzijnsvereniging overeenkomstig het organisatiemodel Blue Sky in werking is getreden […], treedt integraal de regeling in werking zoals uitgewerkt in punt 11 van de consensusnota.” En in artikel 10: “§1. In de situatie bedoeld in artikel 7, § 1 [lees: artikel 8, § 1], van huidig besluit, beslist de gemeenteraad om in toepassing van artikel 589, § 1, van het [decreet lokaal bestuur] de functie van adjunct-algemeen directeur in te richten. §2. Deze functie wordt beschikbaar op het ogenblik dat de gemeenteraad overgaat tot definitieve aanstelling van de algemeen directeur en kan, ten persoonlijke titel, worden opgenomen door de functiehouder die niet tot algemeen directeur is aangesteld.” 3.3.2. Van zijn kant beslist ook de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van XXXX op 24 juli 2018 onder meer (artikel 6, § 1): “Indien ten laatste op 1 januari 2020 geen welzijnsvereniging overeenkomstig het organisatiemodel Blue Sky in werking is getreden […], treedt integraal de regeling in werking zoals uitgewerkt in punt 11 van de consensusnota.” 3.4. Op 23 mei 2019 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn tot de oprichting van de welzijnsvereniging ZEP. De beslissing wordt evenwel door de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding niet goedgekeurd op 23 augustus 2019. X-18.742-5/15 Daarop beslist de raad voor maatschappelijk welzijn op 28 november 2019 geen aangepast dossier tot oprichting van een welzijnsvereniging ZEP te zullen indienen. Verzoeker stelt tegen die beslissing op 22 januari 2020 een annulatieberoep in gekend onder nr. A. 230.040/IX-9674. Bij arrest nr. 253.356 van 24 maart 2022 verleent de Raad van State verzoeker akte van de afstand van dit beroep. 3.5. Op 20 februari 2020 beslist de gemeenteraad van de stad XXXX om “de voormalige secretarissen op te roepen zich kandidaat te stellen binnen een termijn van dertig dagen na oproeping voor het ambt van algemeen directeur”. Overwogen wordt, onder meer, dat het “niet verantwoord noch aangewezen is om de eerdere tijdelijke bevriezing van de procedure verder aan te houden” en ”dat wordt tegemoet gekomen aan de vraag om de verdere procedure slechts te bepalen zodra zicht bestaat op het aantal kandidaturen”. Zowel verzoeker als de tussenkomende partij worden vervolgens uitgenodigd om te kandideren voor het nieuwe ambt van algemeen directeur. 3.6. Met een brief van 27 maart 2020 bericht de stad XXXX aan de tussenkomende partij en verzoeker dat zij de eerdere besluitvorming van 19 juli 2018 en 24 juli 2018 zal herbekijken “in het licht van de sindsdien gewijzigde omstandigheden”. Gevraagd wordt naar hun standpunt over het eerdere consensusvoorstel van 6 juli 2018. Verzoeker antwoordt op 27 april 2020 dat aangezien overeenkomsten tot wet strekken, hij geen standpunt mag ontwikkelen dat afwijkt van de consensusnota, en dat zijn beroep bij de Raad van State noodzakelijk was om de overeenkomst van 6 juli 2018 te goeder trouw tot uitvoer te brengen. De tussenkomende partij van haar kant antwoordt, ook op 27 april 2020, dat het X-18.742-6/15 vasthouden van verzoeker, als enige, aan de oprichting van een welzijnsvereniging volgens het Blue Sky-model en zijn onderhuidse verzet tegen de totstandkoming van de nieuwe geïntegreerde organisatiestructuur lokaal bestuur niet strookt met “de door de consensusnota vereiste loyale uitvoering”. Zij zegt zichzelf niet meer gebonden te achten door de nota. 3.7. Zowel verzoeker als de tussenkomende partij dienen begin april 2020 hun kandidatuur voor het ambt van algemeen directeur in. 3.8. Op 28 mei 2020 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn zijn eerdere raadsbesluit van 24 juli 2018 te wijzigen nu het organisatiemodel Blue Sky dat in de consensusnota van 6 juli 2018 werd uitgewerkt, geen integrale uitvoering kan verkrijgen. Artikel 6, § 1, wordt vervangen door: “Indien ten laatste op 1 januari 2020 geen welzijnsvereniging overeenkomstig het organisatiemodel Blue Sky in werking is getreden of indien de aanstelling van [tussenkomende partij] als algemeen directeur van deze welzijnsvereniging niet is gebeurd en definitief uitvoerbaar is, komt het soeverein aan de gemeenteraad toe om de verdere procedure tot invulling van het ambt van algemeen directeur te bepalen.” Zelf beslist de gemeenteraad op 28 mei 2020, in artikel 4 van een besluit “met betrekking tot verdere organisatie stad en OCMW XXXX (consensusnota)”, zijn eerdere gemeenteraadsbeslissing van 19 juli 2018 te wijzigen als volgt: “- Artikel 8, § 1 wordt vervangen als volgt: Indien ten laatste op 1 januari 2020 geen welzijnsvereniging overeenkomstig het organisatiemodel Blue Sky in werking is getreden of indien de aanstelling van [tussenkomende partij] als algemeen directeur van deze welzijnsvereniging niet is gebeurd en definitief uitvoerbaar is, komt het soeverein aan de gemeenteraad toe om de verdere procedure tot invulling van het ambt van algemeen directeur te bepalen. - Artikel 10 wordt vervangen als volgt: Nadat een algemeen directeur werd aangesteld, zal de niet aangestelde functiehouder secretaris overeenkomstig artikel 589, § 1 van het Decreet Lokaal Bestuur aangesteld worden in een nieuwe functie. Hierover zal deze functiehouder worden gehoord.” X-18.742-7/15 Tegen deze beslissingen stelt verzoeker tevens een annulatieberoep in, gekend onder het nr. A. 231.211/X-18.383. 3.9. Eveneens op 28 mei 2020 beslist de gemeenteraad om de tussenkomende partij aan te stellen als algemeen directeur, dit onder verwijzing naar de in randnummer 3.8 laatstvermelde beslissing: “Door de gemeenteraad werd in het oproepingsbesluit van 20 februari 2020 bewust de mogelijkheid voorbehouden om, indien twee kandidaturen zouden worden ontvangen, bijkomende proeven in te lassen teneinde de voorgeschreven vergelijking van titels en verdiensten aanvullend te toetsen. [. . .] Aangezien enerzijds kan worden vastgesteld dat beide kandidaten een voldoende gestoffeerde kandidatuur indienden die een zorgvuldige en concrete vergelijking mogelijk maakt, terwijl anderzijds na zorgvuldige afweging en vergelijking blijkt dat tot een gemotiveerde keuze en beslissing kan worden gekomen, komt het inplannen van bijkomende procedures of onderdelen overbodig voor. Bijkomend werd vanwege de OCMW-secretaris als één van de kandidaten, per brief van 18 februari 2020 en 26 maart 2020 gewezen op het eerdere gemeenteraadsbesluit van 19 juli 2018, waarin voorzien werd dat na activering van de procedure tot invulling van het ambt van algemeen directeur een nieuwe consensus omtrent de te volgen procedure zou worden gesloten. Aangedrongen wordt hierin om een bijkomende procedure te organiseren met mondelinge en schriftelijke proeven op aangeven van beide kandidaten die hierover gezamenlijk een voorstel zouden formuleren. Gezien dit eerdere raadsbesluit van 19 juli 2018 bij besluít van 28 mei 2020 werd vervangen omwille van diverse draagkrachtige motieven, onder meer op dit punt, dient hieraan geen gevolg gegeven te worden. Volledigheídshalve en minstens wordt opgemerkt, naast bovenstaande vaststelling dat bijkomende proeven niet noodzakelijk worden bevonden, dat de verzochte werkwijze niet kan worden aangehouden om volgende redenen.[. . .]” Dit is de thans bestreden beslissing. 3.10. Op 12 november 2020 wordt verzoeker door het vast bureau van het OCMW aangesteld in de “passende functie” van directeur privaat patrimonium, op niveau A4. X-18.742-8/15 Ook tegen deze beslissing heeft verzoeker een annulatieberoep ingesteld, gekend onder nr. A. 232.699/IX 9825. 3.11. Op 3 november 2023 beslist het OCMW van XXXX verzoeker om dringende reden te ontslaan, met toepassing van het decreet van 16 juni 2023 ’tot wijziging van het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid’ (hierna: ontslagdecreet). 3.12. Bij arrest nr. 260.153 van 18 juni 2024 (in de zaak A. 231.211/X-18.383) vernietigt de Raad van State artikel 4 van het in randnummer 3.8 vermelde gemeenteraadsbesluit van 28 mei 2020 “in zoverre het in artikel 8, § 1, van het besluit van de […] gemeenteraad van 19 juli 2018 het voorschrift ongedaan maakt dat, met het oog op de invulling van het ambt van algemeen directeur, een selectieprocedure met een schriftelijk en een mondeling deel wordt georganiseerd waarvan de inhoud evenwichtig gespreid is over de materies die in de stad en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan bod komen”. IV. Ontvankelijkheid- Belang Standpunt van de verwerende partij 4.1. In hun laatste memories betogen de verwerende partij en de tussenkomende partij dat het vast bureau van het OCMW verzoeker op 3 november 2023 om dringende reden heeft ontslagen, met toepassing van het ontslagdecreet. Zij betogen dat verzoeker hierdoor zonder actueel belang is. De hoedanigheid van verzoeker als statutair personeelslid werd immers “definitief, vaststaand en onherroepelijk beëindigd”. Indien hij zijn ontslag zou willen aanvechten, moet hij zich wenden tot de arbeidsgerechten, die uitsluitend een opzeggingsvergoeding en eventueel een bijkomende schadevergoeding kunnen toekennen. Verzoeker kan onmogelijk nog terugkeren als personeelslid en aangesteld worden tot (adjunct-) algemeen directeur. X-18.742-9/15 4.2. De verwerende partij wijst er in haar laatste memorie ook op dat, zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat er, na een gebeurlijke vernietiging, zou moeten worden teruggevallen op de originele consensusnota, een “bijkomend te sluiten consensus” tussen verzoeker en de tussenkomende partij over de modaliteiten van de te organiseren selectieprocedure is vereist. Volgens de verwerende partij is dit “onmogelijk”. 4. 3. De verwerende en de tussenkomende partij betogen voorts dat het verzoekschrift tot vernietiging uitdrukkelijk aangeeft dat het is gericht op een nieuwe kans om aangesteld te kunnen worden. Waar verzoeker volgens de verwerende en de tussenkomende partij op geen enkele wijze nog een betrekking als algemeen directeur beoogt, is het volgens hen niet geoorloofd om de grenzen die verzoeker aldus zelf aan zijn belang heeft gesteld, in de loop van de procedure uit te breiden. 4.4. De tussenkomende partij beklemtoont nog dat het belang om de bestreden beslissing onwettig te zien verklaren met het oog op een schadevergoedingsprocedure niet het rechtens vereiste belang oplevert. Beoordeling 5. De thans bestreden beslissing vormt het eindpunt van een complexe rechtshandeling. Eerder heeft de Raad van State in zijn arrest nr. 260.153 van 18 juni 2024 reeds besloten tot de vernietiging van de voorbeslissing dat “het voorschrift ongedaan maakt dat, met het oog op de invulling van het ambt van algemeen directeur, een selectieprocedure met een schriftelijk en een mondeling deel wordt georganiseerd waarvan de inhoud evenwichtig gespreid is over de materies die in de stad en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan bod komen” (zie randnr. 3.11). X-18.742-10/15 6. De Raad van State heeft het belang van verzoeker in het voormelde arrest nr. 260.153 als volgt beoordeeld: “17. Met de bestreden beslissing komt de verwerende partij, volgens verzoeker wederechtelijk, terug op eerdere beslissingen overeenkomstig een consensusnota tussen hem en de tussenkomende partij. In zoverre hier relevant, gaat het om de regeling tot selectie van de algemeen directeur ingeval per 1 januari 2020 geen welzijnsvereniging is opgericht, en om de inrichting en beschikbaarstelling van de functie van adjunct-algemeendirecteur voor wie niet tot algemeen directeur wordt aangesteld. Van de oorspronkelijke bepalingen wordt afgestapt – mede – om reden van wat, kort gezegd, als verzoekers moeilijke, dwarse houding is beschouwd. In de memorie van antwoord wordt in dit verband gesproken van verschillende eigengereide demarches van verzoeker, van zijn uiterst gratuite bewering dat zijn demarches niet de onderlinge verstandhouding met de tussenkomende partij hebben aangetast en dat beiden zich maar professioneel moeten gedragen, van zijn flagrante ontkenning van de ernst van zijn oncollegiale stappen, waarmee hij ‘andermaal een loopje [neemt] met de realiteit waarin de onderlinge verstandhouding weldegelijk (fors) werd verstoord’. 18. De verwerende partij kan dan ook niet gevolgd worden wanneer zij in de toelichtende nota betoogt dat ‘in de bestreden beslissing […] geen enkel odium gelegd [wordt] op verzoekende partij’. Zij is des te meer ongeloofwaardig nu zij tegelijk, in dezelfde toelichtende memorie, bepleit dat twee recente verslagen van IDEWE (externe dienst voor preventie en bescherming op het werk), uit 2023, toegelaten zouden moeten worden in de procedure omdat ze beweerdelijk bevestigen ‘dat de motieven waarop de bestreden beslissing berust, alsook waarom diende teruggekomen te worden op de adjunctenfunctie als terugvaloptie, wel degelijk bestaande en correct waren’. Namelijk zouden ze duidelijk maken ‘dat verzoekende partij niet enkel met tussenkomende partij, maar met nagenoeg iedereen binnen het lokale bestuur XXXX een (ernstig) bezwaarde verstandhouding had, ingevolge zijn gedragingen, houdingen, acties, …’ 19. Aangenomen wordt dat de motieven voor de bestreden beslissing en de eventuele onwettigheid ervan voor verzoeker een speciaal krenkend karakter vertonen en dat hij er dan ook een moreel belang bij heeft om de beslissing, op die grond, te doen vernietigen. Het mag waar zijn dat verzoeker met een vernietiging van de aanpassingen die hij met zijn beroep bestrijdt, initieel meer op het oog had dan louter die morele genoegdoening. Het betekent echter niet dat, voor zoveel door zijn ontslag nog alleen deze morele genoegdoening bereikbaar zou zijn, dit moreel belang zijn oorspronkelijk belang te buiten gaat en nieuw zou zijn. Geredelijk mag verondersteld worden dat het beroep er altijd mee toe gestrekt heeft de bestreden beslissing te doen vernietigen omdat de ondeugdelijke redenen waarop ze volgens verzoeker berust, voor hem meer dan gewoon grievend zijn. X-18.742-11/15 20. Concluderend blijkt dat verzoeker alleszins een actueel moreel belang heeft overgehouden bij de vernietiging van de bestreden beslissing. In dit licht wordt met betrekking tot verzoekers belang te dezen geen verdere aandacht en onderzoek besteed aan het feit, en de mogelijke gevolgen ervan, dat hij (en anderen) aan het Grondwettelijk Hof de vernietiging heeft gevraagd van het ontslagdecreet, dat hij heeft aangekondigd zijn ontslag om dringende reden te zullen betwisten bij de bevoegde arbeidsrechtbank, en dat hij, nog vóór de sluiting van het debat te dezen, bij de Raad van State een vordering tot schadevergoeding tot herstel heeft ingesteld.” 7. De Raad van State ziet geen redenen om in deze zaak een ander standpunt in te nemen. Uit de motivering van de bestreden beslissing (zie randnr. 3.9) blijkt onmiskenbaar dat deze niet los kan worden gezien van de voorbeslissing die de Raad van State in zijn arrest nr. 260.153 van 18 juni 2024 heeft vernietigd. Zo wordt uitdrukkelijk overwogen dat geen gevolg moet worden gegeven aan de vraag van verzoeker “om een bijkomende procedure te organiseren met mondelinge en schriftelijke proeven […] gezien dit eerdere raadbesluit van 19 juli 2018 bij besluit van 28 mei 2020 werd vervangen”. Bovendien werden beide beslissingen op dezelfde dag genomen. Het “speciaal krenkend motief” waardoor de bij arrest nr. 260.153 van 18 juni 2024 vernietigde beslissing is aangetast, kleeft dan ook aan de beslissing die in het kader van deze procedure wordt aangevochten. 8. Dat verzoeker reeds eerder de vernietiging van de kwestieuze voorbeslissing heeft verkregen, betekent niet dat hij globaal reeds een afdoende morele genoegdoening heeft verkregen, en dat dit de vernietiging van de er onlosmakelijk mee verbonden (eind)beslissing niet meer zou kunnen verantwoorden. 9. In de mate dat de verwerende partij opwerpt dat de verwijzing naar het moreel belang van verzoeker een “eigengereide en eenzijdige” uitbreiding X-18.742-12/15 ervan in de loop van de procedure inhoudt, kan, onder verwijzing naar het bovenvermelde arrest nr. 260.153, enkel worden herhaald dat “[g]eredelijk mag verondersteld worden dat het beroep er altijd mee toe gestrekt heeft de bestreden beslissing te doen vernietigen omdat de ondeugdelijke redenen waarop ze volgens verzoeker berust, voor hem meer dan gewoon grievend zijn.” 10. Het besluit is dat de verzoeker nog steeds een belang heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing. V. De middelen Samenvatting van het tweede middel 11. In het tweede middel voert verzoeker aan dat de verwerende partij met de bestreden beslissing de eerder vastgestelde procedure voor de aanstelling van de algemeen directeur heeft geschonden, hetgeen onder meer een miskenning uitmaakt van het beginsel patere legem quam ipse fecisti. Hij betoogt meer bepaald dat de verwerende partij is voorbijgegaan aan de verplichting om een selectie te organiseren “die moet bestaan uit ten minste één selectietechniek en een test die de management- en leiderschapscapaciteiten van de kandidaten toetst”. Beoordeling 12. In het arrest nr. 260.153 van 18 juni 2024 heeft de Raad van State geoordeeld dat de verwerende partij geen aanvaardbaar motief had om de keuze los te laten voor een “selectieprocedure […] met een schriftelijk en een mondeling deel waarvan de inhoud evenwicht[ig] is gespreid over de materies die in beide lokale besturen aan bod komen en dit met een waterdichte garantie op een objectief verloop”. Om die reden werd besloten tot de vernietiging van het ongedaan maken van het voorschrift dat, met het oog op de invulling van het ambt van X-18.742-13/15 algemeen directeur, een selectieprocedure met een schriftelijk en een mondeling deel wordt georganiseerd. 13. De thans bestreden beslissing tot aanstelling van S.B. als algemeen directeur werd genomen zonder dat deze door een dergelijke selectieprocedure is voorafgegaan. Aldus werd minstens het beginsel patere legem quam ipse fecisti miskend. 14. Het tweede middel is in die mate gegrond. VI. Verzoek tot schadevergoeding tot herstel 15. Verzoeker heeft tijdens de procedure tot nietigverklaring een verzoek tot schadevergoeding tot herstel ingediend. Luidens artikel 25/3, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ wordt het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel dat is ingediend tijdens de procedure tot nietigverklaring, uitgesteld tot aan het arrest dat een definitieve uitspraak doet over het beroep tot nietigverklaring. 16. Aangezien de onwettigheid van de bestreden beslissing werd vastgesteld, is er reden om het debat te heropenen voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de gemeenteraad van XXXX van 28 mei 2020 houdende de aanstelling van S.B. als algemeen directeur. 2. De Raad van State heropent het debat voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. X-18.742-14/15 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. 4. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt noch de identiteit van verzoeker, noch die van de verwerende partij bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenentwintig februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.742-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.462 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div