← België

Arrest 262484 - Overheidsopdrachten - 26/02/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.484 Rolnummer: A. 244063/XIV-39729 Zaak: Arrest 262484 - Overheidsopdrachten - 26/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-27 Raadplegingen: 140 - laatst gezien 2026-06-18 12:46 Fiche Arrest nr 262.484 van 26 februari 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 262.484 van 26 februari 2025 in de zaak A. 244.063/XIV-39.729 In zake: de NV D.D.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rika Heijse kantoor houdend te 9052 Gent Dorpsstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte De Wolf kantoor houdend te 9000 Gent Fortlaan 95 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 30 januari 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “- de beslissing van ongekende datum van AWV, waarbij een nieuwe dienstverlener is aangesteld voor de uitvoering van de opdracht voor ‘perceel 6 – E17 Midden’ van het Project F.A.S.T., Incidentafhandeling op de autosnelwegen in Provincie Oost-Vlaanderen, op autosnelweg A10 (E40), A14 (D17), A11 (E34) en R
  2. Takelen en afvoeren van voertuigen met Maximaal Toegelaten Massa (MTM) - de beslissing van ongekende datum van AWV, tot opstart van een gunningsprocedure voor perceel 6 -E17 midden, met vastlegging van besteksvoorwaarden en waarbij beslist werd om geen offerte te vragen aan XIV-39.729-1/14 [de verzoekende partij] voor de uitvoering van perceel 6 – E17 midden van het project F.A.S.T; - de beslissing van ongekende datum van AWV, waarbij een nieuwe dienstverlener is aangesteld voor de uitvoering van de opdracht voor ‘perceel 7 – E17 Noord’ van het Project F.A.S.T., Incidentafhandeling op de autosnelwegen in Provincie Oost-Vlaanderen, op autosnelweg A10 (E40), A14 ([E]17), A11 (E34) en R
  3. Takelen en afvoeren van voertuigen met Maximaal Toegelaten Massa (MTM) - de beslissing van ongekende datum van AWV, tot opstart van een gunningsprocedure voor perceel 7 -E17 Noord, met vastlegging van besteksvoorwaarden beslist werd om geen offerte te vragen aan [de verzoekende partij] voor de uitvoering van ‘perceel 7 – E17 Noord’ van het Project F.A.S.T., Incidentafhandeling op de autosnelwegen in Provincie Oost-Vlaanderen, op autosnelweg A10 (E40), A14 (D17), A11 (E34) en R
  4. Takelen en afvoeren van voertuigen met Maximaal Toegelaten Massa (MTM) II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij beschikking van 5 februari 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 februari 2025 om 11:00 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rika Heijse, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Carlos De Wolf, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. XIV-39.729-2/14 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Het Vlaamse Gewest, Agentschap Wegen en Verkeer van de provincie Oost-Vlaanderen (hierna: AWV), schrijft een overheidsopdracht van diensten uit voor het sluiten van een raamovereenkomst voor incidentafhandeling op de autosnelwegen in de provincie Oost-Vlaanderen. De opdracht kadert in het project F.A.S.T., “Files Aanpakken door Snelle Tussenkomst” en bestaat in het takelen van voertuigen en het signaleren van verkeersbelemmeringen op de autosnelwegen E40, E17, E34 en R
  8. Ze heeft enkel betrekking op voertuigen met een maximaal toegelaten massa (MTM) ≤ 3,5 ton. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 14 april 2020 en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie van 17 april
  9. De opdracht is onderworpen aan het bestek met nummer 1M3D8H/20/8-X40/D400/65 ‘Project F.A.S.T., Incidentafhandeling op de autosnelwegen in Provincie Oost-Vlaanderen, op autosnelweg A10 (E40), A14 (E17), A11 (E34) en R
  10. Takelen en afvoeren van voertuigen met Maximaal Toegelaten Massa (MTM) ≤ 3,5 ton’. De opdracht bestaat uit negen percelen, die elk een verschillend actiegebied bestrijken. Het voorliggende beroep heeft enkel betrekking op eensdeels perceel 6, ‘E17 midden’ van het project F.A.S.T en anderdeels perceel 7, ‘E17 Noord’. Perceel 6 3.
  11. Voor perceel 6 werden drie offertes ingediend, onder meer door de verzoekende partij. XIV-39.729-3/14 Op 15 september 2020 beslist AWV om de offerte van de verzoekende partij voor “perceel 6 – E17 Midden” van de opdracht als onregelmatig te weren en de opdracht voor dat perceel te gunnen aan de bv D.G. Het contract onder de vorm van een raamovereenkomst met een maximale looptijd van vier jaar wordt gesloten op 10 december
  12. De aanvangsdatum van de opdracht wordt vastgesteld op 15 januari
  13. 3.
  14. Bij arrest nr. 260.322 van 28 juni 2024 (ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.322) wordt de gunningsbeslissing van 15 september 2020 inzake de gunning van perceel 6 vernietigd. Daarbij werd geoordeeld “dat de verwerende partij niet aantoont dat zij de in het bestek bepaalde maximale eenheidsprijzen zorgvuldig heeft vastgesteld, en meer in het bijzonder dat zij niet aantoont dat zij zich ervan vergewist heeft dat die prijzen realistische prijzen zijn, die het voor de inschrijvers mogelijk maken om de opdracht met een normale rentabiliteit uit te voeren.” De vordering tot schadevergoeding tot herstel ingediend door de verzoekende partij is gekend onder het rolnummer G/A 242.852/XIV-39.630 en is hangende. 3.
  15. Bij het einde van de raamovereenkomst wordt de uitvoering ervan voortgezet door een dienstverlener uit een aanpalend/naburig perceel. Een en ander wordt geformaliseerd met een bijakte van 14 februari 2025, waarbij de raamovereenkomst betreffende perceel 6 wordt verlengd, met name van 15 januari 2025 tot en met 31 juli 2025 en de dienstverlener, met name de bv D.G., met ingang van 15 januari 2025 wordt vervangen door D.L., “zijnde de dienstverlener betreffende een aanpalend/naburig perceel”, op grond van de volgende overwegingen: “-Dat er zich onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan waardoor het Agentschap Wegen en Verkeer, als zorgvuldige aanbesteder, niet kon voorzien in de tijdige opstart van een plaatsingsprocedure met als voorwerp het aanstellen van een dienstverlener voor incidentafhandeling op het grondgebied van de E17 Midden in de provincie Oost-Vlaanderen vanaf 1 november 2024; XIV-39.729-4/14 - Dat de gunning van de nieuwe overheidsopdracht bijgevolg nog niet heeft kunnen plaatsvinden; - Dat de continuïteit van de openbare dienstverlening in deze regio’s evenwel gewaarborgd dient te worden; - Dat reeds op 31 oktober 2024 en 6 november 2024 met een bijakte de looptijd van de raamovereenkomsten voor perceel 2 en perceel 8 van de opdracht met negen

(9)maanden werd verlengd, m.n. tot en met 31 juli 2025; - Dat binnen de huidige raamovereenkomst nog voldoende financiële middelen beschikbaar zijn voor deze wijziging houdende een beperkte verlenging van de looptijd van de raamovereenkomst tot en met 31 juli 2025; - Dat de tijdelijke verlenging van de raamovereenkomst is gesteund op artikel 38/2 van het Koninklijk Besluit van 14 januari 2013, namelijk: o 1° De wijziging is het noodzakelijk gevolg van omstandigheden die een zorgvuldige aanbesteder redelijkerwijze niet kon voorzien; o 2° De wijziging brengt geen verandering in de algemene aard van de opdracht of de raamovereenkomst; o 3° De prijsverhoging die het gevolg is van deze wijziging niet hoger is dan vijftig procent van de waarde van de oorspronkelijke opdracht of raamovereenkomst. - Dat ten overvloede tevens artikel 38/4 van het Koninklijk Besluit van 14 januari 2013 als rechtsgrond kan worden ingeroepen, nu de wijziging voldoet aan de in het eerste lid van voormeld artikel 38/4 opgenomen drempelbedragen. - Dat, gelet op de bestaande uitvoeringsrisico’s en de mogelijke aanzienlijke gevolgen betreffende een nog steeds hangende gerechtelijke betwisting, werd gekozen voor de vervanging van de opdrachtnemer; - Dat, bijgevolg, voor de dienstverlening voor de verlengde duur van de raamovereenkomst een beroep wordt gedaan op de dienstverlener uit een aanpalend/naburig perceel, zijnde de onderneming [D.L.]; - Dat deze wijzigingsbeslissing, met als grondslag artikel 38/3, 1° van het Koninklijk Besluit van 14 januari 2013, de uitvoering vormt van volgende bepalingen van het bijzonder bestek 1M3D8H/20/8, met name: o Punt 3.1.5 van de technische bepalingen (pagina 57), waarin wordt bepaald dat in geval van overmacht een FAST-dienstverlener van een aanpalend/naburig perceel kan worden ingezet; o Punt 3.2.1 van de technische bepalingen (pagina 58), waarin wordt vermeld dat een dienstverlener die op een naburig perceel diensten verleent, de bepalingen met betrekking tot de aanrijtijden zo goed mogelijk dient te respecteren.” Perceel 7 3.5. Voor perceel 7 werden twee offertes ingediend. De verzoekende partij heeft geen offerte ingediend. XIV-39.729-5/14 Op 15 september 2020 beslist AWV het “perceel 7 – E17 NOORD” van de opdracht te gunnen aan de bv D.G. Uit de sluitingsbrief zoals toegevoegd aan het administratief dossier blijkt dat het contract onder de vorm van een raamovereenkomst met een maximale looptijd van vier jaar wordt gesloten op 10 december 2020, waarbij de aanvangsdatum van de opdracht wordt vastgesteld op 15 december 2020. 3.6. Bij arrest nr. 262.019 van 17 januari 2025 (ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.019) wordt, op verzoek van de enige andere inschrijver voor dit perceel, de gunningsbeslissing van 15 september 2020 inzake de gunning van perceel 7 vernietigd op dezelfde grond als hoger reeds aangehaald onder punt 3.3. 3.7. Bij het einde van de raamovereenkomst wordt de uitvoering ervan voortgezet door een dienstverlener uit een aanpalend/naburig perceel. Een en ander wordt geformaliseerd met een bijakte van 12 februari 2025 waarbij de raamovereenkomst betreffende perceel 7 wordt verlengd met 9 maanden, met name van 1 november 2024 tot en met 31 juli 2025 en de opdrachtnemer, met name de bv D.G., met ingang van 1 november 2024 wordt vervangen door V.E., “zijnde de dienstverlener betreffende een aanpalend/naburig perceel”. De gronden hiervoor zijn dezelfde als hiervoor onder punt 3.4. aangehaald inzake perceel 6. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken 4. Beide partijen vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken. Met een e-mailbericht van 14 februari 2025 heeft de verzoekende partij gevraagd om het vertrouwelijk karakter op te heffen van de in het administratief dossier als vertrouwelijk stuk neergelegde bijakten, desgevallend gedeeltelijk met vrijwaring van vertrouwelijke prijsgerelateerde informatie, zodat zij kennis kan nemen van de motieven voor de verlenging van de betrokken percelen van de raamovereenkomst. XIV-39.729-6/14 Nadat zij door het auditoraat werd gevraagd om een niet vertrouwelijke versie over te leggen van de bijakten voor de percelen 6 en 7, heeft de verwerende partij de bijakten voor deze percelen toegevoegd als niet vertrouwelijk stuk van het administratief dossier. Het verzoek tot het lichten van het vertrouwelijk karakter van de bijakten voor de percelen 6 en 7 is dan ook zonder voorwerp geworden. 5. Wat de overige stukken betreft waarvan de vertrouwelijkheid wordt verzocht zijn er, na de neerlegging van de bijakten voor de percelen 6 en 7 als niet vertrouwelijk stuk, geen gronden meer aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. V. Voorwerp van de vordering en rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen 6. De verzoekende partij richt haar vordering tegen de beslissingen van ongekende datum van de verwerende partij waarbij een nieuwe dienstverlener wordt aangesteld voor de uitvoering van de percelen 6 en 7 van de voormelde opdracht, evenals tegen de beslissingen van ongekende datum van de verwerende partij tot opstart van een gunningsprocedure voor de percelen 6 en 7, met vastlegging van bestekvoorwaarden en waarbij beslist werd om geen offerte te vragen aan de verzoekende partij. Zij doet daaromtrent gelden dat de verwerende partij tot op heden geen aankondiging heeft verricht inzake een nieuwe overheidsopdracht voor de gunning van de voormelde takeldiensten op het grondgebied van de percelen 6 en 7, waarin zij gelet op haar geografische ligging geïnteresseerd is, en dat zij via geruchten heeft vernomen dat de verwerende partij een onderhandse overeenkomst zou hebben gesloten met andere dienstverleners. XIV-39.729-7/14 De huidige situatie impliceert volgens haar dat de takeldiensten voor perceel 6 en 7 zijn gegund, hetzij via een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking (artikel 42, § 1, 1°, a), van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016), hetzij via een aangenomen factuur voor een overheidsopdracht van beperkte waarde (artikel 92 van de wet van 17 juni 2016). 7. De verwerende partij betoogt dat er geen “beslissingen” voorliggen zoals door de verzoekende partij aangevoerd, zodat de ingestelde vordering zonder voorwerp is. Er is volgens haar enkel sprake van wijzigingen die op wettige wijze tijdens de uitvoering van de opdracht voor alle percelen, waaronder ook de percelen 6 en 7, werden doorgevoerd. De verwerende partij werpt in dat verband ook een exceptie van gebrek aan rechtsmacht op. Voor beide percelen gaat het volgens haar immers om een wijziging in de uitvoeringsfase van de raamovereenkomst, bestaande uit:
  1. a)een beperkte verlenging van de looptijd van de raamovereenkomsten op grond van artikel 38/2 (onvoorzienbare omstandigheden in hoofde van de aanbesteder) en, ondergeschikt, artikel 38/4 (De minimis- regel) van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 ‘tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten’ (hierna: koninklijk besluit van 14 januari 2013) en,
  2. b)de vervanging van de initiële opdrachtnemer betreffende de beide raamovereenkomsten met als rechtsgrond artikel 38/3, 1°, van het koninklijk besluit van 14 januari 2013, zoals geconcretiseerd in het bestek onder randnummers 3.1.5. en 3.2.1. van dat bestek. Zij doet gelden dat, onverminderd de vernietiging van de gunningsbeslissingen betreffende de percelen 6 en 7 van de opdracht, de gesloten raamovereenkomsten rechtsgeldig bestaan. Bijgevolg kunnen op een rechtsgeldige wijze ook wijzigingen aan de bepalingen van deze raamovereenkomsten worden XIV-39.729-8/14 aangebracht, met toepassing van de geldende uitvoeringsvoorwaarden zoals opgenomen in het koninklijk besluit van 14 januari 2013 en het bestek. Het komt daarbij aan de burgerlijke rechtbanken toe om te beoordelen of de aangebrachte wijzigingen de wettigheidstoets kunnen doorstaan. 8. De verzoekende partij repliceert ter terechtzitting dat de exceptie van gebrek aan rechtsmacht niet opgaat omdat het te dezen niet gaat om afspraken tussen de verwerende partij en de zittende dienstverlener, die de dienstverlening immers heeft stopgezet. Zij stelt vast dat de verwerende partij steunt op een foute interpretatie van de algemene uitvoeringsregels vervat in het koninklijk besluit van 14 januari 2013 en de door de verwerende partij aangehaalde bepalingen van het bestek om de huidige situatie te verantwoorden. Daarbij kan er volgens haar niet zonder meer van worden uitgegaan dat de twee raamovereenkomsten zijn blijven bestaan en dat er geen herstelplicht rust op het bestuur ingevolge de voormelde arresten van de Raad van State. Volgens de verzoekende partij bevindt de verwerende partij zich in een situatie van “ongeldige contracten”, die desondanks “worden verdergezet”. 9. De verwerende partij doet ter terechtzitting nog gelden dat de vordering tot schorsing ingesteld tegen de gunningsbeslissingen van 15 september 2020 inzake de percelen 6 en 7 van de opdracht werd verworpen zodat de raamovereenkomsten overeenkomstig artikel 11 van de wet van 17 juni 2013 rechtsgeldig konden worden gesloten. Zij wijst er ook op dat de opdracht, zodra die is gesloten, niet meer geschorst of onverbindend kan worden verklaard door de verhaalinstantie, welke die ook zij. Er rest volgens haar dan ook enkel de mogelijk-heid tot schadevergoeding. De verzoekende partij kan volgens haar dan ook niet worden gevolgd waar zij stelt dat de raamovereenkomsten onwettig zouden zijn geworden door de vernietiging van de gunningsbeslissingen voor de percelen 6 en 7 door de Raad van State. Deze vernietigingsarresten laten de raamovereenkomsten onaangetast. Als de overeenkomst blijft bestaan, blijven volgens haar ook de uitvoeringsbepalingen bestaan. Er moeten wel takeldiensten blijvend worden verzorgd om de continuïteit van de openbare dienstverlening in deze regio’s te waarborgen in afwachting van de vaststelling van nieuwe XIV-39.729-9/14 bestekbepalingen, rekening houdend met de inmiddels tussengekomen vernietigingsarresten van de Raad van State. Beoordeling 10. De verzoekende partij richt haar vordering niet alleen tegen de beslissingen van ongekende datum van de verwerende partij waarbij een nieuwe dienstverlener werd aangesteld voor de uitvoering van de percelen 6 en 7 van de voormelde opdracht (eerste en derde bestreden beslissing), maar ook tegen de beslissingen van ongekende datum van de verwerende partij tot opstart van een gunningsprocedure voor de percelen 6 en 7, met vastlegging van bestekvoorwaarden en waarbij beslist werd om geen offerte te vragen aan de verzoekende partij (tweede en vierde bestreden beslissing). 11. Wat de tweede en vierde bestreden beslissing betreft, lijken zulke beslissingen op het eerste gezicht niet te bestaan. Een beslissing van een aanbestedende instantie waarvan het bestaan niet is aangetoond, lijkt geen voorwerp van een beroep tot nietigverklaring te kunnen zijn en bijgevolg evenmin van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging. Te dezen doet het administratief dossier er op het eerste gezicht immers niet van blijken dat de “aanstelling” van een nieuwe dienstverlener voor de percelen 6 en 7 de resultante zou zijn van enige uitdrukkelijke of impliciete wilsuiting van de verwerende partij om een nieuwe gunningsprocedure, onder welke vorm dan ook en met als voorwerp dezelfde takeldiensten als omschreven onder de percelen 6 en 7, op te starten. Wel integendeel blijkt uit aanvullende informatie verstrekt door de verwerende partij dat na tussenkomst van het arrest van de Raad van State van 28 juni 2024, nr. 260.322, waarbij de gunningsbeslissing inzake perceel 6 werd vernietigd, de lopende plaatsingsprocedures voor de nieuw te gunnen opdracht werden stopgezet teneinde de administratieve en technische bepalingen in heroverweging te nemen in het licht van dit arrest. Zij verwijst daarbij ook naar het recent tussengekomen arrest van de Raad van State van 17 januari 2025, nr. 262.019, waarbij de gunningsbeslissing inzake perceel 7 werd vernietigd. XIV-39.729-10/14 Ter terechtzitting bevestigt de verwerende partij dat zij in het licht van het voorgaande nog volop bezig is met het finaliseren van een nieuw bestek. In de mate dat de vordering gericht is tegen de beslissingen van ongekende datum van de verwerende partij tot opstart van een gunningsprocedure voor de percelen 6 en 7, met vastlegging van bestekvoorwaarden en waarbij beslist werd om geen offerte te vragen aan de verzoekende partij lijkt de vordering dan ook zonder voorwerp. 12. Wat de eerste en derde bestreden beslissing betreft, stelt de Raad van State op het eerste gezicht vast dat enkel de bijakten bij de raamovereenkomst voor de percelen 6 en 7 voorliggen, waaruit de verzoekende partij voor de beide percelen alsdan een beweerd impliciete beslissing tot aanstelling van een nieuwe dienstverlener lijkt af te leiden. In zoverre de verzoekende partij doet gelden dat er gelet op de voormelde arresten van de Raad van State niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de twee raamovereenkomsten zijn blijven bestaan en dus evenmin dat ze kunnen worden voortgezet, kan zij op het eerste gezicht niet worden bijgevallen. Bij arrest nr. 248.872 van 10 november 2020 werd de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de gunningsbeslissingen van de percelen 6 en 7 van de opdracht verworpen, zodat niet blijkt dat de betrokken raamovereenkomsten tot stand zijn gekomen met schending van artikel 11, tweede lid, van de wet van 17 juni 2013. De vernietiging van de gunningsbeslissingen van de percelen 6 en 7 van de opdracht bij de voormelde arresten van 28 juni 2024 en 17 januari 2025, heeft tot gevolg dat deze gunningsbeslissingen met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer zijn verdwenen. Ze lijkt geen onmiddellijk gevolg te hebben wat het bestaan en de uitvoering van de in navolging van de gunningsbeslissingen gesloten raamovereenkomsten betreft. 13. Geschillen omtrent de interpretatie, de uitvoering en de beëindiging of ontbinding van een overeenkomst dienen door de justitiële rechter te worden beslecht. XIV-39.729-11/14 14. Te dezen maken de bijakten voor de percelen 6 en 7 enkel melding van de bestaande raamovereenkomsten en de toepassing van de algemene uitvoeringsregels bepaald bij het koninklijk besluit van 14 januari 2013 en een aantal specifieke bestekbepalingen om de looptijd van die overeenkomsten te wijzigen en de opdrachtnemer te vervangen gedurende die verlenging. De door de verzoekende partij voorgelegde problematiek van “aanstelling” van een “nieuwe” dienstverlener voor de percelen 6 en 7 lijkt te dezen bijgevolg te moeten worden gesitueerd in de uitvoering van een gesloten raamovereenkomst en noopt tot een onderzoek van de bepalingen die de contractuele verhoudingen tussen het bestuur en de opdrachtnemer regelen. Een onderzoek van de contractuele bepalingen tijdens de uitvoering van een overheidsopdracht doet evenwel een probleem van rechtsmacht rijzen. Dit lijkt des te meer te gelden wanneer, zoals te dezen, het bestek niet alleen het koninklijk besluit van 14 januari 2013 van toepassing maakt maar bovendien ook bepalingen bevat die volgens de verwerende partij uitdrukkelijk toezien op gevallen waarin de overeenkomst kan worden gewijzigd en waarbij de opdrachtnemer van een naburig of aanpalend perceel kan worden ingezet. De vervanging lijkt aldus gegrond te zijn op bepalingen die de uitvoering van de overeenkomst beheersen zoals de opdrachtdocumenten die specifiek van toepassing zijn op de overeenkomst. 15. Het kan mogelijks anders zijn indien de tussengekomen wijzigingen de opdracht voor de percelen 6 en 7 wezenlijk zouden wijzigen, waardoor een nieuwe gunning noodzakelijk was, element waarbij de rechten van derden zoals de verzoekende partij die inschrijver was voor perceel 6 van de opdracht, in het geding zijn. In die redenering is dan de impliciete van het contract afsplitsbare rechtshandeling om een wezenlijk andere opdracht in de markt te zetten, wel te onderwerpen aan het wettigheidstoezicht door de Raad van State. Geen van de in het verzoekschrift ontwikkelde middelen, zoals ook verder toegelicht ter terechtzitting, leent zich op het eerste gezicht echter tot een dergelijk onderzoek. XIV-39.729-12/14 De verzoekende partij lijkt vooralsnog dan ook niet concreet aan te tonen dat er te dezen sprake zou zijn van een wezenlijke wijziging. In elk geval stelt de Raad van State op het eerste gezicht vast dat de wijziging van de looptijd van de raamovereenkomsten beperkt is, nu deze respectievelijk zes en een half en negen maanden beslaat, en dat, bij gebrek aan willige zittende dienstverlener, de tijdelijk voortgezette uitvoering van de raamovereenkomst niet zonder meer gebeurt door een “nieuwe” dienstverlener maar wel door de dienstverlener van een aanpalend/naburig perceel. 16. Ook de gevorderde vaststelling van de nietigheid van “de overeenkomst tot uitbreiding van de raamovereenkomst” die het voorwerp uitmaakt van het derde middel dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift opwerpt, ontsnapt op het eerste gezicht aan de rechtsmacht van de Raad van State. 17. De exceptie van de verwerende partij van gebrek aan rechtsmacht vertoont bijgevolg de vereiste ernst om ze in de huidige stand van de rechtspleging te kunnen bijvallen. 18. De vordering is niet-ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-39.729-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Inge Vos XIV-39.729-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.484 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.322 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.019 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.