← België

Arrest 262507 - Niet begeleide minderjarigen - 27/02/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.507 Rolnummer: A. 242643/VII-42610 Zaak: Arrest 262507 - Niet begeleide minderjarigen - 27/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-03 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-16 05:51 Fiche Arrest nr 262.507 van 27 februari 2025 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 262.507 van 27 februari 2025 in de zaak A. 242.643/VII-42.610 In zake : A.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 1 augustus 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 3 juni 2024 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend. VII-42.610-1/13 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 3 januari 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 20 februari
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker is België binnengekomen en hij wordt op 23 mei 2024 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Jemenitische nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 28 maart
  6. Op 28 mei 2024 informeert de dienst Vreemdelingenzaken de dienst Voogdij dat verzoeker reeds internationale bescherming heeft aangevraagd in Polen op vertoon van een paspoort dat als geboortejaar 2005 vermeldt. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. VII-42.610-2/13 In het Militair Hospitaal Koningin Astrid te Neder-over-Heembeek ondergaat verzoeker op 31 mei 2024 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 31-05-2024 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 19,75 jaar met een standaarddeviatie van een 1,5 jaar een goede schatting is”. Op 3 juni 2024 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 7 van titel XIII, hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), van artikel 28 van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ (hierna: WIPR), van artikel 25 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2013/32), van artikel 24.2 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. Hij licht dit toe als volgt: VII-42.610-3/13 “
  8. Artikel 25.5 van de herschikte Procedurerichtlijn vereist als waarborg voor minderjarigen dat waar de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige wordt vastgesteld door een medisch onderzoek dit pas kan nadat ‘er een algemene verklaring is afgelegd of andere relevante aanwijzingen zijn overgelegd’ en die twijfel doen rijzen: […]. Verzoeker kan op basis van de bestreden beslissing en het medische dossier niet nagaan welke afgelegde verklaringen of andere relevante aanwijzingen geleid zouden hebben tot twijfel die op zijn beurt tot de medische test geleid heeft. Er wordt in de bestreden beslissing enkel gesteld dat de Dienst Vreemdelingenzaken ‘twijfel’ geuit heeft. Wat die twijfel inhoudt, op wat die gebaseerd is, en welke aanwijzingen ertoe geleid hebben komen we niet te weten. Door de Dienst Vreemdelingenzaken zou zijn vastgesteld dat verzoeker internationale bescherming heeft aangevraagd in Polen, waarbij hij in het bezit was van een paspoort waarop een andere identiteit staat vermeld, met name: [M.A.], geboren […] [in] 2005 te Yemen. Het is evenwel compleet onduidelijk op basis van welke elementen deze ‘vaststelling’ zou zijn gemaakt. Hierover staat niets vermeld in de bestreden beslissing, terwijl dit de aanleiding vormde voor het uitvoeren van de medische test naar de leeftijd van verzoeker. Dit maakt een schending uit van artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn, dat verder niet is omgezet naar nationale wetgeving en directe werking heeft.
  9. Verder bepaalt artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn als waarborg naar niet-begeleide minderjarigen toe dat indien een medisch onderzoek wordt verricht dat de niet-begeleide minderjarige in een taal die hij begrijpt of waarvan kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen. Er wordt daartoe informatie verstrekt over de onderzoeksmethode, over de mogelijke gevolgen van het onderzoek voor de behandeling van de asielaanvraag en over de gevolgen indien de betrokkene weigert het onderzoek te ondergaan. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat verzoeker werd geïnformeerd over het verloop van het medisch onderzoek. Of verzoeker effectief in kennis werd gesteld in een taal die hij kon begrijpen, wat de onderzoeksmethode zou zijn, wat de mogelijke gevolgen van het onderzoek kunnen zijn en wat de gevolgen kunnen zijn voor de asielaanvraag en wat er gebeurt indien hij weigert kan niet afgeleid worden uit de motieven van de bestreden beslissing. Artikel 51 van de Procedurerichtlijn bepaalt dat artikel 25.5 van de richtlijn diende omgezet te zijn uiterlijk op 20 juli
  10. Die omzetting is niet gebeurd tot op heden. Het Van Gend & Loos-arrest (zaak 26/62) vormt de basis voor het mechanisme van rechtstreekse werking. In dit arrest oordeelde het Hof van Justitie dat het gemeenschapsrecht onafhankelijk van de wetgeving van de lidstaten voor particulieren rechten kan scheppen. Als (een deel van) de bepalingen uit de richtlijn rechtstreeks werken, zijn deze volledig en direct van toepassing. Op grond van het beginsel van gemeenschapstrouw (voorheen art. 10 EG-verdrag; huidig artikel 4 lid 3 Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)), zoals het Hof van Justitie EG oordeelde in het Constanzo-arrest (zaak C-103/88), kunnen de nationale rechters en de administratie zich niet verschuilen achter mogelijke gebreken van de centrale wetgever wanneer het gaat om correcte implementatie van Europese richtlijnen. VII-42.610-4/13 De bepalingen van artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn zijn onvoorwaardelijk, voldoende duidelijk en nauwkeurig en hebben bij gebrek aan omzetting, directe werking en scheppen een subjectief recht voor verzoeker. Gelet op het feit dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat verzoeker werd geïnformeerd over doeleinde, de contra-indicaties en de inherente risico's van de test, en gelet op het feit dat dit ook vereist wordt door een bepaling in de Procedurerichtlijn dat bij gebrek aan omzetting nu directe werking heeft, schendt de bestreden beslissing de motiveringsplicht en artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn.
  11. Verzoeker is, zonder enig identiteitsdocument, toegekomen op het Belgisch grondgebied op 22 mei
  12. Bij zijn aankomst in België diende verzoeker een verzoek in tot het verkrijgen van internationale bescherming. Daarbij gaf verzoeker aan dat hij geboren is op 28 maart 2008 te Sanaa. Hij werd daarom aangemeld als niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Verzoekers leeftijd werd vervolgens geschat aan de hand van een ‘medische test’, zonder rekening te houden met de verklaringen van verzoeker. Het enige element dat van belang wordt geacht in de bestreden beslissing is kennelijk de uitgevoerde test. Het is mogelijk om de leeftijd te bepalen aan de hand van een radiologisch onderzoek, de zogenaamde ‘triple test’ (radiografie van het handpolsgewricht, van de tanden, en van de sternoclaviculaire gewrichten). Deze drie onderzoeken worden ernstig bekritiseerd vanuit de vakliteratuur en op supranationaal niveau. Het gebruik van dergelijke testen evenals de resultaten die dergelijke testen opleveren dienen met de nodige voorzichtigheid te worden gehanteerd. Zo stelt een resolutie van het Europees parlement als volgt: ‘[Het Europese Parlement] betreurt het dat de medische technieken die in sommige lidstaten worden gehanteerd om de leeftijd vast te stellen ongepast en opdringerig zijn en trauma’s kunnen veroorzaken, betreurt het eveneens dat sommige, op botontwikkeling of gebitsmineralisatie gebaseerde methodes omstreden blijven en een grote foutenmarge kennen; verzoekt de Commissie om in de strategische richtsnoeren op beste praktijken gebaseerde gemeenschappelijke normen op te nemen voor de methode waarmee de leeftijd wordt bepaald, waarbij deze beoordeling multidimensionaal en multidisciplinair moet zijn en door onafhankelijke, gekwalificeerde beroepsbeoefenaars en deskundigen uitgevoerd moet worden op een wetenschappelijke, veilige, gender- en kindvriendelijke en eerlijke manier, met bijzondere aandacht voor meisjes; herinnert eraan dat de leeftijdsbepaling moet worden verricht onder eerbiediging van de rechten en fysieke integriteit van het kind en van de menselijke waardigheid, en dat minderjarigen altijd het voordeel van de twijfel gegeven moet worden; wijst er tevens op dat medische onderzoeken alleen moeten worden uitgevoerd wanneer andere beoordelingsmethodes zijn uitgeput en dat het mogelijk moet zijn om tegen de uitkomsten van deze beoordeling in beroep te gaan; looft de werkzaamheden van EASO op dit vlak, en is van mening dat deze aanpak voor alle minderjarigen zou moeten worden veralgemeend.’ (Resolutie van het Europese Parlement van 12 september 2013 over de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de Europese Unie (2012/2263(INI). Het is duidelijk dat er effectief gerede twijfel bestaat over de nauwkeurigheid van de testen en dat de resultaten er jaren naast kunnen zitten. Op zijn minst dient verzoekers socio-economische achtergrond, nutritioneel niveau en zijn etnische herkomst mee in rekening gebracht te worden om tot een nauwkeuriger resultaat te komen. VII-42.610-5/13 Artikel 3 laatste lid van het KB van 22 december 2003 stelt dan ook dat het medische onderzoek niet enkel radiografisch onderzoek dient te bevatten maar onder meer ook psycho-affectieve tests kan omvatten, wat de nauwkeurigheid ongetwijfeld ten goede zou komen. Zowel het gebruik van dergelijke testen evenals de resultaten die dergelijke testen opleveren, dienen dan ook met de nodige voorzichtigheid te worden gehanteerd. Dit blijkt echter niet het geval te zijn in de bestreden beslissing, waar er enkel sprake is van ‘een medische test’ zonder enig verder motief. De bewoordingen van het medisch advies, waarop de bestreden beslissing is gebaseerd, geven bovendien aan dat er geen ruimte is voor twijfel ondanks de tekortkomingen van dergelijke medische testen. Er worden geen motieven vermeld in de bestreden beslissing dewelke handelen over de ‘medische test’. Verzoeker verkrijgt hierin geen inzicht in de uitgevoerde medische test (of zelfs maar de gebruikte methodologie). Het besluit van deze test stelt bovendien: ‘Op basis van het voorgaande onderzoek kunnen we besluiten met een grote wetenschappelijke zekerheid dat [M.A] op datum van 31-05-2024 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 19,75 jaar met een standaarddeviatie van een 1,5 jaar een goede schatting is.’ Er wordt niet verduidelijkt wat dient te worden begrepen onder ‘het voorgaande onderzoek’. Verzoeker wijst erop dat de resultaten van de uitgevoerde medische test hem niet kenbaar werden gemaakt en kennelijk ook niet zorgvuldig werden betrokken in de besluitvorming. Er is enkel gekend dat ‘een medische test’ werd georganiseerd om te controleren of verzoeker jonger of ouder is dan 18 jaar. De test vond plaats in het Militair Hospitaal Koningin Astrid […]. De resultaten van deze test werden nergens vermeld. Er wordt louter verwezen naar ‘het voorgaande onderzoek’, waaruit vervolgens ‘een grote wetenschappelijke zekerheid’ zou blijken dat verzoeker meerderjarig is. Meer nog, verzoeker zou minimum 19,75 jaar oud zijn op basis van de vaststellingen uitgevoerd naar aanleiding van de ‘medische test’, met een standaarddeviatie van 1,5 jaar. Geen enkel motief is evenwel vermeld in verband met deze uitgevoerde ‘medische test’, waardoor verzoeker niet in de gelegenheid wordt gesteld om hiervan kennis te kunnen nemen. Deze besluitvorming geeft geen blijk van een zorgvuldig oordeel, minstens ontbreken de determinerende motieven hiertoe in de bestreden beslissing. De bestreden beslissing dient hierom te worden nietig verklaard.” Beoordeling
  13. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd en blijkt dat deze twijfel berustte op het verzoek om internationale bescherming dat verzoeker in Polen indiende met een paspoort waarop een andere identiteit vermeld staat. Verder geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt VII-42.610-6/13 dat verzoeker “op datum van 31-05-2024 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 19,75 jaar met een standaarddeviatie van een 1,5 jaar een goede schatting is”. Het is niet vereist dat de bestreden beslissing aangeeft waarom verzoekers voorgehouden leeftijd in twijfel werd getrokken, welke medische onderzoeken werden uitgevoerd en of verzoeker voorafgaand aan het medisch onderzoek werd geïnformeerd omtrent de onderzoeksmethoden, de gevolgen van het medisch onderzoek en van een eventuele weigering het medisch onderzoek te ondergaan. Evenmin is het vereist dat het verslag van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing aan verzoeker wordt betekend. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen. Het enige middel is ongegrond wat betreft de voorgehouden schending van de formelemotiveringsplicht, zoals deze ook is vastgelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’.
  14. Naar luid van artikel 25.5, eerste lid, van richtlijn 2013/32 kunnen “de lidstaten […] in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd”. Daargelaten de vraag naar de rechtstreekse werking van deze bepaling, kan er geen verplichting uit worden afgeleid om aan de vreemdeling, nadat deze laatste een verklaring heeft afgelegd, mee te delen welke de redenen zijn om te twijfelen aan de door de vreemdeling opgegeven leeftijd. De bestreden beslissing vermeldt te dezen uitdrukkelijk dat de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers leeftijd omdat verzoeker in Polen reeds om VII-42.610-7/13 internationale bescherming heeft verzocht op vertoon van een paspoort waarop een andere dan de door hem verklaarde geboortedatum staat vermeld. Naar luid van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32, zorgen de lidstaten ervoor dat “de niet-begeleide minderjarige, voordat het verzoek om internationale bescherming wordt behandeld, in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen” en wordt daarbij “onder meer informatie verstrekt over de onderzoeksmethode en over de mogelijke gevolgen van het medische onderzoek voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, alsook over de gevolgen indien de niet-begeleide minderjarige weigert het medische onderzoek te ondergaan”. Verzoeker acht voormelde bepaling geschonden omdat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat verzoeker de nodige informatie ontving. Zoals supra reeds is gesteld bij de beoordeling van de opgeworpen schending van de formelemotiveringsplicht, is het niet vereist dat in de bestreden beslissing wordt vermeld dat aan verzoeker voorafgaand aan het medisch onderzoek informatie werd verstrekt over de onderzoeksmethoden en de gevolgen van het medisch onderzoek. Verder betwist verzoeker op zich niet dat hij, zoals de verwerende partij aanvoert in de memorie van antwoord, op verschillende tijdstippen werd geïnformeerd omtrent het medisch onderzoek en het verloop ervan. Uit het verslag van het medisch onderzoek blijkt dat verzoeker vergezeld werd door personeel van Fedasil en/of de dienst Voogdij. Ook toen heeft verzoeker zich niet verzet tegen het leeftijdsonderzoek, dat zonder zijn medewerking immers niet had kunnen worden uitgevoerd. Omwille van deze elementen blijkt dan ook niet dat de voornoemde voorwaarden van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32 niet werden gerespecteerd. Voor zover ze op ontvankelijke wijze kan worden ingeroepen, blijkt dan ook geen schending van artikel 25.5 van richtlijn 2013/
  15. VII-42.610-8/13
  16. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich op basis van een citaat uit een resolutie van het Europees parlement tot algemene kritiek op het gebruik van de drievoudige test als methodologie doch hij toont daarmee niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en VII-42.610-9/13 waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Concreet stelt de arts op basis van de handpolsradiografie vast dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een volwassen skelettale leeftijd en schat hij de skelettale leeftijd met een grote zekerheid op ten minste 19 jaar. Op basis van de radiografie van het sleutelbeen stelt de arts dan weer vast dat het mediale epiphysaire kraakbeen van beide sleutelbeenderen gedeeltelijk verbeend is met visualisatie van de groeikraakbeenschijf, wat overeenstemt met een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van ongeveer 2 jaar. Tot slot komt de arts tot een leeftijd van 19,71 jaar met een standaarddeviatie van 1,49 jaar op basis van het ontwikkelingsstadium van de 4 aanwezige wijsheidstanden. Te dezen gaat het dus op datum van 31 mei 2024 om “een leeftijd […] van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 19,75 jaar met een standaarddeviatie van een 1,5 jaar een goede schatting is”. Zoals hoger werd opgemerkt, toont verzoeker niet aan dat hij, niettegenstaande in de bestreden beslissing expliciet wordt vermeld dat hij een kopie van het medisch verslag kan bekomen, dit verslag niet kon raadplegen. Uit voormeld verslag blijkt duidelijk hoe de arts tot het besluit komt dat verzoeker minstens 18 jaar oud is. Verzoeker betwist in het middel niet op concrete wijze de door de arts gevolgde onderzoeksmethodologie noch gaat hij hierop in concreto in. De algemene kritiek vervat in de resolutie waaraan verzoeker refereert, is onvoldoende om ervan te overtuigen dat het concrete medisch onderzoek dat hij VII-42.610-10/13 heeft ondergaan, aanleiding geeft tot twijfel. Met die algemene kritiek doet verzoeker aldus wel blijken van een eigen standpunt of visie omtrent de opportuniteit van de keuze van de tripletest als wijze waarop het wettelijk vereiste medisch onderzoek gebeurt, maar hij doet evenwel niet blijken dat de in concreto gehanteerde onderzoeksmethode niet objectief is of niet is gericht op het op wetenschappelijk verantwoorde wijze verkrijgen van de relevante en juiste gegevens nodig voor het bepalen van de vraag of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd noch dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verzoeker bekritiseert overigens niet in het minst de conclusie die de arts trekt uit de concrete testresultaten. Verzoeker maakt in die mate geen schending aannemelijk van artikel 7 van de voogdijwet noch van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel of de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
  17. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de opgegeven leeftijd wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een VII-42.610-11/13 medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel. Gezien hetgeen supra is gesteld over het medisch onderzoek als door de wet ingesteld bewijsmiddel bij twijfel over de opgegeven leeftijd, was de dienst Voogdij er evenmin toe gehouden andere vormen van onderzoek te voeren. Het enige middel is in die mate ongegrond.
  18. Verzoeker vermeldt in het opschrift van het middel artikel 28 van het WIPR doch hij geeft nergens aan op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden met de bestreden beslissing.
  19. Vermits uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker op 31 mei 2024 meer dan 18 jaar was en verzoeker de onwettigheid van deze vaststelling niet aantoont, kan hij zich niet dienstig beroepen op artikel 24.2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het enige middel is in die mate niet ontvankelijk.
  20. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  22. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.610-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.610-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.507 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.