id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.518 Rolnummer: A. 244188/XIV-39748 Zaak: Arrest 262518 - Bedrijfsrevisoren - 27/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-28 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-16 05:51 Fiche Arrest nr 262.518 van 27 februari 2025 Beroepen - Bedrijfsrevisoren Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 262.518 van 27 februari 2025 in de zaak A. 244.188/XIV-39.748 In zake:
- XXXX
- de BV XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dominique Matthys kantoor houdend te 9032 Wondelgem Katwilgenstraat 3 eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Aala Abdulhaliq kantoor houdend te 9300 Aalst Leopoldlaan 48 tegen: het COLLEGE VAN TOEZICHT OP DE BEDRIJFSREVISOREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Anthony Poppe, Elisabeth Robbroeckx en Ellen Verschuere kantoor houdend te 9052 Gent Bollebergen 2a, bus 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 17 februari 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren van 10 februari 2025, waarbij het College besloot aan de verzoekende partijen diverse maatregelen op te leggen op grond van artikel 57 van de wet van 7 december 2016 ‘tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisor.’ XIV-39.748-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 18 februari 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari 2025, om 14.30 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaten Dominique Matthys en Aala Abdulhaliq, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaten Anthony Poppe en Ellen Verschuere, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 10 februari 2025 beslist de verwerende partij om maatregelen op te leggen op grond van artikel 57 van de wet van 7 december 2016 ‘tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisor’ (hierna: de wet van 7 december 2016). Dit is de bestreden beslissing. XIV-39.748-2/10 3.
- In de bestreden beslissing worden verschillende maatregelen opgelegd aan de verzoekende partijen, die door de verzoekende partijen in hun verzoekschrift als volgt worden samengevat: “- 1) Beëindiging van het commissarismandaat bij NV [X] - Een termijn van zeven dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing dd. 10.02.2025, om het commissarismandaat bij NV [X] te beëindigen. - Binnen deze termijn moet de bedrijfsrevisor schriftelijk bevestigen dat de opdracht is beëindigd en de stappen die zijn ondernomen om dit te bewerkstelligen. 2) Beëindiging van het commissarismandaat bij BV [XX] - Een termijn van zeven dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing dd. 10.02.2025, om het commissarismandaat bij BV [XX] te beëindigen. - Binnen deze termijn moet de bedrijfsrevisor schriftelijk bevestigen dat de opdracht is beëindigd en de stappen die zijn ondernomen om dit te bewerkstelligen. 3) Hersteltermijn voor revisorale opdrachten - Een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing dd. 10.02.2025, om effectieve maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de bedrijfsrevisor zijn werkzaamheden met de vereiste bekwaamheid en kwaliteit kan uitvoeren, in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving. - Binnen deze termijn moet de bedrijfsrevisor aantonen dat hij voldoet aan de vereisten van de artikelen 12, § 1 en 13, § 1, § 2 van de wet van 7 december
- 4) Schorsing van alle professionele activiteiten - Een schorsing van alle professionele activiteiten als bedrijfsrevisor gedurende dezelfde termijn van zes maanden, vanwege de hoogdringendheid en het maatschappelijk urgente risico dat de bedrijfsrevisor zijn activiteiten zou voortzetten zonder aan de essentiële basisvereisten van het beroep te voldoen. - De schorsing kan vervroegd worden opgeheven als de bedrijfsrevisor binnen de termijn van zes maanden aantoont dat hij aan de hersteltermijn heeft voldaan. 5) Publicatie van de opgelegde maatregelen - Publicatie van de opgelegde maatregelen op de website van het College gedurende zes maanden, conform artikel 57, § 2 van de wet van 7 december 2016 juncto artikel 72, § 3, vierde tot en met zevende lid, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. - Deze publicatie is bedoeld om het publiek en economische actoren te informeren over de schorsing van de bedrijfsrevisor en de duur ervan en is inmiddels gebeurd.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de XIV-39.748-3/10 nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- De verzoekende partijen zetten, verwijzend naar artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 2024) onder het kopje ‘de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen’ het volgende uiteen: “De maatregelen van het bestreden besluit van 10 februari 2025 zijn onmiddellijk uitvoerbaar, en hebben, zoals hierboven in de feitelijke uiteenzetting werd toegelicht, tot gevolg dat verzoekende partij in de onmogelijkheid wordt gesteld om haar bedrijfsrevisorale opdrachten nog (verder) uit te voeren. Dit geldt niet alleen voor de twee commissaris-mandaten, die verzoekende partij onmiddellijk dient stop te zetten, maar bovendien ook voor alle professionele activiteiten van verzoekende partij, en dit voor een periode van zes maanden. De impact van de maatregelen van de bestreden beslissing, die onmiddellijke uitwerking hebben, is voor verzoekende partij derhalve zodanig ingrijpend, dat haar professionele toekomst volledig wordt bedreigd en zelfs het gevaar loopt volledig te zullen teloorgaan indien niet onmiddellijk wordt beslist om de onmiddellijke uitvoerbaarheid daarvan te schorsen. Zelfs het voeren van een gewone schorsingsprocedure, waarvan de doorlooptijd zeker zes maanden in beslag neemt, zou geen remedie kunnen opleveren, vermits de beoogde schorsing alsdan geen concreet effect meer zou kunnen hebben. De enige doeltreffende maatregel is een onmiddellijke schorsing, die alleen haar nut kan hebben wanneer ze binnen het uiterst korte tijdsbestek van een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot een goed einde kan worden gebracht.” Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor XIV-39.748-4/10 de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. Het is om die reden dat, zoals overwogen in het arrest van de Algemene Vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, nr. 249.313 van 22 december 2020, de Raad van State met een zekere gestrengheid de voorwaarden beoordeelt die vervuld moeten zijn opdat deze vordering kan worden ingewilligd. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze, concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen (Cfr. RvS, Algemene Vergadering, 22 december 2020, nr. 249.313). De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te XIV-39.748-5/10 verkrijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou zijn, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting doch vereist het aanreiken van concrete, specifieke op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het resultaat van de gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen. Op dat punt komen de verzoekende partijen tekort aan hun bewijsplicht zoals hierna zal blijken.
- Voor zover de verzoekende partijen vooreerst aanvoeren dat de bestreden beslissing en de erin vervatte maatregelen onmiddellijk uitvoerbaar zijn, hetgeen volgens hen inhoudt dat zij in de onmogelijkheid worden gesteld om hun bedrijfrevisorale opdrachten nog verder uit te voeren en dat zij al hun professionele activiteiten voor een periode van zes maanden onmiddellijk moeten stopzetten, doen zij in wezen niet meer dan de strekking en het gevolg van de bestreden beslissing toelichten. In ieder geval wordt opgemerkt dat het louter uitvoerbaar XIV-39.748-6/10 karakter van een bestreden beslissing en de daaruit voortvloeiende gevolgen, op zich niet voldoende zijn om de spoedeisendheid te staven. De verzoekende partijen voeren ook aan dat hun professionele toekomst “volledig wordt bedreigd en zelfs het gevaar loopt volledig te zullen teloorgaan indien niet onmiddellijk wordt beslist om de onmiddellijke uitvoerbaarheid daarvan te schorsen”. Dat (algemeen) argument overtuigt niet. Hoewel het zich laat verstaan dat de bestreden beslissing voor de verzoekende partijen ingrijpende gevolgen kan hebben op professioneel vlak en toekomst, is in wezen immers voor de beoordeling van de uiterst dringende noodzakelijkheid niet alleen van belang de vraag of de verzoekende partijen op aangetoonde wijze “ingrijpend” worden getroffen door de bestreden beslissing, maar ook of enkel een schorsing volgens de gewone procedure te laat zal komen om hieraan nog soelaas te bieden. Kortom, wanneer de verzoekende partijen zich, zoals te dezen, beroepen op het feit dat zij de doorlooptijd (van, naar zij stellen, zes maanden) die een gewone schorsing in beslag neemt, niet zullen kunnen overbruggen, komt het hen toe een globaal en, zodoende, betrouwbaar inzicht te geven in hun bestaande professionele toestand – waarbij wordt opgemerkt dat de ene verzoekende partij een natuurlijke persoon en een andere een rechtspersoon is hetgeen dus mogelijks een andere toestand kan impliceren. –, zodat de Raad van State met kennis van zaken dit kan beoordelen. Op dat punt komen de verzoekende partijen tekort aan hun bewijsplicht. Zij verzuimen immers enig inzicht te geven in hun bestaande professionele toestand, noch welke de impact van de bestreden beslissing is op die onderscheiden toestand en de toekomst ervan. Evenmin leggen zij enig stuk voor – hoewel beiden ongetwijfeld boekhoudkundige verplichtingen hebben die het moeten mogelijk maken een getrouw beeld ter zake te scheppen – dat ook maar op enige wijze inzage zou geven in de huidige stand van zaken van hun bestaande professionele toestand, noch welke impact de bestreden beslissing op die toestand zal hebben, dermate dat hieruit concreet zou moeten blijken dat zij zich in een zodanige penurie bevinden die maakt dat zij de normale afloop van de XIV-39.748-7/10 schorsingsprocedure niet kunnen afwachten omdat die onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of hun belangen veilig te stellen. Aangezien de verzoekende partijen niet op transparante wijze aan de hand van concrete, verifieerbare cijfergegevens een globaal inzicht verschaffen in de huidige omvang van hun werkelijke professionele activiteiten en de concrete impact van de bestreden beslissing erop, tonen zij aldus niet aan dat onmiddellijke uitvoering van de opgelegde maatregelen, in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, op zich zeer nadelige of onherroepelijke gevolgen teweeg zou brengen, dermate dat zij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kunnen afwachten. In zoverre de verzoekende partijen ter terechtzitting repliceren dat het vanzelfsprekend is dat bij een schorsing van zes maanden van alle professionele activiteiten als bedrijfsrevisor, hun professionele toekomst wordt bedreigd en dat zij zich de vraag stellen hoe dat dan wel kan worden aangetoond, gaan zij voorbij aan het feit dat de spoedeisendheid of de uiterst dringende noodzakelijkheid van een zaak niet wordt vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. Het stelt hen derhalve niet vrij van de verplichting om ook in dat volgens hen “vanzelfsprekend geval” de nodige concrete stavingsstukken aan te brengen waarvan, na woord en wederwoord, de Raad van State over de merites kan oordelen. Het komt immers de Raad van State niet toe om, in een als het ware fact finding mission, zelf op zoek te gaan naar het bewijs van de zeer nadelige of onherroepelijke gevolgen die de bestreden beslissing teweeg zou brengen mocht de vordering niet worden ingewilligd. Voorts maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat het hen onmogelijk is de nodige overtuigingsstukken aan te reiken waaruit hun bestaande (professionele) toestand blijkt en de impact van de bestreden beslissing erop naar de toekomst toe. Het volstaat voorts niet om louter te stellen dat gelet op de doorlooptijd van de vordering tot schorsing, de beoogde schorsing dan geen nut meer zou hebben. Verwijzend naar wat hiervoor reeds is aangehaald (zie supra, punt 6), volstaat aldus de volgens de verzoekende partij bestaande mogelijkheid XIV-39.748-8/10 dat de doorlooptijd tot gevolg zal hebben dat de bestreden beslissing haar volledige uitwerking zal hebben gekend op het ogenblik van een eventuele uitspraak over de vordering tot schorsing (of over het beroep ten gronde), op zich niet om de spoedeisendheid ipso facto aan te tonen. In zoverre de verzoekende partijen ter terechtzitting nog bijkomende argumenten hebben doen gelden, houdt de Raad van State daarmee in beginsel geen rekening. De verzoekende partijen maken niet inzichtelijk waarom dat uitzonderlijk in hun geval niet zou gelden. Er wordt derhalve enkel rekening gehouden met hetgeen in het verzoekschrift wordt uiteengezet én (te dezen niet) gestaafd.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partijen geen overtuigende en gestaafde redenen aanvoeren waarom zij het resultaat van de gewone vordering tot schorsing – laat staan de procedure ten gronde - niet kunnen afwachten.
- De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond. VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht XIV-39.748-9/10 van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegings-vergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partijen niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.748-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.518 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.