← België

Arrest 262523 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 28/02/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.523 Rolnummer: A. 242799/XII-9748 Zaak: Arrest 262523 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 28/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-05 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-16 05:51 Fiche Arrest nr 262.523 van 28 februari 2025 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Voortzetting gewone procedure Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 262.523 van 28 februari 2025 in de zaak A. 242.799/XII-9748 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns, Dieter Torfs en Charlotte Cams kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 26 september 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 9 augustus 2024 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. Een beroep tot nietigverklaring werd reeds ingediend op 23 augustus 2024. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 260.556 van 2 september 2024 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing verworpen. XII-9748-1/27 Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemene procedureregeling), en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het inmiddels opgeheven koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 februari 2025. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Chris Schijns, die verschijnt voor verzoeker en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker was inspecteur van politie bij de Federale politie. XII-9748-2/27 3.2. Op 28 november 2023 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 3.3. Op 26 december 2023 dient verzoeker een schriftelijk verweer in en op 2 januari 2024 wordt hij gehoord. 3.4. Op 5 januari 2024 beslist de hogere tuchtoverheid over verzoekers verzoek tot getuigenverhoor en geeft zij een bijkomende opdracht aan twee van de voorafgaande onderzoekers in de zaak. Deze beslissing luidt: “Bij verweerschrift, toegelicht tijdens de hoorzitting van 02/01/2024, bedoeld in referentie 2.10, verzoekt de verdediger van betrokkene mij, in mijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, om meerdere getuigen bijkomend te verhoren aangaande de mogelijke feiten, gelet op hun band met het dossier […] Tevens verzocht de betrokkene op de hoorzitting om zijn vertrouwenspersoon en evaluator […] en twee van zijn ex-collega’s [...] bijkomend te laten verhoren, inzake de interne gespannen situatie(

  1. s)die volgens hem verband houden met de ‘heksenjacht’ tegen hem. lk ga niet in op zijn vraag tot het verhoren van deze personen. In mijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, mandateer ik u, […], voor het stellen van volgende onderzoeksdaden: Het bij de PLIF […] concreet verifiëren van het door hem verklaard lidmaatschap tot de directie DSU (2003-2005), in casu door: • de nuttige stukken uit zijn persoonlijk (elektronisch) dossier, inclusief de GALop-fiche met betrekking tot de loopbaan, mobiliteiten en detacheringen te verzoeken bij de directie PLIF van […]; • indien noodzakelijk nadere concrete toelichtingen te vragen aan voornoemde directie PLIF om alle eventuele detacheringen concreet te kaderen (dienst van oorsprong en dienst waarnaar u werd gedetacheerd). lk verleen u vooralsnog geen toestemming om de andere getuigen, aangeduid door de verdediging tijdens de hoorzitting d.d. 2 januari 2024 en in het verweerschrift, te verhoren.” Dezelfde dag brengt de hogere tuchtoverheid verzoeker op de hoogte van deze beslissing en deelt zij aan verzoeker tevens de beslissing mee “om de in artikel 38sexies van de Tuchtwet bedoelde termijn van 15 dagen te verlengen, met de tijd die nodig is om de nuttige stukken uit uw persoonlijk (elektronisch) dossier, inclusief de GALoP-fiche met betrekking tot de loopbaan, mobiliteiten en detacheringen bij de directie PLIF van […] op te vragen en aan het tuchtdossier te doen voegen”. XII-9748-3/27 3.5. Bij e-mail van 8 januari 2024 vraagt de gemandateerde van de hogere tuchtoverheid aan de directie Personeel, Logistiek, ICT en Financiën (hierna: PLIF) van de dienst waartoe verzoeker behoort om hem in het bezit te willen stellen van: “
  2. a)alle inhoud van map III. Loopbaan en map IV. Mobiliteit van [verzoeker];
  3. b)een volledige uitdraai, bij voorkeur per afzonderlijke opeenvolgende screenshots (afbeeldingen), dan wel integraal als geconverteerd PDF-bestand […] van de elektronische GALop fiche van voornoemd personeelslid inzake zijn gehele loopbaan, inclusief detacheringen, VOAB, gedurende een looptijd naar interne of externe diensten, mobiliteiten;
  4. c)een omstandige (verklarende) toelichting inzake eventuele periodes van detachering (van waar naar welke affectatie, voor welk doeleinde,…), sinds het beëindigen van zijn basisopleiding als inspecteur […]. Inzonderheid gaat de aandacht uit naar elk element gerelateerd aan eventuele dienstprestaties in de periode 2003-2005 (?) met betrekking tot de Speciale Eenheden DSU.” 3.6. Bij e-mail van 11 januari 2024 antwoordt een medewerker van de directie PLIF op deze vraag en bezorgt zij diverse pdf-bestanden met de gevraagde mappen uit verzoekers persoonlijk dossier. Tot de bijlagen bij de e-mail behoren onder meer: “- Volledige uitdraai GALoP met printscreens en eventuele bijkomende uitleg ondertekend door […] - De laatste bijlage is een extra PDF bestand (Galopextractie) met de bewegingen van [verzoeker] tijdens zijn loopbaan.” De “bijkomende uitleg” waarnaar wordt verwezen luidt: “Bijkomende uitleg affectatie DAR – Steundienst: Wij zien enkel dat hij tewerkgesteld was bij DAR – Steundienst van 20/01/2003 tem 28/02/2007. Zowel in GALoP als in zijn persoonlijk dossier zijn er geen elementen te vinden met betrekking tot de Speciale Eenheden DSU.” 3.7. Op 12 januari 2024 worden deze bijkomende stukken, die worden toegevoegd aan het tuchtdossier, bezorgd aan verzoeker. Op 26 januari 2024 dient verzoeker een aanvullend verweer in. XII-9748-4/27 3.8. Op 29 januari 2024 vraagt de gemandateerde van de hogere tuchtoverheid het advies van de procureur des Konings. Bij brief van 12 februari 2024 verleent de procureur des Konings een gunstig advies met betrekking tot de voorgenomen zware tuchtstraf. 3.9. Op 19 februari 2024 formuleert de hogere tuchtoverheid het voorstel om verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.10. Op 11 juni 2024 adviseert de Tuchtraad: “in hoofdorde, dat gezien het voorstel tot zware tuchtstraf is betekend op 22 februari 2024 aan verzoeker middels een aangetekende zending, dit is betekend buiten de vervaltermijn bedoeld in artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, wat noopt tot het besluit dat de HTO geacht moet worden te hebben afgezien van de vervolgingen van alle aanhangig gemaakte tuchtfeiten; in ondergeschikte orde, dat de tuchtfeiten A tot en met D bedoeld in het voorstel tot zware tuchtstraf van 19 februari 2024 op bladzijde 26 niet bewezen zijn, dat de tuchtfeiten E en F bedoeld in het voorstel tot zware tuchtstraf van 19 februari 2024 op bladzijde 26 en 27 bewezen zijn en aan verzoeker moeten worden toegerekend, dat deze feiten E en F een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ‘ontslag van ambtswege’ voor deze feiten E en F een te zware straf is en dat de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal voor deze feiten E en F een gepaste straf is.” 3.11. Op 4 juli 2024 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad met het voorstel om de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. XII-9748-5/27 3.12. Nadat verzoeker op 16 juli 2024 een schriftelijk verweer heeft ingediend, beslist de hogere tuchtoverheid op 9 augustus 2024 om verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Toepassing kortedebattenprocedure 4. Het auditoraatsverslag stelt voor om de bestreden beslissing met toepassing van artikel 93 van de algemene procedureregeling te vernietigen op grond van het eerste middel. 5. De procedure die wordt voorzien in artikel 93 van de algemene procedureregeling moet met de nodige omzichtigheid worden toegepast. De inwilliging van het voorstel van het auditoraat door de alleenzetelende staatsraad ontzegt immers aan de partijen de waarborgen die de gewone rechtspleging biedt, en met name de behandeling van hun zaak door een kamer met drie magistraten en de mogelijkheid om hun standpunten schriftelijk uiteen te zetten. Op de vraag om een vernietigingsberoep met kort debat te behandelen, wordt dan ook slechts ingegaan wanneer het op grond van een eenvoudige kennisname van het verzoekschrift en de voorgelegde gegevens onmiddellijk duidelijk is welke oplossing aan de zaak moet worden gegeven en/of wanneer de partijen geen ernstige betwisting lijken te kunnen voeren over de oplossing die in het auditoraatsverslag wordt voorgesteld. 6. Te dezen moet de bestreden beslissing volgens het auditoraats-verslag worden vernietigd omdat de voorwaarden van artikel 38sexies, lid 4, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: wet van 13 mei 1999) om de in deze bepaling voorziene vervaltermijn van vijftien dagen te verlengen, niet zijn vervuld. Het auditoraatsverslag is op basis van een uitvoerige analyse van de gegevens van de zaak van oordeel dat er te dezen geen sprake is van een “getuige” XII-9748-6/27 en bijgevolg evenmin van een “getuigenververklaring” in de zin van artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999. Vertrekkende van dat standpunt besluit het auditoraatsverslag dat de tuchtoverheid het voorstel van zware tuchtstraf pas aan verzoeker heeft betekend op het ogenblik dat de vervaltermijn van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 reeds was overschreden, zodat de hogere tuchtoverheid wordt geacht te hebben afgezien van de vervolgingen voor de feiten die verzoeker ten laste werden gelegd. 7. De verwerende partij betwist ter terechtzitting de conclusies van het auditoraatsverslag, alsook dat de zaak kan worden beslecht middels de kortedebattenprocedure. Volgens de verwerende partij is dat laatste slechts mogelijk indien de oplossing van de zaak geen interpretatie vereist van de in het geding zijnde rechtsregels, wat te dezen wel het geval is. Met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 mei 1999 en rechtspraak van de Raad van State betwist de verwerende partij omstandig de interpretatie die het auditoraatsverslag geeft aan de begrippen ‘getuige’ en ‘getuigenverklaring’, alsook de beoordeling in het auditoraatsverslag van de toepassingsvoorwaarden om de vervaltermijn van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 te verlengen “met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen”. De verwerende partij besluit dat er te dezen wel degelijk sprake is van “nuttige getuigen-verklaringen” die bovendien een “band […] met het dossier” hebben zoals bedoeld in artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999. 8. De verwerende partij lijkt aldus een ernstige betwisting te kunnen voeren over de oplossing die door het auditoraat wordt voorgesteld. De zaak leent zich dan ook niet tot een kort debat. 9. Uit wat voorafgaat, volgt dat de Raad van State de conclusie van het auditoraatsverslag dat de zaak met kort debat kan worden beslecht, niet bijvalt. De zaak wordt voor de behandeling ten gronde verwezen naar de gewone rechtspleging. XII-9748-7/27 V. Onderzoek van de vordering tot schorsing 10. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals van toepassing op het tijdstip van het indienen van het beroep, kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 11. In het verzoekschrift vat verzoeker het eerste middel als volgt samen: “In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 38sexies wet 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten […] en van het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. In essentie voert de verzoekende partij aan dat het voorstel tot zware tuchtstraf laattijdig werd betekendaan verzoekende partij met als gevolg dat de verwerende partij afziet van de vervolgingen van alle aanhangig gemaakt[e] tuchtfeiten. De verwerende partij zet haar tuchtprocedure alsnog verder, wat een miskenning van de vervaltermijn uitmaakt.” Verzoeker licht toe dat artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 voorziet in een strikte termijn van vijftien dagen waarbinnen de hogere tuchtoverheid haar beslissing aan de betrokken partij ter kennis moet brengen. Deze termijn kan slechts worden verlengd mits toepassing van artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999 om nuttige getuigenverklaringen te horen. Een getuigenverklaring is volgens verzoeker een verklaring van wat een persoon heeft gehoord of gezien in het kader van de vermeende feiten. Te dezen is er volgens XII-9748-8/27 verzoeker geen sprake van enige getuigenverklaring, maar louter van het opvragen van informatie omtrent de loopbaangegevens van verzoeker. Dat de contactpersoon uitleg geeft bij de gevraagde gegevens, heeft volgens verzoeker niet tot gevolg dat die informatie een getuigenverklaring wordt. Verzoeker betwist voorts het standpunt van de hogere tuchtoverheid dat de verlenging van de termijn noodzakelijk was om te kunnen reageren op verzoekers verweer. Het gegeven dat verzoeker gebruikmaakt van zijn recht om een verweer in te dienen, kan niet worden misbruikt om de termijn te verlengen. Verzoeker besluit dat de bestreden beslissing nietig is ingevolge de laattijdige betekening van het voorstel van zware tuchtstaf. Verzoeker verwijst tot slot naar het advies van de Tuchtraad die zijn standpunt bijvalt. Door desondanks te volharden in haar standpunt toont de hogere tuchtoverheid aan dat zij verzoeker zo hard mogelijk wil treffen en meent verzoeker dat hij het voorwerp van een heksenjacht is. Beoordeling 12. Artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 luidt: “Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. Wanneer geen verzoek tot heroverweging ingesteld wordt overeenkomstig artikel 51bis, bevestigt en deelt met een ter post aangetekend schrijven of door kennisgeving tegen een ontvangstbewijs, de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing mede aan het betrokken personeelslid, zonder het voorstel tot zware tuchtstraf te kunnen wijzigen. In de in artikel 24 bedoelde gevallen kan de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing slechts mededelen na kennis genomen te hebben van de in artikel 24, eerste en tweede lid, bedoelde adviezen, of, bij ontstentenis, ten vroegste de dag na de periode waarin de betrokken overheid geacht wordt geen bijkomend advies te willen formuleren. Wanneer geen enkele in het eerste lid bedoelde beslissing genomen wordt binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval verlengd met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, of verlengd met de noodzakelijke XII-9748-9/27 termijn om artikel 38quinquies toe te passen, wordt de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste gelegd werden. De in het eerste lid bedoelde beslissingen en voorstellen van beslissingen van de hogere tuchtoverheid, worden formeel gemotiveerd.” Artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999 luidt: “De hogere tuchtoverheid hoort steeds, op eigen initiatief of op verzoek van het betrokken personeelslid of van zijn verdediger, de nuttige getuigenverklaringen die ze nodig acht, gelet op hun band met het dossier. De getuigenverklaringen die verzameld worden nadat het betrokken personeelslid het tuchtdossier heeft geraadpleegd, worden hem medegedeeld. Hij beschikt over een termijn bepaald door de tuchtoverheid en die niet korter mag zijn dan vijf werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die verklaringen om, zonodig, een aanvullend verweer in te dienen.” 13. Op grond van artikel 38sexies, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 moet de hogere tuchtoverheid haar beslissing over de tuchtvordering, binnen een termijn van vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van verweer, ter kennis brengen van de betrokken politieambtenaar. Artikel 38sexies, vierde lid, van de wet van 13 mei 1999 voorziet in twee mogelijkheden om de termijn van vijftien dagen te verlengen. Eén daarvan is de te dezen toepasselijke mogelijkheid om de termijn te verlengen “met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen”. De voornoemde bepaling heeft betrekking op “de nuttige getuigenverklaringen die [de hogere tuchtoverheid] nodig acht, gelet op hun band met het dossier”. Het niet naleven door de hogere tuchtoverheid van de verplichting om binnen de vijftien dagen, desgevallend verlengd “met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen”, haar beslissing over de tuchtvordering ter kennis te brengen, wordt gesanctioneerd door artikel 38sexies, vierde lid, van de wet van 13 mei 1999. De hogere tuchtoverheid wordt dan geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste werden gelegd. De termijn om de uitspraak over de tuchtvordering mee te delen is aldus een vervaltermijn. Artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 legt XII-9748-10/27 bijgevolg aan de hogere tuchtoverheid strikte termijnen op die bij niet-naleving leiden tot het verval van de tuchtvordering. De hogere tuchtoverheid organiseert op een discretionaire wijze het verloop van de op grond van artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999 in te winnen aanvullende getuigenverhoren en de mededeling ervan, met dien verstande dat dit op grond van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 moet gebeuren binnen de daartoe “noodzakelijke termijn”, dit wil zeggen binnen de termijn die volstrekt nodig is om de hogere tuchtoverheid toe te laten deze getuigenverklaringen in te winnen en om ze aan de betrokken politieambtenaar ter kennis te brengen met de uitnodiging om binnen een bepaalde termijn – die minstens vijf werkdagen moet bedragen – een aanvullend verweerschrift in te dienen. 14. Verzoeker betwist te dezen niet dat de vervaltermijn van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 kan worden verlengd om “nuttige getuigenverklaringen” te horen, noch voert hij aan dat de hogere tuchtoverheid voor het afnemen van deze getuigenverklaringen meer tijd zou hebben genomen dan de “noodzakelijke termijn”. Wel voorwerp van betwisting is de vraag of de hogere tuchtoverheid ingevolge de onderzoeksdaden waartoe zij besloot op 5 januari 2024 (zie supra, nr. 3.4) terecht kon oordelen dat er sprake is van het horen van “nuttige getuigenverklaringen” en zij bijgevolg in toepassing van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 de vervaltermijn van vijftien dagen kon verlengen met de noodzakelijke termijn om die getuigenverklaringen te horen. Volgens verzoeker is dat niet het geval. Hij voert aan dat de hogere tuchtoverheid louter informatie heeft opgevraagd over zijn loopbaangegevens, maar dat er geen sprake is van een getuigenverklaring. Een getuigenverklaring is volgens verzoeker een verklaring “van wat een persoon gehoord of gezien heeft in het kader van vermeende feiten”. Het gegeven dat de persoon bij wie die gegevens werden opgevraagd bijkomende uitleg geeft, heeft volgens verzoeker niet tot gevolg dat die informatie een getuigenverklaring wordt. XII-9748-11/27 Centraal staat derhalve de vraag wat in artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999 moet worden verstaan onder “nuttige getuigen-verklaringen”. 15. Artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999 is formeel beperkt tot het horen van de “nuttige getuigenverklaringen” die de hogere tuchtoverheid nodig acht, “gelet op hun band met het dossier”. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling noch uit die van het ermee overeenstemmende artikel 36 van wet van 3 mei 1999, dat van toepassing is op de gewone tuchtoverheid, kan worden opgemaakt dat de wetgever ook andere onderzoeksverrichtingen zou hebben beoogd. Het argument van de verwerende partij dat het niet de bedoeling kan zijn geweest van de wetgever om de tuchtoverheid enkel de mogelijkheid te geven de termijn van vijftien dagen te “schorsen” om bijkomende getuigenverklaringen af te nemen, wordt op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. De verwijzing naar de parlementaire voorbereiding van de wijziging van artikel 38sexies door de programmawet van 2 augustus 2002 noopt, in tegenstelling tot dat we verwerende partij aanvoert, prima facie niet tot die conclusie. De memorie van toelichting vermeldt: “Het gaat om een analoge bepaling aan die vervat in het wetsontwerp betreffende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, die betrekking heeft op de gewone tuchtoverheid. (Parl. Doc., GZ, 2001-2002, nr 1683/001, p. 122). Ook hier moet immers worden vastgesteld dat beide partijen niet over dezelfde wapens beschikken. Het is onredelijk en dus ook niet in het belang van het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid dat de hogere tuchtoverheid slechts over 15 kalenderdagen beschikt om alles te onderzoeken en te beslissen, waarbij dan nog rekening moet worden gehouden met het voorschrift van artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten. Vandaar ook hier het voorstel, zoals artikel 118 van het voormelde ontwerp dit beoogt voor de gewone tuchtoverheid, om die termijn te verlengen met de tijd noodzakelijk voor het verhoren van de getuigen en voor de navolgende onderzoeken waartoe die verhoren eventueel nopen.” (Memorie van toelichting, KAMER, 2001-2002, 21 mei 2002, nr. 50-1823/1, 74). XII-9748-12/27 Hieruit kan enkel worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever was om de termijn van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 te verlengen “met de tijd noodzakelijk voor het verhoren van de getuigen en voor de navolgende onderzoeken waartoe die verhoren eventueel nopen”. De “navolgende onderzoeken” die worden vermeld, kunnen derhalve niet los worden gezien van het daaraan voorafgaande getuigenverhoor. Hoewel kan worden aangenomen dat de situatie zich voordoet waarbij in het kader van een getuigenverhoor bepaalde bijkomende materiële onderzoekshandelingen moeten worden verricht, kan uit de hiervoor geciteerde parlementaire voorbereiding prima facie niet worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever was om ook een termijnverlenging mogelijk te maken voor bijkomende onderzoeksverrichtingen zonder enig getuigenverhoor. De verwerende partij mag de mening toegedaan zijn dat in navolging van het schriftelijk verweer soms essentiële bijkomende informatie moet worden ingewonnen buiten een getuigenverhoor, dit doet geen afbreuk aan de vaststelling dat prima facie de wet van 13 mei 1999 daartoe niet de mogelijkheid biedt. 16. Uit wat voorafgaat, volgt dat het louter opvragen van materiële stukken om toe te voegen aan het dossier prima facie niet kan worden beschouwd als het horen van “nuttige getuigenverklaringen”. Het standpunt van de verwerende partij dat de hogere tuchtoverheid de termijn van vijftien dagen kon “schorsen voor het uitvoeren van de bijkomende onderzoeksdaden” faalt derhalve in rechte. Enkel het horen van “nuttige getuigenverklaringen” kan leiden tot een verlenging van de vervaltermijn van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999. 17. Artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999 noch de wetsgeschiedenis bepaalt wat onder “getuigenverklaringen” moet worden begrepen. De memorie van toelichting bij de wijziging van (het voor de gewone tuchtoverheid geldende doch gelijkluidende) artikel 36 van de wet van 13 mei 1999 door de wet van 31 mei 2001 ‘tot wijziging van de wet van 13 mei 1999 XII-9748-13/27 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten en van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’, verduidelijkt enkel: “[…] De rechtspraak van de Onderzoeksraad van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, waarin de verschijning van getuigen op gelijkaardige wijze wordt geregeld, toont evenwel aan dat veel opgeroepen getuigen geen enkele meerwaarde bieden aan het tuchtdossier rekening houdend met hun niet-rechtstreekse betrokkenheid bij het dossier waarvoor zij worden opgeroepen. Om vertragende verschijningen te voorkomen, die enkel en alleen de morele kwalificaties van het vervolgde personeelslid ondersteunen, moeten de verschijningen worden beperkt tot de nuttige getuigen die daadwerkelijk rechtstreeks bij het tuchtdossier zijn betrokken. Er moet inderdaad voorkomen worden dat de betrokkene een hele reeks buren en vrienden, en al zijn collega’s als moraliteitsgetuigen laat verschijnen, maar zulke getuigen principieel uitsluiten gaat te ver. Het gaat bijvoorbeeld niet op te bepalen dat een collega van het betrokken personeelslid, die kan getuigen hoe dat personeelslid gewoonlijk werkt, niet gehoord kan worden, ook al [slaat] die getuigenis niet rechtstreeks op de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het tuchtonderzoek.” (Memorie van toelichting, KAMER, 2000-2001, 26 maart 2001, nr. 50-1173/1, 9) Hieruit kan worden afgeleid dat de wetgever de tuchtoverheid een ruime discretionaire bevoegdheid heeft willen verlenen om te oordelen welke getuigen die een band hebben met het dossier zij wenst te horen. Het komt derhalve de tuchtoverheid toe het nut en de noodzaak van het horen van een persoon als getuige te beoordelen, waarbij dergelijke discretionaire bevoegdheid de redelijkheid als grens heeft. 18. Te dezen voert verzoeker aan dat het opvragen van informatie over zijn loopbaangegevens geen getuigenverklaring is, ook niet wanneer de gecontacteerde persoon bijkomende uitleg geeft bij die gegevens, zodat de termijn van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 ten onrechte werd verlengd en het voorstel van zware tuchtstraf buiten de vervaltermijn bepaald in artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 werd betekend. Volgens verzoeker is een getuigenverklaring immers een verklaring van wat een persoon gehoord of gezien heeft in het kader van vermeende feiten. XII-9748-14/27 De inhoud die verzoeker aan het begrip “getuigenverklaring” geeft, lijkt prima facie enger dan de betekenis die de wetgever voor ogen had. Uit de hiervoor geciteerde parlementaire voorbereiding (zie supra, nr. 17) blijkt een ruime interpretatie van dit begrip. Er wordt op gewezen dat de getuigenverhoren zouden moet worden beperkt tot de “nuttige getuigen die daadwerkelijk rechtstreeks bij het tuchtdossier zijn betrokken”. Talrijke “moraliteitsgetuigen” horen, wordt niet wenselijk geacht, “maar zulke getuigen principieel uitsluiten gaat te ver”. Een getuigenverhoor wordt ook mogelijk geacht “ook al [slaat] die getuigenis niet rechtstreeks op de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het tuchtonderzoek”. Het begrip getuigenverklaring verengen tot een verklaring van wat een persoon gehoord of gezien heeft in het kader van vermeende feiten, zoals verzoeker doet, kan, gelet op deze parlementaire voorbereiding, prima facie niet worden bijgevallen. 19. In de mate dat verzoeker met het citeren van het advies van de Tuchtraad moet worden geacht als argument aan te voeren dat het bevragen van adviseur XXX geen getuigenverklaring is – standpunt dat de Tuchtraad te dezen heeft ingenomen –, merkt de Raad van State prima facie het volgende op. Bij e-mail van 8 januari 2024 vraagt de gemandateerde van de hogere tuchtoverheid aan de directie PLIF van de dienst waartoe verzoeker behoort om hem in het bezit te willen stellen van een aantal welomschreven stukken, maar ook van “een omstandige (verklarende) toelichting inzake eventuele periodes van detachering (van waar naar welke affectatie, voor welk doeleinde,…), sinds het beëindigen van zijn basisopleiding als inspecteur […]. Inzonderheid gaat de aandacht uit naar elk element gerelateerd aan eventuele dienstprestaties in de periode 2003-2005 (?) met betrekking tot de Speciale Eenheden DSU.” Een personeelslid van de bevraagde dienst antwoordt bij e-mail van 11 januari 2024, waarbij zij diverse pdf-bestanden met de gevraagde mappen uit verzoekers persoonlijk dossier bezorgt, maar ook een “[v]olledige uitdraai GALoP met printscreens en eventuele bijkomende uitleg ondertekend door […]” en een bijlage met de bewegingen van verzoeker tijdens zijn loopbaan, opgesteld op 9 januari 2024, met andere woorden na de vraag van 8 januari 2024 en met het oog op het XII-9748-15/27 antwoord van 11 januari 2024. De “eventuele bijkomende uitleg” blijkt daadwerkelijk te zijn gegeven en luidt: “Bijkomende uitleg affectatie DAR – Steundienst: Wij zien enkel dat hij tewerkgesteld was bij DAR – Steundienst van 20/01/2003 tem 28/02/2007. Zowel in GALoP als in zijn persoonlijk dossier zijn er geen elementen te vinden met betrekking tot de Speciale Eenheden DSU.” (zie supra, nr. 3.6). Prima facie stelt de Raad van State vast dat het personeelslid van de bevraagde dienst daarmee niet louter bestaande stukken bezorgt voor voeging bij het tuchtdossier, maar ook een eigen verklaring toevoegt, zoals overigens ook werd gevraagd in de e-mail van 8 januari 2024. Gelet op de ruime discretionaire bevoegdheid van de hogere tuchtoverheid ter zake, maakt verzoeker prima facie niet aannemelijk dat die verklaring niet kan worden beschouwd als een getuigenverklaring in de zin van artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999, in het licht van wat hiervoor werd vastgesteld, met name dat de wetgever ook de getuigenverklaring voor ogen had “ook al [slaat] die getuigenis niet rechtstreeks op de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het tuchtonderzoek” zolang die getuigenverklaring “nuttig” is en er een “band met het dossier” is (zie supra, nr. 17). Dat is te dezen prima facie het geval. De getuigenverklaring heeft een band met het dossier, daar zij werd opgevraagd om verzoekers verweer betreffende het feit van “het zichzelf meermaals aan collega’s voorstellen als zijnde ‘ex-lid DSU’” te beantwoorden. De getuigenverklaring is ook nuttig gebleken, daar het voorstel van zware tuchtstraf uitdrukkelijk steunt op de verklaring van adviseur XXX om verzoekers verweer desbetreffend te beantwoorden. 20. In de mate dat verzoeker tot slot aanvoert dat de verwerende partij alles in het werk stelt om verzoeker zo hard mogelijk te treffen – daar zij de relevante wetgeving naast zich neer legt – en dat er sprake is van een heksenjacht, stelt de Raad van State prima facie vast dat deze algemene beschouwingen niet tot een andere beoordeling kunnen leiden. 21. De Raad van State besluit dat verzoeker prima facie niet overtuigt dat de op uitdrukkelijke vraag van de hogere tuchtoverheid door adviseur XII-9748-16/27 XXX afgelegde schriftelijke verklaring geen “nuttige getuigenverklaring” is, zoals bedoeld in artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999, en bijgevolg, dat artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 zou zijn geschonden. 22. Daar verzoeker de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel slechts onderbouwt met de loutere verwijzing naar de schending van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999, stelt de Raad van State prima facie vast dat dit middelonderdeel samenvalt met de aangevoerde schending van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999, die hiervoor werd onderzocht. Van een schending van deze beginselen van behoorlijk bestuur is bijgevolg evenmin sprake. 23. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 24. In het verzoekschrift vat verzoeker het tweede middel als volgt samen: “In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 54 Tuchtwet en van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en voert hij aan dat de verwerende partij zich schuldig maakt aan machtsafwending en machtsoverschrijding. In essentie voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij afwijkt van het definitief advies van de Tuchtraad dat een bindend karakter heeft. De verwerende partij overschrijdt haar eigen bevoegdheid door af te wijken van de bindende onderdelen van het definitief advies van de Tuchtraad.” Verzoeker licht verder toe dat artikel 54 van de wet van 13 mei 1999 – waarvan hij de inhoud citeert – zeer duidelijk is. Het advies van de Tuchtraad is volgens verzoeker bindend en de hogere tuchtoverheid kan daarvan, wat de uiteenzetting van de feiten en de toerekening ervan aan het personeelslid betreft, niet afwijken. Verzoeker wijst erop dat de feiten A tot en met D volgens de XII-9748-17/27 Tuchtraad niet bewezen zijn en bijgevolg niet toerekenbaar aan verzoeker, maar de hogere tuchtoverheid de feiten A, C en D toch bewezen en aan verzoeker toerekenbaar acht, zodat de hogere tuchtoverheid afwijkt van het bindende advies van de Tuchtraad, wat machtsoverschrijding en machtsafwending is. Tegelijk worden volgens verzoeker alzo ook artikel 54 van de wet van 13 mei 1999, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht geschonden. Beoordeling 25. Artikel 54 van de wet van 13 mei 1999 luidt: “Wanneer de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies, dan moet zij de redenen hiertoe aangeven en ze, samen met de voorgenomen straf, ter kennis brengen van de betrokkene. Deze kan een schriftelijk verweer indienen binnen de tien dagen na de kennisgeving, op straffe van verval. Het personeelslid kan een verweerschrift indienen, binnen dezelfde termijn, wanneer de hogere tuchtoverheid instemt met de door de tuchtraad voorgestelde strafverzwaring.” Uit deze bepaling volgt onbetwistbaar dat de hogere tuchtoverheid – in weerwil van wat verzoeker aanvoert – kan afwijken van het advies van de Tuchtraad. Deze bepaling regelt net de procedure die in voorkomend geval moet worden gevolgd. Verzoeker steunt het tweede middel op een oude tekstversie van artikel 54 van de wet van 13 mei 1999, met name de versie die voorafgaat aan de wijziging van deze bepaling door artikel 32 van de wet van 31 mei 2001 ‘tot wijziging van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten en van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’. Ingevolge deze wetswijziging werd het bindend karakter van (bepaalde aspecten van) het advies van de Tuchtraad opgeheven. Het tweede middel faalt derhalve in rechte. 26. Daar verzoeker de aangevoerde machtsoverschrijding en machtsafwending, alsook de aangevoerde schending van het zorgvuldigheids-beginsel en de materiëlemotiveringsplicht slechts onderbouwt met de loutere verwijzing naar de schending van artikel 54 van de wet van 13 mei XII-9748-18/27 1999, stelt de Raad van State prima facie vast dat het middel, in de mate dat het daarop steunt, evenmin ernstig is. 27. Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 28. In het verzoekschrift vat verzoeker het derde middel als volgt samen: “In het derde middel voert de verzoekende partij een schending aan van het evenredigheidsbeginsel voor wat betreft de strafmaat. In essentie voert hij aan dat, indien uw Raad van oordeel is dat de tuchtprocedure rechtsgeldig verlopen is – quod impossibile – de opgelegde tuchtstraf in elk geval niet in verhouding staat tot de aan hem ten laste gelegde feiten. De bestreden beslissing miskent immers elke vorm van proportionaliteit.” Verzoeker licht toe dat doorheen de tuchtprocedure het aantal ten laste gelegde tuchtfeiten werd gereduceerd van negen feiten in het inleidend verslag tot vijf feiten in de bestreden beslissing. Desondanks bleef de hogere tuchtoverheid volharden in het voornemen, geformuleerd in het inleidend verslag, om de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Volgens verzoeker is er sprake van een manifeste schending van het evenredigheidsbeginsel. Hij reikt ter staving van dat standpunt de volgende argumenten aan: - hij heeft reeds 23 jaren dienst bij de Federale politie; - zijn jarenlange loyaliteit ten aanzien van de Federale politie; - de vermeende feiten 1, 2, 3, 5 en 6 zijn verjaard; - verzoeker geniet het vermoeden van onschuld en bij geen van de vermeende feiten wordt een sluitend bewijs aangevoerd; - het opleggen van een tuchtstraf voor de vermeende feiten 1, 2, 3, 5 en 6 zou de redelijketermijneis schenden; - het opleggen van een tuchtstraf voor alle vermeende feiten zou het zorgvuldigheidsbeginsel schenden; XII-9748-19/27 - verzoeker heeft tijdens zijn 23 jaren dienst bij de Federale politie quasi nooit opmerkingen, tuchtrechtelijke sancties of negatieve evaluaties gehad; - doorheen de tuchtprocedure zijn de vermeende feiten van stalking van vrouwelijke collega’s, het terugvorderen van geld bij een derde voor een privéaangelegenheid tijdens de diensturen, de ontvreemding van een cilinderslot tijdens de uitvoering van een huiszoeking en de niet-naleving van de “voorwaarden medische vrijstelling” niet langer aangehouden, doch de voorgestelde tuchtstraf bleef onveranderd; - in het inleidend verslag worden negen vermeende tuchtfeiten in aanmerking genomen, terwijl in de bestreden beslissing slechts vijf vermeende tuchtfeiten in aanmerking worden genomen, maar de strafmaat blijft ongewijzigd; - alle vermeende feiten bevatten zodanige leemtes en tegenstrijdigheden, zodat de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege in elk geval disproportioneel is. De hogere tuchtoverheid liet volgens verzoeker na op verzoekers argumenten desbetreffend te antwoorden, zodat zij ook de materiëlemotiveringsplicht miskent. Voorts voert verzoeker nog aan dat hij: “de inhoud van [zijn] diverse verweermiddelen niet [gaat] herhalen, maar het weze ontegensprekelijk duidelijk [dat] de feiten hetzij verjaard zijn, hetzij niet bewezen zijn, hetzij niet de impact kunnen hebben om de bestreden beslissing op te leggen. Erger nog, enkel argumenten tegen de verzoekende partij worden in rekening genomen. Getuigen in het voordeel van de verzoekende partij werden (doelbewust) niet gehoord. Een algemene enquête waarmee op de arbeidsplaats van de verzoekende partij de draak werd gestoken tijdens vrije momenten geldt in casu als ‘gezaghebbend bewijs’. Het feit dat een gesprek uit 2021 waarin quasi alle ‘tenlasteleggingen’ werden besproken niet op haar merites werd beoordeeld en waardoor op onwettige wijze de verjaring wordt omzeild, wordt door de verwerende partij als ‘bewijs’ aanvaard. Het frappantste betreft het integraal naar de vuilbak verwijzen van het gezaghebbend advies van de Tuchtraad. Het administratief dossier spreekt boekdelen.” Verzoeker besluit dat ook de Tuchtraad van oordeel was dat de strafmaat niet in verhouding staat tot de ten laste gelegde feiten. XII-9748-20/27 Beoordeling 29. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van
  5. is)als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het evenredigheids-beginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit die beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent. 30. Verzoeker betwist de evenredigheid van de strafmaat vooreerst op basis van het argument dat het aantal tuchtfeiten doorheen de tuchtprocedure werd gereduceerd van negen feiten in het inleidend verslag tot vijf feiten in de bestreden beslissing, terwijl de hogere tuchtoverheid bleef volharden in het voornemen geformuleerd in het inleidend verslag om de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. XII-9748-21/27 De Raad van State stelt prima facie vast dat verzoeker om zijn standpunt te onderbouwen enkel verwijst naar het loutere aantal in de bestreden beslissing ten laste gelegde tuchtfeiten in vergelijking met het loutere aantal tuchtfeiten vermeld in het inleidend verslag, zonder de aard of de ernst van die feiten bij zijn uiteenzetting te betrekken. Evenmin betrekt verzoeker bij zijn uiteenzetting de formele motivering van de bestreden beslissing waaruit onder meer blijkt dat naar het oordeel van de hogere tuchtoverheid twee van de vijf ten laste gelegde feiten – door verzoeker aangeduid als vermeend feit 2 en vermeend feit 6 – elk op zich reeds tot een onherstelbare vertrouwensbreuk leiden, zodat “een verdere werkrelatie bij de politie voor [de hogere tuchtoverheid] uitgesloten is”. Verzoeker zet prima facie evenmin uiteen waarom het wegvallen van een aantal tuchtfeiten – nog daargelaten of de door verzoeker vermelde aantallen wel kloppen – noodzakelijk tot gevolg zou hebben dat de initieel voorgestelde straf moet worden verminderd, te meer daar de straftoemeting in tuchtzaken geen louter wiskundige oefening is. Het volstaat dat, zoals te dezen, de hogere tuchtoverheid motiveert waarom zij aan de bewezen en ten laste gelegde feiten een bepaalde straf verbindt. Het komt vervolgens aan verzoeker toe om – indien hij meent dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden – aannemelijk te maken dat de hogere tuchtoverheid niet in redelijkheid tot die strafmeting is kunnen komen. Verzoeker doet dit prima facie niet door de loutere verwijzing naar het aantal tuchtfeiten of naar de vermindering van het aantal ten laste gelegde feiten lopende de tuchtprocedure. 31. Om de aangevoerde schending van het evenredigheidsbeginsel te onderbouwen, verwijst verzoeker voorts naar zijn lange staat van dienst, zijn jarenlange loyaliteit en het gegeven dat hij “quasi nooit” opmerkingen, tuchtsancties of negatieve evaluaties had. De Raad van State stelt vast dat de bestreden beslissing, naast een bevredigende evaluatie in 2023 en een aantal felicitaties in de voorbije vijf jaren, voor diezelfde periode ook vier functioneringsnota’s vermeldt, alsook melding maakt van een lichte tuchtstraf in 2019 en een zware tuchtstraf in 2019. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de hogere XII-9748-22/27 tuchtoverheid deze gegevens bij de beoordeling van de straftoemeting heeft betrokken en besloot “dat deze aan [verzoeker] opgelegde sancties ogenschijnlijk niet het nagestreefde doel lijken te hebben bereikt”. Verzoeker betrekt deze gegevens noch de formele motivering van de strafmaat betreffende die gegevens bij de uiteenzetting waarom de gehanteerde strafmaat, gelet op zijn staat van dienst, het evenredigheidsbeginsel zou schenden. Het enkele gegeven dat de hogere tuchtoverheid een andere mening is toegedaan, omtrent de afweging en het gewicht van de door verzoeker aangevoerde positieve elementen, toont prima facie niet aan dat de hogere tuchtoverheid inzake de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het evenredigheids-beginsel moet blijken. Dat er positieve elementen in verzoekers dossier zijn die in aanmerking kunnen worden genomen, is een zaak, maar een andere zaak is of dat dit – gelet op de formele motivering van de strafmaat – inhoudt dat het ondenkbaar is dat een andere overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde besluitvorming zou zijn gekomen. Met zijn uiteenzetting over zijn staat van dienst maakt verzoeker prima facie niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan. 32. Verzoeker formuleert voorts een aantal stellingen die tot de onevenredigheid van de strafmaat zouden moeten doen besluiten. Zo voert verzoeker aan dat de feiten 1, 2, 3, 5 en 6 verjaard zijn en dat het opleggen van een tuchtstraf voor die feiten de redelijketermijneis schendt. Voor alle feiten geldt volgens verzoeker dat er geen sluitend bewijs voorligt, ze leemtes en tegenstrijdigheden bevatten en dat het opleggen van een tuchtstraf voor die feiten het zorgvuldigheidsbeginsel schendt. In de mate dat verzoeker in zijn kritiek “tuchtfeiten” betrekt die in de bestreden beslissing niet als tuchtfeit ten laste zijn gelegd, met name andere feiten dan de feiten 2, 5, 6, 7 en 9 in de nummering van verzoeker, gaat verzoekers kritiek uit van een feitelijk onjuiste grondslag en is die kritiek om die reden niet ernstig. XII-9748-23/27 In de mate dat verzoeker meent dat de bestreden beslissing onevenredig is omdat, naar zijn mening, de in de bestreden beslissing in aanmerking genomen elementen onvoldoende of niet bewezen zijn, geeft verzoeker prima facie aan het evenredigheidsbeginsel een draagwijdte die dit beginsel niet heeft. Die kritiek betreft immers niet de evenredigheid van de bestreden beslissing die enkel betrekking heeft op het redelijk en evenredig aanwenden van de beleidsvrijheid en niet op de deugdelijkheid van de motieven van de strafmaat of de zorgvuldige vinding ervan. De schending van het evenredig-heidsbeginsel is immers enkel aan de orde als vaststaat dat de bestreden beslissing steunt op deugdelijke (materiële) gronden, zodat kritiek op de deugdelijkheid van die grondslagen, niet kan worden ingepast in het evenredigheidsbeginsel. In die mate mist verzoekers kritiek prima facie juridische grondslag. De Raad van State merkt voorts op dat de uiteenzetting van de middelen een essentieel onderdeel vormt van het verzoekschrift, omdat het, te dezen, de verwerende partij toelaat zich te verdedigen tegen de grieven die ten aanzien van de bestreden beslissing worden aangevoerd en de Raad van State in staat stelt de ernst van die grieven te onderzoeken. Het respect voor het recht van verdediging in de procedure van het administratief kortgeding, waar die rechten door de procedure al beperkt zijn, en de summaria cognitio waarmee de Raad van State van vorderingen tot schorsing kennis neemt, gebieden dan ook dat een verzoekende partij, op straffe van haar middelen als niet ernstig verworpen te zien, zeer nauwkeurig moet aanvoeren welke precieze rechtsregel of welk rechtsprincipe zij geschonden acht en al even nauwkeurig moet vermelden waarin de schending precies bestaat. In dat verband stelt de Raad van State te dezen vast dat verzoeker ter adstructie van het middel dat het evenredigheidsbeginsel geschonden is, zonder verdere toelichting, aanvoert dat de feiten 1, 2, 3, 5 en 6 verjaard zijn, dat het opleggen van een tuchtstraf voor die feiten de redelijketermijneis schendt, dat geen van de feiten bewezen is en dat het opleggen van een tuchtstraf voor die feiten het zorgvuldigheidsbeginsel schendt. Waarom dit zo zou zijn, verduidelijkt verzoeker niet, zodat hij prima facie tekortschiet in zijn stelplicht. XII-9748-24/27 33. Verzoeker voert aan dat de materiëlemotiveringsplicht is geschonden, omdat de verwerende partij naliet “een verklaring” te geven voor verzoekers argumentatie ter ondersteuning van het middel houdende de schending van het evenredigheidsbeginsel. Een middel kan slechts ernstig worden bevonden indien het de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. Dat brengt mee dat het middel, om als ernstig te kunnen worden aangemerkt, dermate duidelijk dient te zijn dat het bij eerste lezing meteen aannemelijk is dat daarop een nietigverklaring kan worden gesteund, zonder dat een doorgedreven onderzoek van het middel noodzakelijk is. Voorts wordt herhaald, zoals hiervoor reeds werd uiteengezet (zie supra, nr. 32), dat een middel zeer nauwkeurig moet aanvoeren welke precieze rechtsregel of welk rechtsprincipe het geschonden acht en al even nauwkeurig moet vermelden waarin de schending precies bestaat. Te dezen stelt de Raad van State prima facie vast dat verzoeker nalaat in concreto aan te geven waarom de bestreden beslissing de materiëlemotiveringsplicht zou schenden. Verzoeker beperkt zich tot de loutere stelling dat “[d]it” – waarmee hij verwijst naar zijn argumentatie ter adstructie van de aangevoerde schending van het evenredigheidsbeginsel – reeds eerder werd opgeworpen, maar dat de verwerende partij naliet hiervoor een “verklaring” te geven. Verzoeker laat na om ook maar op enige wijze de motivering van de nochtans 26 bladzijden tellende bestreden beslissing te betrekken bij de uiteenzetting van dit middelonderdeel. Het valt voorts niet aan de Raad van State toe om het middel in de plaats van verzoeker te redigeren. Verzoeker schiet prima facie tekort in zijn stelplicht. 34. In de mate dat verzoeker aanvoert dat hij “de inhoud van [zijn] diverse verweermiddelen niet [gaat] herhalen”, maar dat één en ander “ontegensprekelijk duidelijk” is, schiet verzoeker evenzeer tekort aan zijn stelplicht. Dat een bepaalde onregelmatigheid naar de opvatting van een verzoekende partij voor zich spreekt, ontslaat haar niet ervan om ze op schrift te XII-9748-25/27 stellen en te adstrueren in het inleidend verzoekschrift. Anders oordelen zou erop neerkomen dat het aan de Raad van State wordt overgelaten om het middel te construeren of ernaar op zoek te gaan in de procedurestukken die verzoeker in de administratieve procedure heeft neergelegd en zou de rechten van verdediging zinloos maken. 35. Tot slot voert verzoeker als argument ter adstructie van de aangevoerde schending van het evenredigheidsbeginsel aan dat ook de Tuchtraad oordeelde dat de strafmaat niet in verhouding staat tot de ten laste gelegde feiten. Verzoeker betrekt in zijn uiteenzetting evenwel niet het gegeven dat de Tuchtraad adviseerde dat slechts twee tuchtfeiten ten laste konden worden gelegd, terwijl de bestreden beslissing verzoeker tuchtrechtelijk straft voor vijf tuchtfeiten, en dus ook voor drie bijkomende feiten. Verzoeker betrekt evenmin in zijn uiteenzetting het gegeven dat twee van de drie feiten die de hogere tuchtoverheid bijkomend ten opzichte van de Tuchtraad ten laste legt – door verzoeker aangeduid als vermeend feit 2 en vermeend feit 6 –, volgens de bestreden beslissing volstaan om elk op zich reeds tot een onherstelbare vertrouwensbreuk te leiden, zodat “een verdere werkrelatie bij de politie voor [de hogere tuchtoverheid] uitgesloten is”. Verzoeker toont bijgevolg prima facie niet aan dat met een andere beoordeling dan die van de Tuchtraad op het vlak van de straftoemeting ten aanzien van andere feiten, de hogere tuchtoverheid het evenredigheidsbeginsel schendt. 36. Het derde middel is niet ernstig. VII. Conclusie 37. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals van toepassing op het tijdstip van het indienen van het beroep, die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. XII-9748-26/27 BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. De zaak wordt verwezen naar de gewone rechtspleging. 3. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. 4. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-9748-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.523 Gerelateerde publicatie(
  6. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.556 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.