id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.527 Rolnummer: A. 240393/X-18497 Zaak: Arrest 262527 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-04 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-06-17 03:01 Fiche Arrest nr 262.527 van 28 februari 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 262.527 van 28 februari 2025 in de zaak A. 240.393/X-18.497 In zake : de NV P.T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Floris Sebreghts en Jean-Christophe Beyers kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. de STAD TURNHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Glenn Declercq kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST Tussenkomende partij : de NV P.- V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 27 oktober 2023, strekt tot de nietigverklaring van:
(3140)‟. Bij de beoordeling werd een vergelijking gemaakt tussen de planologische referentiesituatie en de toekomstige planologische bestemming. De verzoekende partij toont niet aan dat de nieuwe bestemming tot hogere stikstofdeposities zou leiden dan agrarisch gebied, waar veehouderijen kunnen worden toegestaan. Zelfs als de vergelijking zou worden gemaakt tussen de feitelijke referentiesituatie en het gemeentelijk RUP, wat geen vereiste toets is, is er geen enkele reden om aan te nemen dat er meer dan een minimale toename van stikstofdeposities zou zijn. Het onderzoek dat werd gevoerd, volstaat voor het planniveau. 8.4. De eerste verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat de belangen van de verzoekende partij vreemd zijn aan de doelstelling van de habitatrichtlijn en van het natuurdecreet. De verzoekende partij is geen niet-gouvernementele organisatie die zich inzet voor milieubescherming, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie nr. C-243/15 van 8 november 2016. Zij is evenmin te beschouwen als “betrokken publiek” zoals bedoeld in artikel 2,5°, van het Verdrag van Aarhus, nu zij nergens in haar X-18.497-20/27 verzoekschrift aannemelijk maakt dat zij gevolgen ondervindt van, of belanghebbende is bij, de milieubesluitvorming rond de habitattoets. De verzoekende partij toont niet aan dat het middel in verband kan worden gebracht met haar maatschappelijk doel en haar specifieke economische/concurrentiële belangen. Zij verwijst in dit verband naar ‟s Raads arrest nr. 250.874 van 11 juni 2021. 8.5. De tussenkomende partij stelt in haar laatste memorie dat de regels waarvan de verzoekende partij de schending aanvoert, en die de bescherming van het milieu aanbelangen, volledig vreemd zijn aan de belangen waarop zij zich beroept ter adstructie van de ontvankelijkheid van haar beroep. Bovendien behoort de vrijwaring van natuurwaarden in de SBZ‟s alvast niet tot het maatschappelijk doel van de verzoekende partij. Beoordeling 9.1. De verzoekende partij voert aan dat uit de milieuscreening niet blijkt dat schadelijke effecten van het gemeentelijk RUP voor de betrokken SBZ-H met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Zij voert aldus op voldoende duidelijke wijze de schending aan van de door artikel 36ter, § 3, van het natuurdecreet gewaarborgde natuurtoets. Als rechtstreekse marktconcurrent van de tussenkomende partij heeft de verzoekende partij er belang bij dat de tussenkomende partij de natuurtoets respecteert. Aangenomen moet worden dat de mogelijkheid van de tussenkomende partij om haar bedrijf op grond van een met schending van de natuurtoets aangenomen gemeentelijk RUP uit te baten, een nadelige invloed kan hebben op verzoeksters markt- en concurrentiepositie. Zoals de verzoekende partij aangeeft, biedt dit de tussenkomende partij een grondslag “om de[…] door haar scheefgetrokken marktwerking te bestendigen”, waardoor de verzoekende partij “(potentiële) klanten en omzet voor al haar producten [verliest]”. X-18.497-21/27 De verwijzing naar ‟s Raads arrest nr. 250.874 van 11 juni 2021 in de laatste memorie van de eerste verwerende partij mist pertinentie. In dit arrest wordt tot de onontvankelijkheid van het middelonderdeel besloten omdat dit “het specifieke belang dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift hebben laten gelden, te buiten [gaat]”. Huidig middel past daarentegen volkomen binnen hetgeen de verzoekende partij ter staving van haar belang in het verzoekschrift heeft uiteengezet. 9.2. Artikel 6, tweede en derde lid, van de habitatrichtlijn bepaalt: “2. De Lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben. 3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo‟n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.” Artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn is omgezet in het intern recht door artikel 36ter, §§ 3 en 4, van het natuurdecreet: “§ 3. Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma‟s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, zonder dat die vergunningsplichtige activiteit of dat plan of programma direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied in de speciale beschermingszone in kwestie dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. De verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van de X-18.497-22/27 vergunningsplichtige activiteit een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling. Voor een plan of programma zoals gedefinieerd in artikel 4.1.1, § 1, 4°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, alsook de wijziging ervan, waarvoor, gelet op het betekenisvolle effect op een speciale beschermingszone, een passende beoordeling is vereist, is hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid van toepassing. Wat betreft een plan of programma als vermeld in het vierde lid, dat geen ruimtelijk uitvoeringsplan is, maakt de passende beoordeling deel uit van de documenten die de initiatiefnemer bij het onderzoek tot milieueffectrapportage, vermeld in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, bezorgt aan de dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage. Als de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de verplichting inzake milieueffectrapportage indient als vermeld in artikel 4.2.3, § 3ter, van het voormelde decreet, maakt de passende beoordeling deel uit van dat verzoek. Als een plan-MER wordt opgemaakt, wordt de passende beoordeling daarin geïntegreerd. Bij een plan of programma als vermeld in het vierde lid, dat een ruimtelijk uitvoeringsplan is, maakt de passende beoordeling, als er geen plan-MER moet worden opgemaakt, zo mogelijk al deel uit van de startnota, vermeld in artikel 2.2.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en in elk geval van de scopingnota, vermeld in het voormelde artikel. Als uit de scopingnota blijkt dat een plan-MER moet worden opgemaakt, wordt de passende beoordeling in het plan-MER geïntegreerd. […] § 4. De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan.” Artikel 2, 30°, van het natuurdecreet definieert “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als volgt: “een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(
- en)of de habitat(
- s)waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van X-18.497-23/27 de soort(
- en)vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone.” Artikel 2, 38°, van het natuurdecreet omschrijft de “natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als volgt: “het geheel van biotische en abiotische elementen, samen met hun ruimtelijke en ecologische kenmerken en processen, die nodig zijn voor de instandhouding van
- a)de natuurlijke habitats en de leefgebieden van de soorten waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen en
- b)de soorten vermeld in de bijlage III.” 9.3. Een plan dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma‟s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een SBZ kan veroorzaken moet aan een passende beoordeling onderworpen worden. Het volstaat dat de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat dit plan significante gevolgen heeft voor het gebied. In het bijzonder bestaat dit risico wanneer op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het plan of project significante gevolgen heeft voor het gebied. 9.4. Vooreerst weze te dezen opgemerkt dat het betoog van de verzoekende partij dat uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat er voor de betrokken SBZ-H een overschrijding van de KDW is waar te nemen (zie in dit verband randnummer 3.3.3.1 en volgende), door de tussenkomende partij en de verwerende partijen niet wordt weerlegd. 9.5. De uitgevoerde “voortoets” steunt wezenlijk op verkeerstellingen van de bestaande situatie (randnummer 3.7.3). Daardoor is het uitgevoerde onderzoek onvolledig. Er blijkt immers niet dat er rekening is gehouden met “de beoogde uitbreidingen” die het bestreden gemeentelijk RUP mogelijk moet maken (randnummer 3.1) en met andere bestemmingen dan de bestemming historisch gegroeid bedrijf, zoals de nabestemming „agrarisch gebied‟. X-18.497-24/27 In de scopingnota, meer bepaald in het onderdeel dat handelt over het onderzoek naar de aanzienlijkheid van milieueffecten, wordt voor de discipline „biodiversiteit‟ als bijzonder aandachtspunt onder meer vermeld dat “[o]ngeveer 600 m ten zuidwesten en 900 m ten noordoosten van het plangebied […] zich het habitatrichtlijngebied „Bos- en heidegebieden ten oosten van Antwerpen (BE2100017) [bevindt]”. Er wordt een tabel bijgevoegd die de verschillende habitattypes aangeeft die behoren tot deze SBZ-H, met vermelding van de kritische drempelwaarde voor eutrofiëring en voor verzuring (zie randnummer 3.7.2). Met betrekking tot de verkeersgeneratie die het gemeentelijk RUP teweegbrengt, en de stikstofdepositie die daardoor ontstaat, vermeldt de scopingnota dat “[d]e stikstofdepositie en de eventuele impact op biodiversiteit […] verder onderzocht [wordt] via de tool „Voortoets‟”, wat “een tool [betreft] die beschikbaar werd gesteld door de Vlaamse Overheid en die een snelle toetsing van de 1%-richtlijn inhoudt”. Toegelicht wordt dat “[d]e resulterende stikstofdepositie […] als niet significant [wordt] beschouwd wanneer deze kleiner is dan 1% van de laagste kritische drempelwaarde van het betreffende SBZ”. De conclusie van de “voortoets” is dat er “wordt voldaan aan de 1%-richtlijn waardoor de impact op de omliggende [SBZ-H] niet als significant kan beschouwd worden” (zie randnummer 3.7.3, in fine). Besloten wordt dan ook dat de opmaak van een passende beoordeling niet noodzakelijk is. Om tot dit besluit te komen, zijn er op het vlak van de impact van (bijkomende) stikstofdepositie geen andere elementen in aanmerking genomen dan de resultaten van de uitgevoerde “voortoets”. Het is enkel op basis van die “voortoets” dat men tot het besluit komt dat de resulterende stikstofdepositie als “niet significant” wordt beschouwd, aangezien deze kleiner is dan 1% van de laagste kritische drempelwaarde van het meest gevoelige habitattype op vlak van eutrofiëring en verzuring binnen de betrokken SBZ-H. Aan de specifieke milieukenmerken en IHD‟s wordt bij de beoordeling van de gevolgen van de bijkomende stikstofdepositie in de al overbelaste gebieden geen aandacht meer besteed. X-18.497-25/27 In de uitgevoerde “voortoets” wordt bovendien uitdrukkelijk erkend dat er mogelijk rekening dient gehouden te worden met een foutenmarge “aangezien de voortoets niet specifiek gericht is op verkeersbronnen” (randnummer 3.7.3, in fine). 9.6. In het licht van het voorgaande doen de verwerende partijen niet blijken van de wetenschappelijke deugdelijkheid van de beoordeling van de mogelijke gevolgen voor de speciale beschermingszones. 9.7. De eerste verwerende partij overtuigt niet van haar uitgangspunt dat het bestreden gemeentelijk RUP slechts een bestaande exploitatie ordent, daar dit RUP, zoals vermeld, uitbreidingen mogelijk moet maken. Er is dan ook geen reden om de op dit onjuiste uitgangspunt gesteunde prejudiciële vraag (randnummer 8.2.2) aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. 9.8. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. Dit verantwoordt de vernietiging van de eerste bestreden beslissing en ook, gelet op de in aanmerking genomen onwettigheid, ten behoeve van de duidelijkheid in het rechtsverkeer, van de tweede bestreden beslissing. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de gemeenteraad van de stad Turnhout van 26 juni 2023 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Proost - Van Gorp’, en het besluit van het team Milieueffectrapportage van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid van 24 juni 2022 dat er voor het voorgenomen gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Proost - Van Gorp’ geen planmilieueffectrapport moet worden opgesteld. X-18.497-26/27 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten. 3. De verwerende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D‟Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.497-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.527 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div