← België

Arrest 262544 - Varia (openbaar ambt) - 04/03/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.544 Rolnummer: A. 241613/IX-10450 Zaak: Arrest 262544 - Varia (openbaar ambt) - 04/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-10 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-16 05:52 Fiche Arrest nr 262.544 van 4 maart 2025 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.544 no lien 282096 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 262.544 van 4 maart 2025 in de zaak A. 241.613/IX-10.450 In zake : M.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen van 26 februari 2024 waarbij het beroep van M.M. ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 3 juni
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.450-1/29 Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 november
  4. Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoekende partij, en attaché Jozef Brangers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 18 maart 2001 raakt verzoeker als inspecteur bij de rijkswacht betrokken bij een schietincident. 3.
  7. Op 2 maart 2010 dient verzoeker een aanvraag in bij de commissie voor vergoedingspensioenen tot het verkrijgen van een vergoedingspensioen voor de aandoening Post Traumatisch Stress Syndroom (PTSS). IX-10.450-2/29 De commissie voor vergoedingspensioenen stuurt het dossier naar de Gerechtelijk Geneeskundige dienst (GGD), die op 19 november 2010 de invaliditeitsgraad vaststelt op 15% overeenkomstig artikel 647, a), van de officiële Belgische schaal tot vaststelling van de graad van invaliditeit. 3.
  8. Bij beslissing van 28 juni 2012 wijst de commissie voor vergoedingspensioenen de aanvraag van verzoeker af. De commissie is van oordeel dat de aanvraag niet ontvankelijk is. De beslissing stelt dat de aandoening waarvoor vergoedingspensioen wordt gevraagd geen lichamelijke schade betreft maar wel onder de norm van beroepsziekten valt. De aanvraag werd pas ingediend op 2 maart 2010, terwijl de aanvragen hiervoor, voor rijkswachters, slechts geldig ingediend konden worden vóór 1 april
  9. 3.
  10. Op 11 september 2012 stelt verzoeker een beroep in tegen deze beslissing bij de ‘commissie van beroep voor vergoedingspensioenen’ (de beroepscommissie). De beroepscommissie bezorgt het dossier aan de beroepskamer van de Gerechtelijk Geneeskundige dienst (GGDB), die in de protocollen van 24 april 2013, 1 juli 2015, 28 september 2016 en 5 juni 2019 onder meer tot de conclusie komt dat het PTSS een ziekte is, een psychische aandoening en geen organisch trauma. 3.
  11. Bij beslissing van 26 februari 2024 verklaart de beroepscommissie het door verzoeker ingestelde beroep ontvankelijk doch ongegrond en wordt de beslissing van de commissie voor vergoedingspensioenen van 28 juni 2012 bevestigd. De verantwoording daartoe wordt opgenomen in het bijzonder verslag en luidt als volgt: IX-10.450-3/29 “Antecedenten Betrokkene diende op datum van 02-03-2010 een aanvraag in overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van de Samengeordende Wetten op de Vergoedingspensioenen (SWVP). Het betreft een aanvraag voor de aandoening ‘Post Traumatisch Stress Syndroom’ (PTSS). Verzoeker verklaart dat deze aandoening het gevolg is van een schietincident dat plaatsvond op 18-03-
  12. Deze aanvraag was vergezeld van een medisch attest van dokter […] (dd. 18-02-2010), dokter […] (dd. 25-02-2009) en dokter […] (dd. 27-01-2010). Op zitting van de Commissie voor Vergoedingspensioenen dd. 28-06-2012 werd de aanvraag om Invaliditeitspensioen van betrokkene afgewezen om de reden dat deze niet-ontvankelijk zou zijn. Het bijzonder verslag bij deze beslissing licht deze beslissing toe: de aangevraagde aandoening betreft geen lichamelijke schade maar valt onder de norm van beroepsziekten. De aanvragen hiervoor konden, voor rijkswachters, slechts rechtsgeldig ingediend worden tot en met 31 maart
  13. Toepasselijke wetgeving: SWVP ‘Artikel 1 SWVP: De vergoedingspensioenen worden, op de wijze bij deze wet bepaald, verleend voor behoorlijk vastgestelde lichamelijke schade, ná 9 mei 1940 en vóór 26 augustus 1947 toegebracht bij het volbrengen van zijn plicht als militair of staatsburger, of in omstandigheden welke bij artikel 2 met het volbrengen van zodanige plicht zijn gelijkgesteld. De aanvragers moeten door alle middelen bewijzen dat de door hen aangevoerde lichamelijke schade veroorzaakt werd gedurende de dienst, de gevangenschap of de geleverde prestaties, en door de dienst, de gevangenschap of de prestaties, volgens het onderscheid dat, bij artikel 2, voor elke categorie wordt gemaakt. (…)’ Wet van 8 juli 1970 Art 60 van de wet van 8 juli 1970 zoals gewijzigd door de wet van 16 november 2000 maakte in het tweede lid de bepalingen van de SWVP van toepassingen op schade opgelopen door rijkswachters gedurende en door het feit van de dienst vanaf 1 januari 1992 tot en met 31 maart
  14. Aan deze bepaling werd echter een artikel 60bis toegevoegd door de wetgever dat stelt dat ‘De aanvraag met betrekking tot de in artikel 60, tweede, derde en vierde lid, bedoelde schade opgelopen tot en met 31 maart 2001, moet overeenkomstig artikel 19 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen evenwel geldig worden ingediend voor 1 april 2001, zo zij betrekking heeft op de beroepsziekten zoals omschreven in artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector’. De reden voor deze behandeling blijkt duidelijk uit de voorbereidende werken van de wet van 16 november 2000 (Wetsontwerp; Parl.St.; Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers; 2000; 0957/001; p.11-12): ‘Het uitgangspunt is dat alle personeelsleden zullen ressorteren ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.544 IX-10.450-4/29 onder de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (zie artikel 37 van het ontwerp). Net zoals inzake het taalstatuut houdt dit concreet enkel een statutaire wijziging in voor de gewezen rijkswachters en militairen bij de rijkswacht. Zij vallen immers thans onder het stelsel van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, terwijl alle andere bij de hervorming betrokken personeelsleden reeds onder de gelding van de wet van 3 juli 1967 vallen. De twee voornoemde categorieën van gewezen personeelsleden worden dus onttrokken aan het toepassingsgebied van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen. Verder wordt de volgende transparante overgangsregeling voorgesteld: 1° Inzake arbeidsongevallen is de datum van het ongeval bepalend. Ongevallen overkomen vóór de inwerkingtreding van het nieuwe statuut worden blijvend aangegeven in het stelsel van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen en afgehandeld volgens de regels (procedure, renten, ... ) van dat stelsel; 2° Inzake de beroepsziekten is de datum van aangifte doorslaggevend, dit omdat de datum van genese van de kwaal soms moeilijk te duiden is. Beroepsziekten waarvoor er vóór de inwerkingtreding van het nieuwe statuut reeds een rechtsgeldige aangifte geschiedde, worden volledig afgehandeld conform de bepalingen van voormelde samengeordende wetten. De andere vallen onder de wet van 3 juli 1967 (cf. artikel 39 van het ontwerp). Zoals reeds aangestipt in de toelichting bij artikel 4, § 2, van het ontwerp, worden de in die paragraaf bedoelde militairen ook onderworpen aan de wet van 3 juli 1967 en dit zolang ze werkzaam zijn binnen het administratief en logistiek kader (zie artikel 38, 2°, van het ontwerp). Zodoende vallen werkelijk alle personeelsleden onder dezelfde arbeidsongevallenreglementering.’ Hieruit blijkt duidelijk dat de wetgever de wet van 3 juli 1967 van toepassing wou stellen op de rijkswachters. De wetgever maakt slechts een onderscheid tussen twee categorieën: arbeidsongevallen en beroepsziekten, waarbij de datum van aanvraag in het stelsel van de vergoedingspensioenen voor een arbeidsongeval steeds mogelijk is voor zover het ongeval zich voordeed voor 1 april 2001, maar dat bij beroepsziekten de datum van de aanvraag (voor 1 april 2001) van belang is. Wet van 3 juli 1967 Teneinde vast te stellen of de aanvraag van verzoeker geldig werd ingediend moet bijgevolg worden vastgesteld of de feiten het gevolg zijn van een ongeval tijdens en door toedoen van de dienst (SWVP) ofwel van een [beroepsziekte] zoals omschreven in artikel 2 van de wet van 3 juli
  15. Dit artikel stelt het volgende: ‘Onder arbeidsongeval wordt verstaan het ongeval dat zich tijdens en door de uitoefening van het ambt heeft voorgedaan en dat een letsel veroorzaakt. Het ongeval overkomen tijdens de uitoefening van het ambt wordt, behoudens tegenbewijs, geacht door de uitoefening van het ambt te zijn overkomen. Worden eveneens beschouwd als arbeidsongevallen: IX-10.450-5/29 1° het ongeval overkomen op de weg naar en van het werk dat aan de vereisten voldoet om dit karakter te hebben in de zin van artikel 8 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971; 2° het ongeval dat een personeelslid als bedoeld in artikel 1 buiten de uitoefening van zijn dienst is overkomen maar dat veroorzaakt is door een derde wegens het door dit personeelslid uitgeoefend ambt. Wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden, benevens het bestaan van een letsel, het bestaan van een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt. (…)

(1)Onder beroepsziekten worden verstaan de ziekten die als zodanig zijn aangemerkt ter uitvoering van de artikelen 30 en 30bis van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970. ( ... )’ Wet van 3 juni 1970 Artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 verwijst dus voor de vaststelling van wat een beroepsziekte is naar de bepalingen van artikel 30 en 30bis van de wet van 3 juni 1970. Deze stelt het volgende: ‘Art. 30. De Koning maakt de lijst op van de beroepsziekten die tot schadeloosstelling aanleiding geven. De beroepsziekten die het voorwerp uitmaken van een voor België verbindende internationale overeenkomst, geven aanleiding tot schadeloosstelling vanaf de dag waarop deze overeenkomst in België van kracht geworden is. Art. 30bis. Geeft eveneens aanleiding tot schadeloosstelling, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, de ziekte die niet voorkomt op de lijst, bedoeld in artikel 30 van deze wetten, maar die op een determinerende en rechtstreekse wijze het gevolg is van de beroepsuitoefening. Het bewijs van het oorzakelijk verband tussen de ziekte en de blootstelling aan het beroepsrisico van deze ziekte valt ten laste van het slachtoffer of zijn rechthebbenden.’ Ten gronde De rechtsgeldigheid van de aanvraag van 02-03-2010 is dus afhankelijk van de beoordeling of de PTSS waarvan verzoeker verklaart het slachtoffer te zijn ten gevolge van de feiten van 18-03-2001 al dan niet als een beroepsziekte moet worden beschouwd. Een ziekte die niet voorkomt op de limitatieve lijst die voortvloeit uit artikel 30 van de ‘wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970’ is een beroepsziekte voor zover het slachtoffer een causaal verband aantoont tussen de ziekte en de beroepsuitoefening. De SWVP vereisen voor elke aandoening dat het verband tussen de aandoening en de dienst bewezen wordt (cfr. artikel 1 SWVP), waardoor ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.544 IX-10.450-6/29 elke ziekte in de zin van de SWVP waarvan de aanvraag gebeurde na 31-03-2001 ook gezien moet worden als een beroepsziekte in de zin van artikel 30bis van de wet van 3 juni 1970. Dit strookt volledig met de bedoeling van de wetgever zoals deze blijkt uit de voorbereidende werken van de wetgeving. ‘Inzake de beroepsziekten is de datum van aangifte doorslaggevend, dit omdat de datum van genese van de kwaal soms moeilijk te duiden is.’ De aanvraag geschiedde in maart 2010 terwijl de feiten zich voordeden op 18 maart 2001. De diagnose van PTSS werd voor het eerst gesteld in het medisch verslag van dokter […] van 25-02-2009. De wetgever wou discussies zoals deze in de huidige procedure uitsluiten door juist deze ziektebeelden waarvan de gevolgen zich pas jaren later uiten uit te sluiten in artikel 60bis van de wet van 8 juli 1970. Dit geldt zeker zo in huidige procedure waarin uit het dossier duidelijk blijkt dat andere feiten die zich afspeelden na 1 april 2001 het angstsyndroom zoals dit zich bij betrokkene nu manifesteert hebben bevorderd. Het verslag van de GGD in eerste aanleg van 19-11-2010 maakt bijvoorbeeld melding van de juridische afhandeling van de gerechtelijke procedure die volgde op het ongeval die de toestand van betrokken[e] heeft bestendigd of verergerd. Het verslag van de GGDB van 22-11-2017 gaat zelfs nog verder en stelt expliciet ‘Het schietincident heeft geen aanleiding gegeven tot een ziektesyndroom. De later opgetreden klachten zijn ontstaan in gevolge de moeilijkheden bij de juridische afloop’. Voordien werd het dossier al twee keer door de GGDB bestudeerd na toevoeging van bijkomende medische attesten dewelke telkens werden beoordeeld door het college. De arts-experten zijn echter steeds bij hun voorheen ingenomen standpunt gebleven. Antwoord op het verweerschrift neergelegd op zitting van 20-11-2018 De advocaat van verzoeker haalt in zijn verweerschrift, neergelegd op de zitting van de Commissie van Beroep voor Vergoedingspensioenen van 20-11-2018 twee hoofdonderdelen ter argumentatie aan, dewelke afzonderlijk besproken zullen worden. Hoofdonderdeel 1 van de uiteenzetting van de [raadsman van verzoeker] betreft de argumentatie dat de PTSS in dit geval niet het gevolg is van een beroepsziekte, maar wel van een arbeidsongeval. Hij haalt verschillende arresten aan uit de rechtspraak van de arbeidshoven en -rechtbanken met betrekking tot de interpretatie van een ‘plotse gebeurtenis’ als zijnde het kenmerkend onderscheid tussen een arbeidsongeval en een beroepsziekte. In casu betreft het echter een procedure voor de Commissies van Vergoedingspensioenen, dewelke als administratief rechtscollege op geen enkele manier gebonden is door de rechtspraak van ‘reguliere’ rechtbanken. In het kader van de SWVP is een definitie van een ‘ongeval’ terug te vinden in artikel 4. Dit artikel dat geplaatst werd onder onderverdeling A van Titel 1 van de SWVP, ‘'Gevolgen van de oorlogskwetsuren, van mishandelingen door de vijand of van ongevallen’ stelt het volgende: ‘Art. 4 De oorlogskwetsuur is de kwetsuur welke, tijdens een oorlogsactie, door een oorlogstuig teweeggebracht werd en al dan niet een bloedstorting ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.544 IX-10.450-7/29 heeft veroorzaakt. Onder traumatisme ingevolge mishandelingen door de vijand, dient verstaan : om ’t even welk letsel, veroorzaakt hetzij door een uitwendige mechanisch werkende kracht, hetzij door verbranding of verstikking, tijdens de aanhouding, de achtervolging, de ondervraging of de gevangenhouding door de vijand of door personen welke diens politiek of oogmerken dienen. Het ongeval is een gewelddadige en toevallige gebeurtenis welke al dan niet een bloedstorting heeft veroorzaakt.’ Dat het voor wat betreft een ongeval steeds moet gaan over een fysiek letsel, blijkt logischerwijze uit de samenlezing van artikel 4 en 5 SWVP met artikel 7 en 8 SWVP. ‘Art. 5 De lichamelijke schade welke uitsluitend te wijten is aan de kwetsuur, aan het traumatisme ingevolge mishandelingen door de vijand of aan het ongeval, in de zin van artikel 4, geeft recht op het volle pensioen dat voor de daaruit volgende invaliditeitsgraad voorzien is ( ... ). In tegenstelling tot het bepaalde in artikel 4 en 5 SWVP stellen artikel 7 en 8 van de SWVP, ondergebracht onder onderverdeling B van Titel 1 van de SWVP, ‘Gevolgen van ziekten’; het volgende: ‘Art. 7 De andere slachtoffers dan die bedoeld bij artikel 2,
  1. g)en
  2. i)kunnen, ter verkrijging van een vergoedingspensioen, de gevolgen aanvoeren van ziekten welke zij ontegenzeglijk gedurende de dienst, de gevangenschap of de geleverde prestaties en ingevolge de volbrachte dienst, de gevangenschap of de prestaties hebben opgedaan. ( ... ) Onder ziekte dienen verstaan, al de lichamelijke of geestelijke stoornissen welke het gevolg zijn van de volbrachte dienst, de gevangenschap of de geleverde prestaties en niet gerangschikt kunnen worden onder de oorlogskwetsuren, de traumatismen ingevolge mishandelingen door de vijand of de ongevallen, omschreven bij artikel 4. ( ... ) Art. 8 De invaliditeit, voortspruitend uit een ziekte in de zin van artikel 7, geeft aanleiding tot het toekennen van een volle vergoedingspensioen zo ze helemaal te wijten is aan het feit van de dienst, van de gevangenschap of van de geleverde prestaties. ( ... ).’. Een ongeval in de zin van de SWVP betreft bijgevolg een ‘gewelddadige en toevallige gebeurtenis’ (art. 4, 3° lid), en dus niet een ‘plotse gebeurtenis’ dewelke aanleiding heeft gegeven tot lichamelijke schade (art. 5, 1ste lid). Het betreft hier steeds fysieke letsels. Onder de ziekten in de zin van de SWVP vallen de lichamelijke en geestelijke stoornissen (art7, 2e lid) dewelke aanleiding geven tot invaliditeit. Door in artikel 7 de geestelijke stoornissen apart te vermelden van de lichamelijk stoornissen toonde de wetgever aan deze als verschillende zaken te beschouwen. Het leidt dan ook geen twijfel dat voor wat betreft de toepassing van de SWVP, geestelijke stoornissen (waaronder ook PTSS valt) als een ziekte dienen te worden beschouwd zoals gedefinieerd in artikel 7 SWVP, en niet als lichamelijke schade dewelke, als gevolg van een ongeval in de zin van artikel 4 SWVP slechts als fysieke schade kan worden beschouwd. Verder dient er ook op gewezen dat de GGDB herhaaldelijk bevestigd heeft ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.544 IX-10.450-8/29 dat PTSS als een ziekte dient te worden gezien. De zienswijze van de [raadsman van verzoeker] kan dan ook niet gevolgd worden. De PTSS is niet het gevolg van een ongeval (in de zin van artikel 4 SWVP) maar is een ziekte (in de zin van artikel 7 SWVP). Zoals hierboven reeds aangetoond vereisen de SWVP voor elke aandoening dat het verband tussen de aandoening en de dienst bewezen wordt (cfr. artikel 1 SWVP), waardoor elke ziekte in de zin van de SWVP waarvan de aanvraag gebeurde na 31-03-2001 ook gezien moet worden als een beroepsziekte in de zin van artikel 30bis van de wet van 3 juni 1970. Bijgevolg diende de aanvraag tot het bekomen van een vergoedingspensioen te gebeuren vóór 1 april 2001. Hoofdonderdeel 2 van de uiteenzetting van de [raadsman van verzoeker] spitst zich toe op het verslag van de GGDB van 28-09-2016. Hij stelt de conclusies van het geneeskundig college in vraag omdat geen van de artsen een specialisatie in de psychiatrie heeft. Hij verwijst naar zijn vraag om een specifiek medisch psychiatrisch onderzoek te bevelen. In het kader hiervan kan verwezen worden naar beslissing nr. 115.057 van 27 januari 2003 waarin de Raad van State stelt: ‘Overwegende dat geen reglement de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen ertoe verplicht om, wanneer de betrokkene daarom vraagt, de GGD te gelasten het advies in te winnen van andere geneesheren-specialisten; dat de commissie en de GGDB discretionair beslissen of zij met de gegevens die bij hen voorliggen zich voldoende voorgelicht achten om met kennis van zaken een advies of een beslissing te treffen;’. Het staat de arts-experten van de GGDB verder ook vrij om zich door een specialist bij te laten staan indien zij dit zelf nodig achten. In deze procedure is de mening van de arts-experten van de GGDB duidelijk en voldoende om de Commissie in staat te stellen met kennis van zaken een beslissing te treffen. Dat geen van deze artsen psychiater is, verplicht hun op geen enkele manier om de opinie van een specialist in te winnen indien de feiten en hun gevolgen naar hun mening duidelijk zijn. Het dossier werd reeds 3 keer in studie genomen door de GGDB, het onafhankelijke gerechtelijke college dat overeenkomstig artikel 45 § 1 en § 4 in fine van de SWVP en artikel 11 van het besluit van de regent van 15 juni 1949 door de wetgever werd aangeduid om de Commissies voor Vergoedingspensioenen bij te staan met medisch advies. Dat deze artsen, na grondige studie van het volledige dossier en na onderzoek van verzoeker in het bijzijn van dokter […] (raadsgeneesheer), tot een verschillende conclusie komen dan de artsen waarvan de medische verslagen werden overgemaakt door verzoeker doet op geen enkele manier afbreuk aan hun deskundigheid, of aan de conclusies van hun verslagen. Verzoeker voert aan dat rekening houden met de conclusies van de GGDB een schending zou zijn van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel, Dit zijn beide algemene beginselen van behoorlijk bestuur dewelke op de Commissies van Vergoedingspensioenen als administratief rechtscollege (in tegenstelling tot wat het geval is voor de administratieve overheid) niet van toepassing zijn (cfr. De uitgebreide rechtspraak van de Raad van State ter zake, o.a. nr. 227.464 van 20 mei 2014, nr. 210,633 van 24 januari 2011, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.544 IX-10.450-9/29 nr. 66.512 van 3 juni 1997).” Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen 4.1. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 4, 5, 7 en 8 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, goedgekeurd bij besluit van de Regent van 5 oktober 1948 ‘houdende goedkeuring van de tekst van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen’ (hierna: SWVP) en van artikel 60bis van de wet van 8 juli 1970 ‘tot instelling van nieuwe voordelen ten behoeve van de slachtoffers van de militaire plicht of van een daarmede gelijkgestelde plicht’ (hierna: de wet van 8 juli 1970). 4.2.1. In hoofdorde meent verzoeker dat het bij hem ontwikkelde PTSS – dat hij medisch afdoende heeft gestaafd door middel van psychiatrische en medische verslagen – wel degelijk onder de toepassing valt van de artikelen 4 en 5 SWVP. Volgens verzoeker hebben deze artikelen niet enkel betrekking op een fysiek letsel en de gevolgen ervan. Artikel 4 SWVP verwijst naar een ‘ongeval’, als “een gewelddadige en toevallige gebeurtenis welke al dan niet een bloedstorting heeft veroorzaakt”. In casu was er sprake van een gewelddadige en toevallige gebeurtenis, zijnde de confrontatie met de inbreker ten gevolge waarvan er vuurwapengeweld diende te worden gebezigd. Dit veroorzaakte een PTSS. Artikel 4 vermeldt als gevolg “al dan niet een bloedstorting”, zodat het ontbreken van een bloedstorting niet kan uitsluiten dat er sprake is van een ongeval in de zin van artikel 4 SWVP. Artikel 5 SWVP bepaalt dat de ‘lichamelijke schade’ te wijten aan onder andere een ongeval in de zin van artikel 4 recht geeft op een vergoedingspensioen. Het begrip ‘lichamelijke schade’ staat volgens verzoeker niet exclusief gelijk aan een fysiek letsel als zijnde het tegengestelde van een psychisch letsel als zijnde een ziekte. Artikel 3 SWVP stelt immers dat ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.544 IX-10.450-10/29 invaliditeitspensioenen kunnen worden verleend voor onder andere “ziekten opgedaan of verergerd gedurende de dienst [...] en ingevolge de dienst”. Derwijze is het zo dat ook een psychisch letsel (in casu een PTSS) als lichamelijke schade in de zin van artikel 5 SWVP ten gevolge van een ongeval in de zin van artikel 4 SWVP te aanzien valt. Door het begrip ‘lichamelijke schade’ uit artikel 5 SWVP als gevolg van een ongeval in de zin van artikel 4 SWVP te verengen tot louter een fysiek letsel worden de artikelen 4 en 5 SWVP door de beroepscommissie geschonden. De artikelen 7 en 8 SWVP regelen de gevolgen van ziekten welke niet gerangschikt kunnen worden onder de omschrijving van artikel 4, zijnde dus de lichamelijke of geestelijke stoornissen die niet het gevolg zijn van oorlogskwetsuren, traumatismen ingevolge mishandelingen en ongevallen. Aangezien het door verzoeker opgelopen PTSS het gevolg is van een ongeval in de zin van artikel 4 SWVP doen de artikelen 7 en 8 SWVP niet ter zake. Door te stellen dat een geestelijke stoornis zoals een PTSS in het raam van de SWVP steeds als een ziekte in de zin van de artikelen 7 en 8 SWVP dient te worden beschouwd en dus nooit een lichamelijke schade in de zin van de artikelen 4 en 5 SWVP kan zijn omdat daartoe vereist is dat het alleen over fysieke schade kan gaan, zijn, aldus verzoeker, de artikelen 4, 5, 7 en 8 SWVP geschonden. Een geestelijke stoornis kan immers wel degelijk een lichamelijke schade zijn in de zin van de artikelen 4 en 5 SWVP voor zover ze voortvloeit uit één der gebeurtenissen vermeld in artikel 4 SWVP. Dit is hier het geval, aangezien het PTSS het gevolg is van een ongeval in de zin van artikel 4 SWVP. 4.2.2. In subsidiaire orde meent verzoeker dat zelfs indien zou worden geoordeeld dat het door hem opgelopen PTSS moet worden aangezien als een ziekte ex artikelen 7 en 8 SWVP, zijn aanvraag gegrond dient te zijn en hem artikel 60bis van de wet van 8 juli 1970 niet kan worden tegengeworpen. Artikel 60bis stelt dat de aanvraag geldig moet worden ingediend vóór 1 april 2001 “zo zij betrekking heeft op de beroepsziekten zoals omschreven in artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de IX-10.450-11/29 schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.” Aldus kan verzoeker enkel worden tegengeworpen dat zijn aanvraag – indien zijn PTSS als een beroepsziekte dient aangezien – moest verricht zijn vóór 1 april 2001 voor zover het PTSS een beroepsziekte is in gemene termen, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 3 juli 1967. Dit artikel 2 maakt het onderscheid tussen enerzijds een arbeidsongeval en anderzijds een beroepsziekte, waarbij onder beroepsziekten wordt verstaan: “de ziekten die als zodanig zijn aangemerkt ter uitvoering van de artikelen 30 en 30bis van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970”. Artikel 30 van deze gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 (hierna: wet van 3 juni 1970) refereert aan de ‘gesloten’ lijst van beroepsziekten. Artikel 30bis van die wet verwijst naar het open systeem, zijnde de ziekte die niet voorkomt op de in artikel 30 bedoelde lijst, maar die op een determinerende en rechtstreekse wijze het gevolg is van de beroepsuitoefening. Volgens verzoeker voegt de beroepscommissie hieraan toe dat elke ziekte in de zin van de SWVP waarvan de aanvraag gebeurde na 31 maart 2001 ook gezien moet worden als een beroepsziekte in de zin van artikel 30bis van de wet van 3 juni 1970. Dat is volgens verzoeker evenwel onjuist en hierdoor is artikel 60bis van wet van 8 juli 1970 geschonden. Dit artikel heeft enkel betrekking op een beroepsziekte zoals omschreven in de wet van 3 juli 1967. Enkel indien het over een beroepsziekte gaat in gemene termen diende de aanvraag voor de commissie vergoedingspensioenen te geschieden vóór 1 april 2001. Door te stellen dat elke ziekte in de zin van de SWVP waarvan de aanvraag gebeurde na 31 maart 2001 ipso facto een beroepsziekte is zoals bedoeld in artikel 60bis van de wet van 8 juli 1970, is dit artikel geschonden. In casu is het door verzoeker opgelopen PTSS helemaal geen gemeenrechtelijke beroepsziekte maar wel het gevolg van een arbeidsongeval. Om een beroepsziekte te kunnen zijn in de zin van artikel 30bis van de wet van 3 juni 1970 moet het slachtoffer het bewijs leveren van het oorzakelijk verband tussen de ziekte en de blootstelling aan IX-10.450-12/29 het beroepsrisico van die ziekte gedurende een periode waarin het slachtoffer onder het toepassingsgebied van de wet viel. Op het moment dat het feit plaatsgreep dat ten oorsprong ligt aan het PTSS was verzoeker trouwens niet onderworpen aan de wet van 3 juli 1967 vermits artikel 1 ervan in die zin slechts is aangevuld bij wet van 22 december 2003, met ingang van 1 april 2001. Kenmerkend onderscheid tussen – in gemene termen – een beroepsziekte en een arbeidsongeval is dat een arbeidsongeval het gevolg is van een ‘plotse gebeurtenis’ alwaar een beroepsziekte het gevolg is van een blootstelling aan een beroepsrisico gedurende een zekere tijd. Een plotselinge gebeurtenis kan worden omschreven als een duidelijk in tijd en ruimte lokaliseerbare gebeurtenis die slechts een korte tijdsspanne in beslag neemt. Stresssituaties worden door de rechtspraak aanvaard als zijnde een arbeidsongeval veroorzaakt door een plotse gebeurtenis, met de enige nuance dat dagdagelijkse stress bij een verantwoordelijke positie niet altijd daartoe in aanmerking komt. Zulks is in deze evenwel niet aan de orde, de schietpartij heeft immers niets van doen met ‘dagdagelijkse stress’. In onderhavig geval is er sprake van een bijzonder element, namelijk het naar aanleiding van een interventie bij een inbraak betrokken te zijn geraakt bij vuurwapengeweld. Bij zijn verweerschriften voor de commissie van beroep heeft verzoeker overeenstemmende rechtspraak gevoegd. De ‘ziekte’ van verzoeker is naar gemeen recht het gevolg van een arbeidsongeval en niet van een beroepsziekte. Aldus heeft zijn aanvraag geen betrekking op een beroepsziekte zoals omschreven in artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 en kan hem niet op grond van artikel 60bis van de wet van 8 juli 1970 worden tegengeworpen dat zijn aanvraag moest zijn ingediend vóór 1 april 2001. Dat kon verzoeker ook niet doen aangezien het feit zich pas voordeed op 18 maart 2001 en dus nog geen twee weken later niet geweten kon zijn dat hij langzaam maar zeker doende was een PTSS te ontwikkelen. 4.3. De verwerende partij betoogt in de memorie van antwoord dat de beroepscommissie terecht gesteld heeft dat de gemeenrechtelijke interpretatie (met een onderscheid tussen een arbeidsongeval en een beroepsziekte aan de hand van de ‘plotse gebeurtenis’) in casu niet gevolgd kan worden aangezien de SWVP zelf voorzien in de definitie van een ongeval. Dit is een zuivere toepassing van het IX-10.450-13/29 principe lex specialis derogat legi generali. De SWVP maken zelf een onderscheid tussen de gevolgen van (onder andere) ongevallen, behandeld in de artikelen 4 en 5 SWVP, en de gevolgen van ziekten, behandeld in de artikelen 7 tot en met 8quinquies. Volgens de verwerende partij geeft verzoeker een verkeerde interpretatie aan artikel 4 SWVP door te stellen dat ook ziekten zoals PTSS kunnen ressorteren onder een ‘ongeval’. De wetgever poogde duidelijk een onderscheid te maken tussen ziekten en fysieke kwalen (die om die reden in verschillende titels zijn opgenomen). Dat artikel 4 SWVP vermeldt dat al dan niet een bloeduitstorting is veroorzaakt, moet ook in deze zin worden gelezen, namelijk dat ook fysieke letsels die geen bloeduitstorting teweeg hebben gebracht onder deze bepalingen vallen. Er kan in deze gedacht worden aan een whiplash die het gevolg is van een auto-ongeval of een schouder die uit de kom gaat bij het uitvoeren van een parachutesprong. Het gaat hier steeds over lichamelijke schade. In tegenstelling hiermee staat artikel 7, derde lid, SWVP. De wetgever heeft, door geestelijke stoornissen in dit artikel onder te brengen in de categorie ziekten, een duidelijke keuze gemaakt. Of de geestelijke stoornis al dan niet het gevolg is van een gewelddadige en toevallige gebeurtenis doet niet ter zake. Verzoeker stelt dat de ziekten een restcategorie vormen voor de letsels die niet onder de toepassing vallen van artikel 4 maar hij gaat daarmee, aldus de verwerende partij, voorbij aan de draagwijdte van de respectieve bepalingen en onderverdelingen binnen de SWVP. Dat artikel 7 spreekt van stoornissen die niet gerangschikt kunnen worden onder de oorlogskwetsuren, de traumatismen ingevolge mishandelingen door de vijand of de ongevallen, omschreven bij artikel 4, is een noodzakelijke bepaling om ziekten te omsluiten die het gevolg zijn van een incident waarbij geen fysiek letsel werd opgelopen, die anders niet door de SWVP kunnen worden omvat. Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een tekenbeet die de ziekte van Lyme heeft veroorzaakt, of PTSS opgelopen naar aanleiding van een schietpartij. Het onderscheidende criterium tussen gevolgen van ongevallen en de gevolgen van ziekten blijft dan ook of de aandoening al dan niet een fysiek letsel uitmaakt (met bloeduitstorting zoals door een schotwonde, dan wel zonder bloeduitstorting zoals IX-10.450-14/29 een whiplash), dan wel een lichamelijke (bv. de ziekte van Lyme) of een geestelijke stoornis (bv. PTSS) uitmaakt. In het kader hiervan verwijst de verwerende partij naar de parlementaire voorbereiding bij de wet van 27 december 2000, die de wet van 8 juli 1970 wijzigde en die de bepalingen van de SWVP van toepassing maakte op schade opgelopen door rijkswachters gedurende en door het feit van de dienst vanaf 1 januari 1992 tot en met 31 maart 2001. Artikel 60bis, waarvan de schending in huidige procedure in subsidiaire orde wordt aangevoerd door verzoeker, bevat een overgangsregeling. De parlementaire voorbereiding bij deze wet maakt voor de overgangsregeling een onderscheid tussen twee categorieën. Enerzijds geldt een regime voor de arbeidsongevallen (ongevallen in de zin van artikel 4 SWVP) waarvoor de datum van het ongeval bepalend is. Anderzijds is er sprake van beroepsziekten (ziekten in de zin van artikel 7 SWVP). Ook hier is er sprake van het onderscheid tussen gevolgen van ongevallen en gevolgen van ziekten, waarbij er een duidelijke reden is om voor de gevolgen van ziekten een aanvraag slechts toe te laten tot vóór 1 april 2001. Voor wat betreft ziekten is de genese van de kwaal soms moeilijk te duiden en de symptomen doen zich soms pas jaren na de feiten voor. Dit is in casu ook duidelijk het geval: het gerechtelijk geneeskundige college dat door de wetgever belast is om de beroepscommissie bij te staan met advies inzake medische aangelegenheden heeft herhaaldelijk gezegd dat het PTSS niet het gevolg is van de schietpartij op zich, maar integendeel het gevolg is van moeilijkheden ingevolge de juridische afloop van de schietpartij. De diagnose van PTSS werd ook pas voor het eerst gesteld op 25 februari 2009. Het was expliciet de bedoeling van de wetgever om discussies zoals deze in huidige procedure uit te sluiten door 1 april 2001 als absolute deadline vast te stellen voor het indienen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergoedingspensioen voor de gevolgen van (beroeps)ziekten. Ook met betrekking tot de aangevoerde schending van artikel 60bis van de wet van 8 juli 1970 verwijst de verwerende partij naar de parlementaire voorbereiding bij de wet van 27 december 2000. Daaruit blijkt zeer duidelijk de bedoeling van de wetgever om rijkswachters te onttrekken aan de SWVP. Hierna stelt de wetgever een overgangsregeling op die slechts van IX-10.450-15/29 toepassing is op arbeidsongevallen enerzijds en beroepsziekten anderzijds. In dit geval dienen arbeidsongevallen te worden geïnterpreteerd overeenkomstig artikel 4 SWVP. De parlementaire voorbereiding stelt immers dat “ongevallen overkomen vóór de inwerkingtreding van het nieuwe statuut […] blijvend [worden] aangegeven in het stelsel van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen en afgehandeld volgens de regels (procedure, renten,…) van dat stelsel”. Aangezien ongevallen worden behandeld overeenkomstig het stelsel van de vergoedingspensioenen moet dus ook de definitie van een ongeval zoals bepaald in de SWVP in aanmerking worden genomen. Dit zijn, zoals hiervóór besproken, fysieke letsels en dus kan een aanvraag voor PTSS niet worden aangenomen. Buiten arbeidsongevallen worden slechts ‘beroepsziekten’ vermeld. Aangezien het de bedoeling van de werkgever was om de rijkswachters volledig aan het stelsel van de vergoedingspensioenen te onttrekken, moeten hieronder worden begrepen de ziekten zoals deze volgen uit artikel 7 en volgende SWVP. Artikel 7, eerste lid, SWVP, betreft een open categorie van aandoeningen, waarbij de bewijslast bij betrokkene ligt om het verband tussen de aandoening en de dienst te bewijzen. Zoals verzoeker zelf aangaf, verwijst ook artikel 30bis van de wet van 3 juni 1970 naar een open systeem, waarbij de bewijslast bij betrokkene ligt om het oorzakelijk verband tussen de aandoening en de dienst aan te tonen. In die zin moet dus inderdaad elke ziekte in de zin van de SWVP waarvan de aanvraag gebeurde na 31 maart 2001 gezien worden als een beroepsziekte in de zin van artikel 30bis van de wet van 3 juni 1970. In elk geval voor wat betreft de toepassing van de wet van 8 juli 1970. Dat de ziekte van verzoeker naar gemeen recht al dan niet het gevolg is van een arbeidsongeval en niet van een beroepsziekte kan aan de beroepscommissie niet worden tegengeworpen aangezien de commissies voor vergoedingspensioenen inzake gemeenrecht geen bevoegdheid hebben. Dat de deadline voor een aanvraag vergoedingspensioenen op 1 april 2001 viel en door verzoeker “op 18-03-2001 en dus nog geen 2 weken later niet kon geweten zijn dat verzoeker langzaam maar zeker doende was een ptss te ontwikkelen” kan ook niet aan de commissies voor vergoedingspensioenen worden verweten. Het was de wens van de wetgever om de rijkswachters te onttrekken aan het statuut van de vergoedingspensioenen en het is de wetgever die IX-10.450-16/29 een plaatsvervangend systeem heeft ingeschakeld dat een vergoeding in deze zaak al dan niet zal toekennen. Dat (onder andere) het PTSS een traag evoluerende ziekte is, is precies de reden waarom een deadline voor de indiening van een aanvraag vergoedingspensioenen werd ingesteld. De commissies voor vergoedingspensioenen kunnen de aanvraag van verzoeker niet rechtsgeldig behandelen zonder in te gaan tegen de uitdrukkelijke wens van de wetgever om de rijkswachters te onttrekken aan het toepassingsgebied van de SWVP zoals deze blijkt uit de parlementaire voorbereiding bij de wet van 27 december 2000 en de wet van 8 juli 1970. 4.4.1. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat hij het niet eens is met de tweedeling die de verwerende partij maakt tussen enerzijds ‘fysieke letsels’ en anderzijds ‘ziekten’, in die zin dat het door hem opgelopen PTSS als zijnde medisch gezien een ziekte wel degelijk het gevolg is van een ‘ongeval’ zoals bedoeld in de artikelen 4 en 5 SWVP. Daarnaast stelt verzoeker het verontrustend te vinden dat de verwerende partij het standpunt inneemt dat de GGD “herhaaldelijk heeft gezegd dat het PTSS niet het gevolg is van de schietpartij op zich maar integendeel het gevolg is van moeilijkheden ingevolge de juridische afloop van de schietpartij”. Verzoeker herneemt ten aanzien van dit standpunt de bezwaren die hij heeft uiteengezet in zijn verweerschrift voor de beroepscommissie. Daarin stelde hij dat diverse medische verslagen, die hij opsomt, bevestigen dat er wel een PTSS is voortvloeiende uit het schietincident. Desondanks, zonder nadere onderzoeken, zonder bijzondere medische kennis of expertise op het vlak van psychiatrische diagnostiek stellen de geneesheren van de GGD plots dat er geen PTSS zou zijn en dat alles eenvoudigweg het gevolg is van de latere juridische verwikkelingen. Dit is niet deugdelijk noch redelijk, al zeker niet zorgvuldig. Door voort te borduren op de ongefundeerde bewering van de GGD is elk oordeel dat aanneemt dat er geen PTSS zou zijn of dat het (slechts) gebeurtenissen van na 1 april 2001 zijn die de ontwikkeling van het PTSS hebben veroorzaakt, op zijn beurt een aantasting van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. De verwerende partij stelt in haar IX-10.450-17/29 memorie boudweg dat de GGD meermaals heeft gesteld dat het PTSS niet het gevolg is van de schietpartij, maar van de juridische afwikkeling. Medex bevestigde dit nochtans oorspronkelijk wel, alsook alle andere geneesheren onder wie een psychiater. Dat de administratieve overheid dit zomaar weglaat, is intellectueel oneerlijk. 4.4.2. Aangaande artikel 60bis van de wet van 8 juli 1970 betwist verzoeker niet dat de beroepscommissie geen bevoegdheid heeft inzake gemeen recht. Dat is volgens hem echter niet relevant. De wettekst is duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar. Die tekst verwijst naar “beroepsziekten zoals omschreven in artikel 2 van de wet van 3 juli 1967” en zodoende naar wat naar gemeen recht al dan niet een beroepsziekte is. Aangezien de wetgever voor wat het begrip beroepsziekte betreft in artikel 60bis van 8 juli 1970 heeft verwezen naar het gemeen recht dient het begrip ‘beroepsziekte’ te worden gehanteerd zoals dat in gemeen recht bestaat. Bepaalde interpretaties uit de parlementaire voorbereiding kunnen daaraan geen afbreuk doen. De parlementaire voorbereiding van een wet kan niet worden aangevoerd tegen de klare en duidelijke tekst ervan. Beoordeling 5. De Raad van State mag als cassatierechter op grond van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet in de beoordeling van de feiten zelf treden. De beoordeling door de beroepscommissie van de feiten die aanleiding geven tot het geschil aan de hand van de voorhanden zijnde gegevens, mede gesteund op de verslagen van de GGD en de GGDB, behoort tot de eigen beoordelingsbevoegdheid van de beroepscommissie als feitenrechter. Het komt de Raad van State niet toe een beoordeling te maken van de medische toestand van verzoeker, noch zelf te onderzoeken of zich een eigen beoordeling te vormen over de vraag of in casu het PTSS waaraan verzoeker IX-10.450-18/29 lijdt al dan niet het gevolg is of al dan niet uitsluitend het gevolg is van een traumatische ervaring die plaatsvond op 18 maart 2001. Voor zover verzoeker in zijn memorie van wederantwoord het standpunt van de verwerende partij hekelt dat “de GGD herhaaldelijk gezegd heeft dat het PTSS niet het gevolg is van de schietpartij op zich, maar integendeel het gevolg is van moeilijkheden ingevolge de juridische afloop van de schietpartij”, is het middel onontvankelijk. 6. Verzoeker voert in zijn enige middel enerzijds de schending aan van de artikelen 4, 5, 7 en 8 SWVP en anderzijds de schending van artikel 60bis van de wet van 8 juli 1970. Hoewel verzoeker de schending van dit artikel 60bis “in subsidiaire orde” inroept, moet logischerwijze eerst de vraag worden beantwoord of de aanvraag van verzoeker al dan niet op grond van de toepassing van de overgangsregeling van artikel 60bis van de wet van 8 juli 1970 nog steeds onder de SWVP valt en of de beroepscommissie dit artikel 60bis correct heeft toegepast. De Raad beschouwt het door verzoeker aangevoerde middel bijgevolg als bestaande uit twee middelonderdelen, waarbij eerst het tweede middelonderdeel moet worden onderzocht. Tweede middelonderdeel 7.1. Artikel 60, tweede lid, van de wet van 8 juli 1970, zoals vervangen bij artikel 37 van de wet van 27 december 2000 ‘houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten’(hierna: wet van 27 december 2000) luidt als volgt: “[De samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen] zijn tevens van toepassing op de lichamelijke schade opgelopen door rijkswachters gedurende en door het feit van de dienst vanaf 1 januari 1992 tot en met 31 maart 2001.” Artikel 60bis van de wet van 8 juli 1970 – ingevoegd bij artikel 38 IX-10.450-19/29 van de wet van 27 december 2000 – stelt het volgende: “De aanvraag met betrekking tot de in artikel 60, tweede, derde en vierde lid, bedoelde schade opgelopen tot en met 31 maart 2001, moet overeenkomstig artikel 19 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen evenwel geldig worden ingediend vóór 1 april 2001, zo zij betrekking heeft op de beroepsziekten zoals omschreven in artikel 2 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. De geldige aanvragen ingediend door de personen bedoeld in artikel 60, tweede, derde en vierde lid, worden afgehandeld overeenkomstig de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen.” 7.2. Artikel 60bis van de wet van 8 juli 1970 verwijst aldus naar de wet van 3 juli 1967. Artikel 2, achtste lid, van die wet bevat de volgende omschrijving van beroepsziekten: “Onder beroepsziekten worden verstaan de ziekten die als zodanig zijn aangemerkt ter uitvoering van de artikelen 30 en 30bis van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970.” Het vermelde artikel 30 van de wet van 3 juni 1970 stelt onder meer het volgende: “De Koning maakt de lijst op van de beroepsziekten die tot schadeloosstelling aanleiding geven.” Het eveneens vermelde artikel 30bis van de wet van 3 juni 1970 stelt: “Geeft eveneens aanleiding tot schadeloosstelling, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, de ziekte die niet voorkomt op de lijst, bedoeld in artikel 30 van deze wetten, maar die op een determinerende en rechtstreekse wijze het gevolg is van de beroepsuitoefening. Het bewijs van het oorzakelijk verband tussen de ziekte en de blootstelling aan het beroepsrisico van deze ziekte valt ten laste van het slachtoffer of zijn rechthebbenden.” 8. Volgens verzoeker stelt de beroepscommissie ten onrechte dat ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.544 IX-10.450-20/29 elke ziekte in de zin van de SWVP waarvan de aanvraag gebeurde na 31 maart 2001 gezien moet worden als een beroepsziekte in de zin van artikel 30bis van de wet van 3 juni 1970. 9. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat geleid heeft tot de wet van 27 december 2000, die artikel 60 van de wet van 8 juli 1970 heeft gewijzigd en 60bis heeft ingevoegd in die wet, wordt de volgende toelichting gegeven (Parl.St. Kamer, 2000-2001, nr. 50-957/1, 11): “Het uitgangspunt is dat alle personeelsleden zullen ressorteren onder de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (…). Net zoals inzake het taalstatuut houdt dit concreet enkel een statutaire wijziging in voor de gewezen rijkswachters en militairen bij de rijkswacht. Zij vallen immers thans onder het stelsel van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, terwijl alle andere bij de hervorming betrokken personeelsleden reeds onder de gelding van de wet van 3 juli 1967 vallen. De twee voornoemde categorieën van gewezen personeelsleden worden dus onttrokken aan het toepassingsgebied van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen.” Met het nieuwe artikel 60 van de wet van 8 juli 1970 beoogde de wetgever bijgevolg de rijkswachters vanaf 1 april 2001 te onttrekken aan de SWVP en op hen de wet van 3 juli 1967 van toepassing te maken. De overgangsregeling van artikel 60bis strekt ertoe te bepalen in welke gevallen de SWVP toch nog van toepassing is en de aanvraag moet worden afgehandeld overeenkomstig de SWVP. Zulk een overgangsregeling heeft enkel zin wanneer op de in deze gevallen bedoelde personen, zonder de invoering van de nieuwe regeling van artikel 60 waardoor de SWVP niet meer van toepassing is voor lichamelijke schade opgelopen na 1 april 2001, de SWVP wel van toepassing zou zijn. De verwijzing in artikel 60bis van de wet van 8 juli 1970 naar de ‘beroepsziekten’ in de wet van 3 juli 1967, met doorverwijzing naar de wet van IX-10.450-21/29 3 juni 1970, moet dan ook in dit licht worden begrepen. 10. Overeenkomstig artikel 30bis van de wet van 3 juni 1970 wordt als beroepsziekte beschouwd de ziekte die niet op de door de Koning ter uitvoering van artikel 30 van dezelfde wet opgemaakte lijst voorkomt en die op een determinerende en rechtstreekse wijze het gevolg is van de beroepsuitoefening. Het bewijs van het oorzakelijk verband tussen de ziekte en de blootstelling aan het beroepsrisico van deze ziekte valt ten laste van het slachtoffer of zijn rechthebbenden. Deze definitie in artikel 30bis van de wet van 3 juni 1970 stemt overeen met deze in artikel 8 SWVP, gelezen in samenhang met artikel 7 SWVP en artikel 1 SWVP. Overeenkomstig artikel 8 SWVP is vereist dat de ziekte te wijten is aan het feit van de dienst of van de geleverde prestaties. Overeenkomstig artikel 7 SWVP dienen de gevolgen te worden aangevoerd van ziekten welke ontegenzeglijk gedurende de dienst of de geleverde prestaties én ingevolge de volbrachte dienst of prestaties zijn opgedaan. Overeenkomstig artikel 1 SWVP moet de aanvrager bewijzen dat de ziekte veroorzaakt werd gedurende de dienst of de geleverde prestaties én door de dienst of de prestaties. 11. De beoordeling of de aandoening waarvoor een aanvraag is ingediend een ziekte vormt in de zin van artikel 60bis van de wet van 8 juli 1970 en 30bis van de wet van 3 juni 1970 zodat de aanvraag vóór 1 april 2001 had moeten worden ingediend, behelst aldus de beoordeling of de aandoening op een determinerende en rechtstreekse wijze het gevolg is van de beroepsuitoefening en aldus de beoordeling of de aandoening een ziekte is die veroorzaakt werd gedurende en door de dienst, en zodoende een ziekte is in de zin van de artikelen 7 en 8 SWVP. 12. Door te oordelen dat elke ziekte in de zin van de SWVP waarvan de aanvraag gebeurde na 31 maart 2001 een beroepsziekte is zoals bedoeld in artikel 60bis van wet van 8 juli 1970, heeft de beroepscommissie geen voorwaarde IX-10.450-22/29 aan deze wetsbepaling toegevoegd. Het zou daarentegen contradictorisch zijn om, zoals verzoeker voorstelt, de overgangsbepaling toe te passen – en dus de SWVP – op een beroepsziekte die per hypothese een beroepsziekte in gemeenrechtelijke zin zou zijn en geen beroepsziekte in de zin van de SWVP. Door na te gaan of de aandoening waarvoor in casu de aanvraag is ingediend een beroepsziekte vormt in de zin van de SWVP, heeft de beroepscommissie artikel 60bis van de wet van 8 juli 1970 dan ook correct toegepast. 13. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. Eerste middelonderdeel 14. Artikel 1 SWVP stelt het volgende: “De vergoedingspensioenen worden, […], verleend […] voor lichamelijke schade […]. De aanvragers moeten door alle middelen bewijzen dat de door hen aangevoerde lichamelijke schade veroorzaakt werd gedurende de dienst, de gevangenschap of de geleverde prestaties, en door de dienst, de gevangenschap of de prestaties, volgens het onderscheid dat, bij artikel 2, voor elke categorie wordt gemaakt.” Dit artikel 1 SWVP wordt gevolgd door een Titel I ‘Invaliditeitspensioenen’, dat de artikelen 2 tot 20 omvat. Overeenkomstig artikel 3 SWVP kunnen vergoedingspensioenen worden verleend voor lichamelijke schade welke het gevolg is: “
  3. a)van oorlogskwetsuren opgelopen gedurende de dienst, de gevangenschap of de geleverde prestaties en ingevolge de dienst, de gevangenschap of de prestaties;
  4. b)van traumatismen ingevolge mishandelingen door de vijand;
  5. c)van ongevallen, overkomen gedurende de dienst, de gevangenschap of de geleverde prestaties en ingevolge de dienst, de gevangenschap of de prestaties; IX-10.450-23/29
  6. d)van ziekten opgedaan of verergerd gedurende de dienst, de gevangenschap of de geleverde prestaties en ingevolge de dienst, de gevangenschap of de prestaties.” Na artikel 3 SWVP volgt een onderverdeling A ‘Gevolgen van de oorlogskwetsuren, van mishandelingen door de vijand of van ongevallen’ (dat de artikelen 4 tot 6 omvat) enerzijds en onderverdeling B ‘Gevolgen van ziekten’ (dat de artikelen 7 en 8 omvat) anderzijds. Onder de tussentitel A stelt artikel 4 SWVP het volgende: “De oorlogskwetsuur is de kwetsuur welke, tijdens een oorlogsactie, door een oorlogstuig teweeggebracht werd en al dan niet een bloedstorting heeft veroorzaakt. Onder traumatisme ingevolge mishandelingen door de vijand, dient verstaan : om ‘t even welk letsel, veroorzaakt hetzij door een uitwendige mechanisch werkende kracht, hetzij door verbranding of verstikking, tijdens de aanhouding, de achtervolging, de ondervraging of de gevangenhouding door de vijand of door personen welke diens politiek of oogmerken dienen. Het ongeval is een gewelddadige en toevallige gebeurtenis welke al dan niet een bloedstorting heeft veroorzaakt.” In artikel 5 SWVP wordt bepaald: “De lichamelijke schade welke uitsluitend te wijten is aan de kwetsuur, aan het traumatisme ingevolge mishandelingen door de vijand of aan het ongeval, […], geeft recht op het volle pensioen dat voor de daaruit volgende invaliditeitsgraad voorzien is [...]”. Onder de tussentitel B stelt artikel 7 SWVP het volgende: “De andere slachtoffers dan die bedoeld bij artikel 2,
  7. g)en
  8. i)kunnen, ter verkrijging van een vergoedingspensioen, de gevolgen aanvoeren van ziekten welke zij ontegenzeglijk gedurende de dienst, de gevangenschap of de geleverde prestaties en ingevolge de volbrachte dienst, de gevangenschap of de prestaties hebben opgedaan. [...] Onder ziekte dienen verstaan, al de lichamelijke of geestelijke stoornissen welke het gevolg zijn van de volbrachte dienst, de gevangenschap of de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.544 IX-10.450-24/29 geleverde prestaties en niet gerangschikt kunnen worden onder de oorlogskwetsuren, de traumatismen ingevolge mishandelingen door de vijand of de ongevallen, omschreven bij artikel 4. […]” Artikel 8 SWVP luidt als volgt: “De invaliditeit, voortspruitend uit een ziekte in de zin van artikel 7, geeft aanleiding tot het toekennen van een volle vergoedingspensioen zo ze helemaal te wijten is aan het feit van de dienst, van de gevangenschap of van de geleverde prestaties. […]”. 15. Verzoeker voert aan dat de beroepscommissie een foutieve toepassing maakt van de vermelde artikelen van de SWVP. Die foutieve toepassing zou schuilen in de beoordeling door de verwerende partij dat geestelijke stoornissen, zoals een PTSS, steeds als een ziekte in de zin van de artikelen 7 en 8 moeten worden beschouwd en nooit als een lichamelijke schade in de zin van de artikelen 4 en 5 SWVP. De beroepscommissie komt hiertoe door het begrip lichamelijke schade ex artikel 5 als gevolg van een ongeval te verengen tot louter een fysiek letsel. In essentie voert verzoeker aan dat de indeling die deze artikelen van de SWVP hanteren, niet uitsluit dat er ‘ziekten’ zijn die onder de toepassing van de artikelen 4 en 5 vallen en dat hij het niet eens is met de tweedeling die de bestreden beslissing maakt tussen enerzijds ‘fysieke letsels’ en anderzijds ‘ziekten’, in die zin dat het PTSS als zijnde medisch gezien een ziekte wel degelijk het gevolg is van een ‘ongeval’ zoals bedoeld in de artikelen 4 en 5 SWVP. 16. De SWVP voorziet erin dat invaliditeitspensioenen kunnen worden verleend voor lichamelijke schade. Daarbij maakt de SWVP een duidelijk onderscheid tussen de gevallen van lichamelijke schade (“les dommages physiques”) ten gevolge van een ‘ongeval’ enerzijds en als gevolg van ‘ziekte’ anderzijds. Dit onderscheid, dat gemaakt wordt in artikel 3 SWVP, wordt bevestigd in de SWVP door een onderverdeling in “A. Gevolgen van oorlogskwetsuren, van mishandelingen door ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.544 IX-10.450-25/29 de vijand of van ongevallen” (geregeld in de artikelen 4 tot 6 SWVP) en “B. Gevolgen van ziekten” (geregeld in de artikelen 7 en 8 SWVP). 17. Uit de artikelen 4, derde lid, en 5 SWVP volgt dat ‘lichamelijke schade ten gevolge van een ongeval’ te wijten moet zijn aan het ongeval (zijnde een gewelddadige en toevallige gebeurtenis welke al dan niet een bloedstorting heeft veroorzaakt). De artikelen 7 en 8 SWVP definiëren ziekte als al de lichamelijke of geestelijke stoornissen (“les troubles physiques ou psychiques”) die het gevolg zijn van de volbrachte dienst, de gevangenschap of de geleverde prestaties én niet gerangschikt kunnen worden onder onder meer de ongevallen, omschreven in artikel 4, waarbij de uit die ziekte voortspruitende invaliditeit te wijten moet zijn aan de dienst of prestaties. 18. Uit de indeling van de wet en uit de aparte vermelding van ‘geestelijke stoornissen’ in artikel 7, en enkel daar, leidt de verwerende partij af dat de artikelen 4 en 5 steeds en enkel betrekking hebben op ‘fysieke letsels’ en dat ‘geestelijke stoornissen’ enkel ziekten in de zin van artikel 7 kunnen vormen. 19. De artikelen 4 en 5 SWVP maken evenwel niet uitdrukkelijk melding van een beperking tot ‘fysieke letsels’. Daarnaast heeft het begrip ‘lichamelijke schade’ in de SWVP een ruimere betekenis dan die van ‘fysieke letsels’. Dit volgt uit de tekst van artikel 3 SWVP dat uitdrukkelijk ziekten, zoals omschreven in artikel 7 en 8 SWVP, als ‘lichamelijke schade’ beschouwt. 20. Daarnaast moet worden vastgesteld dat artikel 7 SWVP onder ziekte enkel de aandoeningen verstaat die niet vallen onder het toepassingsgebied van artikel 4 SWVP. IX-10.450-26/29 Artikel 7 bepaalt immers dat ter verkrijging van een vergoedingspensioen, de gevolgen kunnen worden aangevoerd van ziekte welke slachtoffers ontegenzeggelijk gedurende en ingevolge de dienst hebben opgedaan. Onder ziekte dient verstaan al de lichamelijke of geestelijke stoornissen welke het gevolg zijn van de dienst, en niet vallen onder – onder meer – de ongevallen bedoeld in artikel 4 SWVP. Een ziekte vormen bijgevolg de lichamelijke of geestelijke stoornissen, als vorm van lichamelijke schade in de zin van artikel 3 SWVP, die lichamelijke schade vormen die niet te wijten is aan de kwetsuur, aan het traumatisme ingevolge mishandelingen of aan het ongeval. 21. Het onderscheid dat de SWVP maakt (en dat door de wet van 27 december 2000 bij de overgangsregeling van artikel 60bis om dezelfde redenen werd gebruikt) tussen de aandoeningen onder A en onder B is ingegeven door het feit dat een kwetsuur of letsel dat te wijten is aan een oorlogskwetsuur, mishandeling of ongeval nauwkeurig te situeren is of dat de oorsprong van zulk een kwetsuur of letsel duidelijk is, hetgeen niet steeds het geval is voor ziekten. Bij ziekten is de datum van de genese van de kwaal soms moeilijk te duiden. Zo stelt de parlementaire voorbereiding bij de bepalingen van de SWVP (Memorie van toelichting bij het wetsontwerp op de vergoedingspensioenen, Parl.St. Kamer, 1946-47, nr. 33-80, 10): “Kwetsuren en ziekten. Of de kwetsuur aan een oorlogstraumatisme of aan een ongeval te wijten is, ze blijft altijd een feit dat met mathematische nauwkeurigheid kan gesitueerd worden. De oorsprong er van wordt door haar zelf bewezen en de gevolgen op den lichamelijke staat van den betrokkene kunnen met al de gewenschte wetenschappelijke gestrengheid worden vastgesteld. Het feit van de aangevoerde prestatie of van den militairen dienst kan niet geloochend worden, want al wie door een granaatscherf van hetzelfde gewicht en denzelfden vorm op dezelfde bepaalde wijze getroffen wordt, zal theoretisch hetzelfde letsel ondergaan. Hetzelfde geldt niet voor de ziekten. Hier speelt de beoordeeling van de gegevens der zaak een zeer groote rol. Behalve uitzonderingsgevallen is de oorsprong zelden zoo duidelijk als voor de kwetsuren. Aan den oorsprong ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.544 IX-10.450-27/29 wordt er dikwijls geen enkel nauwkeurig feit gevonden. Men ziet ook niet klaarder de feiten welke de ontwikkeling der ziekte kunnen hebben beïnvloed of verhaast. Ten slotte doen niet al de in dezelfde omstandigheden geplaatste personen, b.v. blootgesteld aan dezelfde slechte weersgesteldheid, noodzakelijk dezelfde ontsteking van luchtpijptakken en longen op. Hetgeen in zich sluit dat er in elk geval van ziekte (of bijna in elk geval) een belangrijk element voorkomt, dat vreemd is aan den dienst of aan de aangevoerde prestatie.” Uit deze parlementaire voorbereiding, waarin men zich uitdrukkelijk bewust is van de “uitzonderingsgevallen”, blijkt dat de wetgever niet volledig heeft uitgesloten dat, bij de beoordeling van de concrete gegevens van een zaak, de oorsprong van een ziekte ook gelegen kan zijn in een concreet nauwkeurig feit. 22. Gelet op het onderscheid dat de wetgever heeft willen maken in de SWVP is het met andere woorden niet doorslaggevend of de aandoening een geestelijke stoornis of een fysiek letsel betreft, maar wel of de aandoening, ook al is die medisch te beschouwen als een ziekte, al dan niet te wijten is aan een ongeval, en bijgevolg als lichamelijke schade in de zin van artikel 5 SWVP. 23. Door te oordelen dat geestelijke stoornissen, waaronder het PTSS, steeds als een ziekte moet worden beschouwd zoals gedefinieerd in artikel 7 SWVP, en door te oordelen dat lichamelijke schade als gevolg van een ongeval in de zin van artikel 4 SWVP slechts fysieke schade kan zijn, schendt de bestreden beslissing de artikelen 4, 5, 7 en 8 SWVP. Deze wettelijke bepalingen sluiten immers niet uit dat de aanvrager aantoont dat zijn lichamelijke schade, waaronder een geestelijke stoornis, het gevolg is van een ongeval in de zin van artikel 4 SWVP. 24. Het eerste middelonderdeel is gegrond, zodat het enige middel gegrond is. IX-10.450-28/29 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen van 26 februari 2024 in de mate waarin het beroep van M.M. ongegrond wordt verklaard. 2. Dit arrest zal in de registers van voormelde commissie van beroep voor vergoedingspensioenen worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. 3. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde commissie van beroep voor vergoedingspensioenen. 4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Wouter Pas, staatsraad, waarnemend kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Wouter Pas ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.544 IX-10.450-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.544 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.