id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.553 Rolnummer: A. 240969/IX-10406 Zaak: Arrest 262553 - Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders - 05/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-10 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-16 05:52 Fiche Arrest nr 262.553 van 5 maart 2025 Justitie - Hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 262.553 van 5 maart 2025 in de zaak A. 240.969/IX-10.406 In zake: A.A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Walter Damen kantoor houdend te 2600 Berchem Elisabethlaan 122 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 januari 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 12 december 2023 in de zaak met referentie M 22-1-
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking nr. 15.787 van 11 maart 2024 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. IX-10.406-1/10 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 februari
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Maya Taser, die loco advocaat Walter Damen verschijnt voor de verzoekende, is gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 20 juni 2022 vraagt verzoeker bij de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders financiële hulp ten belope van 40.931,38 euro. IX-10.406-2/10 De eerste kamer van de Commissie verklaart op 12 december 2023 het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van 24.981 euro. Dat is de bestreden beslissing, die als volgt is toegelicht: “Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op ‘schadeloosstelling’, maar wel op het eventueel bekomen van een ‘hulp’, gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de ‘volledige vergoeding’ van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden. De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus
- […] Wat de post ‘materiële kosten’ betreft mag de Commissie een hulp van maximum € 1.250 in aanmerking nemen, zoals voorgeschreven door artikel 32, § 5 van de wet van 1 augustus 1985 juncto artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 december
- De materiële kosten dienen verband te houden met het opgelopen letsel. De Commissie kan alleen die kosten in aanmerking nemen die in rechtstreeks verband staan met de ‘ernstige lichamelijke of psychische schade’ als bedoeld in artikel 31, 1°, van de wet. Daden van agressie gericht tegen goederen of goederen die naar aanleiding van de gewelddaad werden beschadigd, gestolen of verloren, worden niet beschouwd tot art. 32, § 1, 7° te behoren. De post ‘herstel GSM’ komt bijgevolg niet in aanmerking voor de toekenning van een financiële hulp. Verzoeker vraagt een hulp van € 18.246,26 voor de post ‘tandschade’. Verzoeker werd in het verslag van de verslaggever dd. 9 augustus 2023 uitgenodigd stukken te bezorgen die deze post staven. Verzoeker legde als antwoord hierop brieven neer van zijn hospitalisatieverzekeraar DKV (die evenwel niet tussenkwam), waaruit blijkt dat verzoeker een bedrag van € 4.661,74 diende terug te betalen aan zijn verzekeraar. Er werden geen verdere betalingen aangetoond. De Commissie kent volgens haar vaste rechtspraak enkel een hulp toe […] voor de post ‘medische kosten’ (waaronder de kosten inzake tandschade vallen) in de mate dat deze wordt aangetoond aan de hand van stukken waaruit blijkt welke kosten verzoeker werkelijk zelf heeft gedragen. De vermelding van een bedrag in een medisch verslag, zonder dat dit vergezeld wordt door een betalingsbewijs, is dan ook niet voldoende om de gedragen kosten te staven. IX-10.406-3/10 Rekening houdend met de neergelegde stukken, alsook met het gegeven dat onderhoud en hernieuwing van de tandprothese in de toekomst noodzakelijk zullen zijn, kent de Commissie voor de post ‘tandschade’ een hulp toe van ex aequo et bono € 10.
- De Commissie wijst er op dat artikel 37 van de wet van 1 augustus 1985 in de mogelijkheid voorziet om binnen een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de uitbetaling van de (hoofd)hulp, een aanvullende hulp aan te vragen, mits aan de wettelijk voorwaarden voldaan is: […] Inzake de financiële hulpaanvraag voor de ‘rechtsplegingsvergoeding’ wordt opgemerkt dat verzoeker een rechtsbijstandsverzekering heeft afgesloten. Nu zijn advocaat de burgerlijke partijstelling inleidde, in opdracht en op kosten van een verzekeringsmaatschappij, komt de rechtsplegingsvergoeding, indien deze betaald zou worden, toe aan de maatschappij (die ook de ereloonstaat van de advocaat ten laste neemt). Kortom, het bedrag dat voor de rechtsplegingsvergoeding betaald wordt, komt nooit het slachtoffer ten goede (hetgeen niet kadert binnen de filosofie van de wet van 1 augustus 1985). Gelet op, inzonderheid, artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 waaruit blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald en dat, volgens de voorbereidende werken die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel uitmaakt (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°, 8). Dat aan de Commissie dienvolgens appreciatiebevoegdheid wordt verleend inzake zowel de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag. Dat dit impliceert dat de Commissie met betrekking tot de begroting van de hulp niet is gehouden aan of gebonden door de tarieven gehanteerd door de hoven en rechtbanken voor de bepaling van de schade(posten). Dat de door de Commissie toegekende hulp derhalve kan afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding. Dat de Commissie, bij de raming van het hulpbedrag voor moeilijk te objectiveren schadeposten zoals bijvoorbeeld het morele leed of esthetische sequelen, zich weliswaar onder meer baseert op de indicatieve tabel van het Nationaal verbond van magistraten eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters, maar tevens op haar rechtspraak in analoge gevallen om rechtvaardigheid en evenwicht binnen het systeem van collectieve solidariteit te bewaren. Dat de Commissie dienaangaande opmerkt dat zij weliswaar op grond van artikel 33, § 1 van de wet het bedrag van de hulp naar billijkheid mag bepalen en voor bepaalde schadeposten zelfs andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de rechter zich bedient, maar dat het niet tot haar vaste rechtspraak behoort om op grond van artikel 32, § 1, 1° van de wet een afzonderlijk hulpbedrag toe te kennen voor ‘morele schade’ wanneer het slachtoffer reeds een hulp verkrijgt voor zowel de tijdelijke als de blijvende component ervan, namelijk de tijdelijke en blijvende persoonlijke ongeschiktheid. Dat bij de beoordeling van de voorliggende zaak tevens rekening is gehouden met: IX-10.406-4/10 - de ernst van de feiten, de opgelopen schade en de impact ervan op de integriteit van het slachtoffer; - de door de wet uitgesloten schadeposten, zoals hierboven geformuleerd; - de constante rechtspraak inzake de post ‘administratie- en verplaatsingskosten’ waarbij de Commissie een gebruikelijk forfaitair tarief van € 125 hanteert. Dat, in de gegeven omstandigheden en gelet op hetgeen voorafgaat, de Commissie meent aan verzoeker een financiële hulp te mogen toewijzen dewelke zij in billijkheid begroot op € 24.981.” IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- In een enig middel voert verzoeker de schending aan van “de motiveringsverplichting”. In de toelichting bij het middel vermeldt hij artikel 149 van de Grondwet. Hij betoogt dat hij uit de bestreden beslissing “geen concrete motivering [kan] afleiden die toegespitst is op de concrete inhoud van het strafdossier en de morele gevolgen ervan” en dat de Commissie “bij de beslissing tot afwijzing dan wel vermindering van bepaalde schadeposten, haar beweegredenen hiertoe niet afdoende heeft gemotiveerd”. Verzoeker wijst erop dat de gevraagde hulp ten bedrage van 40.931,38 euro door de Commissie wordt herleid tot 24.981 euro, waarmee zij de door het hof van beroep begrote schadevergoeding bijna halveert. Met betrekking tot de schadepost ‘tandschade’ verzocht verzoeker om 18.246,26 euro overeenkomstig hetgeen werd toegekend in het arrest van 24 juni 2021 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Verzoeker bezorgde op vraag van de Commissie ook de deskundigenverslagen van 16 juli 2018, 5 mei 2017 en 17 maart
- De Commissie mag afwijken van dit bedrag “maar evident dient zij wel grondig te motiveren waarom”. De Commissie verwijst met betrekking tot de gevraagde morele schadevergoeding louter naar algemene principes en stelt dat er rekening werd IX-10.406-5/10 gehouden met de ernst van de feiten, de opgelopen schade en de impact ervan op de integriteit van het slachtoffer. Zij gaat aan de vaststellingen van het hof van beroep bovendien volledig voorbij. Volgens verzoeker motiveert de Commissie niet op welke wijze met de voormelde elementen rekening werd gehouden. De feiten zijn bijzonder ernstig en toch wordt de gevraagde hulp voor morele schadevergoeding niet toegekend. Verzoeker leidt dit af uit het toegekende bedrag dat niet verder gedetailleerd werd toegelicht door de Commissie. Beoordeling
- Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis met redenen is omkleed, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. Deze regel geldt voor elk rechtscollege en dus ook voor de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of deze bepalingen zijn nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. IX-10.406-6/10 Het middel dat de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, kan slechts ontvankelijk zijn in zoverre het aan de bestreden beslissing verwijt dat het rechtscollege daarin niet de redenen opgeeft waarop zijn beslissing steunt of niet antwoordt op de middelen die de eiser voor dat rechtscollege heeft aangevoerd. Het middel is daarentegen niet ontvankelijk in zoverre het aanvoert dat de vermelde redenen onjuist of onwettig zijn of dat het rechtscollege de aangevoerde middelen niet afdoende weerlegt. 7.
- Een eerste grief van verzoeker betreft de schadepost ‘tandschade’. 7.
- De Commissie neemt blijkens de bestreden beslissing akte van de door verzoeker voor deze schadepost gevraagde hulp (18.246,26 euro). Zij herinnert eraan dat zij “enkel een hulp toekent voor de post ‘medische kosten’ (waaronder de kosten inzake tandschade vallen) in de mate dat deze wordt aangetoond aan de hand van stukken waaruit blijkt welke kosten verzoeker werkelijk zelf heeft gedragen”, dat zij verzoeker heeft uitgenodigd om stukken te bezorgen die deze post staven, maar dat die stukken “niet voldoende [zijn] om de gedragen kosten te staven”. De Commissie wijst erop, in dat verband, dat kosten vermeld in een medisch verslag zonder betalingsbewijs niet volstaan. Rekening houdend met de neergelegde betalingsbewijzen die volgens de Commissie enkel aantonen dat verzoeker 4661,74 euro zelf heeft gedragen, “alsook met het gegeven dat onderhoud en hernieuwing van de tandprothese in de toekomst noodzakelijk zullen zijn”, kent de Commissie voor de post ‘tandschade’ uiteindelijk een hulp toe ex aequo et bono van 10.000 euro. Hiermee heeft de Commissie voldaan aan de haar opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht, die de partijen en de Raad van State moet toelaten zich ervan te vergewissen of het rechtscollege de voorgelegde gegevens heeft onderzocht en daadwerkelijk op de middelen heeft geantwoord. IX-10.406-7/10 8.
- Met betrekking tot de gevraagde hulp voor morele schade grieft het verzoeker dat de Commissie niet motiveert op welke manier zij rekening houdt met de ernst van de feiten om de gevraagde hulp volledig af te wijzen, terwijl de gevraagde hulp steunt op het bedrag dat als schadevergoeding is toegekend door het hof van beroep. 8.
- De bestreden beslissing leert dat de Commissie de gevraagde hulp voor morele schade afwijst omdat “het niet tot haar vaste rechtspraak behoort om op grond van artikel 32, § 1, 1° van de wet een afzonderlijk hulpbedrag toe te kennen voor ‘morele schade’ wanneer het slachtoffer reeds een hulp verkrijgt voor zowel de tijdelijke als de blijvende component ervan, namelijk de tijdelijke en blijvende persoonlijke ongeschiktheid”. De Commissie heeft aldus aangegeven om welke reden zij niet ingaat op de gevraagde hulp voor morele schade. Er wordt geen afzonderlijk hulpbedrag toegekend voor de morele schade omdat het slachtoffer reeds hulp verkrijgt voor zowel zijn tijdelijke als zijn blijvende persoonlijke ongeschiktheid. De kritiek met betrekking tot een gebrek aan motivering betreffende de ernst van de feiten, de opgelopen schade en de impact op de integriteit van het slachtoffer is overtollig, want vreemd aan dit autonoom motief, en kan niet tot de vernietiging leiden.
- De schending van de jurisdictionele motiveringsplicht is niet aangetoond. Het middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 IX-10.406-8/10 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.406-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.406-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.553 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div