id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.555 Rolnummer: A. 238252/VII-41884 Zaak: Arrest 262555 - Milieuvergunningen - 06/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-07 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-16 05:52 Fiche Arrest nr 262.555 van 6 maart 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 262.555 van 6 maart 2025 in de zaak A. 238.252/VII-41.884 In zake : H.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Maenhout kantoor houdend te 2600 Berchem Filip Williotstraat 30, bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- het MILIEUCOLLEGE VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
- het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Laurens De Brucker kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BV IMMO KENROB bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 25 januari 2023, strekt tot de nietigverklaring van: - de beslissing van het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 14 februari 2022 waarbij aan de bv Immo Kenrob een milieuvergunning wordt verleend voor een project, gelegen aan de Haachtsesteenweg 1763-1765 te Brussel; VII-41.884-1/15 - de ‘stilzwijgende’ beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke regering waarbij de vergunningsbeslissing van het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 14 februari 2022 wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De bvba Immo Kenrob heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 15 september
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 23 november 2023 een verslag opgesteld. De verwerende partijen en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Buket Karaca, die loco advocaat Koenraad Maenhout verschijnt voor verzoeker, advocaat Agnes Piessevaux, die loco advocaat Laurens De Brucker verschijnt voor de verwerende partijen en advocaat Sebastiaan De Meue, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft advies gegeven. VII-41.884-2/15 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 20 januari 2020 dient de bv Immo Kenrob bij Leefmilieu Brussel een aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning voor een project op een terrein gelegen aan de Haachtsesteenweg 1763-1765 te Brussel. Het voorwerp van de aanvraag heeft concreet betrekking op de afbraak van een bestaande eengezinswoning, het bouwen van een nieuwe commerciële ruimte met een totale oppervlakte van 984 m², het plaatsen van een hoogspanningscabine en het uitbreiden van de bestaande parking met 48 bijkomende plaatsen. 3.
- Er wordt een eerste openbaar onderzoek georganiseerd van 16 september 2020 tot 15 oktober
- Na een aantal ongunstige adviezen wordt het project aangepast in functie van de geformuleerde opmerkingen. Naar aanleiding van de wijziging van het project wordt een nieuw openbaar onderzoek gehouden van 18 augustus 2021 tot 16 september
- Er worden drie bezwaarschriften ingediend, onder meer door verzoeker. 3.
- Op 28 september 2021 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel een voorwaardelijk gunstig advies over de aanvraag. 3.
- Wegens het uitblijven van een uitdrukkelijke beslissing van Leefmilieu Brussel over de vergunningsaanvraag, dient de bv Immo Kenrob op 3 december 2021 bestuurlijk beroep in bij het Milieucollege van het Brussels VII-41.884-3/15 Hoofdstedelijk Gewest (hierna: het Milieucollege) tegen de stilzwijgende weigering van de gevraagde milieuvergunning. 3.
- Bij besluit van 14 februari 2022 verleent het Milieucollege de gevraagde milieuvergunning onder voorwaarden. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
- Op 28 maart 2022 stelt verzoeker bij de Brusselse Hoofdstedelijke regering beroep in tegen de voormelde vergunningsbeslissing van het Milieucollege. 3.
- Met een brief van 28 november 2022 deelt de bevoegde Brusselse minister aan verzoeker mee dat “middels een aangetekend schrijven via de post op 20 oktober 2022, [de bv Immo Kenrob] aan de Regering een aanmaning heeft gericht op grond van artikel 82 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen”, alsook dat de regering “geen uitspraak [heeft] kunnen doen binnen de termijn van 30 dagen” als bedoeld in de voormelde bepaling, zodat “de beslissing van het Milieucollege van 14 februari 2022, waarbij de vergunning wordt verleend voor het project gelegen aan de Haachtsesteenweg 1763-1765 te 1130 Haren, bevestigd” wordt. Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Aanduiding van de verwerende partij
- De eerste bestreden beslissing werd genomen door het Milieucollege als orgaan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Derhalve wordt het Milieucollege buiten de zaak gesteld.
- Aangezien de annulatieprocedure voor de Raad van State van inquisitoriale aard is en het uiteindelijk niet aan verzoeker, maar wel aan de Raad VII-41.884-4/15 van State toekomt om de verwerende partij[en] aan te duiden, leidt de vaststelling dat verzoeker het Milieucollege ten onrechte mede heeft aangewezen als verwerende partij, niet tot de onontvankelijkheid van het beroep als dusdanig.
- Hierna wordt onder de verwerende partij enkel het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verstaan. V. Ontvankelijkheid van het beroep A. Excepties nopens het voorwerp van het beroep Standpunt van de partijen
- In hoofdorde werpt de verwerende partij op dat de bestreden beslissingen geen aanvechtbare administratieve rechtshandelingen zijn in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Tegen de vergunningsbeslissing van het Milieucollege van 14 februari 2022 kon enkel een bestuurlijk beroep worden ingesteld bij de Brusselse Hoofdstedelijke regering. Het uitblijven van een beslissing over het ingestelde beroep resulteert overeenkomstig artikel 82 van de ordonnantie van 5 juni 1997 ‘betreffende de milieuvergunningen’ (hierna: milieuvergunningsordonnantie), van rechtswege in de bevestiging van de beroepen beslissing van het Milieucollege. Die stilzwijgende bevestiging vormt geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling. Tot slot merkt de verwerende partij op dat in beginsel slechts één administratieve rechtshandeling per verzoekschrift kan worden bestreden. Er kunnen slechts meerdere rechtshandelingen in eenzelfde verzoekschrift op ontvankelijke wijze worden aangevochten wanneer die rechtshandelingen dermate samenhangend zijn dat vaststellingen of beslissingen met betrekking tot het ene besluit doorslaggevend zijn voor de behandeling van het beroep tegen het andere besluit. Dergelijke samenhang wordt door verzoeker niet aangetoond. VII-41.884-5/15 Ondergeschikt zet de verwerende partij uiteen dat het beroep tegen de eerste bestreden beslissing niet ontvankelijk is gelet op de devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep. Wat betreft de tweede bestreden beslissing stelt zij vast dat verzoeker de regering niet heeft aangemaand om een uitdrukkelijke beslissing te nemen. Aangezien verzoeker heeft nagelaten om de regering ervan te verwittigen dat hij het volgehouden stilzitten als een afwijzende beslissing in de zin van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zal beschouwen, kan hij niet op ontvankelijke wijze een beroep tot nietigverklaring instellen tegen de tweede bestreden beslissing.
- De tussenkomende partij treedt de door de verwerende partij opgeworpen excepties grotendeels bij. In het bijzonder meent zij dat enkel op ontvankelijke wijze kan worden opgekomen tegen de stilzwijgende beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke regering.
- In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker dat het uiteindelijke resultaat van de vergunningsprocedure, zijnde een op grond van de milieuvergunningsordonnantie stilzwijgend tot stand gekomen beslissing over de aanvraag, wel degelijk een administratieve rechtshandeling vormt die voor de Raad van State aangevochten kan worden. De verwerende partij vermeldt in haar brief van 28 november 2022 dat tegen de bevestigde beslissing van het Milieucollege beroep mogelijk is bij de Raad van State. Hij vraagt dan ook, naast de vernietiging van de tweede bestreden beslissing, de vernietiging van de uitdrukkelijke beslissing van het Milieucollege. In de hypothese dat de tweede bestreden beslissing louter de eerste beslissing bevestigt, vormt de eerste bestreden beslissing een aanvechtbare rechtshandeling. Voorts kan volgens verzoeker niet worden ontkend dat de stilzwijgende bevestigingsbeslissing van de regering het voorwerp kan zijn van een annulatieberoep. In zoverre de verwerende partij verwijst naar artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, repliceert verzoeker dat een stilzwijgend tot stand gekomen beslissing op grond § 1 van voormelde bepaling VII-41.884-6/15 onder de annulatiebevoegdheid van de Raad van State valt.
- In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de tweede bestreden beslissing niet genomen werd door een administratieve overheid, maar “uit kracht van wet” voortvloeit uit artikel 82 van de milieuvergunningsordonnantie. Beoordeling
- Naar luid van artikel 81, § 1, eerste lid, van de milieuvergunningsordonnantie kunnen de aanvrager en elk lid van het betrokken publiek bij de regering een beroep instellen tegen een beslissing van het Milieucollege. Overeenkomstig artikel 81, § 2, van de milieuvergunningsordonnantie wordt de beslissing van de regering “aan de partijen betekend binnen 60 dagen na de datum van afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat” en wordt, ingeval de partijen worden gehoord, die termijn met 15 dagen verlengd. Artikel 82 van dezelfde ordonnantie bepaalt: “Indien de beslissing niet ter kennis wordt gebracht binnen de in artikel 81, § 2 voorgeschreven termijn, kan de aanvrager bij een ter post aangetekende brief de Regering een aanmaning sturen. Indien de aanvrager geen beslissing heeft ontvangen bij het verstrijken van een nieuwe termijn van 30 dagen die ingaat op de dag waarop de aangetekende aanmaningsbrief ter post is afgegeven, dan is de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld, ook al is zij stilzwijgend genomen, bevestigd.” Luidens artikel 3, 16°, van de milieuvergunningsordonnantie moet onder ‘definitieve beslissing’ worden verstaan een beslissing waartegen “alle in deze ordonnantie of in (het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening) voorziene administratieve beroepen of termijnen om ze in te stellen zijn uitgeput”.
- Er wordt vastgesteld dat in het kader van voorliggend annulatieberoep ook de uitdrukkelijke vergunningsbeslissing van het Milieucollege van 14 februari 2022 wordt aangevochten en dat uit artikel 82 van de VII-41.884-7/15 milieuvergunningsordonnantie voortvloeit dat de Raad van State zijn wettigheidscontrole kan uitoefenen ten aanzien van de in voormelde beslissing uitgedrukte motieven. Indien de onwettigheid zou worden vastgesteld van de beslissing van het Milieucollege van 14 februari 2022, is het aangewezen om het zogenaamde “stilzwijgend besluit” van de Brusselse Hoofdstedelijke regering minstens omwille van de rechtszekerheid te vernietigen.
- Artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet “geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die […] aan het stilzwijgen van de administratieve overheid andere gevolgen verbinden”. Artikel 82 van de milieuvergunningsordonnantie verbindt aan het stilzwijgen van de overheid het gevolg dat de aanvrager van de vergunning een aanmaning kan sturen waarna, indien de aanvrager geen beslissing ontvangt binnen de 30 dagen na het versturen van de aanmaning, de beslissing van het Milieucollege geacht wordt bevestigd te zijn. In dit geval heeft de aanvrager van de vergunning de bedoelde aanmaning verstuurd en werd er geen tijdige beslissing genomen door de Brusselse Hoofdstedelijke regering, zodat de beslissing van het Milieucollege in toepassing van artikel 82 van de milieuvergunningsordonnantie werd bevestigd. Gelet op de bijzondere regeling van artikel 82 van de milieuvergunningsordonnantie bestond er voor verzoeker geen aanleiding om het mechanisme voorzien in artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in werking te stellen.
- In beginsel kan per verzoekschrift slechts één administratieve rechtshandeling worden aangevochten. Deze regel stelt het belang van een goede rechtsbedeling voorop waarbij de rechtsstrijd overzichtelijk wordt gehouden en een vlotte procesgang niet wordt gehinderd. Meerdere vorderingen kunnen slechts op ontvankelijke wijze als een enkele rechtszaak aanhangig worden gemaakt indien bij uitzondering de goede rechtsbedeling daardoor wordt bevorderd, meer bepaald indien vorderingen, wat hun voorwerp of wat hun grondslag betreft, zo nauw samenhangen dat het als waarschijnlijk voorkomt dat vaststellingen gedaan of beslissingen genomen met betrekking tot de ene vordering, een weerslag zullen hebben op de uitkomst van de andere. VII-41.884-8/15 In dit geval spreekt het voor zich dat de in het voorwerp van het beroep vermelde “beslissingen” een zodanig nauwe samenhang vertonen die vereist dat de betwisting in één geding wordt afgedaan. B. Omtrent het persoonlijk belang van verzoeker Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt op dat uit het verzoekschrift op geen enkele manier kan worden afgeleid hoe verzoeker hinder zou kunnen ondervinden door het vergunde project. Om belang te hebben bij het annulatieberoep volstaat het in elk geval niet dat hij tijdens het openbaar onderzoek een bezwaar heeft ingediend en later bestuurlijk beroep heeft ingesteld tegen de vergunningsbeslissing van het Milieucollege van 14 februari
- De tussenkomende partij betoogt dat verzoeker zijn belang in het verzoekschrift heeft omschreven en zo de grenzen van het gerechtelijk debat heeft bepaald. Zij stelt dat verzoeker zich in essentie enkel op een procedureel belang beroept, met name op het feit dat hij heeft deelgenomen aan het openbaar onderzoek en ook een administratief beroep heeft ingediend. Waar verzoeker voor het eerst in de memorie van wederantwoord een bijkomende verantwoording formuleert waarin hij stelt dat het project “de rechtstoestand van derden, inzonderheid de omwonenden” op ongunstige wijze zal beïnvloeden, overschrijdt hij de grenzen van het gerechtelijk debat zoals bepaald in het verzoekschrift. Bovendien is de bijkomende toelichting nietszeggend. Het loutere feit dat hij op zeer algemene wijze melding maakt van een wijziging van de “rechtstoestand” omwille van “bodemvervuiling, verkeersdrukte, luchtvervuiling, en lawaaihinder”, maakt niet duidelijk of hij persoonlijk nadelen zal ondervinden. De tussenkomende partij vervolgt dat verzoeker de aangevoerde hinder niet aannemelijk maakt. Inzake bodemvervuiling beklaagt hij zich in werkelijkheid over de bestaande toestand, nu de vervuiling reeds aanwezig is ten VII-41.884-9/15 gevolge van de activiteiten die in het verleden op het perceel werden uitgeoefend. De maatregelen die desgevallend genomen zullen worden bij het uitgraven van de bodem, volgen uit de toepassing van de ordonnantie van 5 maart 2009 ‘betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems’ (Bodemordonnantie) en vertonen dus geen oorzakelijk verband met de bestreden milieuvergunning. Voor het overige kan het milieuvergunningsplichtige onderdeel van het project (gasverwarmingsketels, parking, warmtepomp, installatie voor het uitzenden van versterkt geluid) niet leiden tot enige verkeershinder. In zoverre de vermeende hinder zou voortvloeien uit het aantal vergunde parkeerplaatsen, moet voor ogen worden gehouden dat in de bestaande toestand reeds 50 parkeerplaatsen vergund zijn, zodat de bestreden vergunning slechts betrekking heeft op de toevoeging van 47 parkeerplaatsen, waarvan twee plaatsen voorbehouden voor de woning. Uit het effectenverslag blijkt daarenboven dat de verkeerstoename slechts 6% bedraagt en dus zeer beperkt is. Verzoeker verliest bovendien uit het oog dat de aan het fitnesscentrum toegeschreven bezoekcijfers behoren tot de reeds bestaande toestand. Ook de beweerde geluidshinder wordt op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Het project is zo opgevat dat de bebouwing de omwonenden zoveel mogelijk afschermt van de parkeerplaatsen, alsook van de spoorwegen, wat ertoe kan leiden dat de algemene milieutoestand net zal verbeteren. Wat tot slot de beweerde lichthinder betreft, is het niet aannemelijk dat verzoeker de verlichting van het project op enige wijze zal kunnen waarnemen.
- De tussenkomende partij benadrukt in haar laatste memorie dat in het verzoekschrift enkel een procedureel belang wordt aangehaald en dat er geen andere lezing aan kan worden gegeven zonder de bewijskracht van die akte te schenden. Bovendien zouden haar rechten van verdediging geschonden worden indien toegelaten zou worden dat verzoeker zich in een latere fase van de procedure alsnog zou kunnen beroepen op “andere vormen van benadeling of belang”.
- In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker dat hij wel degelijk een procedureel belang kan inroepen. Daarnaast heeft hij in zijn bezwaarschrift en beroepschrift de verwachte hinder concreet beschreven. Het staat volgens hem VII-41.884-10/15 buiten kijf dat hij op zijn woonplaats, gelegen op een afstand van ongeveer 200 meter van het vergunde project, hinder zal ondervinden. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen de beroepen tot nietigverklaring voor de Raad van State worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. De verzoekende partij moet doen blijken van het rechtens vereiste, rechtstreeks, persoonlijk, zeker en actueel belang bij de gevraagde vernietiging. Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, B.4.3; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, §§ 42 e.v.).
- Opdat derden-belanghebbenden het vereiste belang zouden hebben om een milieuvergunning aan te vechten middels een annulatieberoep moeten zij aannemelijk maken dat zij als omwonenden hinder of nadeel kunnen ondervinden door de exploitatie van de inrichting. Als zij van de vergunde exploitatie meer dan verwaarloosbare hinder kunnen ondervinden, ook al blijft deze binnen aanvaardbare perken, kan hen niet het belang worden ontzegd de wettigheid van de vergunning aan te vechten. Het vereiste tot het aantonen van een belang reikt niet zover dat de omvang van de beweerde hinder tot in detail moet worden beschreven en bewezen. De afstand tussen de woon- of verblijfplaats van de omwonende en de plaats waar de hinder zijn oorsprong vindt, geldt daarbij als een belangrijk objectief criterium. De weging van het objectief gegeven van de afstand tussen de betrokken inrichting en de woonplaats van een verzoeker hangt af van de concrete gegevens van de zaak, inzonderheid van de aard en de kenmerken van de vergunde VII-41.884-11/15 inrichting.
- Op een verzoekende partij rust geen stelplicht om haar belang in het verzoekschrift tot nietigverklaring te omschrijven of toe te lichten. Als het belang echter wordt betwist, komt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en het beweerde belang te staven. In zijn memorie van wederantwoord heeft verzoeker ingevolge de opgeworpen belangexceptie verduidelijkt dat “de rechtstoestand van derden, inzonderheid de omwonenden”, wijzigt aangezien “hun leefklimaat in ongunstige zin wordt beïnvloed”. De betekenis van die verduidelijking kan enkel zijn dat hij wijst op zijn hoedanigheid van omwonende en op de hinder die hij door de vergunde exploitatie vreest te zullen ondervinden. Uit de gegevens van de zaak blijkt voorts dat de woning van verzoeker op ongeveer 250 meter van het projectgebied gelegen is en dat de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een project dat ingedeeld is in de klasse I.B (rubriek 68.B ‘Parkings al dan niet overdekt, gelegen buiten de openbare wegenis, voor motorvoertuigen […] of aanhangwagens, van 51 tot en met 400 parkeerplaatsen’), de op een na hoogste klasse. Bovendien wordt in de vergunningsbeslissing van het Milieucollege van 14 februari 2022 gesteld dat de vergunde exploitatie kan leiden tot een verdubbeling van de verkeerstrafiek in het projectgebied. In de gegeven feitelijke omstandigheden kan niet volledig worden uitgesloten dat verzoeker nadelen zal ondervinden door de vergunde inrichting.
- De excepties worden verworpen. VI. Onderzoek van het zesde middel Uiteenzetting van het middel
- Als zesde middel, in het verzoekschrift aangeduid als het eerste middel tegen de tweede bestreden beslissing, wordt de schending aangevoerd van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering VII-41.884-12/15 van de bestuurshandelingen’, van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker laat in essentie gelden dat de Brusselse Hoofdstedelijke regering zijn beroepsargumenten tegen de vergunningsbeslissing van het Milieucollege van 14 februari 2022 niet heeft beantwoord. Beoordeling
- Het zesde middel is gericht tegen de stilzwijgende afwijzing door de Brusselse Hoofdstedelijke regering van het bestuurlijk beroep dat verzoeker heeft ingesteld tegen de uitdrukkelijke vergunningsbeslissing van het Milieucollege van 14 februari
- Overeenkomstig artikel 82, tweede lid, van de milieuvergunningsordonnantie heeft het stilzitten van de Brusselse Hoofdstedelijke regering geleid tot de bevestiging van de beslissing van het Milieucollege van 14 februari
- In het verzoekschrift tot nietigverklaring moet de verzoekende partij alsdan middelen uiteenzetten tegen de motieven van de beslissing van het Milieucollege die de Brusselse Hoofdstedelijke regering stilzwijgend tot de zijne heeft gemaakt. Het zesde middel bevat geen kritieken die rechtstreeks gericht zijn tegen de motieven van de vergunningsbeslissing van het Milieucollege van 14 februari
- Het middel is niet ontvankelijk. VII. Heropening van het debat
- Aangezien het verslag van de auditeur beperkt is tot het onderzoek van het zesde middel, dient het debat te worden heropend met het oog op een aanvullend verslag. VII-41.884-13/15 VII-41.884-14/15 BESLISSING
- Het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt buiten de zaak gesteld.
- De Raad van State heropent het debat.
- De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met een aanvullend onderzoek van de zaak. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.884-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.555 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.661 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div