id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.556 Rolnummer: A. 238758/VII-41971 Zaak: Arrest 262556 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-11 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-16 05:52 Fiche Arrest nr 262.556 van 6 maart 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 262.556 van 6 maart 2025 in de zaak A. 238.758/VII-41.971 In zake : J.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Wesemael kantoor houdend te 9300 Aalst Pontstraat 6, bus 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- R.V.
- H.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart De Becker kantoor houdend te 8500 Kortrijk Loofstraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 maart 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0583 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 23 februari 2023 in de zaak 2122-RvVb-0557-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 3 juli
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.971-1/10 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 31 januari 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 februari
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Verzoekster, die in persoon verschijnt, advocaat Julie Romanus, die loco advocaat Jan Wesemael verschijnt voor verzoekster en advocaat Bart De Becker, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Het verzoek tot voortzetting van de procedure bevat een schriftelijke repliek op het verslag van de auditeur. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke repliek in te VII-41.971-2/10 dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoekende partij luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit (in de versie vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 21 juli 2023, die nog van toepassing is op deze zaak) vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden toegewezen. De “laatste memorie + verzoek tot voortzetting” van verzoekster wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin wordt verzocht om de procedure voort te zetten teneinde te worden gehoord. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.
- De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verleent in laatste bestuurlijke aanleg aan verzoekster een omgevingsvergunning. 4.
- De verwerende partijen stellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) een beroep in tot vernietiging van de deputatiebeslissing. Verzoekster komt tussen in dat geding. 4.
- Het bestreden arrest verwerpt de exceptie van gebrek aan belang bij het beroep, verwerpt de exceptie van gebrek aan belang bij het enige middel, acht het middel gegrond, en vernietigt de deputatiebeslissing. VII-41.971-3/10 V. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), van de motiveringsverplichting, van artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), en van artikel 56, § 1, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: procedurebesluit). Zij voert aan dat het bestreden arrest tegenstrijdig, minstens dubbelzinnig, is gemotiveerd doordat het enerzijds overweegt: “De verzoekende partij die zich aandient als lid van het betrokken publiek moet dus in het verzoekschrift de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk voldoende aannemelijk maken.”, en anderzijds aanvaardt dat een verzoekende partij belang heeft bij het beroep op grond van overwegingen die op geen enkele manier zijn omschreven in het verzoekschrift. Beoordeling
- Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder VII-41.971-4/10 “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. In het middel wordt niet uiteengezet hoe het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 56, § 1, 1°, van het procedurebesluit. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. In zoverre met de aangevoerde schending van “de motiveringsverplichting” een andere motiveringsplicht zou worden bedoeld dan de jurisdictionele motiveringsplicht die wordt voorgeschreven door artikel 149 van de Grondwet, is het middel eveneens niet ontvankelijk bij gebreke aan uiteenzetting hoe die anders bedoelde motiveringsplicht zou zijn geschonden.
- De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Artikel 6 EVRM legt aan de rechter geen ruimere motiveringsplicht op dan deze die door artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC wordt voorgeschreven. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. VII-41.971-5/10
- Na de in het middel aangehaalde zin vervolgt het bestreden arrest onder meer met volgende motieven waarin nader wordt uiteengezet wat de RvVb begrijpt onder het voldoende aannemelijk maken van de nadelige gevolgen “in het verzoekschrift”: “Het verzoekschrift van de verzoekende partijen bevat geen uitdrukkelijke omschrijving van [hun] belang. Niettemin mag de verplichting in hoofde van het betrokken publiek om de hinder en nadelen (concreet) te omschrijven niet op een overdreven beperkende of formalistische wijze worden toegepast, omdat een te hoge drempel op de toegang tot de Raad afbreuk zou doen aan of onverzoenbaar zou zijn met het effectieve recht op toegang tot de rechter. In die optiek kan er ter beoordeling van het bestaan van een belang rekening worden gehouden met de gegevens uit het volledige verzoekschrift.” De kritiek dat de gegevens die het bestreden arrest vervolgens aanhaalt om te besluiten dat de verzoekende partijen (verwerende partijen in cassatie) afdoende aannemelijk maken dat zij beschikken over het rechtens vereiste belang, niet zijn omschreven in het verzoekschrift, heeft geen betrekking op een tegenstrijdigheid of dubbelzinnigheid in de motieven, maar viseert de vaststellingen die het bestreden arrest maakt aangaande de inhoud van het verzoekschrift.
- In zoverre het ontvankelijk is, mist het middel dan ook feitelijke grondslag. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert de schending aan van artikel 105, gelezen in samenhang met artikel 2, § 1, 1°, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’, en van artikel 56 van het procedurebesluit. VII-41.971-6/10 Verzoekster zet uiteen: “Het bestreden arrest oordeelt: ‘Ze moet de aard en de omvang ervan concreet omschrijven en aantonen dat ze rechtstreeks of onrechtstreeks kunnen voortvloeien uit de bestreden beslissing. Die vereisten mogen niet op een overdreven beperkende of formalistische wijze worden toegepast.’ [‘]Het verzoekschrift van de verzoekende partijen bevat geen uitdrukkelijke omschrijving van [hun] belang. Niettemin mag de verplichting in hoofde van het betrokken publiek om de hinder en nadelen (concreet) te omschrijven niet op een overdreven beperkende of formalistische wijze worden toegepast, omdat een te hoge drempel op de toegang tot de Raad afbreuk zou doen aan of onverzoenbaar zou zijn met het effectieve recht op toegang tot de rechter. In die optiek kan er ter beoordeling van het bestaan van een belang rekening worden gehouden met de gegevens uit het volledige verzoekschrift.’ Het verzoekschrift bevat evenwel geen enkel gegeven op basis waarvan kan worden besloten dat [de verwerende partijen in cassatie] nadelige gevolgen kunnen ondervinden die rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit de bestreden beslissing.” Beoordeling
- In het middel wordt niet uiteengezet hoe het bestreden arrest de als geschonden opgegeven bepalingen zou hebben miskend. Bovendien nodigt het middel de Raad van State uit om opnieuw te beoordelen of het verzoekschrift gegevens bevat op basis waarvan kan besloten worden dat de verwerende partijen nadelige gevolgen kunnen ondervinden die voortvloeien uit de bestreden beslissing. Als cassatierechter treedt de Raad van State echter niet in de beoordeling van de zaak zelf (artikel 14, § 2, RvS-wet).
- Het middel is niet ontvankelijk. VII-41.971-7/10 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 35 DBRC, artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 EVRM. Verzoekster zet uiteen: “De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelt: ‘Gelet op de nabije ligging van het aanvraagperceel ten opzichte van de percelen van de verzoekende partijen, en gelet op het gegeven dat voor alle voornoemde percelen toegang moet worden genomen via de buurtweg 38 […], kan in alle redelijkheid niet ontkend worden dat de verzoekende partijen mogelijks negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de aanvraag en deze gevolgen kunnen vermijden door het ingeroepen middel. De verzoekende partijen beschikken aldus over een voldoende geïndividualiseerd belang bij het middel. Het gegeven dat de percelen niet rechtstreeks aanpalend zijn, dan wel dat de verzoekende partijen in het kader van een eerdere aanvraag zouden erkend hebben dat er geen ‘noemenswaardige impact’ kan worden verwacht, doet aan het voorgaande geen afbreuk.’ De Raad voor Vergunningsbetwistingen kon - gelet op hetgeen bepaald is in art. 35 DBRC-decreet - niet wettig oordelen dat [de verwerende partijen in cassatie] belangenschade lijden door de ingeroepen onwettigheid in het enig middel, nu [de verwerende partijen in cassatie] op geen enkele manier daardoor benadeeld worden en daarvan ook geen enkel bewijs voorligt. Zij maken één en ander ook niet aannemelijk. De nabije ligging is alvast op zich beschouwd nooit voldoende om te kunnen spreken van een belang bij welkdanig middel ook en het feit dat toegang wordt genomen via buurtweg 38 is op geen enkele manier een geïndividualiseerd argument nu het een verharde openbare weg betreft waarover [de verwerende partijen in cassatie] niets te zeggen hebben. Voorts is het arrest niet afdoende gemotiveerd waar het louter stelt dat de percelen niet rechtstreeks aanpalend zijn en de [verwerende partijen in cassatie] hebben erkend dat er geen noemenswaardige impact is, aan e.e.a. geen afbreuk doet. […] Bovendien moet [verzoekster in cassatie] vaststellen dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij het onderzoek van het enig middel overgaat tot een feitelijke beoordeling van de zaak, waartoe [hij] nochtans niet bevoegd is en waardoor [hij] derhalve [zijn] rechtsmacht overschrijdt.” VII-41.971-8/10 Beoordeling
- In het middel wordt niet uiteengezet hoe het bestreden arrest artikel 6 EVRM schendt. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Met de aangevoerde schending van artikel 35 DBRC nodigt verzoekster de Raad van State uit om opnieuw te beoordelen of de verwerende partijen benadeeld worden door de ingeroepen onwettigheid in de zin van die bepaling. Als cassatierechter treedt de Raad van State echter niet in de beoordeling van de zaak zelf (artikel 14, § 2, RvS-wet), zodat het middel in zoverre niet ontvankelijk is.
- In zoverre de schending van artikel 149 van de Grondwet wordt afgeleid uit de omstandigheid dat het bestreden arrest “niet afdoende” is gemotiveerd, gaat verzoekster uit van een verkeerd begrip van de jurisdictionele motiveringsplicht, en faalt de kritiek naar recht.
- Verzoekster laat na te verduidelijken hoe de omstandigheid dat het bestreden arrest overgaat tot een feitelijke beoordeling van de zaak, waardoor de RvVb zijn rechtsmacht zou overschrijden, een miskenning inhoudt van een wettelijke bepaling waarvan de schending is aangevoerd. Deze kritiek kan dan ook niet tot cassatie leiden.
- In zoverre het middel ontvankelijk is, is het ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. VII-41.971-9/10
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.971-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.556 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div