id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.559 Rolnummer: A. 238790/VII-41974 Zaak: Arrest 262559 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-11 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-16 05:52 Fiche Arrest nr 262.559 van 6 maart 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 262.559 van 6 maart 2025 in de zaak A. 238.790/VII-41.974 In zake : de NV LUMINUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Vanessa McClelland en Tom Malfait kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : E.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Victor Petitat kantoor houdend te 8000 Brugge Ter Pannestraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Gebruers kantoor houdend te 3980 Tesssenderlo Diesterstraat 107 B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0574 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 23 februari 2023 in de zaak 2122-RvVb-0009-SA. VII-41.974-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 25 mei
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Het Vlaamse Gewest heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 17 augustus
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 16 mei 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 februari
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter De Smedt, die loco advocaten Tom Malfait en Vanessa McClelland verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Victor Petitat, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jannick Poets, die loco advocaat Joris Gebruers verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-41.974-2/9 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Het verzoek tot voortzetting van de procedure bevat een uitvoerige bespreking van de middelen met een schriftelijke repliek op het verslag van de auditeur. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke repliek in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoekende partij luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit (in de versie vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 21 juli 2023, die nog van toepassing is op deze zaak) vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden toegewezen. Het “verzoek tot voortzetting - teneinde te worden gehoord” van de verzoekende partij wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin wordt verzocht om de procedure voort te zetten teneinde te worden gehoord. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.
- De tussenkomende partij verleent aan de verzoekende partij een omgevingsvergunning voor de bouw en exploitatie van een windturbine. VII-41.974-3/9 4.
- Het bestreden arrest verklaart het beroep dat de verwerende partij hiertegen instelt gegrond, en vernietigt de beslissing van de tussenkomende partij. V. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 5.3.1 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), artikel 73, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC). In de memorie van wederantwoord vat zij het middel als volgt samen: “Het middel valt uiteen in twee onderdelen. In het eerste onderdeel wordt uiteengezet dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid (thans tussenkomende partij in cassatie) heeft geschonden door in zijn beoordeling van het zesde middel in de plaats te treden van de vergunningverlener en zich over de opportuniteit van het opleggen van de bijzondere voorwaarden uit te spreken. Dit vormt een manifeste schending van de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlener die uit artikel 5.3.1 DABM en artikel 73, §1, lid 1 Omgevingsvergunningsdecreet volgt. Ondergeschikt, wordt in het eerste onderdeel ook gewezen op het feit dat de interpretatie die de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest aan artikel 5.3.1 DABM heeft gegeven juridisch niet correct is. In het tweede onderdeel wordt gewezen op het feit dat het zesde middel in het bestreden arrest gegrond werd geacht, terwijl er door de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet werd geantwoord op de weerlegging van het middel door de initiële tussenkomende partij, thans verzoekende partij.” Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel zet de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog uiteen dat: VII-41.974-4/9 - uit het bestreden arrest niet blijkt waarom het eerdere standpunt van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) omtrent modulering uit het arrest van 25 februari 2021 waarnaar de verzoekende partij in haar schriftelijke uiteenzetting verwees, werd verlaten; - het bestreden arrest tegenstrijdig is gemotiveerd doordat het enerzijds erkent dat de vergunningverlenende overheid besluit dat kan worden voldaan aan de geldende richtwaarden voor geluid mits bridering wordt toegepast, en anderzijds oordeelt dat er geen garantie bestaat dat de sectorale normen kunnen worden gehaald; - de verwijzing in het bestreden arrest naar de artikelen 72 en 73 DBRC geen materiële vergissing is, maar een ernstig motiveringsgebrek. Beoordeling Eerste onderdeel
- Uit artikel 5.3.1 DABM volgt een verplichting voor de vergunningverlenende overheid om de omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ingedeelde inrichting of activiteit te weigeren wanneer niet wordt aangetoond dat de algemene en sectorale milieuvoorwaarden kunnen worden nageleefd tijdens de exploitatie. Om te waarborgen dat de algemene en sectorale milieuvoorwaarden kunnen worden nageleefd, kan de vergunningverlenende overheid de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit ook afhankelijk stellen van de naleving van bijzondere milieuvoorwaarden in de zin van de artikelen 72 en 73, § 1, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet.
- Het bestreden arrest stelt vast dat: - de bij de aanvraag gevoegde geluidsstudie o vaststelt dat er bij de voorgenomen exploitatie van de windturbine, zonder bijkomende bridering, ’s avonds en ’s nachts een aantal overschrijdingen zijn van de sectorale geluidsnormen, VII-41.974-5/9 o een bridering van de aangevraagde windturbine noodzakelijk acht, en o een bridering voorstelt van 106 dB(A) naar 101,5 dB(A); - de bestreden vergunning geen bijzondere voorwaarde oplegt die de tussenkomende partij ertoe verplicht het maximale brongeluid voor de avond en nacht te beperken tot 101,5 dB(A); - de in de bestreden vergunning vastgestelde bijzondere voorwaarden dat voorafgaand aan de ingebruikname een brideringsschema moet worden overgemaakt, afhankelijk van het type windturbine, en daarnaast de bridering in een logboek moet worden bijgehouden, niet de garantie bieden dat de geluidshinder binnen de door de sectorale normen voor de avond- en nachtperiode gestelde grenzen zal blijven. Op grond van deze feitelijke vaststellingen verantwoordt het bestreden arrest naar recht de beslissing dat de tussenkomende partij de vergunning niet kon verlenen zonder bijzondere voorwaarden op te leggen die garanderen dat de geluidsnormen effectief kunnen worden nageleefd, en miskent de RvVb aldus niet de draagwijdte van artikel 5.3.1 DABM en artikel 73, § 1, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet.
- Het eerste onderdeel is ongegrond. Tweede onderdeel
- De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of VII-41.974-6/9 de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd. Uit het geheel van de motieven moet blijken waarom het middel wordt aangenomen of verworpen. Argumenten van een partij kunnen op die wijze ook impliciet worden verworpen, met name wanneer die argumenten strijden met de motieven van het arrest. Het bestuursrechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen.
- Het bestreden arrest beoordeelt het zesde annulatiemiddel met volgende motieven: “Met de bestreden beslissing vergunt de [tussenkomende partij in cassatie] niet een bepaald type windturbine, maar verleent zij een vergunning voor een onbepaald type windturbine die evenwel binnen duidelijk bepaalde maxima moet blijven. In de beoordeling van het geluidsaspect, op grond van uitgevoerde geluidsstudie, wordt vastgesteld dat er ’s avonds en ’s nachts zonder bijkomende bridering een aantal overschrijdingen zijn. Echter wordt in de bestreden beslissing geen duidelijke voorwaarde opgelegd waaruit blijkt wat het maximale brongeluid is dat de [verzoekende partij in cassatie], ongeacht het type windturbine, dient na te leven. Er wordt weliswaar naar aanleiding van de beoordeling van het geluidsaspect een bridering voorgesteld van 106 dB(A) naar 101,5 dB(A), opdat voldaan kan worden aan de sectorale geluidsnormen, maar er wordt hiertoe geen bijzondere voorwaarde opgelegd die de [verzoekende partij in cassatie] ertoe verplicht het maximale brongeluid voor de avond en nacht te beperken tot 101,5 dB(A). Zodoende worden er geen garanties ingebouwd opdat de geluidsnormen ook effectief (kunnen) worden nageleefd. Anders dan [de tussenkomende partij in cassatie] dit in haar antwoordnota ziet, volstaat het bovendien niet dat de exploitant de richtwaarden voor windturbinegeluid zal dienen na te leven omdat die normen als voorwaarden zijn opgenomen in (artikel 4, § 2 van) de bestreden beslissing. Nog daargelaten dat de geldende geluidsnormen krachtens artikel 3.1.1, § 1, van VII-41.974-7/9 VLAREM II hoe dan ook, van rechtswege van toepassing zijn op de vergunde inrichtingen, ook indien de erin vervatte verplichtingen niet expliciet worden opgelegd in de verleende omgevingsvergunning, ontslaat de verplichting voor de exploitant om die normen na te leven de vergunningverlenende overheid immers niet van haar rechtsplicht om de vergunning te weigeren wanneer niet blijkt dat die geluidsnormen kunnen worden nageleefd (Vgl. RvS 28 oktober 2021, nr.251.997; RvS 28 oktober 2021, nr. 251.996). De verplichtingen dat voorafgaand aan de ingebruikname een brideringsschema moet worden overgemaakt, afhankelijk van het type windturbine, en daarnaast de bridering in een logboek moet bijgehouden worden, bieden op zich evenmin de vereiste garantie dat de geluidshinder binnen de door de sectorale normen voor de avond- en nachtperiode gestelde grenzen zal blijven. Deze bijzondere voorwaarden voldoen op zich dan ook niet aan de fundamentele doelstelling van artikel 5.3.1 DABM, die preventief van aard is.”
- Met deze motieven verwerpt de RvVb impliciet het argument dat de verzoekende partij had afgeleid uit het arrest van de RvVb van 25 februari 2021, en dat ermee in strijd is. De rechterlijke motiveringsplicht vereist niet dat uitdrukkelijk wordt uiteengezet waarom de rechtspraak die door een partij wordt aangehaald ter ondersteuning van haar argumenten, niet wordt bijgevallen, of niet op een gelijkaardig geval betrekking heeft.
- Het is niet tegenstrijdig enerzijds vast te stellen dat het bestuur besluit dat aan de normen kan worden voldaan mits bridering, en anderzijds te oordelen dat met de in de vergunning vastgestelde voorwaarden geen garantie bestaat dat de normen ook effectief kunnen worden nageleefd. De aangevoerde tegenstrijdigheid van de motieven mist feitelijke grondslag.
- In de samenvatting die het bestreden arrest maakt van het zesde annulatiemiddel wordt vermeld dat de schending wordt aangevoerd van de artikelen 72 en 73 van “het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges” in plaats van “het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning”. Het gaat hier om een materiële verschrijving waardoor het arrest niet onduidelijk of dubbelzinnig wordt. De RvVb haalt immers vervolgens wel uitdrukkelijk en correct de artikelen VII-41.974-8/9 72 en 73 “van het Omgevingsvergunningsdecreet” aan. Dergelijke materiële vergissing houdt geen schending in van de rechterlijke motiveringsplicht.
- Het tweede onderdeel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.974-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.559 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div