← België

Arrest 262560 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/03/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.560 Rolnummer: A. 239151/VII-42048 Zaak: Arrest 262560 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-11 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-16 05:52 Fiche Arrest nr 262.560 van 6 maart 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 262.560 van 6 maart 2025 in de zaak A. 239.151/VII-42.048 In zake : de BV ALUMINIUM DUFFEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Mallien kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36, bus 8 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Werner Vandenbruwaene kantoor houdend te 1210 Brussel Bolwerklaan 21, bus 1 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Gebruers kantoor houdend te 3980 Tesssenderlo Diesterstraat 107 B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 19 mei 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0760 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 13 april 2023 in de zaak 2223-RvVb-0111-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 258.277 van 21 december 2023 is het debat heropend en wordt het cassatieberoep voortgezet overeenkomstig de artikelen 12 tot 18 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). VII-42.048-1/12 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 2 juli 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het cassatieprocedurebesluit. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 februari
  3. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaten Pascal Mallien en Werner Vandenbruwaene, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Jannick Poets, die loco advocaat Joris Gebruers verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Regelmatigheid van de rechtspleging
  5. Het verzoek tot voortzetting bevat een schriftelijke repliek op het auditoraatsverslag van de auditeur. VII-42.048-2/12 Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke repliek in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoekende partij luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit (in de versie vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 21 juli 2023, die nog van toepassing is op deze zaak) vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden toegewezen. Het “verzoek tot voortzetting” van de verzoekende partij wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin wordt verzocht om de procedure voort te zetten teneinde te worden gehoord. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.
  6. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen verleent op 10 maart 2022 aan de verzoekende partij een omgevingsvergunning voor het veranderen door uitbreiding en wijziging, van een aluminiumverwerkend bedrijf. Derden-belanghebbenden dienen tegen deze vergunning een beroep in, dat door de verwerende partij op 9 september 2022 gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. De in de vergunningsaanvraag opgenomen regularisatie van de noodlozingen van onbehandeld bedrijfsafvalwater wordt geweigerd. 4.
  7. De verzoekende partij stelt bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) een vernietigingsberoep in tegen die weigeringsbeslissing. Met een beschikking van 8 december 2022 stelt de voorzitter van de RvVb vast dat het beroep op het eerste gezicht alleen een kort debat vereist. 4.
  8. Het bestreden arrest verwerpt de vraag van de verzoekende partij om de nota van de verwerende partij uit het debat te weren, en verwerpt het vernietigingsberoep van de verzoekende partij. VII-42.048-3/12 V. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel
  9. De verzoekende partij doet afstand van het eerste middel dat zij in haar cassatieberoep heeft opgeworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  10. De verzoekende partij voert de schending aan van de rechten van verdediging zoals gewaarborgd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), en zoals gewaarborgd in de aanvullende werking van de artikelen 740, 745 en 747, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek bij artikel 59/2 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: procedurebesluit), gelezen in samenhang met artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek.
  11. De verzoekende partij komt op tegen de verwerping van haar verzoek tot het weren uit het debat van de nota van de verwerende partij omdat de verwerende partij had nagelaten om gelijktijdig met de indiening van haar nota een afschrift ervan aan de verzoekende partij te bezorgen. De RvVb verwerpt deze vraag op grond van volgende motieven: “Artikel 59/2, §1, laatste lid Procedurebesluit bepaalt dat elke partij, gelijktijdig met het indienen van een nota korte debatten, een afschrift van die nota aan de overige partijen en belanghebbenden bezorgt. De verzoekende partij betwist niet dat artikel 59/2, §1, laatste lid Procedurebesluit niet in een sanctie voorziet wanneer een partij nalaat een afschrift van haar nota aan de overige partijen te bezorgen. Waar zij zonder meer wijst op de aanvullende werking van het Gerechtelijk Wetboek als VII-42.048-4/12 grond om de nota van de verwerende partij uit de debatten te (laten) weren, gaat de verzoekende partij uit van een verkeerde opvatting van het recht. De in artikel 59/2, §1, laatste lid Procedurebesluit bedoelde kennisgeving heeft immers een louter informatieve waarde aangezien aan alle partijen en belanghebbenden op hetzelfde moment de mogelijkheid wordt geboden tot het indienen van een nota en zij hiertoe eenzelfde termijn krijgen. Het mag dan ook duidelijk zijn dat vermelde kennisgeving niet tot doel heeft verdere schriftelijke tegenspraak tussen partijen te initiëren dan wel te faciliteren. De Raad merkt ten overvloede op dat het nalaten van de verwerende partij de rechten van de verzoekende partij allerminst heeft geschaad. Uit de nota van de verzoekende partij blijkt immers dat zij kennis had van de inhoud van de nota van de verwerende partij en hierop schriftelijk heeft gerepliceerd. Dit alles nog los van de omstandigheid dat de verzoekende partij ook ter zitting de mogelijkheid heeft gehad om te antwoorden op de standpunten van de verwerende partij.”
  12. De verzoekende partij formuleert volgende grieven: “Dat verzoekende partij heeft kunnen antwoorden ter zitting, is enkel te danken aan haar eigen diligentie en kennisname van de bewuste nota ter griffie. Louter op basis van de niet-mededeling van de nota door verwerende partij, was dit niet mogelijk geweest. De overlegging van de nota heeft meer dan een louter informatieve waarde, daar het de enige vorm van schriftelijke tegenspraak is die in de procedure korte debatten wordt geboden. Waar het bestreden arrest weigert een sanctie, geworteld in de rechten van verdediging en het recht op tegenspraak, op te leggen, schendt het bestreden arrest voormelde rechten. Hoewel het correct is dat de [RvVb] een eigen, bijzondere decretale en reglementaire procedureregeling kent[…], kan de redenering niet worden gevolgd. Wanneer er procedurele leemten opduiken, kan uiteraard het Gerechtelijk Wetboek tot inspiratie dienen als suppletieve bron van recht.[…] Het bestreden arrest acht dit een ‘verkeerde opvatting van het recht’, met miskenning van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek en de arresten van de Raad van State waarin deze aanvullende, suppletieve, werking wordt erkend. De bepalingen van het burgerlijk procesrecht kunnen inderdaad als aanvullend recht worden beschouwd wanneer [voor] een bepaald aspect van de procesvoering voor een administratief rechtscollege geen eigen regeling bestaat én de toepassing van die bepalingen verenigbaar zijn met de specifieke rechtspleging van het administratief rechtscollege.[…] Het bestreden arrest merkt op dat er geen sanctie wordt bepaald, net zoals er doorheen het Procedurebesluit geen sancties worden bepaald. In dat geval kan het Gerechtelijk Wetboek uitweg bieden. Het volgt uit de aard van de rechten van verdediging, de inquisitoriale en schriftelijke aard van de procedure, en het recht op tegenspraak dat een miskenning van de tegenspraak en de wapengelijkheid moet bestraft worden.” VII-42.048-5/12 Beoordeling
  13. De rechtspleging voor de RvVb is op eigen regels gegrond, zodat het Gerechtelijk Wetboek hierop niet van toepassing is. Voor de aspecten waarvoor in de rechtspleging voor de RvVb geen regeling is vastgesteld, vormen de regels van dat wetboek wel aanvullend recht op grond van artikel 2 ervan.
  14. Artikel 59/2, § 1, van het procedurebesluit bepaalt: “De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast: 1° dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist; 2° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de korte debatten zullen plaatsvinden; 3° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken; 4° de namen van een of meer van de belanghebbenden, vermeld in artikel 20, eerste en tweede lid, van het decreet, als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter heeft beslist een of meer belanghebbenden op te roepen; 5° de termijn waarbinnen de partijen en de belanghebbenden, vermeld in punt 4°, een nota kunnen indienen. De griffier betekent de beschikking en een afschrift van het verzoekschrift aan de partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°. Gelijktijdig met het indienen van de nota, vermeld in het eerste lid, 5°, bezorgt elke partij en belanghebbende, vermeld in het eerste lid, 4°, een afschrift van die nota aan de overige partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°.” Geen enkele bepaling schrijft een uitdrukkelijke sanctie voor in het geval een partij of belanghebbende, in weerwil van het laatste lid van artikel 59/2, § 1, van het procedurebesluit, nalaat om gelijktijdig met het indienen van de nota hiervan een afschrift te bezorgen aan de overige partijen. De enkele omstandigheid dat in dit geval geen uitdrukkelijke sanctie wordt voorgeschreven, betekent niet dat het gaat om een aspect van de rechtspleging waarvoor geen regeling is vastgesteld. De regelgever is immers niet verplicht om te voorzien in uitdrukkelijke sancties in geval van overtreding van een procedureel voorschrift. Artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek verplicht dan VII-42.048-6/12 ook niet de RvVb om de sanctie toe te passen die in dat wetboek wordt voorzien voor het analoge geval waarin een partij nalaat haar conclusie terzelfder tijd als zij ter griffie wordt neergelegd, aan de tegenpartij te zenden. In zoverre de verzoekende partij in het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt haar kritiek naar recht.
  15. De omstandigheid dat de regels geen uitdrukkelijke sanctie voorzien in geval van overtreding van een procedureel voorschrift, staat niet eraan in de weg dat de rechter een passende procedurele maatregel verbindt aan de overtreding, wanneer dit op grond van artikel 6 EVRM vereist is ter vrijwaring van het recht van verdediging of om de wapengelijkheid te herstellen die door de overtreding van het voorschrift is verstoord. Het bestreden arrest stelt vast dat de overtreding van het procedureel voorschrift in de concrete omstandigheden van de voorliggende zaak “de rechten van de verzoekende partij allerminst heeft geschaad”, en verantwoordt aldus naar recht de beslissing dat er aan de overtreding geen procedurele maatregel wordt verbonden.
  16. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  17. De verzoekende partij voert de schending aan van de rechterlijke motiveringsplicht zoals vastgelegd in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC). VII-42.048-7/12
  18. De verzoekende partij zet uiteen dat zij in het tweede annulatiemiddel dat zij had aangevoerd voor de RvVb, het volgende had uiteengezet: “Het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij is voorwaardelijk gunstig. Uit het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij blijkt duidelijk hoe de bijzondere voorwaarde ter zake had geformuleerd moeten worden: ‘Voor zover niet ingesloten door niet-afgekoppelde gebouwen en groter dan 40 m² dienen de daken en de verharde oppervlakten van de nieuwe gebouwen waarop niet-verontreinigd hemelwater afstroomt, afgekoppeld te worden van interne gemengde riolering. Indien ingesloten, doch niet-afgekoppelde gebouwen worden bij nieuwe gebouwen wachtbuizen voorzien die kunnen aansluiten op toekomstige afkoppelingsprojecten.’ Met deze bijzondere voorwaarde kan de Vlaamse Milieumaatschappij gunstig adviseren voor de bijkomende lozing van onbehandeld bedrijfsafvalwater op oppervlaktewater met een debiet van max. 900 m³/uur, 5.000 m³/dag en 75.000 m³/jaar via LP01 in het oppervlaktewater, rekening houdende met de bijzondere voorwaarden die zijn gesteld van fluor en boor. Desondanks meent de bestreden beslissing aan te voeren dat dit alles ‘onvoldoende concreet is’, in weerwil van het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij. Terwijl er a) voldoende concrete elementen voorhanden zijn in de aanvraag, en b) de beslissing zelf op een aantal punten aangeeft dat pluviale bijzondere neerslag tot noodlozingen zal leiden. Het is dus werkelijk tegenstrijdig geen enkele noodlozing toe te staan, zelfs niet gebonden aan een zekere tijdelijkheid

(2027). Dit alles in het licht van de concrete stappen die verzoekster ondernam en onderneemt om het afkoppelingsplan op punt te stellen. De beslissing is op dit punt intern tegenstrijdig, en schendt de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur. Dit des te meer daar de al dan niet voorwaardelijk gunstige adviezen in de wind worden geslagen.” waarop in het bestreden arrest wordt geantwoord: “Daarenboven komt het de Raad niet kennelijk onredelijk voor om het aangevraagde debiet van 75.000 m³ in vraag te stellen. Uit het aanvraagdossier blijkt dat de voorbije jaren noodlozingen werden uitgevoerd met een debiet van circa 57.000 m³ in 2016, circa 26.000 m³ in 2017 en circa 16.000 m³ in 2018 en
  1. Uit deze gegevens blijkt dat de noodlozingen van de voorbije jaren een aanzienlijk lager debiet hadden dan wat wordt aangevraagd, waarbij bovendien een neerwaartse trend waarneembaar is. Bij gebrek aan informatie waaruit blijkt dat een hoger debiet - in weerwil van bovenstaande cijfers - noodzakelijk is, kon de verwerende partij terecht oordelen dat het aangevraagde debiet te hoog is. De verwerende partij kan bovendien bezwaarlijk worden verweten hiermee op onvoldoende gemotiveerde wijze af te wijken van het advies van de VMM. Uit het advies VII-42.048-8/12 blijkt immers niet dat enige aandacht werd geschonken aan het aangevraagde debiet.”
  2. De verzoekende partij formuleert volgende grieven: “Wanneer het bestreden arrest aldus noteert dat er inderdaad een verhoogde motiveringsplicht bestaat wanneer er van een andersluidend advies wordt afgeweken, maar niet ingaat op de elementen van tijdelijkheid of waarom de vergunning niet wordt herleid tot een lager debiet, geeft het onvoldoende antwoord op het door verzoekende partij aangedragen middel. Deze bijkomende motivering tot afwijking in de bestreden beslissing in de bodemprocedure wordt niet onderzocht. Terwijl verzoekende partij duidelijk elementen inzake een lager debiet en een tijdelijk traject aandraagt. Door hier geen antwoord op te bieden, schendt het bestreden arrest de rechterlijke motiveringsplicht.”
  3. In de memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij erop dat er naast artikel 32 DBRC ook artikel 34 DBRC is, “met het ganse potentieel van de ‘bestuurlijke lus’”. Voor de Vlaamse minister had de verzoekende partij aangevoerd dat er desgevallend een lager debiet had kunnen vergund worden of een vergunning van tijdelijke aard had kunnen worden afgeleverd. In het kader van de rechterlijke motiveringsplicht had de mogelijkheid van herleiding van het debiet of het slechts tijdelijk verlenen van een vergunning in aanmerking moeten worden genomen. Dit maakt hoofdzakelijk de schending uit van de formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het gedeeltelijk vernietigen van de verleende omgevingsvergunning, in het bijzonder de weigering van de gevraagde noodlozing, had tot gevolg gehad dat men de bevoegde minister had kunnen vragen een lozing toe te laten, weze het met een lager debiet of voor een tijdelijke duur. Beoordeling
  4. In zoverre de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord uitbreidt, minstens hieraan een nieuwe wending geeft, door te wijzen op de mogelijkheid van de “bestuurlijke lus” en artikel 34 DBRC, is de VII-42.048-9/12 kritiek niet ontvankelijk. Deze kritiek kon immers reeds in het cassatieberoep worden ontwikkeld. Ook de kritiek dat de rechterlijke motiveringsplicht werd geschonden doordat niet werd geantwoord op een aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel wordt pas voor het eerst in de memorie van wederantwoord aangevoerd, zodat ook die kritiek niet ontvankelijk is.
  5. De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd. Uit het geheel van de motieven moet blijken waarom het middel wordt aangenomen of verworpen. Argumenten van een partij kunnen op die wijze ook impliciet worden verworpen, met name wanneer die argumenten strijden met de motieven van het arrest. Het bestuursrechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen.
  6. De verzoekende partij gaat eraan voorbij dat de in het middel aangehaalde argumenten niet enkel beantwoord werden met de passage van het arrest die in het middel wordt aangehaald, maar ook met de hieraan voorafgaande paragraaf, die als volgt luidt: “Onverminderd de vraag of de overweging in de bestreden beslissing dat het aangevraagde debiet van 75.000 m³ in het aanvraagdossier onvoldoende VII-42.048-10/12 wordt onderbouwd het enige decisieve weigeringsmotief uitmaakt, stelt de Raad vast dat de grieven van de verzoekende partij tegen dit motief niet kunnen overtuigen. Het loutere gegeven dat in de bestreden beslissing wordt erkend dat het projectgebied pluviaal overstromingsgevoelig is, doet nog geen recht op een vergunning voor het uitvoeren van noodlozingen ontstaan. Dit geldt des te meer wanneer de vergunningverlenende overheid - zoals hier het geval is - vaststelt dat de behoefte aan het uitvoeren van noodlozingen zijn oorzaak vindt in het feit dat het hemelwater samen wordt geloosd met het bedrijfsafvalwater, wat in strijd is met de regelgeving.” Met deze motieven, gelezen in samenhang met de in het middel aangehaalde motieven, heeft het bestreden arrest geantwoord op de argumenten van de verzoekende partij die in het middel worden aangehaald, op grond waarvan zij aanvoerde dat de “motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur” werd geschonden door de verwerende partij. De RvVb verwerpt hiermee immers ook impliciet, doch voldoende duidelijk, het met deze motieven strijdige argument dat de deputatiebeslissing tegenstrijdig was gemotiveerd door enerzijds te erkennen dat er noodlozingen plaatsvinden en anderzijds geen noodlozingen toe te laten, weze het tijdelijk en/of een lager debiet dan aangevraagd.
  7. Het middel mist dan ook feitelijke grondslag, en wordt verworpen. BESLISSING
  8. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  9. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.048-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.048-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.560 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.277 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.