← België

Arrest 262562 - Politie - 06/03/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.562 Rolnummer: A. 243871/XII-9820 Zaak: Arrest 262562 - Politie - 06/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-13 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-16 05:52 Fiche Arrest nr 262.562 van 6 maart 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 262.562 van 6 maart 2025 in de zaak A. 243.871/XII-9820 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de LOKALE POLITIEZONE VOORKEMPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Clonen en Flora Wauters kantoor houdend te 2610 Antwerpen Sneeuwbeslaan 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 3 januari 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “het besluit van het Politiecollege van de lokale politie Voorkempen op datum van 26 november 2024 waarbij aan verzoek[st]er de zware tuchtstraf het ontslag van ambtswege is opgelegd met ingang van 29-06-2024”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 7 januari 2025 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 februari
  3. XII-9820-1/27 De nota met opmerkingen, en het administratief werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Koen Clonen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is onthaalmedewerkster CO bij de Lokale Politie Voorkempen, thans de verwerende partij. 3.
  6. De initieel aan verzoekster verweten (tucht)feiten betreffen de volgende: - Feit 1: Een (tijdelijke) afwezigheid op haar werkplek zonder dat zij dienaangaande haar verantwoordelijke in kennis heeft gesteld, met name: • op 1 september 2023 heeft zij zich zonder voorafgaandelijke verwittiging/toestemming van het diensthoofd teruggetrokken in het EHBO-lokaal nadat zij hier in het verleden reeds door Hoofdinspecteur N.K. over aangesproken werd en • op 12 september 2023 heeft zij haar werkdag vroegtijdig beëindigd zonder voorafgaandelijke toestemming van het diensthoofd, met name XII-9820-2/27 om 14.48 uur waardoor zij zonder voorafgaandelijke toestemming de voorziene glijtijden niet gerespecteerd heeft nadat zij in het verleden reeds aangesproken werd omtrent het (niet-)respecteren van de geplande diensttijden middels de functioneringsnota van 19 januari 2023; - Feit 2: Op 12 september 2023 tijdens haar dienst ‘Admin’ het niet uitvoeren van het aan haar opgedragen takenpakket zoals overlegd tijdens het teamoverleg van 1 oktober 2020 waarop verzoekster aanwezig was en waar• er afgesproken werd dat tijdens de diensten ‘Admin’ het belangrijk is om deze een zinvolle invulling te geven. Dit kan bestaan uit: • Scannen LIK; • Bijstand onthaal (beheer algemene mailbox, aan- en/of afmelden, etc..) en • Bijstand andere diensten voor administratieve taken (bv verkeer); - Feit 3: Het niet werkgerelateerd invullen van de door verzoekster aangegeven/aangerekende diensturen als dienstprestatie en het m.a.w. niet correct aangeven van de door haar daadwerkelijk uitgevoerde activiteiten als dienstprestatie, in het bijzonder: • op 1 september 2023 voor een duurtijd van 0u29min. d.m.v. het feit dat verzoekster zich had teruggetrokken in het EHBO lokaal; • op 12 september 2023 voor een duurtijd van 2u30min. d.m.v. het consulteren van 168 niet werkgerelateerde internetpagina’s (waarbij wanneer er op eenzelfde pagina wordt gescrold, dit eenzelfde registratie blijft); • op 14 september 2023 d.m.v. het consulteren van 443 niet werkgerelateerde internetpagina’s (waarbij wanneer er op eenzelfde pagina wordt gescrold, dit eenzelfde registratie blijft); - Feit 4: Het op 12 september 2023 onbeheerd achterlaten van haar PC zonder deze te “locken” waardoor de gegevens die hierop beschikbaar/consulteerbaar zijn middels de voorziene softwaretoepassingen (o.a. ISLP, ANG, DIV, RRN, …) niet veilig afgeschermd zijn voor derden (zowel burgers als collega’s). XII-9820-3/27 3.
  7. De gewone tuchtoverheid heeft kennisgenomen van de feiten op datum van 4 en 14 september
  8. Het Politiecollege heeft, in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, kennisgenomen van de feiten op datum van 28 februari
  9. 3.
  10. Het inleidend verslag wordt aan verzoekster overgemaakt op 29 februari
  11. Daarin staat te lezen dat de hogere tuchtoverheid het voornemen heeft om voor de bedoelde feiten de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 3.
  12. De hoorzitting in het kader van het inleidend verslag gaat door op 2 april
  13. Verzoekster overhandigt haar besluiten. 3.
  14. Op 10 april 2024 stelt de hogere tuchtoverheid voor om voor de vastgestelde feiten de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 3.
  15. Op 20 april 2024 dient verzoekster een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
  16. De Algemene Inspectie van de federale en van de lokale politie verstrekt op 16 september 2024 haar deskundigenverslag. Daarin wordt onder andere geconcludeerd dat de theoretische onderbouw van de visie van de tuchtoverheid deugdelijk is maar het te zeer aan concrete antwoorden ontbreekt op tal van vragen. Om die redenen is het tuchtdossier behept met tal van onzorgvuldigheden. Het deskundigenverslag besluit op dit punt dan ook dat het zorgvuldigheidsbeginsel minstens voor een aantal ten laste gelegde inbreuken geschonden is. Met betrekking tot de feiten wordt in het deskundigenverslag voorgesteld slechts één feit als tuchtvergrijp bewezen aan te houden nl. verzoeksters in gebruik zijnde PC werd door haar onbeheerd achtergelaten. Dat feit is bewezen en aan haar toerekenbaar. XII-9820-4/27 Wat de tuchtstraf betreft, wordt in het deskundigenverslag voorgesteld de tuchtstraf van de schorsing gedurende drie maanden op te leggen. Overwogen wordt dat het enkel onbeheerd achterlaten van een PC geen ontslag rechtvaardigt, maar het potentieel te grabbel gooien van informatie die niet bestemd is voor “vreemde” ogen dan weer wel een zware tuchtsanctie rechtvaardigt. 3.
  17. Op 23 oktober 2024 verstrekt de Tuchtraad zijn definitief advies. Ook de Tuchtraad is van oordeel dat enkel feit 4 (het onbeheerd achterlaten van de PC zonder deze te “locken”) bewezen is en aan verzoekster toerekenbaar is. De Tuchtraad oordeelt dat dit feit een tuchtinbreuk uitmaakt in de zin van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: Tuchtwet) maar dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege “een disproportionele straf is” voor het bewezen feit 4 en dat de schorsing bij tuchtmaatregel van drie maanden een meer gepaste straf is. 3.
  18. Op 6 november 2024 formuleert het Politiecollege een voorstel tot zware tuchtstraf na advies van de Tuchtraad met het voornemen om zich niet aan te sluiten bij het advies van de Tuchtraad. Met een brief van 16 november 2024 dient verzoekster bij monde van haar raadsman een verweerschrift in. 3.
  19. Op 26 november 2024 wordt tenslotte het thans bestreden besluit genomen. Met ingang van 29 juni 2024 wordt aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd. Daarin staat het volgende te lezen : “Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 3, 5, 15, 38 en 38bis; Gelet dat de hogere tuchtoverheid in het kader van het bestaan van de feiten, van hun toerekenbaarheid en hun tuchtrechtelijk karakter, meent dat de feiten zoals omschreven onder punt 8 kunnen worden vastgesteld en toegerekend; Overwegende dat zo een gedrag, in geen geval kan getolereerd worden in hoofde van een CALog medewerker van een politiedienst, waarvan rechtmatig kan verwacht worden dat het de voorschriften en richtlijnen respecteert; Gelet op het verslag inzake het gevoerde voorafgaand onderzoek (ref. 1.21), inzake precieze en concrete feiten; Overwegende dat het net een van de doelstellingen van de vigerende richtlijnen en de deontologische code is om bij te dragen tot een kwalitatieve verbetering van de XII-9820-5/27 werking van de politieorganisatie, waarbij deze interne richtlijnen en deontologische principes door u bewust niet nageleefd zijn en dit nadat u hier in het verleden reeds meermaals werd op aangesproken; Overwegende dat dergelijk optreden en (herhalend) handelen – waarvan de hogere tuchtoverheid meent dat deze feiten uit punt 8 kunnen worden vastgesteld en toegerekend – absoluut niet kan worden gedoogd, zowel in functie van het waarborgen en beschermen van de eigen integriteit als in functie van de integriteit en de waardigheid van het korps, als vanuit het oogpunt van gewenste dienstbaarheid en loyauteit jegens uw collega’s en andere diensten; Overwegende dat het oneigenlijk gebruik van materiaal voor eigen doeleinden, het nalaten van het correct registreren van de door u effectief en daadwerkelijk gepresteerde arbeidstijd, het manifest niet uitvoeren van de u opgelegde taken en het vroegtijdig beëindigen van uw dienst zonder voorafgaandelijke toelating, volgens de hogere tuchtoverheid voldoende ernstige en zwaarwichtige feiten zijn om te kunnen vaststellen dat er een fundamentele vertrouwensbreuk is in de arbeidsrelatie; dat deze vertrouwensbreuk leidt tot een dermate ernstig verstoorde arbeidsrelatie dewelke bewezen is en niet hersteld kan worden; Dat het gegeven dat de tuchtfeiten 1.1., 3.1 en 3.
  20. door de hogere tuchtoverheid niet weerhouden worden, hieraan geen afbreuk doet; Overwegende dat dienstverlening (zowel in- als extern) een van de meest essentiële elementen is van een politiedienst. De bevoegdheid die aan de politie wordt toegekend is echter geen doel op zich, maar staat volledig ten dienste van de maatschappij, van de diverse overheden, van de burger én de eigen organisatie/collega’s. Medewerkers die zich daarin niet kunnen of willen schikken, door hun taken en bevoegdheden te plaatsen in een concept van eigenbelang, maken zich– in voorkomend geval - schuldig aan een ernstige beroepsfout, waaraan de hogere tuchtoverheid bijzonder zwaar tilt en bij het miskennen ervan oordeelt dat dit aanleiding geeft tot een bijzonder ernstige en niet te herstellen vertrouwensbreuk; Gelet dat uw gedrag in het zeer recente verleden reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een functioneringsnota dd. 19.01.2023 waarin bijkomende - specifiek op u van toepassing zijnde - afspraken dienden gemaakt te worden gezien u de beschikbare richtlijnen omtrent de arbeidstijden niet strikt zou toepassen; Gelet dat het niet locken van uw computer in het zeer recente verleden reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een tuchtmaatregel blaam dd. 12.10.2023; Overwegende dat dergelijk herhaald gedrag [het niet respecteren van de arbeidstijden het ondoelmatig gebruik van de informaticamiddelen (surfgedrag) en de adequate invulling van de als arbeidstijd doorgegeven werkuren en het niet ‘locken’ van uw PC], dat werd vastgesteld en toerekenbaar is, in geen enkel geval kan getolereerd worden in hoofde van een personeelslid van de politiediensten, waarvan rechtmatig kan verwacht worden dat het de wettelijke en deontologische voorschriften én interne richtlijnen respecteert/naleeft; Overwegende dat voornoemde feiten van aard zijn om het imago van de politie in de ogen van de eigen collega's van de lokale politiezone alsook van de overheden én de burgers ernstig te schaden; Overwegende dat voornoemde feiten van aard zijn om als CALog medewerker van de politiezone uw voorbeeldfunctie te hebben geschonden; inzonderheid bij de overige onthaalmedewerkers en de medewerkers van de beoogde diensten (gelet op de beoogde bijkomende ondersteuning); Overwegende het feit dat de korpschef reeds meermaals en op diverse fora (politiecollege en Zonale Veiligheidsraad) de precaire inzetbare personeelscapaciteit van de politiezone onder de aandacht heeft gebracht, wat XII-9820-6/27 maakt dat uw herhaald gedrag, dat werd vastgesteld en toerekenbaar is, bijzonder laakbaar is; Gelet op het feit dat u zelf spontaan te kennen heeft gegeven dat u: • ‘op 12.09.2023 een ‘ADMIN’ had en dat u dan niet veel werk heeft en dat u daar niet over ging liegen.’; Dat u nochtans manifest nagelaten heeft om de richtlijnen die anticiperen op dergelijke situaties na te komen maar ervoor geopteerd heeft om uw arbeidstijd op een eigengereide manier in te vullen met niet werk gerelateerde zaken; Overwegende uw staat van dienst sedert uw indiensttreding bij de PZ Voorkempen op 01.11.2016, m.n. dat uw blad der tuchtstraffen melding maakt van 1 tuchtsanctie die dateert van 12.10.2023, alsook uw functioneringsnota van 19.01.2023 die als verzwarende omstandigheid in overweging worden genomen; Overwegende dat de hogere tuchtoverheid de feiten 1.1 en 3.1 en 3.3 niet weerhoudt; Dat dit gegeven evenwel geen afbreuk doet aan de ernst van de wel weerhouden tuchtfeiten die tot een onherstelbare vertrouwensbreuk hebben geleid; Dat de door de Tuchtraad geadviseerde tuchtstraf van de schorsing gedurende drie maanden volgens haar een passende bestraffing is voor het enkel door haar weerhouden feit 4; Dat het deskundigenverslag van 16.09.2024 inzake de beoordeling van de strafmaat inzake het enkel door haar weerhouden feit 4 het volgende stelt: ‘De omgang van mevrouw D. met het ter beschikking gestelde informaticamateriaal waarop zich gevoelige informatie bevindt is zonder meer problematisch. Dit blijkt ook na een eerdere tuchtsanctie niet door te dringen. Het ‘locken’ van een PC als deze wordt achtergelaten en het opnieuw intikken van een paswoord duurt nu ook geen ‘eeuwigheid’ dus dat kan geen excuus vormen; voor het ‘locken’ volstaat de toetsencombinatie ‘windows-logo’ en ‘l’ gelijktijdig in te drukken, dat gaat sneller dan het palindroom ‘nepparterreserretrappen’ uitspreken, het paswoord is uiteraard persoonsgebonden.” en op zich reeds als alleenstaand feit een zware tuchtstraf van de schorsing gedurende drie maanden als een passende bestraffing wordt aangemerkt; Overwegende evenwel dat de hogere tuchtoverheid ook de feiten 1.2., 2 en 3.2 weerhoudt zodat een strengere bestraffing zich opdringt; Overwegende het gegeven dat de weerhouden feiten die u ten laste worden gelegd en als tuchtvergrijp omschreven worden, dusdanig ernstig zijn dat hierdoor elk vertrouwen onherstelbaar zoek is, waardoor elke samenwerking binnen welke dienst van de politiezone dan ook onmogelijk wordt; Overwegende de inhoud van uw verweerschriften (ref. 1.27, 1.29, 1.35 en 1.37) en de inhoud van uw hoorzitting dd. 02.04.2024 (ref. 1.34); Overwegende dat u heeft afgezien van uw recht op het indienen van een verweerschrift op het voorstel van tuchtstraf na advies van de Tuchtraad – Beslissing om af te wijken van het advies van de tuchtraad van 23.10.2024 (ref. 1.47); Overwegende dat de tucht een strenge en passende bestraffing van het foutief én herhaald gedrag oplegt; Overwegende dat de aard van de weerhouden tuchtvergrijpen niet toelaat om enkel een aanmaning of formele afkeuring in de zin van de Tuchtwet te overwegen, dat enkel een zware tuchtstraf, overeenstemmend met de ernst en de frequentie van de tekortkomingen, die werden vastgesteld en toerekenbaar zijn, een gepaste tuchtstraf kan uitmaken; dat de miskenning van deontologische normen en principes, zoals het naleven van de wetten en reglementen niet passend kan worden gestraft met een lichte tuchtsanctie; Overwegende het gegeven van de eerdere tuchtsanctie, waardoor de weerhouden tuchtvergrijpen, die werden vastgesteld en toerekenbaar zijn, van aard zijn om het XII-9820-7/27 vertrouwen van zowel de overheden, alsook van de korpsleiding in u als medewerker bijzonder ernstig aan te tasten én – elk op zich - reeds feiten betreffen die een schorsing bij tuchtmaatregel (of elk zelfs een zwaardere tuchtstraf) kunnen rechtvaardigen; Overwegende dat het de tuchtoverheid in casu niet meer opportuun lijkt u nogmaals een nieuwe kans te bieden gezien het vertrouwen herhaaldelijk, dermate ernstig én onherroepelijk geschaad is; doch dat het de tuchtoverheid gezien de grote impact (zowel op financieel vlak als op vlak van uw gezinsleven) niet opportuun lijkt voor de feiten de meest zware tuchtstraf van afzetting te weerhouden.” IV. Schorsingsvoorwaarden
  21. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. V. Ernst van de middelen Eerste middel Standpunt verzoekster
  22. Verzoekster voert een schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991) en subsidiair een schending van de materiële motiveringsplicht, evenals “het recht van verdediging als beginsel van behoorlijk bestuur en algemeen rechtsbeginsel”. In het verzoekschrift voert verzoekster aan dat de opgegeven motivering van de tuchtoverheid om tot een terugwerkende ingangsdatum van de tuchtstraf te besluiten niet voldoet aan een formeel afdoende motivering. Niettegenstaande artikel 65 van de Tuchtwet de mogelijkheid biedt de tuchtstraf XII-9820-8/27 uitwerking te laten hebben op een retroactieve datum, moet zulks formeel gemotiveerd zijn. De opgegeven redenen zijn echter niet draagkrachtig omdat het niet ipso facto zo is dat wanneer een voorlopige schorsing werd opgelegd, er noodzakelijkerwijze een retroactieve ingangsdatum is. Subsidiair stelt verzoekster dat wanneer geoordeeld zou worden dat wel voldaan is aan de formele motiveringsverplichting, minstens de materiële motiveringsplicht is geschonden: de inhoud van het dossier en de “hierboven geschetste elementen” zijn geenszins dienende en dragende motieven, en evenmin is duidelijk waarom een retroactieve werking van “goed bestuur” zou getuigen. Tot slot wijst verzoekster erop dat het gegeven van de retroactieve ingangsdatum van de tuchtstraf nooit het voorwerp is geweest van een debat, zodat haar recht van verdediging manifest is geschonden. Beoordeling
  23. Artikel 65 van de Tuchtwet luidt : “Indien, in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf waarschuwing of blaam wordt opgelegd, dan gaat de tuchtstraf in op de dag dat ze uitgesproken wordt; in dat geval evenals wanneer geen enkele tuchtstraf wordt uitgesproken, wordt de voorlopige schorsing als ingetrokken beschouwd en de eventueel ingehouden wedde wordt door de overheid aan de betrokkene terugbetaald. Indien in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf inhouding van wedde, schorsing bij tuchtmaatregel, terugzetting in weddeschaal, (...) ontslag van ambtswege of afzetting opgelegd wordt, dan heeft de tuchtstraf uitwerking ten vroegste met ingang van de dag waarop de voorlopige schorsing is ingegaan; het bedrag van de tijdens de voorlopige schorsing eventueel ingehouden wedde wordt in mindering gebracht op het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf; indien het bedrag van de ingehouden wedde groter is dan het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf, wordt het verschil door de overheid aan de betrokkene terugbetaald.” Voormeld artikel 65 van de Tuchtwet heeft tot doel aan te geven “hoe de voorlopige schorsing na afloop van de tucht- of strafprocedure moet worden verrekend” (Parl.St. Kamer 1998-99, nr. 1965/1, 21). De voorlopige schorsing is immers een tijdelijke, bewarende ordemaatregel, die noodzakelijk moet resulteren, hetzij in een tuchtstraf, hetzij in een beslissing waarbij de XII-9820-9/27 voorlopige schorsing wordt beëindigd. Indien de voorlopige schorsing “aansluitend” wordt gevolgd door een zware tuchtstraf, geeft deze tuchtstraf een definitieve rechtsgrond aan de voorlopige schorsing. Wordt een lichte tuchtstraf, geen tuchtstraf of niet aansluitend een tuchtstraf opgelegd, dan wordt de voorlopige schorsing ongedaan gemaakt.
  24. De bestreden beslissing beslist tot het opleggen van de “zware tuchtstraf ontslag van ambtswege met ingang van 29.06.2024 (datum ingang voorlopige schorsing)”. Artikel 65 van de Tuchtwet maakt de retroactiviteit mogelijk tot op de dag dat de voorlopige schorsing is ingegaan, in casu 29 juni
  25. Op die datum werd verzoekster preventief uit de dienst verwijderd wegens de feiten waarvoor zij nu ontslagen wordt zodat de terugwerking het logisch uitvloeisel vormt van die voorlopige schorsing. Dergelijke terugwerking kan door iedereen begrepen worden zodat er geen bijzondere motivering aan diende gegeven te worden. Door te verwijzen naar de “voorlopige schorsing” en de “inhoud van het dossier en de hierboven geschetste elementen” is de terugwerkende kracht afdoende gemotiveerd. Er ligt op het eerste gezicht geen schending voor van de materiëlemotiveringsplicht of de formele motiveringsplicht.
  26. Evenmin is er prima facie sprake van een schending van de rechten van verdediging. Gelet op de formulering van artikel 65 van de Tuchtwet wist of had verzoekster moeten weten dat een retroactieve werking kon worden opgelegd.
  27. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat de bestreden beslissing op geen enkele wijze uitspraak doet over enige terugvordering van ontvangen loon. Overeenkomstig de parlementaire voorbereiding bij de Tuchtwet (Parl. St. Kamer 98/99, nr. 1965/1, 21) wordt de door het personeelslid ontvangen wedde tijdens de voorlopige schorsing niet teruggevorderd. Verzoekster toont niet aan dat de verwerende partij dat wel beoogt. Integendeel, de verwerende partij legt de notulen van het politiecollege voor van 24 februari 2024 waarin expliciet XII-9820-10/27 vermeld staat dat “ze geen terugvordering voorziet van de door [verzoekster] ontvangen wedde tijdens de periode van de voorlopige schorsing.”
  28. Het eerste middel is niet ernstig. Tweede middel Standpunt verzoekster
  29. Verzoekster voert een schending aan “van het algemeen (rechts)beginsel van de beslotenheid der vergadering in persoonsgebonden aangelegenheden”. Zij wijst erop dat uit de notulen van de vergadering van het politiecollege blijkt dat de korpschef steeds aanwezig was bij de beraadslaging en de collegiale oordeelsvorming (notulen van 28 februari 2024, 14 maart 2024, 25 maart 2024, 28 maart 2024 en 10 april 2024). Er wordt een voorbehoud gemaakt wat de notulen van de vergadering betreft waarbij de intentie wordt geuit om af te wijken van het advies van de Tuchtraad en wat betreft de uiteindelijke eindbeslissing. Het staat vast dat de korpschef telkens aanwezig was en zich niet verwijderd heeft. Dat hij zich heeft onthouden in de verdere bespreking – zoals wordt vermeld – sluit geenszins uit dat er minstens impliciet enige beïnvloeding kan zijn geweest. Verzoekster voegt eraan toe dat initieel de korpschef haar zou horen, maar zij hem heeft gewraakt waardoor minstens een schijn van partijdigheid is ontstaan. Dit kan niet worden ondervangen met een verwijzing naar artikel 29 van de wet op de Geïntegreerde Politie (hierna : WGP). Beoordeling
  30. Artikel 29, derde lid van de WGP luidt als volgt: XII-9820-11/27 “De Korpschef van de lokale politie is belast met de voorbereiding van de zaken die aan de politieraad of aan het politiecollege worden voorgelegd en woont de vergaderingen van de raad en het college bij.” Terecht stelt de verwerende partij dat de Tuchtwet artikel 29 WPG niet uitdrukkelijk heeft aangepast voor vergaderingen van het politiecollege in tuchtaangelegenheden. De korpschef woont de vergaderingen van het politiecollege in tuchtzaken bij. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat op het eerste gezicht uit geen enkel element van het dossier blijkt dat de korpschef een dermate grote invloed op het politiecollege zou hebben gehad, dat dat politiecollege niet in alle onafhankelijkheid tot een eigen oordeel is gekomen. Het tweede middel is niet ernstig. Derde middel Standpunt verzoekster
  31. In een derde middel voert verzoekster een schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, het recht van verdediging en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster ent dit middel op de feitelijkheid omtrent het door haar gevraagde doch geweigerde getuigenverhoor. Zij stelt : “1) Art. 38 quinquies tuchtwet politie (Wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten) stelt dat de hogere tuchtoverheid op eigen initiatief of op verzoek van het betrokken personeelslid of van zijn verdediger, de nuttige getuigenverklaringen hoort die ze nodig acht, gelet op hun band met het dossier. 2) Verzoeker heeft om het getuigenverhoor gevraagd, dit o.a. omtrent de feitelijke elementen ten grondslag liggende aan het verweten feit 1.2, zijnde het zogenaamd op 12-09-23 vroegtijdig verlaten hebben van de dienst zonder voorafgaande toestemming van het diensthoofd. Meer bepaald vroeg verzoeker het getuigenverhoor van de collega [L.V.T.] van de dienst planning ter objectivering dat zij deze dame heeft gesproken omtrent haar XII-9820-12/27 diensturen versus de problematiek overuren wat de aanleiding was om de dienst vroeger te beëindigen. De tuchtoverheid heeft dit geweigerd om reden dat zij het irrelevant meent te zijn […] gelet het volgens haar niet aan verzoeker is om de diensturen aan te passen en het al dan niet spreken van de gevraagde getuige zou daar niets aan veranderen. Nochtans staat bij dit element het gegeven centraal dat verzoeker uit de contactname met deze dame leerde dat indien zij die dag niet eerder zou stoppen zij gelet op de ingeplande diensten tijdens de lopende referentieperiode in overuren zou geraken alwaar dit niet kan gelet op haar tewerkstelling in een 4/5 regime - een gegeven dat de tuchtoverheid niet betwist, met name dat geen overuren wenselijk dan wel mogelijk zijn in dergelijk geval. Desalniettemin betwist de tuchtoverheid het gegeven dat verzoeker op 12-09-23 ‘in een toestand ging verkeren waarin overuren gemaakt zouden kunnen worden’’[…]. Dat is niet totaal niet juist en dit [is]een belangrijk feitelijk element om uit te klaren, het gevraagde getuigenverhoor had hierin absoluut nuttige informatie kunnen aanbrengen omtrent de toestand zoals die was op 12-09-23 zelf en niet zoals het uiteindelijk geworden is. Door aldus dit getuigenverhoor te weigeren en af te doen als zijnde niet relevant is alwaar dit voor verzoeker nuttige elementen had kunnen bijbrengen die door een zorgvuldige overheid dienen te worden betrokken bij haar onderzoek en oordeelsvorming is verzoeker geschonden in haar recht van verdediging. Zij is is immers verhinderd om objectieve elementen aan te brengen omtrent het gegeven dat zij op 12-09-23 wel degelijk in een toestand verkeerde waarin overuren gingen gemaakt worden (in het licht van het geheel der ingeplande diensten). Tevens is de tuchtoverheid onzorgvuldig geweest door dit niet nader te onderzoeken middels het gevraagde getuigenverhoor, wat een schending is van het zorgvuldigheidsbeginsel. […] De motivering dat het gevraagde getuigenverhoor irrelevant zou zijn is niet deugdelijk gelet het het standpunt van de hogere tuchtoverheid dat verzoeker op 12-09-23 niet in een toestand ging verkeren waarin overuren gemaakt zouden kunnen worden kon weerleggen, minstens relativeren en zodoende wel degelijk relevant was. Aldus is eveneens de materiële motiveringsplicht geschonden.” Beoordeling
  32. Gelet op de samenhang met het vierde middel, wordt dit besproken bij de beoordeling van het vierde middel (zie meer in het bijzonder randnummer 19). XII-9820-13/27 Vierde middel Standpunt verzoekster
  33. Verzoekster voert in een vierde middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht en van artikel 3 van de Tuchtwet. Verzoekster stelt dat het verweten tuchtfeit 1.2 (het zogenaamd vroegtijdig beëindigen van de dienst op 12 september 2023) niet deugdelijk is vastgesteld en haar niet kan worden verweten als tuchtfeit. Zij argumenteert dat zij nooit betwist heeft dat het dienstorder dienstplanning voorziet dat om de dienst vroeger te mogen verlaten, zij voorafgaand toestemming dient te vragen aan het diensthoofd. Wel stelt zij dat dit enkel opgaat voor een reguliere situatie maar niet voor de situatie waarin zij verkeert, nl. in die periode werkte zij niet voltijds doch slechts 4/5, een stelsel waarin geen overuren mogen worden gepresteerd. De kwestieuze dag kwam zij na contactname met de dienst planning tot de vaststelling dat indien zij haar werkdag zou beëindigen op het normale uur, zij overuren zou genereren, wat echter niet is toegestaan. Met verwijzing naar het advies van de Tuchtraad wijst verzoekster erop dat het dienstorder inzake de dienstplanning niet enkel tot de leidinggevenden is gericht maar tot alle werknemers. Aldus is niet deugdelijk bewezen dat zij vroegtijdig de dienst heeft beëindigd in een toestand waarin de voorziene glijtijden niet gerespecteerd zijn. Er zijn immers geen concrete orders wanneer er een samenloop is van het gegeven dat ingeplande diensten noodzakelijkerwijs tot overuren zouden leiden alwaar alle medewerkers stipt moeten toekijken op het tot nul herleiden van overuren, alwaar het in casu een dienst was met glijdende uren. Tot slot stelt verzoekster dat er ook een schending voorligt van artikel 3 van de Tuchtwet aangezien geen sprake is van een tuchtfeit. Het verwijt tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld te hebben, impliceert dat er sprake moet zijn van een toerekenbare fout, van toerekenbaar schuldig gedrag. In acht genomen de XII-9820-14/27 problematiek van verbod op overuren, de contactname met de dienst planning en het gegeven dat er geen concrete instructies bestaan aangaande een samenloop van een verbod op overuren versus een dienstplanning welke het maken van overuren inhibeert, meent zij dat het vroeger verlaten van de dienst, zonder voorafgaand toestemming te hebben gevraagd van het diensthoofd, haar niet verwijtbaar is en niet kan worden toegerekend als schuldig gedrag. Beoordeling
  34. Artikel 3 van de Tuchtwet luidt: “Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.” De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid beoordeelt aldus discretionair of zij feiten en onachtzaamheden gepleegd door politieambtenaren als tuchtrechtelijk strafbare vergrijpen aanmerkt. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van, te dezen, de kwalificatie van de aan verzoekster ten laste gelegde feiten als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de Tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om XII-9820-15/27 zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
  35. Tuchtfeit 1.2 wordt bij de “initieel verweten tuchtfeiten” in de bestreden beslissing als volgt omschreven: “Een (tijdelijke) afwezigheid op uw werkplek zonder dat u dienaangaande uw verantwoordelijke in kennis heeft gesteld, m.n.: - […] - op 12.09.2023 heeft u uw werkdag vroegtijdig beëindigd zonder voorafgaandelijke toestemming van het diensthoofd, m.n. om T14: 48 waardoor u zonder voorafgaandelijke toestemming de voorziene glijtijden niet gerespecteerd heeft nadat u in het verleden reeds aangesproken werd omtrent het respecteren van de geplande diensttijden middels de functioneringsnota van 19.01.2023.” Op pagina’s 26-27 van het bestreden besluit wordt het volgende uiteengezet als antwoord op het verweerschrift en aanvullend verweerschrift en het deskundigenverslag van de Algemene Inspectie: “Het deskundigenverslag stelt correct dat u in een 4/5e systeem werkt dat een aantal specifieke beperkingen met zich meebrengt zoals een verbod op het presteren van overuren. De tuchtoverheid zou evenwel niet aanbrengen welke de afspraken hierover zijn en wat de mogelijke afwijkingen zijn, hoe u zou moeten reageren indien de overheid zelf deze overuren systematisch inplant, enz. om zich vervolgens te verliezen in een aantal irrelevante beschouwingen. Het deskundigenverslag lijkt hierbij te insinueren dat de dienstplanning van de politiezone eigenlijk onwettig is en het aan u toekomt om de – blijkbaar onwettige – dienstorders eenzijdig te wijzigen. Dergelijke visie kan uiteraard niet gevolgd worden. Medewerkers worden ingepland met het maximumaantal diensten dat mogelijk is voor de betreffende prestatienorm, aangevuld met een losse dienst of Admin-dienst die hen de kans geeft hun eventuele overuren te compenseren. Deze planning geschiedt in samenspraak met de diensthoofden. Op deze manier zorgt de politiezone ervoor dat zij geen min-uren oplegt en de personeelsleden de mogelijkheid krijgen om eventuele overuren te compenseren door rust te vragen (of opgelegd te krijgen) tijdens deze losse dienst. Afhankelijk van de dienst, is men gebonden aan vaste of glijdende werktijden. Als men wenst af te wijken van de intern bepaalde regelgeving hieromtrent zoals voorzien in het dienstorder, dient men goedkeuring aan het diensthoofd te vragen (zoals eveneens voorzien in het intern dienstorder dienstplanning). XII-9820-16/27 Deze regels zorgen ervoor dat de personeelsleden die in een 4/5e systeem werken, op het einde van de tweemaandelijkse referentieperiode geen overuren hebben (in dit geval op 31.10.2023). Volledigheidshalve: U heeft de referentieperiode juli-augustus 2023 op 31 augustus afgesloten met 7:54u aan min-uren. De referentieperiode september-oktober waarbinnen 12.09.2023 valt, werd afgesloten met 52:31u aan min-uren […]. U betwist niet dat u kennis heeft van de vigerende richtlijnen met betrekking tot de organisatie van de arbeidstijd in het algemeen en het feit dat, om uw dienst vroeger te beëindigen, de toestemming vereist was van uw diensthoofd. U was op 12.09.2023 met dienst belast tussen 08:00 en 16:30 uur maar heeft de dienst op eigen initiatief en zonder voorafgaandelijke toelating van uw diensthoofd verlaten om 14:48 uur en derhalve voor de aanvang van de glijtijd om 15:30 uur. Op deze datum was de lopende referentieperiode september-oktober amper 12 dagen oud. Het feit dat u contact zou hebben opgenomen met de dienst planning en zo vernomen zou hebben dat u door uw dienst te beëindigen om 14:48 uur zou vermeden hebben om – gelet op de nog ingeplande diensten - overuren te presteren, kan dit allerminst rechtvaardigen. Het komt uiteraard niet aan u toe om uw diensturen naar eigen inzicht te regelen of aan te passen. Het feit dat het uitvoeren van de uw nu bevolen dienst in de toekomst mogelijk zou leiden tot het presteren van overuren – quod non in casu - valt onder de verantwoordelijkheid van de leidinggevenden van de politiezone en niet tot de uwe. In het geval zou blijken dat u tegen het einde van de lopende referentieperiode op basis van de voorziene planning mogelijk overuren zou moeten presteren, zou de planning uiteraard aangepast worden (supra ). Dit in overleg tussen hetzij uzelf en uw diensthoofd, dan wel door het eenzijdig opleggen van rust door uw diensthoofd zodat in elk geval geen overuren gepresteerd moeten worden. Ook hieruit blijkt nogmaals dat u elk normbesef ter zake ontbeert en geen lering heeft getrokken uit de eerdere opmerkingen die u gemaakt werden met betrekking tot het respecteren van de diensturen en de functioneringsnota van 19.01.2023 […].” Daarmee is op het eerste gezicht voldaan aan de materiëlemotiveringsplicht. Er blijkt prima facie niet dat uitgegaan is van verkeerde feitelijke gegevens: er is rekening gehouden met de 4/5 tewerkstelling en er is toepassing gemaakt van de regels voor de personeelsleden in een dergelijk systeem. De motivering is evenmin incorrect en de verwerende partij kon binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit komen. Verzoekster overtuigt op het eerste gezicht niet waar ze stelt dat het dienstorder inzake de dienstplanning haar zou toelaten om zelf te bepalen wanneer ze vertrekt zonder voorafgaande toelating. Dit dienstorder stelt weliswaar dat alle medewerkers van de politiezonde stipt moeten toekijken op het “tot nul herleiden van de overuren”, maar stelt nergens dat geen toestemming is vereist om vroeger de diensttijd te beëindigen. Integendeel het XII-9820-17/27 dienstorder vermeldt bij de glijdende werktijden dat “[e]en werkdag aanvatten ná 09u00 of beëindigen vóór 15 u30 kan na voorafgaandelijke toestemming van het diensthoofd.” Op 12 september 2023 was nog ruim de tijd om in overleg de dienstplanning aan te passen zodat er op het einde van de tweemaandelijkse referentieperiode, i.e. eind oktober 2023, geen overuren zouden zijn.
  36. In de mate dat verzoekster meent dat er in haar hoofde sprake moet zijn van “schuldig gedrag” of van onwil opdat het haar verweten gedrag een tuchtvergrijp zou zijn, blijkt uit de enkele lezing van artikel 3 van de Tuchtwet dat elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, een tuchtvergrijp kan uitmaken. Het loutere feit van tekort te komen aan de beroepsplichten door een handeling of gedraging die van die aard is dat ze de waardigheid van het ambt in het gedrang kan brengen, lijkt bijgevolg in rechte voldoende te zijn opdat tuchtrechtelijk kan worden ingegrepen, zonder dat de hogere tuchtoverheid bij haar kwalificatie van verzoeksters gedraging als tuchtvergrijp moet aantonen of bewijzen dat verzoekster een schuldig gedrag of onwil vertoonde. In de mate dat verzoekster lijkt uit te gaan van een andere rechtsopvatting, faalt die naar recht. Dat volstaat om in deze stand van het geding deze grief in die mate niet ernstig te bevinden. Voorts overtuigt het argument dat haar gedrag haar niet verwijtbaar zou zijn, omdat zij zich van geen kwaad bewust zou zijn, prima facie niet.
  37. Wat het derde middel betreft, wordt opgemerkt dat in de bestreden beslissing op pagina 34 is uiteengezet waarom het gevraagde getuigenverhoor niet dienstig en irrelevant was. Het komt zoals hierboven aangegeven niet aan verzoekster of een collega van de dienst planning, L.V.T., toe om de diensturen eigenhandig aan te passen. Dit kan enkel mits instemming van het betrokken diensthoofd. Het wordt niet betwist dat er in casu geen dergelijke toestemming voorlag. De in het derde middel aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht en beginselen is op het eerste gezicht niet aangetoond. XII-9820-18/27
  38. Het derde en het vierde middel zijn niet ernstig. Vijfde middel Standpunt partijen
  39. Verzoekster voert in een vijfde middel de schending aan van het beginsel patere legem quam ipse fecisti, van de formele motiveringsplicht, minstens van de materiële motiveringsplicht en van artikel 3 van de Tuchtwet. Verzoekster stelt dat de verweten tuchtfeiten 2 en 3.2 niet deugdelijk zijn vastgesteld en haar niet kunnen worden verweten als tuchtfeiten. Zij verwijst tevens naar het advies van de Tuchtraad die evenzeer oordeelde dat voormelde feiten haar niet kunnen worden verweten. Verzoekster verwijst voorts naar het dienstorder e-policy waaruit overduidelijk blijkt dat bij een vermoeden van misbruik eerst bij de betrokkene moet worden nagegaan wat er al dan niet aan de hand is alvorens formele procedures op te starten. Verdere maatregelen, zoals een tuchtvordering, zijn slechts aan de orde na er eerst te zijn op gewezen in geval van herhaling en na te zijn gehoord. In casu werden de bekomen materiële gegevens direct gebezigd in het kader van een tuchtvordering hetgeen strijdig is met het ingeroepen patere legem quam ipse fecisti beginsel. Hierbij doet het er niet toe hoe het beweerd onregelmatig surfgedrag werd vastgesteld. De tuchtoverheid is tenslotte tegenstrijdig in haar oordeelsvorming aangezien zij om de ingeroepen redenen het oorspronkelijk verweten tuchtfeit 3.3 niet heeft aangehouden. Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden volgehouden dat verzoekster die dag het haar opgedragen takenpakket niet zou hebben uitgevoerd. Zij was die dag belast met een dienst “Admin” wat in wezen een vorm van back up is. Maar er diende niet te worden bijgesprongen. De tuchtoverheid kan evenmin verwijzen naar wat is gesteld op het teamoverleg van 1 oktober 2020 waar zou zijn afgesproken taken te vervullen van scannen LIK, bijstand onthaal dan wel bijstand andere diensten voor administratieve taken. Die taken zijn niet nader bepaald en er XII-9820-19/27 is noch kennis noch opleiding voor. Ze zijn evenmin voorzien in de functiebeschrijving. Kortom, tijdens de bewuste dag waren er tijdens de dienst “Admin” geen andere taken dan die voorzien in de functiebeschrijving, en er werden er haar ook geen andere toebedeeld. Verzoekster besluit dat zij als feitelijke back up beschikbaar was, maar dit niet nodig bleek. Haar verwijten dat zij hypothetische werkzaamheden niet zou hebben uitgevoerd zonder in concreto aan te geven welke, kan haar niet verweten worden. Beoordeling
  40. Verzoekster heeft volgens de verwerende partij geen belang bij het middel. Hierover dient in de huidige stand van het geding geen standpunt ingenomen te worden gelet op wat volgt.
  41. Het vijfde middel heeft betrekking op het aan verzoekster verweten tuchtfeit 2 en 3.
  42. Verzoekster stelt dat deze tuchtfeiten haar inziens “niet deugdelijk zijn vastgesteld en weerhouden, er een schending voorligt van het beginsel patere legem quam ipse fecisti en haar niet kunnen worden verweten als tuchtfeit”.
  43. Tuchtfeit 2 wordt bij de “initieel verweten tuchtfeiten” als volgt omschreven in de bestreden beslissing: “Op 12 september 2023 tijdens uw dienst ‘Admin’ het niet uitvoeren van het aan u opgedragen takenpakket zoals overlegd tijdens het teamoverleg van 1 oktober 2020 […] waarop u aanwezig was en waar er afgesproken werd dat tijdens de diensten ‘Admin’ het belangrijk is om deze een zinvolle invulling te geven. Dit kan bestaan uit: • Scannen LIK; • Bijstand onthaal (beheer algemene mailbox, aan- en/of afmelden, etc..) en • Bijstand andere diensten voor administratieve taken (bv verkeer)”. XII-9820-20/27 Verzoekster wordt verweten geen “zinvolle” invulling te hebben gegeven aan haar aanwezigheid op de werkvloer tijdens haar dienst “Admin”, wat er op neerkomt dat zij de tijdens het teamoverleg van 1 oktober 2020 afgesproken en mogelijks uit te voeren taken, niet heeft uitgevoerd. Uit een mail van 27 maart 2020 gericht aan de onthaalmedewerksters, waaronder verzoekster, wordt aangegeven dat “bij aanvang van een dienst ‘Admin’, jullie zich aanbieden bij de dienst LIK”. Ook uit ander e-mails blijkt duidelijk dat onthaalmedewerkers zich tijdens de dienst “Admin” spontaan moeten aanbieden bij het LIK om daar bijstand te verlenen. Het is logisch dat het LIK dan verder zal aangeven welke zinvolle activiteit (scannen, andere administratieve taken…) uitgevoerd kan worden. In tegenstelling tot wat verzoekster aangeeft blijkt uit het teamoverleg van 1 oktober 2020 en diverse mails aan haar gericht dat de loutere aanwezigheid op de werkvloer niet volstaat voor een dienst “Admin”. Er wordt niet betwist dat verzoekster zich noch bij de aanvang van noch tijdens de dienst “Admin” bij het LIK heeft aangemeld. De bestreden beslissing verantwoordt op het eerste gezicht eveneens op afdoende wijze waarom afgeweken wordt van het advies van de Tuchtraad dat stelt dat niet aangegeven wordt welke in concreto noodzakelijke taak of bijstand niet is uitgevoerd. Verzoekster wist, minstens diende te weten, dat ze zich moest aanbieden bij het LIK dan wel het diensthoofd om dan een zinvolle taak toegewezen te krijgen.
  44. Tuchtfeit 3.2 wordt bij de “initieel verweten tuchtfeiten” als volgt weergegeven in de bestreden beslissing: “Het niet werkgerelateerd invullen van de door u aangegeven/aangerekende diensturen als dienstprestatie en het m.a.w. niet correct aangeven van de door u daadwerkelijk uitgevoerde activiteiten als dienstprestatie, in het bijzonder: - […] - op 12.09.2023 voor een duurtijd van 2u 30 min. d.m.v. het consulteren van 168 niet werk-gerelateerde internetpagina’s (waarbij wanneer er op eenzelfde pagina wordt gescrold, dit eenzelfde registratie blijft); […].” XII-9820-21/27 Verzoekster voert aan dat de tuchtoverheid haar eigen regels niet heeft gerespecteerd (patere legem quam ipse fecisti), meer bepaald haar eigen dienstorder HC/KC-IN 000177/15 van 4 maart 2020 betreffende ‘Strategie & Beleid – E-Policy’. Het bestreden besluit geeft duidelijk aan dat “bij de beoordeling van het tweede onderdeel van feit 3 (feit 3.2.) de gegevens die verkregen werden middels het geïndividualiseerd nazicht van uw surfgedrag op basis van de ‘E-policy buiten beschouwing [worden gelaten]. Het u verweten feit 3.
  45. blijkt evenwel genoegzaam uit de camerabeelden”. Tuchtfeit 3.2 heeft geen betrekking op misbruik van informatiedragers, maar op het niet werkgerelateerd invullen van de aangegeven/aangerekende diensturen als dienstprestatie zoals vastgesteld door de camerabeelden. Dientengevolge is het dienstorder HC/KC-IN 000177/15 van 4 maart 2020 betreffende ‘Strategie & Beleid – E-Policy’ niet van toepassing en niet relevant voor de beoordeling van tuchtfeit 3.
  46. Het beginsel patere legem quam ipse fecisti is op het eerste gezicht niet geschonden door tuchtfeit 3.2 aan te houden. Dat tuchtfeit 3.3 niet werd aangehouden door de hogere tuchtoverheid is geen tegenstrijdigheid. Dit valt op het eerste gezicht te verklaren doordat tuchtfeit 3.3, in tegenstelling tot tuchtfeit 3.2, niet met camerabeelden is vastgelegd, maar enkel door het dienstorder E-policy te schenden. Voorts wordt in de bestreden beslissing op pagina’s 37-39 uitvoerig aangegeven waarom tuchtfeit 3.2 kan worden aangehouden. Verzoekster toont op het eerste gezicht niet aan dat de feitelijke vaststellingen van de camerabeelden zoals weergegeven op pagina’s 40 en 41 van het bestreden besluit niet kloppen. Aangezien de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, die zij correct heeft beoordeeld en zij binnen de perken XII-9820-22/27 van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen, ligt geen schending voor van artikel 3 van de Tuchtwet. De gegeven motivering is op het eerste gezicht ook afdoende om te voldoen aan de materiële en formele motiveringsplicht.
  47. Het middel is niet ernstig. Zesde middel Standpunt verzoekster
  48. In het zesde middel voert verzoekster een schending aan van de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en artikel 3 van de Tuchtwet. Verzoekster stelt dat het verweten tuchtfeit 4 (onbeheerd achterlaten van haar PC zonder deze te “locken”) niet deugdelijk is gemotiveerd. Het betrof slechts een tijdspanne van amper 7 minuten. Zij wijst erop dat het verhoorlokaal gelegen is op een plaats waar veel personeelsleden passeren en er camerabewaking is. Tevens was het scherm derwijze gepositioneerd dat voorbijgangers de inhoud van de PC, waarop geen gevoelige informatie openstond, niet kon worden bekeken. Verzoekster is zich ervan bewust dat een PC waarop is ingelogd, niet al te lang onbeheerd mag worden achtergelaten. Maar ter zake bestaan er geen concrete richtlijnen vanaf wanneer een computer moet worden “gelockt”. De tuchtoverheid heeft ter zake een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, maar de door haar aangedragen motieven zijn verregaand onredelijk: - Het motief dat het lokaal waar de PC zich bevindt toegankelijk is voor het publiek en de collega’s, is zwaar overtrokken. Bezoekers zwerven niet zomaar rond. Iemand die zich toegang wil verschaffen tot het lokaal, zou worden opgemerkt, en XII-9820-23/27 het scherm was dermate geplaatst dat voorbijgangers de inhoud van de PC, waarop geen gevoelige informatie openstond, niet konden bekijken; - Van het motief dat men op een veilige en verantwoorde wijze met een ingelogd account/PC dient om te gaan om misbruik te voorkomen, is verzoekster zich bewust. Zij meent zulks ook te hebben gedaan, temeer omdat er geen concrete regels bestaan zodat het in- en uitloggen de facto aan het oordeel van de individuele medewerker wordt overgelaten. Verzoekster concludeert dat het verregaand onredelijk is om toch zonder meer te stellen dat haar handelen ter zake tuchtrechtelijk laakbaar is. Beoordeling
  49. Verzoekster betwist niet dat zij gedurende 7 minuten haar PC onbeheerd heeft achtergelaten in een publiek toegankelijke ruimte. Het feit dat verzoekster slechts gedurende enkele minuten het lokaal zou verlaten hebben, dat men toch een zeker vertrouwen moet hebben in collega’s of dat bij een eventueel onrechtmatige manipulatie de dader snel kan worden geïdentificeerd doet op het eerste gezicht geen afbreuk aan het bewezen zijn van het voormelde feit. Verzoekster dient immers te weten dat zij te allen tijde haar computer dient af te schermen voor wie dan ook. Daartoe zijn geen verdere richtlijnen nodig.
  50. Het zesde middel is niet ernstig. Zevende middel Standpunt verzoekster
  51. Verzoekster voert in een zevende middel de schending aan van het evenredigheids-, redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel en van de materiëlemotiveringsplicht. XII-9820-24/27 Na een aantal theoretische bespiegelingen stelt verzoekster het volgende: “2) In casu meent verzoeker dat er een merkelijke wanverhouding bestaat tussen de feiten en de opgelegde tuchtstraf (ontslag van ambtswege) en verantwoord dit als volgt : a) In het geval uw Raad zou menen dat elk van de tenlastegelegde feiten overeind zou blijven dan nog betreft het punctuele gebeurtenissen in een beperkt kader zonder dat ook maar iets blijkt dat de werking van de overheid op welke wijze dan ook is gehinderd, of is tekortgeschoten in de uitvoering van taken. Tevens dat ook de overheid zelf had kunnen ingrijpen indien zij had gewild. Zo had de overheid ook zelf - bijvoorbeeld - kunnen vaststellen dat er op zekere momenten weinig te doen was en concrete initiatieven kunnen nemen om concrete taken toe te bedelen zodat ook verzoeker zou geweten hebben wat en hoe. Zo had de overheid ook zelf een regelgevend kader met minstens richtinggevende richtlijnen kunnen scheppen omtrent het onbeheerd achterlaten van een (ingelogde) computer. Etc. Het gewicht dat de overheid aan de door haar vastgestelde inbreuken hecht is overtrokken en onredelijk zwaar. b) Dit speelt nog meer ingeval uw Raad zou menen dat één of meerdere van de door de tuchtoverheid verweten feiten niet kunnen worden weerhouden op grond van één of meer van de vorenstaande ontwikkelde middelen. Verzoeker meent dat zij onredelijk zwaar gestraft is.” Beoordeling
  52. Een schending van het redelijkheidsbeginsel – of van het evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is – als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat het de hem toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel en van het evenredigheidsbeginsel kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te XII-9820-25/27 gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent.
  53. Uit de bespreking van de voorgaande middelen blijkt dat verzoekster op het eerste gezicht niet aantoont dat de feiten in punt 8 van de bestreden beslissing onwettelijk zijn vastgesteld. Evenmin worden de vaststelling in de bestreden beslissing betwist dat verzoekster reeds eerder een functioneringsnota van 19 januari 2023 heeft gekregen omdat zij de arbeidstijden niet strikt zou toepassen en het voorwerp heeft uitgemaakt van een tuchtmaatregel blaam op 12 oktober 2023 wegens het niet “locken” van haar computer. Gelet op al het voorgaande kon de verwerende partij op het eerste gezicht in redelijkheid tot de bestreden beslissing komen. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. Het bestreden besluit motiveert ook waarom een strengere bestraffing zich opdringt dan diegene die door de Tuchtraad is voorgesteld. De aangevoerde beginselen zijn op het eerste gezicht niet geschonden. XII-9820-26/27 Het zevende middel is niet ernstig. VI. Conclusie
  54. Aldus is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  55. De Raad van State verwerpt de vordering.
  56. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Frédéric Vanneste, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Frédéric Vanneste XII-9820-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.562 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.