id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.585 Rolnummer: A. 239783/XIV-39248 Zaak: Arrest 262585 - Varia (economische zaken) - 12/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-14 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-16 05:54 Fiche Arrest nr 262.585 van 12 maart 2025 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.585 no lien 282136 identiques ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2015 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 262.585 van 12 maart 2025 in de zaak A. 239.783/XIV-39.248 In zake : de VZW V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte Knockaert kantoor houdend te 9051 Sint-Denijs-Westrem Drie Koningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ivan Ficher kantoor houdend te 1030 Brussel Reyerslaan 110 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 augustus 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de minister van Werk waarbij de kandidatuur van de verzoekende partij met het oog op vertegenwoordiging in het Paritair Comité voor de zeevisserij (nr. 143) wordt verworpen en de vijf effectieve en plaatsvervangende mandaten langs werkgeverszijde worden toegekend aan een derde. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-39.248-1/23 Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025 om 14.00 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ivan Ficher, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Het Paritair Comité voor de zeevisserij (hierna: Paritair Comité 143) werd opgericht bij koninklijk besluit van 29 december 1970 ‘houdende oprichting van een Paritair Comité voor de zeevisserij en tot vaststelling van het aantal leden’ en bestaat uit tien gewone en tien plaatsvervangende leden. Luidens artikel 1 van het voormelde besluit is het bevoegd “voor de werknemers die hoofdzakelijk handenarbeid verrichten en hun werkgevers, en met name voor de reders en het varend personeel ter zeevisserij en/of ter visserij op de Westerschelde; het walpersoneel der rederijen, met uitzondering van het personeel der metaalwerkhuizen van deze rederijen; werkgevers en werknemers betrokken bij het lossen en sorteren van de vangsten; alle vishandelaars-kopers in de vismijnen van de kust en hun personeel tewerkgesteld in hun pakhuizen, gevestigd in of in de nabijheid van deze vismijnen.” XIV-39.248-2/23 3.2. De verzoekende partij heeft luidens artikel 3 van haar statuten als belangeloze doelstelling: de vertegenwoordiging, vereniging, bestudering, bescherming en bevordering van de professionele, economische, sociale en morele belangen van de zelfstandigen en K.M.O.’s die tot de beroepsorganisatie behoren. Zij is op 11 maart 2022 erkend als beroepsvereniging en op 6 september 2022 erkend met het oog op de vertegenwoordiging in de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O. voor de zittijd 2023-2028. 3.3. Op 12 oktober 2022 wordt in het Belgisch Staatsblad een bericht gepubliceerd met het oog op de hernieuwing van het mandaat van de leden van bepaalde paritaire comités en paritaire subcomités, waaronder het Paritair Comité 143. Daarbij wordt vermeld dat enkel de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties die beantwoorden aan de criteria van artikel 3 van de wet van 5 december 1968 ‘betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités’ (hierna: CAO-wet) zich kandidaat kunnen stellen om te zetelen in een paritair comité of subcomité. De geïnteresseerde representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties worden verzocht om, binnen de maand die volgt op de publicatie van dit bericht, mee te delen of zij wensen vertegenwoordigd te zijn en het bewijs te leveren van hun representativiteit. 3.4. Met een e-mailbericht van 18 oktober 2022 bevestigt de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (hierna: FOD WASO) aan de verzoekende partij dat zij beantwoordt aan artikel 3 van de CAO-wet en dat zij naar aanleiding van de voornoemde publicatie in het Belgisch Staatsblad van 12 oktober 2022 haar kandidatuur kan indienen. 3.5. Zowel de verzoekende partij als een andere beroepsvereniging, met name de vzw R. aan wie onder de bestaande samenstelling van Paritair Comité 143 de vijf effectieve en vervangende mandaten langs werkgeverszijde werden toegekend, stellen zich kandidaat om te zetelen in het Paritair Comité 143 als vertegenwoordiger voor de werkgevers. XIV-39.248-3/23 De verzoekende partij dient haar kandidatuur in op 22 oktober 2022 en geeft daarin aan dat nagenoeg alle vishandelaren met visverwerking in of in de nabijheid van een visveiling die ressorteren onder het kengetal 086 (vispakhuizen) behoren tot haar leden. Zij stelt voorts dat hun rechten door de bestaande vertegenwoordigers voor de werkgevers in het Paritair Comité 143 onvoldoende gevrijwaard worden en dat de aanwijzing van een vertegenwoordiger uit haar rangen “veel representatiever en wenselijker zou zijn”. 3.6. Met het oog op het onderzoek van hun representativiteit, vraagt de verwerende partij op 10 januari 2023 aan beide kandidaten om aanvullende informatie te verstrekken door middel van het beantwoorden van een vragenlijst en het bezorgen van ledenlijsten. Op 3 februari 2023 bezorgt de verzoekende partij de ingevulde vragenlijst en ledenlijst aan de verwerende partij. Zij beantwoordt de in de vragenlijst gestelde vragen als volgt: “(…) 3. Het totaal aantal aangesloten leden bij uw organisatie? Vermeld desgevallend het aantal leden per type (effectieve leden, geassocieerde leden, enz.). 81 effectieve leden Bijkomend krijgen 200 aspirant leden in februari 2023 een betaaluitnodiging. 4. Hoeveel van uw leden ressorteren als werkgevers onder de bevoegdheid van het paritair comité of paritair subcomité? 23 5. Hoeveel arbeiders worden tewerkgesteld door de leden vermeld in punt 4? 185 plm. (…) 9. Indien de Rijksdienst voor Sociale zekerheid optreedt als inningsorgaan, onder welk kengetal zijn de werkgevers dan ingeschreven? 086 (…)”. Op 9 februari 2023 bezorgt ook de vzw R. de ingevulde vragenlijst en ledenlijsten aan de verwerende partij. Zij beantwoordt de in vragenlijst gestelde vragen als volgt: “(…) XIV-39.248-4/23 3. Het totaal aantal aangesloten leden bij uw organisatie? Vermeld desgevallend het aantal leden per type (effectieve leden, geassocieerde leden, enz.). De [vzw R.] telt: - 75 effectieve leden (=58 actieve leden en 17 niet-actieve leden; = de totale Belgische vissersvloot). Een ledenlijst werd in bijlage aan deze vragenlijst toegevoegd (activiteiten onder kengetal 019). - De volgende geassocieerde leden zijn aangesloten: de [nv VLV] (activiteiten onder kengetal 186), [M.] (activiteiten onder kengetal 086, ledenlijst in bijlage). 4. Hoeveel van uw leden ressorteren als werkgevers onder de bevoegdheid van het paritair comité of paritair subcomité? Alle 58 actieve effectieve leden alsook de 2 geassocieerde leden ressorteren als werkgever onder de bevoegdheid van het Paritair Comité 143. 5. Hoeveel arbeiders worden tewerkgesteld door de leden vermeld in punt 4? - Voor de zeevisserij worden op jaarbasis ongeveer 376 erkende vissers tewerkgesteld door de effectieve leden alsook 130 vissers in voorbereiding van erkenning volgens artikel 10 van het KB tot uitvoering van de bepalingen van de wet van 3 mei 2003 tot regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst voor de zeevisserij en tot verbetering van het sociaal staat van de zeevisser. - Het geassocieerd lid [VLV] stelt +/- 135 arbeiders te werk. - De bedrijven vertegenwoordigd door geassocieerd lid [M.] (pakhuizen) stellen +/- 500 arbeiders te werk. (…) 9. Indien de Rijksdienst voor Sociale zekerheid optreedt als inningsorgaan, onder welk kengetal zijn de werkgevers dan ingeschreven? - Wat betreft zeevisserij zijn de werkgevers ingeschreven onder kengetal 019. - De [VLV] is als werkgever ingeschreven onder kengetal 186. - [M.] (pakhuizen) is ingeschreven onder kengetal 086. - (…)”. 3.7. Eveneens in het kader van haar onderzoek naar de representativiteit vraagt de verwerende partij op 16 maart 2023 aan de verzoekende partij om verduidelijking te verschaffen omtrent de door haar voorgelegde ledenlijst (bijlage “vaste-leden” met 81 ondernemingen, zoals aangegeven in vraag 3 van de vragenlijst) en de aparte lijst met 22 ondernemingen, met inbegrip van M. die volgens de e-mailberichten van de verzoekende partij echter geen lid zou zijn. In haar antwoord stelt de verzoekende partij dat zij zich als dusdanig niet heeft gebaseerd op de geactualiseerde ledenlijst 2022, maar dat normaal gezien alle bedrijven binnen Paritair Comité 143 kengetal 086 bij haar XIV-39.248-5/23 aangesloten zijn, behalve de nv M. Zij wijst er op dat er wel verschuivingen zijn, zoals de recente verkoop van Vishandel N. 3.8. Op 23 maart 2023 stelt de verwerende partij in het kader van haar onderzoek de volgende vragen tot inlichtingen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna: RSZ): “In het kader van een onderzoek naar de representativiteit van de werkgeversorganisaties die zich kandidaat hebben gesteld om in het Paritair Comité voor de zeevisserij (PC 143) te zetelen, had ik graag volgende statistieken opgevraagd voor werkgeverscategorieën 019, 086 en 186 voor het laatst beschikbare kwartaal: - Het totaal aantal werkgevers voor elke categorie - Het totaal aantal arbeidsplaatsen einde kwartaal voor elke categorie - Het totaal aantal arbeidsplaatsen tijdens het kwartaal voor elke categorie Daarnaast vindt u in bijlage 2 lijsten van leden van de kandidaat-organisaties. Voor elk van deze ondernemingen had ik graag ook het aantal arbeidsplaatsen einde kwartaal en het aantal arbeidsplaatsen tijdens het kwartaal voor elk van de 3 bovenvermelde categorieën. Het is daarbij mogelijk dat niet elk lid effectief (nog) werkgever is op dit moment.” Diezelfde dag bezorgt de RSZ de gevraagde gegevens op basis van het laatst beschikbare kwartaal (derde kwartaal van 2022). 3.9. Op 19 april 2023 brengt de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen het advies nr. 286 uit, dat luidt als volgt: “Aanduiding van de organisaties van werkgevers en van werknemers die voor vertegenwoordiging in het Paritair Comité voor de zeevisserij (nr. 143) in aanmerking komen. Advies betreffende de vertegenwoordiging van [de vzw V.]. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, artikel 42; Gelet op het bericht in het Belgisch Staatsblad van 12 oktober 2022 waarbij aan de betrokken organisaties werd meegedeeld dat de mandaten in het Paritair Comité voor de zeevisserij (nr. 143) verstrijken op 27 maart 2023 en waarbij zij werden verzocht om hun kandidatuur voor vertegenwoordiging in te dienen; Gelet op de kandidatuur van [de vzw V.], ingediend bij brief van 22 oktober 2022; Gelet op de inlichtingen verstrekt door de organisatie bij de brief van 3 februari 2023 met betrekking tot haar representativiteit voor vertegenwoordiging in het Paritair comité voor de zeevisserij (nr. 143) en bij ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.585 XIV-39.248-6/23 gebrek aan andere inlichtingen; wordt het volgende advies uitgebracht. De Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen adviseert de minister, op grond van het onderzoek, [de vzw V.] niet in aanmerking te nemen voor vertegenwoordiging in het Paritair Comité voor de zeevisserij (nr. 143). Het advies wordt gemotiveerd als volgt: Na onderzoek van de aanspraken van de organisatie blijkt: 1. dat, op basis van statistieken van de RSZ voor het laatst beschikbare kwartaal (2022/3), het percentage werkgevers en arbeidsplaatsen dat deze organisatie vertegenwoordigt toelaat om haar als representatief te beschouwen voor een deel van het bevoegdheidsgebied van het Paritair comité voor de zeevisserij (nr. 143), namelijk voor de werkgevers die het RSZ-kengetal 086 toepassen. Dit geldt voornamelijk op het vlak van het aantal werkgevers, waar de organisatie 18 van de 21 werkgevers actief onder dit kengetal vertegenwoordigt. De representativiteit op vlak van de arbeidsplaatsen tijdens dit kwartaal (216 op een totaal van 484) en op het einde van datzelfde kwartaal (202 op een totaal van 462) is minder sterk; 2. dat er evenwel een andere kandidaat-organisatie is, die de grote meerderheid van de werkgevers onder RSZ-kengetal 086 die aangesloten zijn bij [de vzw V.] eveneens als lid heeft. Beide organisaties hebben slechts enkele werkgevers onder dit kengetal die uitsluitend bij hun organisatie aangesloten zijn: 2 werkgevers zijn enkel lid van [de vzw V.], 3 werkgevers zijn enkel lid van de andere kandidaat-organisatie, Bovendien tellen de werkgevers die enkel lid zijn van [de vzw V.] beduidend minder arbeidsplaatsen dan de werkgevers die enkel lid zijn van de andere kandidaat-organisatie; 3. dat deze andere kandidaat-organisatie bovenop een quasi volledige representativiteit voor de overige delen van het bevoegdheidsgebied van het Paritair Comité voor de zeevisserij (nr. 143), namelijk de RSZ-kengetallen 019 en 186, aanzienlijk meer representatief is voor het RSZ-kengetal 086 dan [de vzw V.] en bijgevolg beschouwd moet worden als de meest representatieve werkgeversorganisatie om mandaten in te vullen in het Paritair Comité voor de zeevisserij (nr. 143).” 3.10. In de nota van de FOD WASO aan de minister van Werk van 21 april 2023 wordt met betrekking tot het gevoerde onderzoek naar de representativiteit van de organisaties het volgende uiteengezet: “III. Het onderzoek naar de representativiteit van de organisaties, overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités geeft volgende resultaten:
- a)in het algemeen (art. 3): - de [vzw R.] werd erkend bij koninklijk besluit van 9 februari 1971, gewijzigd bij koninklijk besluit van 14 februari 2014 als representatief in een bepaalde bedrijfstak (toepassing art. 3, eerste lid, 3°); - [de vzw V.] erkend is als beroepsorganisatie overeenkomstig de wet van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.585 XIV-39.248-7/23 24 april 2014 betreffende de organisatie van de vertegenwoordiging van de zelfstandigen en de kmo’s (toepassing art. 3, tweede lid); - de drie werknemersorganisaties voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 3, eerste lid, 1°.
- b)voor het ressort van het paritair comité (art. 42): - De administratie voerde een onderzoek uit naar de representativiteit van de kandidaat-organisaties voor het ressort van het Paritair Comité voor de zeevisserij (nr. 143), aan de hand van de statistieken die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) overmaakte voor de relevante RSZ-kengetallen en de vragenlijsten en ledenlijsten die de organisaties ingediend hebben. Het gaat meer bepaald om de RSZ-kengetallen 019, 086 en 186 en de statistieken hebben betrekking op het kwartaal 2022/3. Er kan daarbij opgemerkt worden dat er maar 1 werkgever is die RSZ-kengetal 186 toepast, nl. de NV [VLV.]. Deze werkgevers is geassocieerd lid van de [vzw. R.]. - De RSZ bezorgde mijn administratie volgende statistieken voor deze drie RSZ-kengetallen: RSZ-kengetal Arbpl tijdens Arbpl einde Werkgevers kwartaal kwartaal 019 454 70 51 086 484 462 21 186 124 106 1 - [de vzw V.] steunt haar kandidatuur enkel op haar vermeende representativiteit voor werkgevers die het RSZ-kengetal 086 toepassen. Rederscentrale daarentegen vertegenwoordigt werkgevers uit het volledige bevoegdheidsgebied van het Paritair Comité voor de zeevisserij (nr. 143) en onder haar leden komen bijgevolg alle drie de voormelde RSZ-kengetallen voor. - Voor de ingediende ledenlijsten werd aan de RSZ gevraagd welke kengetallen deze ondernemingen toepasten en hoeveel arbeidsplaatsen er bij deze werkgevers waren in het kwartaal 2022/3. Dit gaf volgende resultaten: [vzw R.] [vzw V.] Aantal % Totaal Aantal % Totaal 019 WG 51 100 % 0 0% Arbpl tijdens 454 100 % 0 0% Arbpl einde 70 100 % 0 0% 086 WG 19 90,5 % 18 85,7 % Arbpl tijdens 478 98,8 % 216 44,6 % Arbpl einde 457 98,9 % 202 43,7 % 186 WG 1 100 % 0 0% Arbpl tijdens 124 100 % 0 0% Arbpl einde 106 100 % 0 0% XIV-39.248-8/23 - Op basis van deze statistieken kan gesteld worden dat [de vzw V.] als representatief beschouwd kan worden voor het deel van het bevoegdheidsgebied van het Paritair Comité voor de zeevisserij (nr. 143) dat zij beoogt, nl. de werkgevers die RSZ-kengetal 086 toepassen. Dit geldt voornamelijk op vlak van het aantal werkgevers, waar de organisatie 18 van de 21 werkgevers vertegenwoordigt. De representativiteit op vlak van de arbeidsplaatsen tijdens kwartaal 2022/3 en op het einde van dit kwartaal is evenwel minder sterk. - [De vzw R.] is met 19 van de 21 werkgevers, die goed zijn voor ongeveer het dubbel aantal arbeidsplaatsen ten opzichte van [de vzw V.], echter het meest representatief voor de werkgevers die RSZ-kengetal 086 toepassen en vertegenwoordigt daarbovenop nog alle werkgevers en arbeidsplaatsen voor de RSZ-kengetallen 019 en 186. - In het kwartaal 2022/3 waren er 16 ondernemingen die lid van beide kandidaat-organisaties werkgevers die RSZ-kengetal 086 toepasten. [De vzw V.] telt 2 werkgevers onder RSZ-kengetal 086 die geen lid zijn van [de vzw R.]. Het gaat hier om kleinere ondernemingen, met in totaal 6 arbeidsplaatsen tijdens het kwartaal en 5 op het einde van het kwartaal. [De vzw R.] telt op onder haar leden dan weer 3 werkgevers onder dat kengetal die geen lid zijn van [de vzw V.]. Het gaat om aanzienlijk grotere ondernemingen, met in totaal 268 arbeidsplaatsen tijdens het kwartaal en 260 op het einde van het kwartaal. Indien de werkgevers die lid zijn van beide organisaties dus buiten beschouwing zouden worden gelaten, komt [de vzw R.] ook voor de resterende werkgevers als meer representatief naar voor. - op basis van deze resultaten stel ik voor om enkel de meest representatieve werkgeversorganisatie te weerhouden en dus de kandidatuur van [de vzw V.] niet in aanmerking te nemen.” 3.11. Op 16 mei 2023 beslist de minister van Werk de kandidatuur van de verzoekende partij met het oog op vertegenwoordiging in het Paritair Comité voor de zeevisserij (nr. 143) te verwerpen en om de vijf effectieve en plaatsvervangende mandaten langs werkgeverszijde toe te kennen aan de vzw R. In de aanhef van dit ministerieel besluit wordt verwezen naar voormeld advies nr. 286 van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen. Dit is de bestreden beslissing. 3.12. Met een aangetekend schrijven van 25 mei 2023 wordt de verzoekende partij van de besteden beslissing in kennis gesteld. Daarbij wordt meegedeeld dat de redenen van de weigering terug te vinden zijn in het advies nr. 286 van 19 april 2023 dat als bijlage wordt toegevoegd. Aangezien dit aangetekend ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.585 XIV-39.248-9/23 schrijven niet wordt afgehaald door de verzoekende partij, wordt dit schrijven, met inbegrip van de bijlagen, nogmaals aan de verzoekende partij bezorgd met een e-mailbericht van 13 juni 2023. 3.13. Op 30 juni 2023 dient de verzoekende partij een klacht in bij de federale Ombudsman die wordt overgemaakt aan de dienst Klachtenmanagement van de FOD WASO en ongegrond wordt bevonden om de volgende redenen: “Na ontvangst van de dossiers van alle kandidaat-werkgeversorganisaties, werden er op 23 maart 2023 statistieken opgevraagd bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ). De RSZ heeft diezelfde dag de meest recente gegevens, nl. deze van de laatste dag van het derde kwartaal 2022, overgemaakt. In uw brief geeft u aan dat deze gedateerd en grotendeels achterhaald zouden zijn. Uiteraard is het mogelijk dat er op het moment van de beslissing van de Minister van Werk enkele wijzigingen zijn opgetreden bij de leden van uw organisatie, maar er wordt noodzakelijkerwijze gewerkt met de meest recente objectieve gegevens die beschikbaar zijn en dit is voor alle organisaties hetzelfde. Als reactie op uw inhoudelijke argumentatie, kan er op gewezen worden dat de Minister van Werk de mandaten aan werkgeverszijde, bij de huidige hernieuwing en bij de vorige hernieuwingen sinds de ontbinding van de Beroepsvereniging der Visgroothandelaars van België in 2009, heeft toegekend aan de Rederscentrale. Deze andere organisatie is weliswaar niet bij naam vermeld in het advies nr. 286, maar dit kon u evenwel afleiden uit het afschrift van het ministerieel besluit dat aan u werd overgemaakt. Dat deze representatieve organisatie de aan haar toebedeelde mandaten officieus laat invullen door personen gelieerd aan bepaalde werkgevers uit de sector, is niet toerekenbaar aan de Minister van Werk. Het stond de overige bedrijfstakken binnen de sector van de zeevisserij steeds vrij om zelf werkgeversorganisaties op te richten en hun kandidatuur in te dienen om hun belangen rechtstreeks te behartigen in het paritair comité, maar dat is tot voor de kandidatuur van uw organisatie [de vzw V.] niet gebeurd. De kandidaten die per besluit van de Directeur-generaal van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen benoemd worden tot effectief of plaatsvervangend lid, zitten daar dus officieel namens de Rederscentrale. Het is enkel de representativiteit van de Rederscentrale die onderzocht werd en waarmee uw organisatie vergeleken werd. Mijn administratie stelt dus geenszins dat de door u aangehaalde werkgevers lid zouden zijn van de Belgische Groepering van de Visindustrie. Zij baseert zich enkel op de door de [vzw R.] ingediende vragenlijst en ledenlijst. Anders dan wat u aangeeft, worden overigens niet alle kengetallen samen beoordeeld, maar werd het onderzoek wel degelijk per kengetal uitgevoerd. De representativiteit van de andere kandidaat-organisatie was ook louter voor kengetal 086 sterker. Dit werd overigens ook expliciet aangegeven in punt 3 van de motivering van advies nr. 286. Gelet op bovenstaande elementen, is mijn administratie van mening dat de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.585 XIV-39.248-10/23 betwiste beslissing van de Minister van Werk voldoende gemotiveerd werd. Bijgevolg wordt uw klacht als ongegrond aanzien.” 3.14. Met een ministerieel besluit van 17 augustus 2023 wordt het bestreden ministerieel besluit van 5 mei 2023 tot aanduiding van de organisaties die voor vertegenwoordiging in het Paritair Comité voor de zeevisserij in aanmerking komen en tot toekennen van de mandaten aan deze organisaties gewijzigd. Daarbij wordt een materiële vergissing in de benaming van het Paritair Comité in artikel 1 van het bestreden ministerieel besluit rechtgezet. Met een e-mailbericht van 29 augustus 2023 wordt de verzoekende partij hiervan in kennis gesteld. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging - Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken van het administratief dossier Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij vraagt in de memorie van antwoord om een aantal specifieke stukken van het administratief dossier als vertrouwelijk te behandelen, overeenkomstig artikel 87, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeneprocedureregeling). Deze stukken omvatten de kandidatuur van de vzw R. met vermelding van geboortedata en adressen, alsook ledenlijsten van kandidaat-werkgevers-organisaties. De verwerende partij is van mening dat deze ledenlijsten een bedrijfsgeheim van deze organisaties uitmaken en dat de aansluiting bij een bepaalde werkgeversorganisatie een element van het privéleven van een werkgever uitmaakt. In haar laatste memorie zet zij uiteen dat haar verzoek in de eerste plaats gebaseerd is op het recht op eerbiediging van het privéleven. Zij wijst erop dat rechtspersonen wel degelijk titularissen zijn van dit recht zoals beschermd door artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM. Dit recht op eerbiediging van het privéleven dient volgens haar des te meer beschermd te XIV-39.248-11/23 worden aangezien het kwestieuze element van het privéleven (aansluiting bij een bepaalde werkgeversorganisatie) de uitoefening van een ander grondrecht – met name de syndicale vrijheid zoals gewaarborgd door artikel 11 van het EVRM en artikel 27 van de Grondwet – onthult. In de tweede plaats betreft de ledenlijst van een werkgeversorganisatie volgens de verwerende partij een belangrijk bedrijfs-geheim van deze organisatie in de zin van artikel I.17/1 van het Wetboek van Economisch Recht. Artikel 6 van het EVRM wordt volgens de verwerende partij niet geschonden nu het vertrouwelijk karakter van de betreffende stukken niet belet dat de Raad van State daarop acht slaat en deze bij zijn beoordeling kan betrekken. 5. In haar memorie van wederantwoord verwijst de verzoekende partij naar de openbaarheid van bestuur en verzoekt zij “tot openbaarmaking van de vertrouwelijke stukken van de stukkenbundel van de verwerende partij”. In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat zij in kennis dient te worden gesteld van alle vertrouwelijke stukken die verwerende partij voorlegt, aangezien de vertrouwelijke stukken onder meer de ledenlijst omvat van de vzw R., de ledenlijst van de Pakhuizen en de ledenlijst van het Paritair Comité 143, subcomité met kengetal 086. Zij stelt dat zij reeds sinds het begin van de procedure de waarachtigheid van de door de Rederscentrale ingevulde vragenlijsten betwist en dat de ledenlijst van de vzw R. een doorslaggevend stuk blijkt te zijn op basis waarvan de bestreden beslissing werd genomen. Beide partijen verschijnen volgens de verzoekende partij dan ook niet met gelijke wapens in de procesvoering. Zij ziet bovendien geen enkele reden waarom de vertrouwelijkheid van de stukken zou worden behouden nu zij weet welke werkgevers of organisaties lid zijn van paritair comité 143, kengetal 086. Beoordeling 6. Overeenkomstig artikel 87, § 2, van de algemeneprocedure-regeling mag een partij die een stuk indient vragen om het niet ter kennis te brengen van de overige partijen. Luidens artikel 87, § 3, van de algemeneprocedureregeling wordt het bedoelde stuk “voorlopig afzonderlijk in het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.585 XIV-39.248-12/23 dossier van de zaak opgenomen” en paragraaf 4 van dezelfde bepaling leert dat de overige partijen van het stuk kennis mogen nemen “als het verzoek om vertrouwelijke behandeling bij arrest wordt afgewezen.” 7. Aangezien, zoals hierna zal blijken, het eerste middel dat de verzoekende partij heeft kunnen formuleren zonder inzage van de betrokken ledenlijsten, in de aangegeven mate gegrond is, dient niet te worden ingegaan op de vraag van de verzoekende partij tot opheffing van de vertrouwelijkheid van de door de verwerende partij aldus neergelegde stukken. V. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 8. De verzoekende partij voert in het enig middel onder meer de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij zet deze grief als volgt uiteen in haar verzoekschrift: “(…) Het zorgvuldigheidsprincipe vereist dat de overheid bij besluitvorming nauwkeurig en zorgvuldig handelt door alle relevante feiten en omstandigheden van een zaak grondig te onderzoeken. In het geval van de toekenning van de mandaten in het Paritair Comité 143, kengetal 086, lijkt het erop dat de minister niet voldoende zorgvuldigheid heeft betracht. [De verzoekende partij] heeft tijdig en uitgebreid bewijs geleverd dat zij een meerderheid van de werkgevers binnen het Paritair Comité 143, kengetal 086, vertegenwoordigt. Dit bewijs werd ondersteund door gedetailleerde lidmaatschapslijsten, verklaringen van de aangesloten ondernemingen en andere documenten. Ondanks dit overtuigende bewijs heeft de minister nagelaten om de juistheid van de beweringen van Rederscentrale grondig te verifiëren. Het lijkt erop dat de minister de verklaring op eer van Rederscentrale eenvoudigweg heeft aanvaard zonder de nodige stappen te ondernemen om de representativiteit van beide organisaties te onderzoeken. Hierdoor heeft de minister een beslissing genomen zonder alle relevante feiten te kennen, waardoor [de verzoekende partij] onrechtmatig is benadeeld.” In de memorie van wederantwoord doet de verzoekende partij, wat de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, nog gelden dat de vzw R. weliswaar verklaard heeft de grote meerderheid van de werkgevers onder kengetal RSZ 086 eveneens als lid te hebben, maar dat deze verklaring ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.585 XIV-39.248-13/23 allerminst waar is. De verwerende partij heeft nagelaten om de waarachtigheid van deze bewering en van de ingevulde vragenlijst na te gaan (aan de hand van facturen of betaalbewijzen) waardoor zij tekort is gekomen aan haar zorgvuldigheidsplicht. Volgens de verzoekende partij behoren enkel de nv M. en de nv Z. niet tot haar leden, maar wel de overige 19 bedrijven (situatie derde kwartaal 2022). Bovendien zijn enkel de nv M. (145 arbeiders) en de bv. R.M.L. (1 arbeider) lid van de vzw R. Dit vormt een aantal van slechts 2 op 21 in de plaats van 19 op 21. De nv M. veranderde bovendien op 1 mei 2023 van Paritair Comité 143 naar Paritair Comité 119 met 145 arbeiders, met als gevolg dat de vzw R. nog slechts één onderneming van kengetal 086 als lid heeft, dat één arbeider tewerkstelt. Voor ruim 200 werknemers van de vispakhuizen
(086)is er volgens de verzoekende partij geen officiële vertegenwoordiging meer. De verzoekende partij stelt zich dan ook vragen bij de onderliggende gegevens op basis waarvan de tabel in de nota van de FOD WASO aan de minister werd opgemaakt. In haar laatste memorie betoogt de verzoekende partij in de eerste plaats dat de verwerende partij zich bij het onderzoek van de representativiteit louter heeft gebaseerd op subjectieve elementen die werden aangebracht door de partijen, met name de ingevulde vragenlijsten, de verstrekte ledenlijsten en een verklaring op eer, zonder dat deze elementen op objectieve wijze werden bewezen of vastgesteld. De statistieken die door de RSZ ter beschikking werden gesteld, bevatten enkel objectieve gegevens over het aantal arbeidsplaatsen tijdens en op het einde van het kwartaal, alsook van het aantal werkgevers. De tabel die door de verwerende partij vervolgens op basis van deze cijfers werd opgesteld, is volgens de verzoekende partij echter onjuist wat het aantal aangesloten werkgevers en daarmee overeenstemmende aantal arbeidsplaatsen betreft, aangezien zij gebaseerd is op een foute premisse en eenzijdige verklaring van de vzw R. en de verwerende partij deze gegevens voor waar heeft aangenomen. Het kwam aan de verwerende partij toe om de waarheidsgetrouwheid van de ingevulde vragenlijsten na te gaan. Minstens diende dergelijk onderzoek te worden ingesteld nadat de verzoekende partij melding maakte van het feit dat deze vragenlijst niet overeenstemt met de werkelijkheid. XIV-39.248-14/23 In het auditoraatsverslag wordt volgens de verzoekende partij ten onrechte voorbij gegaan aan de door haar aangebrachte stukken waarin zij zelf aantoont dat verschillende werkgevers onder kengetal 086 geen lid zijn van de vzw R., maar wel degelijk van de verzoekende partij. Zij merkt ook op dat de vragenlijsten die zij als bewijs voorlegt, dateren van net na de bestreden beslissing en aldus meer met de werkelijkheid overeenstemmen dan de eerder opgegeven vragenlijsten uit het derde kwartaal van
- Volgens de verzoekende partij kan van haar ook niet worden verwacht dat zij tegenbewijs levert tegen een beslissing alvorens deze wordt genomen. De verzoekende partij betoogt voorts in haar laatste memorie dat, aangezien de verwerende partij heeft nagelaten onderzoek te doen naar de waarheidsgetrouwheid van de voorgelegde stukken (door middel van factuurgegevens, lidgeld, eigen bevragingen), zij zich genoodzaakt zag het tegenbewijs hiervan te leveren. Zij verwijst in dit verband naar de stukken 2, 11 en 12 gevoegd bij haar verzoekschrift, waarin de secretaris van de vzw R. in 2015 uitdrukkelijk zou hebben erkend dat enkel de nv M. lid is van de vzw R., waarin 17 ondernemingen in juni en juli 2023 verklaren lid te zijn van de verzoekende partij en wensen dat zij hun belangen vrijwaart binnen Paritair Comité 143 en waarin 20 ondernemingen in juli 2023 verklaren dat zij vallen binnen kengetal 086 van Paritair Comité 143 en geen lid zijn van de vzw R. Uit het antwoord op de vragen in de vragenlijst door de vzw R. kan volgens de verzoekende partij bovendien niet worden afgeleid wat de representativiteit van de partij is wat kengetal 086 binnen Paritair Comité 143 betreft. De vragenlijst bevat louter algemene vragen omtrent Paritair Comité 143, maar gaat niet verder in op haar representativiteit binnen kengetal
- De stelling van de verwerende partij dat een onderzoek naar de waarheidsgetrouwheid van de verklaringen en ledenlijsten niet noodzakelijk is nu door een ondertekening “een organisatie haar antwoorden voor echt en volledig acht” kan volgens de verzoekende partij niet worden gevolgd wanneer zoals te dezen, minstens een begin van bewijs voorligt dat de beslissing gebaseerd is op een foutieve premisse. Het is kennelijk onredelijk dat de verwerende partij tot de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.585 XIV-39.248-15/23 bestreden beslissing is overgegaan zonder enig verder onderzoek uit te voeren naar de waarachtigheid van de aangevoerde feiten en zonder meer is afgegaan op stukken die “naar eer en geweten” door een instantie werden ingevuld. Indien dergelijk onderzoek wel was gebeurd, en de verwerende partij de waarachtigheid van deze vragenlijst en ledenlijst wel was nagegaan, was zij volgens de verzoekende partij tot de vaststelling gekomen dat niet de vzw R., maar wel degelijk de verzoekende partij de meest representatieve werkgeversorganisatie voor kengetal 086 binnen Paritair Comité 143 was.
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie van niet-ontvankelijkheid op omdat de middelen of het “eerste en enige middel” niet duidelijk ontwikkeld worden door de verzoekende partij. Voorts is er volgens de verwerende partij geen sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De minister, met de FOD WASO, baseerde zich immers bij het onderzoek van de representativiteit op de objectieve elementen die hij ter beschikking had, namelijk de ingevulde vragenlijsten, de ledenlijsten en de statistieken van de RSZ. In deze zaak staat vooral de door de vzw R. ingevulde vragenlijst en haar bijlagen, en meer specifiek de lijst van werkgevers met als benaming “Ledenlijst pakhuizen (kengetal 086)” ter discussie. De FOD WASO heeft deze vragenlijst en haar bijlagen grondig nagekeken en dit binnen de mogelijkheden waarover zij beschikt. Het opvragen van betaalbewijzen van lidgeld van elke onderneming, zoals gesuggereerd wordt door verzoekende partij, overschrijdt deze mogelijkheden. Door de vragenlijst te ondertekenen, verklaart een organisatie bovendien haar antwoorden voor echt en volledig. De minister had bovendien geen reden om de juistheid van de voorgelegde ledenlijsten te betwijfelen. De bestreden beslissing dateert immers van mei 2023, waardoor de minister met stukken 11 tot en met 13 van de verzoekende partij, die dateren van juni, juli en augustus 2023, geen rekening kon houden. XIV-39.248-16/23 De verwerende partij wijst er ook op dat de Raad van State in zijn rechtspraak (RvS 7 april 2015, nr. 230.798, ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR. 230.798) al heeft aanvaard dat, in een situatie waarin een kandidaat-organisatie zich voorstelt als koepelorganisatie die ondernemingen en beroepsgroepen vertegenwoordigt, de administratie bij het beoordelen van de representativiteit rekening kan houden met werkgevers die indirect aangesloten zijn, ook al zijn ze geen daadwerkelijke leden die bijdragen betalen. De administratie heeft de informatie die de vzw R. heeft overgemaakt dan ook in die zin geïnterpreteerd en aldus geconcludeerd dat de vzw R. meer representatief was dan de verzoekende partij. De door de kandidaat-organisaties ingediende ledenlijsten werden gecontroleerd aan de hand van de statistieken van de RSZ, er werd meer bepaald nagegaan of de leden effectief als werkgever het betreffende paritair comité toepassen, en om hoeveel arbeidsplaatsen het gaat. In haar laatste memorie doet de verwerende partij nog gelden dat de verzoekende partij niet aantoont dat er op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing en het daaraan voorafgaande onderzoek – hetwelk is gesteund op gegevens van het op dat eigenste ogenblik laatst beschikbare onderzoek (kwartaal 2022/3) – werd uitgegaan van en voortgegaan op foutieve gegevens. Het zorgvuldigheidsbeginsel dient volgens haar op een redelijke manier te worden toegepast. In het voorliggende geval hebben de minister en de FOD WASO, op het ogenblik van de bestreden beslissing, als redelijke openbare overheden gehandeld. Beoordeling
- De verzoekende partij voert in het enig middel onder meer de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht.
- Wat de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, laat de uiteenzetting van het enig middel in het verzoekschrift de verwerende partij toe een voldoende inzicht te krijgen in de bezwaren die tegen de bestreden beslissing worden aangevoerd. Zij heeft daarop trouwens inhoudelijk geantwoord. XIV-39.248-17/23 In de mate dat zij betrekking heeft op het zorgvuldigheids-beginsel, wordt de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel verworpen.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
- Zoals blijkt uit de stukken van het administratief dossier omvat het bevoegdheidsgebied van Paritair Comité 143 de werkgevers die de RSZ-kengetallen 019 (zeevisserij), 086 (vispakhuizen) en 186 (visveilingen) toepassen. Met de bestreden beslissing heeft de verwerende partij de kandidatuur van de verzoekende partij met het oog op vertegenwoordiging in het Paritair Comité 143 verworpen en de vijf effectieve en plaatsvervangende mandaten langs werkgeverszijde toegekend aan de andere kandidaat-organisatie. Wezenlijk komt de verwerende partij tot dit besluit op grond van de vaststelling in het advies nr. 286, waar de bestreden beslissing op steunt, “dat er […] een andere kandidaat-organisatie is, die de grote meerderheid van de werkgevers onder RSZ-kengetal 086 die aangesloten zijn bij [de verzoekende partij] eveneens als lid heeft” en “dat deze andere kandidaat-organisatie bovenop een quasi volledige representativiteit voor de overige delen van het bevoegdheidsgebied van het Paritair Comité voor de zeevisserij (nr. 143), namelijk de RSZ-kengetallen 019 en 186, aanzienlijk meer representatief is voor het RSZ-kengetal 086 dan [de verzoekende partij].” Aldus blijkt de verwerende partij de representativiteit binnen het bevoegdheidsgebied met RSZ-kengetal 086 mee in aanmerking te hebben genomen om tot haar beslissing te komen. XIV-39.248-18/23 De conclusie dat de vzw R. meer representatief is dan de verzoekende partij wat RSZ-kengetal 086 betreft, steunt daarbij op de volgende vaststellingen: “Beide organisaties hebben slechts enkele werkgevers onder dit kengetal die uitsluitend bij hun organisatie aangesloten zijn: 2 werkgevers zijn enkel lid van [de verzoekende partij], 3 werkgevers zijn enkel lid van de andere kandidaat-organisatie. Bovendien tellen de werkgevers die enkel lid zijn van [de verzoekende partij] beduidend minder arbeidsplaatsen dan de werkgevers die enkel lid zijn van de andere kandidaat-organisatie.”
- Wat de voorgelegde ledenlijsten betreft, kan worden aangenomen dat de onderzoeksplicht van de verwerende partij niet zo ver reikt dat zij dient over te gaan tot het opvragen van betaalbewijzen van lidgeld van elke onderneming op de lijst. Van een zorgvuldig handelende overheid mag niettemin worden verwacht dat, indien zij ledenlijsten opvraagt ter beoordeling van de representativiteit van de betrokken werkgeversorganisaties, zij minstens de juistheid van de voorgelegde lijsten toetst aan de overige in het kader van de kandidaatstelling aan haar voorgelegde gegevens, en dat zij, ingeval van tegenindicaties, hierover nader onderzoek verricht. Wat de kandidaatstelling van de verzoekende partij betreft, blijkt de verwerende partij op dergelijke wijze te hebben gehandeld. Aangezien er sprake was van een tegenstrijdigheid tussen de door de verzoekende partij voorgelegde lijsten en haar e-mailberichten, heeft de verwerende partij de verzoekende partij hier nader over bevraagd om een en ander uit te klaren. Wat de kandidaatstelling van de andere beroepsorganisatie betreft, blijkt de verwerende partij echter zonder meer alle vennootschappen vermeld op de twee door deze kandidaat voorgelegde lijsten te hebben beschouwd als lid van de betrokken beroepsorganisatie zelf. Uit een eenvoudige lezing van het antwoord van de vzw R. op de vragenlijst blijkt evenwel dat deze beroeps-organisatie twee “ledenlijsten” heeft toegevoegd waarvan enkel de eerste ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.585 XIV-39.248-19/23 lijst betrekking heeft op de ledenlijst van de vzw R. zelf. Wat de tweede lijst betreft, wordt in het antwoord op vraag 3 verwezen naar een geassocieerd lid “M. (activiteiten onder kengetal 086, ledenlijst als bijlage).” Deze “ledenlijst” van vispakhuizen, die als vertrouwelijk werd neergelegd maar waarvan de Raad van State kennis kon nemen, vermeldt bovendien als één van de “leden” van het geassocieerd lid M., de nv M. zelf. Ook blijkt dat het gaat om een naamloze vennootschap en niet om een vereniging. In het licht van deze tegenindicaties kan het bezwaarlijk als zorgvuldig worden omgeschreven dat de verwerende partij zonder meer tot de vaststelling is gekomen “dat er […] een andere kandidaat-organisatie is, die de grote meerderheid van de werkgevers onder RSZ-kengetal 086 die aangesloten zijn bij [de verzoekende partij] eveneens als lid heeft”.
- Dat in een opmerking onderaan de vragenlijst zoals deze aan de organisaties werd verstuurd, wordt gesteld dat de antwoorden op de vragenlijst voor echt en volledig worden verklaard door de handtekening van de voorzitter van de organisatie is niet van aard om anders te oordelen. Daargelaten de vraag of dergelijke “voor echt en volledig” verklaring de verwerende partij ontheft van enig onderzoek, kan uit het antwoord op de vragenlijst niet worden afgeleid dat alle vennootschappen zoals opgesomd op de tweede lijst, lid zijn van de vzw R. Aangezien uit die lijst blijkt dat het geassocieerd lid, M., een naamloze vennootschap is en geen vereniging, is de verhouding van de vennootschappen zoals opgesomd in de lijst onder RSZ-kengetal 086 tot de nv M. bovendien onduidelijk.
- In de mate dat de verwerende partij voorts doet gelden dat zij de door de kandidaat-organisaties ingediende ledenlijsten heeft gecontroleerd aan de hand van de statistieken van de RSZ, stelt de Raad van State vast dat hiermee weliswaar een controle werd verricht op het totaal aantal werkgevers voor elke werkgeverscategorie (019, 086 en 186) en het totaal aantal arbeidsplaatsen per categorie, maar niet van de bij de kandidaatstellingen gevoegde ledenlijsten. Zowel uit de bijlage gevoegd aan het verzoek tot inlichtingen aan de RSZ van 23 maart 2023 als uit de nota aan de minister van 21 april 2023 en de daarbij gevoegde bijlagen blijkt bovendien dat, wat de vzw R. betreft, door de verwerende partij ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.585 XIV-39.248-20/23 telkens een geïntegreerde lijst van werkgevers werd gehanteerd, zonder dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de ledenlijst van de vzw R. zelf en de tweede lijst die in het antwoord op de vragenlijst in verband wordt gebracht met het geassocieerd lid, de nv M.
- Dat de verwerende partij bij aanname van de bestreden beslissing geen rekening kon houden met de door de verzoekende partij voorgelegde gegevens die dateren van juni, juli en augustus 2023, belet niet dat er op datum van de bestreden beslissing afdoende tegenindicaties voorlagen die de verwerende partij noopten tot een verder onderzoek van de door de vzw R. voorgelegde ledenlijsten dan zij te dezen blijkt te hebben gedaan.
- In het licht van het voorgaande is de verwijzing door de verwerende partij in haar memorie van antwoord naar arrest nr. 230.798 van 7 april 2015 niet dienstig. In die zaak ging het immers om een feitelijke vereniging die verschillende vennootschappen en beroepsverenigingen groepeerde en waarvan geoordeeld werd dat de verwerende partij om de representativiteit van de feitelijke vereniging te beoordelen, rekening kon houden met het aantal werkgevers die indirect bij haar aangesloten waren door tussenkomst van de beroepsvereniging, ook al zijn ze geen daadwerkelijke leden die bijdragen betalen. Te dezen gaat de kandidaatstelling echter niet uit van dergelijke feitelijke vereniging of koepelorganisatie, maar uitsluitend van een beroepsvereniging, met als geassocieerde leden twee naamloze vennootschappen. Er doet zich dan ook geen situatie voor waarbij de verwerende partij om de representativiteit van de beroepsvereniging te beoordelen, rekening kon houden met leden die indirect bij haar aangesloten waren door tussenkomst van een andere beroepsvereniging. Dat de verwerende partij bij de beoordeling van de representativiteit van de vzw R. op indirecte wijze rekening zou hebben gehouden met “leden” van haar geassocieerde leden, vindt bovendien geen bevestiging in de stukken van het administratief dossier waar telkens louter sprake is van leden van de vzw R. XIV-39.248-21/23
- Uit dit alles mag worden afgeleid dat niet blijkt dat de bestreden beslissing steunt op een zorgvuldige feitenvinding en dat de verwerende partij op basis van een afdoend en volledig onderzoek van de concrete kandidaatstellingen tot haar besluit is gekomen. XIV-39.248-22/23
- Uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel schendt. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de minister van Werk waarbij de kandidatuur van de verzoekende partij met het oog op vertegenwoordiging in het Paritair Comité voor de zeevisserij (nr. 143) wordt verworpen en de vijf effectieve en plaatsvervangende mandaten langs werkgeverszijde worden toegekend aan een derde.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, Inge Vos, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.248-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.585 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div