← België

Arrest 262609 - Voedselveiligheid (FAVV) - 14/03/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.609 Rolnummer: A. 243945/XII-9827 Zaak: Arrest 262609 - Voedselveiligheid (FAVV) - 14/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-18 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-16 05:54 Fiche Arrest nr 262.609 van 14 maart 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 262.609 van 14 maart 2025 in de zaak A. 243.945/XII-9827 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joris Claes en Aline Mertens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 tegen: het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN (FAVV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 13 januari 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: - de beslissing van het Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen van 13 november 2024 waarbij verzoekers bedrijf onder verhoogd toezicht wordt geplaatst; - de beslissing van het Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen van 18 december 2024 “waarbij de voorgestelde indeling in subgroepen bevestigd XII-9827-1/13 wordt, maar [verzoeker] verplicht wordt om rekening te houden met een foutenmarge van 30% en een aanvullende drempelwaarde van 21 μg/kg”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 20 januari 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart 2015, om 10u
  3. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verzoekende partij en, advocaat Frederick Valcke, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. XII-9827-2/13 III. Feiten 3.
  5. Verzoeker exploiteert een rundveehouderij in Sint-Gillis-Waas. 3.
  6. Naar aanleiding van plannen voor de uitbreiding van de infra-structuur van de Antwerpse Haven met een nieuw containerdok worden er in de omgeving van verzoekers bedrijf bodemonderzoeken uitgevoerd door de nv Tractebel engineering. De resultaten daarvan leiden er toe dat er bij meerdere landbouwbedrijven en bij particulieren in de omgeving testen worden uitgevoerd op dieren en landbouwproducten (gewassen, eieren, melk en vlees) en op groenten uit moestuinen. 3.
  7. Op 18 september 2024 legt de verwerende partij bij toepassing van artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 ‘houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen’ (hierna: koninklijk besluit van 22 februari 2001) bewarend beslag op 188 runderen, op grond van de volgende overwegingen: “Ernstige vermoedens contaminatie van de runderen met per- en polyfluoralkyl-stoffen (PFAS), meer bepaald PFOS dat een congeneer is van PFAS, op basis van resultaten van analyses uitgevoerd op een rundveebedrijf gelegen in dezelfde omgeving met gelijkaardige werking: - Officiële staalnames van runderen die gehouden worden/geweest zijn in het Verdronken Land van Saeftinghe wijzen op hoge contaminatie (waarden tot 96 μg/L totaal PFOS in bloed). Norm PFOS vlees: 0,3 μg/kg volgens Verordening 2023/2915 van de Commissie van 25 april 2023 betreffende maximumgehalte aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1881/2006 (Ver. 2023/2915). - Officiële staalnames van runderen die gehouden worden in de omgeving van het bedrijf wijzen op contaminatie met PFOS (waarden tot 1,9 μg/L totaal PFOS in bloed). Norm PFOS vlees: 0,30 μg/kg volgens eerder geciteerde Verordening 2023/915.” 3.
  8. Er worden bloedstalen genomen van enkele van verzoekers runderen. XII-9827-3/13 3.
  9. Op 17 oktober 2024 verlengt de verwerende partij het bewarend beslag en laat zij weten dat zij omwille van de resultaten van de analyses op de bloedstalen de intentie heeft om bij toepassing van artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 de runderen definitief in beslag te nemen. Verzoeker wordt uitgenodigd om zijn eventuele bezwaren te laten kennen. 3.
  10. Bij brief van 22 oktober 2024 laat verzoeker zijn bezwaren kennen. Op 31 oktober 2024 vindt er een hoorzitting plaats. Op 13 november 2024 plaatst de verwerende partij het bedrijf onder verhoogd toezicht, verwijzend naar artikel 14, lid 8, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 ‘tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden’. Dit is de eerste bestreden beslissing. Dit verhoogde toezicht houdt in, samengevat, dat levende dieren het bedrijf enkel mogen verlaten mits toelating door de LCE OVB (Lokale controle-eenheid Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant van het FAVV), en met een Belgisch slachthuis als bestemming; dit geldt niet voor kalveren jonger dan 30 dagen bestemd voor de vleeskalverhouderij. In overleg met de LCE kunnen de dieren op het bedrijf worden ingedeeld in subgroepen “op basis van de interne bewegingen […], het doel van de dieren, eventuele bloedstalen of […] voorgestelde biopsieën, andere redenen of onderzoeken”. Er kunnen dan proefslachtingen worden uitgevoerd op enkele dieren van zulke subgroep om analyses te verrichten op vleesmonsters. Op basis van de resultaten daarvan kunnen de dieren mogelijk worden vrijgegeven. Er kunnen ook nog nieuwe dieren worden aangekocht, die in beginsel onder het verhoogde toezicht vallen, behalve wanneer ze zouden voldoen aan de voorwaarden die de subgroep waarin ze passen vrij te geven. Het bewarend beslag wordt opgeheven. XII-9827-4/13 3.
  11. Er volgt een wisseling van e-mailberichten over de te volgen werkwijze voor het samenstellen van subgroepen en over het uitvoeren van analyses. Op 9 december 2024 bezorgt verzoeker de resultaten van een bloedanalyse uitgevoerd op één van de runderen. Er volgt een verdere wisseling van e-mailberichten. 3.
  12. Op 18 december 2024 laat het FAVV weten akkoord te gaan met de voorgestelde opdeling in 7 subgroepen. Voor een mogelijke vrijgave moeten er 4 runderen worden onderzocht. Dit is de tweede bestreden beslissing. Het FAVV gaat nog steeds uit van de norm maximaal 0,30 μg PFOS per kg vlees, maar stelt dat daarbij om variaties binnen een groep op te vangen een marge van 30% dient te worden gehanteerd. Als een van de onderzochte vleesmonsters meer dan 0,21 μg PFOS per kg vlees zou bevatten zal er daarom geen vrijgave mogelijk zijn zonder verder onderzoek. IV. Schorsingsvoorwaarden
  13. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. XII-9827-5/13 V. Spoedeisendheid Standpunt van verzoeker
  14. Verzoeker laat ter verantwoording van de spoedeisendheid in essentie gelden dat het verhoogd toezicht (eerste bestreden beslissing) werd gepresenteerd als een “mildering” van de initieel voorgestelde maatregel tot beslag, terwijl het in de praktijk bijzonder weinig lijkt te verschillen van de initieel voorgestelde “strengere” maatregel. De verplichtingen die aan het verhoogd toezicht verbonden zijn, maken enig hernieuwd begin van normale bedrijfsvoering volgens verzoeker onmogelijk, nu voor elk dier een speciale controle en goedkeuring van het FAVV is vereist. Ook omvat het verhoogd toezicht de mogelijkheid van opdeling in subgroepen, waarmee schijnbaar een perspectief tot gedeeltelijke normale bedrijfsvoering geboden wordt door het FAVV. In de tweede bestreden beslissing gaat de verwerende partij volgens verzoeker weliswaar akkoord met de voorgestelde opdeling, maar legt zij een meetonzekerheid van 30% en een aanvullende drempelwaarde van 21 μg/kg op. Hierdoor wordt volgens verzoeker een vrijgave per subgroep nagenoeg onmogelijk gemaakt en blijft enig hernieuwd begin van normale bedrijfsvoering ook onmogelijk. Verzoeker benadrukt dat indien hij de uitkomst van een vernietigingsprocedure ten gronde moet afwachten, de schade wellicht onherroepelijk zal zijn en zijn bedrijf niet overeind zal kunnen blijven. Hij laat verder gelden dat de bestreden beslissingen het voortbestaan van het rundveebedrijf zeer ernstig in het gedrang brengen, en zelfs als de beslissingen vernietigd zouden worden na anderhalf jaar of meer, zal dit wellicht, volgens hem, te laat komen om het bedrijf nog te redden. Het gaat hier immers niet om machines die bij wijze van spreken een tijdje uitgeschakeld en heropgestart kunnen worden, maar om dieren die een integraal deel van de voedselketen uitmaken en die op zich zijn bron van inkomsten vormen. Verzoeker ziet zich daarom genoodzaakt om naast de vernietiging ook de schorsing van de uitvoering van de bestreden beslissingen te vragen. De bestreden beslissingen brengen immers onherroepelijke schade met zich mee in zijn hoofde. Gezien de aard van de bedrijfsvoering XII-9827-6/13 (veehouderij) en gezien de stringente verplichtingen van de verwerende partij, die door de tweede bestreden beslissing geenszins daadwerkelijk gemilderd worden, is de kans nagenoeg uitgesloten dat zijn bedrijf de uitkomst van een vernietigingsprocedure kan overleven. Alzo dreigt het bestaan van het rundveebedrijf, zonder de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, in het gedrang te komen. Beoordeling
  15. Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie verantwoord kan worden. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsings-procedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op XII-9827-7/13 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2022, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2022, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
  16. Vooreerst dient te worden benadrukt dat, zoals hiervoor is vastgesteld, de (beweerde) vaststelling dat gezien de doorlooptijd van anderhalf jaar of meer van de vernietigingsprocedure, de vernietiging van de bestreden beslissingen wellicht te laat komt om het bedrijf nog te redden, op zich niet volstaat om de spoedeisendheid te verantwoorden.
  17. Wat het bij de eerste bestreden beslissing opgelegde verhoogde toezicht betreft, kan samenvattend worden gesteld, dat levende dieren het bedrijf enkel mogen verlaten mits toelating door de LCE OVB (Lokale controle-eenheid Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant van het FAVV), en met een Belgisch XII-9827-8/13 slachthuis als bestemming. Dit geldt niet voor kalveren jonger dan 30 dagen bestemd voor de vleeskalverhouderij. In overleg met de LCE kunnen de dieren op het bedrijf worden ingedeeld in subgroepen “op basis van de interne bewegingen […], het doel van de dieren, eventuele bloedstalen of […] voorgestelde biopsieën, andere redenen of onderzoeken”. Er kunnen dan proefslachtingen worden uitgevoerd op enkele dieren van zulke subgroep om analyses te verrichten op vleesmonsters. Op basis van de resultaten daarvan kunnen de dieren mogelijk worden vrijgegeven. Er kunnen ook nog nieuwe dieren worden aangekocht, die in beginsel onder het verhoogde toezicht vallen, behalve wanneer ze zouden voldoen aan de voorwaarden die toelaten de subgroep waarin ze passen vrij te geven. Hoewel daarover niets uitdrukkelijk wordt gesteld in de eerste bestreden beslissing mag worden verondersteld dat de verwerende partij het vlees van dieren waarvoor het verhoogde toezicht geldt en die zouden worden geslacht zal laten onderzoeken voor het op de markt zal kunnen worden gebracht. De tweede bestreden beslissing betreft een toepassing van het op grond van relevant geachte criteria indelen in subgroepen van de onder verhoogd toezicht geplaatste runderen, met de mogelijkheid dat na onderzoek van enkele voor de subgroep representatief geachte dieren alle dieren die er deel van uitmaken zouden worden vrijgegeven uit het verhoogde toezicht. Wat deze bestreden beslissing betreft moet worden opgemerkt dat het hanteren van een norm van 0,21 μg PFOS per kg vlees bij het onderzoeken van de voor een subgroep representatief geachte dieren geen verstrenging inhoudt van de norm van 0,30 μg die wordt gehanteerd voor het op de markt brengen van het vlees. Het is een marge die variaties tussen de dieren binnen de subgroep moet opvangen. Het vlees van onderzochte dieren dat 0,21 μg PFOS/kg zou overschrijden zonder 0,30 μg PFOS/kg te overschrijden kan nog steeds op de markt worden gebracht. De overschrijding leidt er wel toe dat de nog niet onderzochte dieren van de subgroep niet zonder verder onderzoek zullen worden vrijgegeven.
  18. In zoverre verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissingen “enig hernieuwd begin van normale bedrijfsvoering […] onmogelijk” maakt en XII-9827-9/13 “het bestaan van het rundveebedrijf, zonder de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, in het gedrang [dreigt] te komen”, beroept hij zich op een financieel-economisch nadeel. In de mate dat een verzoekende partij een financieel nadeel aanvoert, dient te worden opgemerkt dat het op zich niet volstaat een dergelijk nadeel in te roepen, om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financiële nadeel op de situatie van de verzoekende partij een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan lijden tot de uitspraak ten gronde. Om de spoedeisendheid aan te tonen, moeten de financiële gevolgen, zo zij concreet zijn aangetoond, in beginsel onomkeerbaar zijn en moet de omvang cq impact van een financieel en economisch nadeel bijgevolg, om een gebeurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat een verzoekende partij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Het financieel nadeel kan derhalve de spoedeisendheid verantwoorden wanneer het bestaan of voortbestaan zelf of, nog, het financieel evenwicht van een rechtspersoon ernstig in gevaar wordt gebracht en een vernietigingsarrest te laat zou komen. Als de activiteiten van de rechtspersoon zelf op een definitieve of op een moeilijk omkeerbare wijze in gevaar worden gebracht, dan geldt dit als een bijzondere reden. Wat dat betreft kan een verzoekende partij er zich niet toe beperken te stellen dat zij dit nadeel lijdt, zonder enig gegeven te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. De verzoekende partij dient bijgevolg het bewijs aan te brengen, minstens door het voorleggen van concrete argumenten en gegevens en door het toelichten van de te verwachten gevolgen van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en dit alles gestaafd met verifieerbare overtuigingsstukken. De gegevens en stukken moeten de rechter wel toelaten de spoedeisendheid te verifiëren, wat inhoudt dat de verzoekende XII-9827-10/13 partij redelijkerwijze aannemelijk dient te maken dat, gelet op de omvang en impact van de te verwachten financiële gevolgen, de vernietigingsprocedure niet kan worden afgewacht. Daarbij mag de Raad van State in beginsel alleen rekening houden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet en gestaafd. Hoewel het zich laat verstaan dat het verhoogd toezicht voor verzoeker ingrijpende gevolgen heeft, waardoor de werking van het rundveebedrijf zal worden verstoord, dan nog is vereist dat verzoeker, wil hij de spoedeisendheid verantwoorden, concreet aantoont aan de hand van verifieerbare gegevens én stavingstukken, dat het door hem aangevoerde nadeel, onomkeerbaar is en dat de omvang en impact van een financieel en economisch nadeel bijgevolg, om een gebeurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat hij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Een financieel-economisch nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid tenzij verzoeker concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat hij de normale afloop van de annulatieprocedure niet kan afwachten, bewijs dat zoals hierna zal blijken door hem niet wordt geleverd. Vermits het hoe dan ook aan verzoeker toekomt om door middel van overtuigende stukken een globaal en betrouwbaar inzicht te geven van de financiële toestand zodat de Raad van State het door hem aangevoerde financieel nadeel met kennis van zaken kan beoordelen, volstaat de vaststelling dat, nu verzoeker zich beperkt tot het louter poneren dat enig hernieuwd begin van normale bedrijfsvoering onmogelijk wordt gemaakt en het bestaan van het rundveebedrijf, zonder de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, in het gedrang dreigt te komen, hij, door het ontbreken van overtuigingsstukken ter zake, verzuimt dienaangaande enig zicht te geven in zijn financiële en economische toestand, op een wijze die de Raad van State zou toelaten een getrouw beeld te krijgen van het geclaimde financieel-economisch nadeel. Verzoeker maakt bijgevolg geenszins aannemelijk dat enig hernieuwd begin van normale bedrijfsvoering onmogelijk wordt gemaakt en het bestaan van XII-9827-11/13 het rundveebedrijf in het gedrang dreigt te komen door de bestreden beslissingen en dat hij niet in de mogelijkheid is om de duur van de annulatieprocedure te overbruggen.
  19. Wat voorafgaat leidt tot het besluit dat verzoeker niet aantoont dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. Conclusie
  20. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt de vordering.
  22. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter XII-9827-12/13 Silja Doms Chantal Bamps XII-9827-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.609 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.