id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.610 Rolnummer: A. 243949/XII-9829 Zaak: Arrest 262610 - Voedselveiligheid (FAVV) - 14/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-18 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-16 05:54 Fiche Arrest nr 262.610 van 14 maart 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 262.610 van 14 maart 2025 in de zaak A. 243.949/XII-9829 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joris Claes en Aline Mertens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 tegen: het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN (FAVV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 13 januari 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: - de beslissing van het Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen van 13 november 2024 waarbij het bedrijf van verzoekende partij onder verhoogd toezicht wordt geplaatst; - de beslissing van het Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen van 18 december 2024 “waarbij de voorgestelde indeling in subgroepen bevestigd XII-9829-1/15 wordt, maar[verzoekster ] verplicht wordt om rekening te houden met een foutenmarge van 30% en een aanvullende drempelwaarde van 21 μg/kg”; - de beslissing van het Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen van 10 januari 2025 “waarbij beslist wordt om, zelfs na voldoen aan de door het FAVV opgelegde bijkomende voorwaarden van 18 december 2024, toch nog niet tot vrijgave van de groep ‘Stal Agrinbo’ over te gaan”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 21 januari 2025werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart 2015, om 10u
- Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Frederick Valcke die, loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. XII-9829-2/15 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster exploiteert een rundveehouderij in Beveren-Waas. 3.
- Naar aanleiding van plannen voor de uitbreiding van de infrastructuur van de Antwerpse Haven met een nieuw containerdok worden er in de omgeving van verzoeksters bedrijf bodemonderzoeken uitgevoerd door de nv Tractebel engineering. De resultaten daarvan leiden er toe dat er bij meerdere landbouwbedrijven en bij particulieren in de omgeving testen worden uitgevoerd op dieren en landbouwproducten (gewassen, eieren, melk en vlees) en op groenten uit moestuinen. 3.
- Op 18 september 2024 legt de verwerende partij bij toepassing van artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 ‘houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen’ (hierna: koninklijk besluit van 22 februari 2001) bewarend beslag op 229 runderen, op grond van de volgende overwegingen: “Ernstige vermoedens contaminatie van de runderen met per- en polyfluoralkyl-stoffen (PFAS), meer bepaald PFOS dat een congeneer is van PFAS, op basis van resultaten van analyses uitgevoerd op een rundveebedrijf gelegen in dezelfde omgeving met gelijkaardige werking: - Officiële staalnames van runderen die gehouden worden/geweest zijn in het Verdronken Land van Saeftinghe wijzen op hoge contaminatie (waarden tot 96 μg/L totaal PFOS in bloed). Norm PFOS vlees: 0,3 μg/kg volgens Verordening 2023/2915 van de Commissie van 25 april 2023 betreffende maximumgehalte aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1881/2006 (Ver. 2023/2915). - Officiële staalnames van runderen die gehouden worden in de omgeving van het bedrijf wijzen op contaminatie met PFOS (waarden tot 1,9 μg/L totaal PFOS in bloed). Norm PFOS vlees: 0,30 μg/kg volgens eerder geciteerde Verordening 2023/915.” XII-9829-3/15 3.
- Er worden bloedstalen genomen van enkele van verzoeksters runderen. 3.
- Op 17 oktober 2024 verlengt de verwerende partij het bewarend beslag en laat zij weten dat zij omwille van de resultaten van de analyses op de bloedstalen de intentie heeft om bij toepassing van artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 de runderen definitief in beslag te nemen. Verzoekster wordt uitgenodigd om zijn eventuele bezwaren te laten kennen. 3.
- Op 22 oktober 2024 laat verzoekster haar bezwaren kennen. Op 4 november 2024 vindt er een hoorzitting plaats. Op 13 november 2024 plaatst de verwerende partij het bedrijf onder verhoogd toezicht, bij toepassing van artikel 14, lid 8, van Verordening (EG) Nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 ‘tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelen-wetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden’. Dit is de eerste bestreden beslissing. Dit verhoogde toezicht houdt in, samengevat, dat levende dieren het bedrijf enkel mogen verlaten mits toelating door de LCE OVB (Lokale controle-eenheid Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant van het FAVV), en met een Belgisch slachthuis als bestemming; dit geldt niet voor kalveren jonger dan 30 dagen bestemd voor de vleeskalverhouderij. In overleg met de LCE kunnen de dieren op het bedrijf worden ingedeeld in subgroepen “op basis van de interne bewegingen […], het doel van de dieren, eventuele bloedstalen of […] voorgestelde biopsieën, andere redenen of onderzoeken”. Er kunnen dan proefslachtingen worden uitgevoerd op enkele dieren van zulke subgroep om analyses te verrichten op vleesmonsters. Op basis van de resultaten daarvan kunnen de dieren mogelijk worden vrijgegeven. Er kunnen ook nog nieuwe dieren worden aangekocht, die in beginsel onder het verhoogde toezicht vallen, behalve XII-9829-4/15 wanneer ze zouden voldoen aan de voorwaarden die de subgroep waarin ze passen vrij te geven. Het bewarend beslag wordt opgeheven. 3.
- Op 28 november 2024 wordt een van verzoeksters dieren geslacht en worden er vleesmonsters genomen. Op 6 december 2024 bezorgt verzoekster de analyseresultaten aan de verwerende partij. Gelet op het resultaat ervan vraagt ze de vrijgave van het geslachte dier en van de subgroep “Stal Agrinbro” waarvan het deel uitmaakte. 3.
- Op 7 december 2024 antwoordt de verwerende partij dat het geslachte dier werd vrijgegeven. De vraag om de hele subgroep (naast het geslachte dier nog 76 runderen) vrij te geven wordt nog geëvalueerd. Op 10 december 2024 laat de verwerende partij weten dat verzoekster, anders dan was voorzien, geen overleg heeft gepleegd over het samenstellen van subgroepen en over de voor de vrijgave van dieren uit te voeren analyses. Verzoekster wordt gevraagd om een en ander te verduidelijken over de samenstelling van de genoemde subgroep. Verzoekster beantwoordt de vragen op 12 december 2024, waarbij ze er ook op wijst dat er over de door haar gevolgde werkwijze wel degelijk eerder werd gecommuniceerd. 3.
- Op 18 december 2024 laat de verwerende partij weten akkoord te gaan met de door verzoekster omschreven subgroep “Stal Agrinbro”. Naast het reeds onderzochte geslachte dier moeten de 4 oudste dieren van de groep worden onderzocht. Het FAVV gaat nog steeds uit van de norm maximaal 0,30 μg PFOS per kg vlees, maar stelt dat daarbij om variaties binnen een groep op te vangen een marge van 30% dient te worden gehanteerd. Als een van de onderzochte vleesmonsters meer dan 0,21 μg PFOS per kg vlees zou bevatten zal er daarom geen vrijgave mogelijk zijn zonder verder onderzoek. Omdat verzoekster eerder heeft laten weten 12 dieren te willen laten slachten om het vlees te verkopen, verduidelijkt de verwerende partij dat daartegen geen bezwaar bestaat. Minstens de 4 oudste dieren moeten dan worden onderzocht, maar een enkel niet-conform analyseresultaat kan er dan toe leiden dat de 12 karkassen voorlopig geblokkeerd XII-9829-5/15 blijven. Om dat risico te vermijden kan verzoekster er ook voor kiezen om meteen de 12 karkassen te laten bemonsteren. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
- Op 27 december 2024 laat verzoekster weten dat de 4 oudste runderen van de subgroep “Stal Agrinbro” op 31 december 2024 zullen worden geslacht en vervolgens onderzocht. 3.
- Op 10 januari 2025 laat de verwerende partij weten dat de karkassen van de 4 onderzochte dieren conform de norm zijn gebleken en werden vrijgegeven. Of de hele subgroep kan worden vrijgegeven wordt echter nog in beraad gehouden. Dit is de derde bestreden beslissing. 3.
- Op 13 januari 2025 dient verzoekster de huidige vordering tot schorsing in. 3.
- Op 14 januari 2025, met een e-mailbericht verzonden om 10:59 uur en een aangetekende brief, stelt verzoekster de verwerende partij in gebreke voor het niet vrijgeven van de resterende 72 dieren van de subgroep. Met een e-mailbericht verzonden diezelfde dag om 16:49 uur laat de verwerende partij weten dat alle dieren van de subgroep “Stal Agrinbo” worden vrijgegeven. XII-9829-6/15 IV. Ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing Exceptie teloorgaan van het voorwerp wat de derde bestreden beslissing betreft Standpunt van de partijen
- In de nota laat de verwerende partij gelden dat de runderen van de subgroep ‘Stal Agrinbo’ formeel werden vrijgegeven op 14 januari 2025 en dat de derde bestreden beslissing zodoende heeft opgehouden uitwerking te hebben. De verwerende partij benadrukt dat verzoekster geen belang heeft bij de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de derde bestreden beslissing en dat het schorsingsverzoek om die reden, wat de derde bestreden beslissing betreft, moet worden verworpen.
- Ter terechtzitting naar het standpunt dienaangaande van verzoekster gevraagd, heeft zij niets daartegen ingebracht. Beoordeling
- Zoals blijkt uit stuk 32 van het administratief dossier werden bij beslissing van de verwerende partij van 14 januari 2025 alle dieren van de subgroep “Stal Agrinbo” vrijgegeven. Bijgevolg heeft de vordering tot schorsing wat de derde bestreden beslissing betreft geen voorwerp meer. Uit het voorgaande volgt dat de exceptie van de verwerende partij gericht tegen de derde bestreden beslissing in de huidige stand van de zaak de vereiste ernst vertoont opdat ze kan worden aangenomen.
- Gelet op wat voorafgaat, volgt dat de vordering tot schorsing niet-ontvankelijk is wat de derde bestreden beslissing betreft. XII-9829-7/15 De vordering wordt hierna enkel wat de eerste en tweede bestreden beslissing betreft, beoordeeld. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. VI. Spoedeisendheid Standpunt van verzoekster
- Verzoekster laat ter verantwoording van de spoedeisendheid in essentie gelden dat het verhoogd toezicht (eerste bestreden beslissing) werd gepresenteerd als een “mildering” van de initieel voorgestelde maatregel tot beslag, terwijl het in de praktijk bijzonder weinig lijkt te verschillen van de initieel voorgestelde “strengere” maatregel. De verplichtingen die aan het verhoogd toezicht verbonden zijn, maken enig hernieuwd begin van normale bedrijfsvoering volgens verzoekster onmogelijk, nu voor elk dier een speciale controle en goedkeuring van het FAVV is vereist. Ook omvat het verhoogd toezicht de mogelijkheid van opdeling in subgroepen, waarmee schijnbaar een perspectief tot gedeeltelijke normale bedrijfsvoering geboden wordt door het FAVV. In de tweede bestreden beslissing gaat de verwerende partij volgens verzoekster weliswaar akkoord met de voorgestelde opdeling, maar legt zij een meetonzekerheid van 30% en een aanvullende drempelwaarde van 21 μg/kg op. Hierdoor wordt volgens verzoekster een vrijgave per subgroep op de lange baan geschoven, om niet te zeggen onmogelijk gemaakt. Verzoekster benadrukt dat XII-9829-8/15 indien zij de uitkomst van een vernietigingsprocedure ten gronde moet afwachten, de schade wellicht onherroepelijk zal zijn en haar bedrijf niet overeind zal kunnen blijven. Zij laat verder gelden dat de bestreden beslissingen het voortbestaan van het rundvee-bedrijf zeer ernstig in het gedrang brengen, en zelfs als de beslissingen vernietigd zouden worden na anderhalf jaar of meer, zal dit wellicht te laat komen om het bedrijf nog te redden. Het gaat hier immers niet om machines die bij wijze van spreken een tijdje uitgeschakeld en heropgestart kunnen worden, maar om dieren die een integraal deel van de voedselketen uitmaken en die op zich zijn bron van inkomsten vormen. Verzoekster ziet zich daarom genoodzaakt om naast de vernietiging ook de schorsing van de uitvoering van de bestreden beslissingen te vragen. De bestreden beslissingen brengen immers onherroepelijke schade met zich mee in haar hoofde, daar die inbeslagname noodzakelijkerwijze zal leiden tot de (volledige) stopzetting van de het rundveebedrijf. Gezien de aard van de bedrijfsvoering (veehouderij) en gezien de stringente verplichtingen van de verwerende partij, die door de tweede bestreden beslissing geenszins daadwerkelijk gemilderd worden, is de kans nagenoeg uitgesloten dat haar bedrijf de uitkomst van een vernietigingsprocedure kan overleven. Alzo dreigt het bestaan van het rundveebedrijf, zonder de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, in het gedrang te komen. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen XII-9829-9/15 die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie verantwoord kan worden. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2022, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2022, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). XII-9829-10/15 Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- Vooreerst dient te worden benadrukt dat, zoals hiervoor is vastgesteld, de (beweerde) vaststelling dat gezien de doorlooptijd van anderhalf jaar of meer van de vernietigingsprocedure, de vernietiging van de bestreden beslissingen wellicht te laat komt om het bedrijf nog te redden, op zich niet volstaat om de spoedeisendheid te verantwoorden.
- Wat het bij de eerste bestreden beslissing opgelegde verhoogde toezicht betreft, kan samenvattend worden gesteld, dat levende dieren het bedrijf enkel mogen verlaten mits toelating door de LCE OVB (Lokale controle-eenheid Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant van het FAVV), en met een Belgisch slachthuis als bestemming. Dit geldt niet voor kalveren jonger dan 30 dagen bestemd voor de vleeskalverhouderij. In overleg met de LCE kunnen de dieren op het bedrijf worden ingedeeld in subgroepen “op basis van de interne bewegingen […], het doel van de dieren, eventuele bloedstalen of […] voorgestelde biopsieën, andere redenen of onderzoeken”. Er kunnen dan proefslachtingen worden uitgevoerd op enkele dieren van zulke subgroep om analyses te verrichten op vleesmonsters. Op basis van de resultaten daarvan kunnen de dieren mogelijk worden vrijgegeven. Er kunnen ook nog nieuwe dieren worden aangekocht, die in beginsel onder het verhoogde toezicht vallen, behalve wanneer ze zouden voldoen aan de voorwaarden die toelaten de subgroep waarin ze passen vrij te geven. Hoewel daarover niets uitdrukkelijk wordt gesteld in de eerste bestreden beslissing mag worden verondersteld dat de verwerende partij het vlees van dieren waarvoor het verhoogde toezicht geldt en die zouden worden geslacht zal laten onderzoeken voor het op de markt zal kunnen worden gebracht. De tweede bestreden beslissing betreft een toepassing van het op grond van relevant geachte criteria indelen in subgroepen van de onder verhoogd toezicht geplaatste runderen, met de mogelijkheid dat na onderzoek van enkele XII-9829-11/15 voor de subgroep representatief geachte dieren alle dieren die er deel van uitmaken zouden worden vrijgegeven uit het verhoogde toezicht. Wat deze bestreden beslissing betreft moet worden opgemerkt dat het hanteren van een norm van 0,21 μg PFOS per kg vlees bij het onderzoeken van de voor een subgroep representatief geachte dieren geen verstrenging inhoudt van de norm van 0,30 μg die wordt gehanteerd voor het op de markt brengen van het vlees. Het is een marge die variaties tussen de dieren binnen de subgroep moet opvangen. Het vlees van onderzochte dieren dat 0,21 μg PFOS/kg zou overschrijden zonder 0,30 μg PFOS/kg te overschrijden kan nog steeds op de markt worden gebracht. De overschrijding leidt er wel toe dat de nog niet onderzochte dieren van de subgroep niet zonder verder onderzoek zullen worden vrijgegeven. Te dezen is gebleken dat de indeling van de dieren in subgroepen wel degelijk tot verlichting kan leiden.
- In zoverre verzoekster aanvoert dat de bestreden beslissingen “enig hernieuwd begin van normale bedrijfsvoering […] onmogelijk” maakt en “het bestaan van het rundveebedrijf, zonder de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, in het gedrang [dreigt] te komen”, beroept zij zich op een financieel-economisch nadeel. In de mate dat een verzoekende partij een financieel nadeel aanvoert, dient te worden opgemerkt dat het op zich niet volstaat een dergelijk nadeel in te roepen, om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financiële nadeel op de situatie van de verzoekende partij een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan lijden tot de uitspraak ten gronde. Om de spoedeisendheid aan te tonen, moeten de financiële gevolgen, zo zij concreet zijn aangetoond, in beginsel onomkeerbaar zijn en moet de omvang cq impact van een financieel en economisch nadeel bijgevolg, om een gebeurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat een verzoekende partij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Het XII-9829-12/15 financieel nadeel kan derhalve de spoedeisendheid verantwoorden wanneer het bestaan of voortbestaan zelf of, nog, het financieel evenwicht van een rechtspersoon ernstig in gevaar wordt gebracht en een vernietigingsarrest te laat zou komen. Als de activiteiten van de rechtspersoon zelf op een definitieve of op een moeilijk omkeerbare wijze in gevaar worden gebracht, dan geldt dit als een bijzondere reden. Wat dat betreft kan een verzoekende partij er zich niet toe beperken te stellen dat zij dit nadeel lijdt, zonder enig gegeven te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. De verzoekende partij dient bijgevolg het bewijs aan te brengen, minstens door het voorleggen van concrete argumenten en gegevens en door het toelichten van de te verwachten gevolgen van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en dit alles gestaafd met verifieerbare overtuigingsstukken. De gegevens en stukken moeten de rechter wel toelaten de spoedeisendheid te verifiëren, wat inhoudt dat de verzoekende partij redelijkerwijze aannemelijk dient te maken dat, gelet op de omvang en impact van de te verwachten financiële gevolgen, de vernietigingsprocedure niet kan worden afgewacht. Daarbij mag de Raad van State in beginsel alleen rekening houden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet en gestaafd. Hoewel het zich laat verstaan dat het verhoogd toezicht voor verzoekster ingrijpende gevolgen heeft, waardoor de werking van het rundvee-bedrijf zal worden verstoord, dan nog is vereist dat verzoekster, wil zij de spoedeisendheid verantwoorden, concreet aantoont aan de hand van verifieerbare gegevens én stavingstukken, dat het door haar aangevoerde nadeel, onomkeerbaar is en dat de omvang en impact van een financieel en economisch nadeel bijgevolg, om een gebeurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat zij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Een financieel-economisch nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid tenzij verzoekster concreet kan aantonen in een zodanige penurie XII-9829-13/15 te zitten dat zij de normale afloop van de annulatieprocedure niet kan afwachten, bewijs dat zoals hierna zal blijken door haar niet wordt geleverd. Vermits het hoe dan ook aan verzoekster toekomt om door middel van overtuigende stukken een globaal en betrouwbaar inzicht te geven van de financiële toestand zodat de Raad van State het door haar aangevoerde financieel nadeel met kennis van zaken kan beoordelen, volstaat de vaststelling dat, nu verzoekster zich beperkt tot het louter poneren dat enig hernieuwd begin van normale bedrijfsvoering onmogelijk wordt gemaakt en het bestaan van het rundveebedrijf, zonder de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, in het gedrang dreigt te komen, zij, door het ontbreken van overtuigingsstukken ter zake, verzuimt dienaangaande enig zicht te geven in haar financiële en economische toestand, op een wijze die de Raad van State zou toelaten een getrouw beeld te krijgen van het geclaimde financieel-economisch nadeel. Verzoekster maakt bijgevolg geenszins aannemelijk dat enig hernieuwd begin van normale bedrijfsvoering onmogelijk wordt gemaakt en het bestaan van het rundveebedrijf in het gedrang dreigt te komen door de bestreden beslissingen en dat zij niet in de mogelijkheid is om de duur van de annulatieprocedure te overbruggen.
- Wat voorafgaat leidt tot het besluit dat verzoekster niet aantoont dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. XII-9829-14/15 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9829-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.610 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.