id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.652 Rolnummer: A. 244069/IX-10622 Zaak: Arrest 262652 - Varia (onderwijs en cultuur) - 18/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-19 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-16 05:55 Fiche Arrest nr 262.652 van 18 maart 2025 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 262.652 van 18 maart 2025 in de zaak A. 244.069/IX-10.622 In zake:
(17)dagen nodig had om de aanvraag te beoordelen. […] Dit impliceert dan ook dat mochten verzoekende partijen tevergeefs opzoek gaan naar een alternatieve locatie, zij nadien nog beroep moesten doen op de procedure uiterst dringende noodzakelijk om de nodige rechtsbescherming te krijgen. In die omstandigheden zouden verzoekende partijen tevens niet langer diligent hebben gehandeld, hetgeen ongetwijfeld gebruikt zou worden als argument door verwerende partij.” Vervolgens zetten de verzoekende partijen, onder verwijzing naar bepaalde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot de keuze van locatie door de organisator, uiteen waarom zij specifiek een zaal van de Universiteit Gent beogen te gebruiken. Ter zake stellen zij als uitgangspunt: “Enkel één van de zalen van verwerende partij geeft verzoekende partijen de nodige voldoening conform haar doelgroep en activiteiten. Er zijn verscheidene redenen die voormelde concretiseren.” Die redenen zien de verzoekende partijen dan gelegen in het volgende. In de eerste plaats doen zij opmerken dat er de laatste jaren nooit problemen zijn geweest met lezingen die de eerste verzoekende partij organiseerde: niet bij de verwerende partij en evenmin met gastspreker M.S. aan een andere universiteit. Ten tweede geeft de organisatie in een aula een groot veiligheidsvoordeel omwille van de eigen ordedienst van de verwerende partij. IX-10.622-7/16 Ten derde zijn de meeste lokalen van de Universiteit Gent uiterst geschikt gelegen, namelijk niet aan de straatkant, wat bescherming biedt tegen projectielen “richting de leden van [de] eerste verzoekende partij en de door haar uitgenodigde gastsprekers”. Voorts is de eerste verzoekende partij een aan de Universiteit Gent erkende studentenvereniging en zijn de studenten aldaar de beoogde doelgroep, waar zij leden wil ronselen. De meeste bestaande leden studeren overigens aan de Universiteit Gent, zodat de veiligheid ermee is gebaat dat zij de routes naar en in de universitaire gebouwen kennen. Daarnaast betogen de verzoekende partijen dat zij buiten de Universiteit Gent geen geschikte en kosteloze zaal kunnen vinden. Zij voeren aan dat de eerste verzoekende partij als studentenvereniging een zeer beperkte financiering heeft, dat de organisatie van lezingen voor haar (potentiële) aanhangers de kern van haar bestaansreden is en dat het in die omstandigheden is vereist dat zij kosteloos lezingen kan organiseren. Bovendien moet rekening worden gehouden met een voldoende capaciteit. Uit een zoektocht op internet blijkt, zo stellen de verzoekende partijen, dat een zaal aan de Universiteit Gent de enige realistische optie is: andere zalen zijn te klein, te duur of te ver afgelegen, of worden om ideologische overwegingen niet aan de eerste verzoekende partij ter beschikking gesteld. De verzoekende partijen verwijzen naar een afdruk van een zoekopdracht op het internet, waaruit volgens hen blijkt dat geen enkele zaal kosteloos aan een studentenvereniging ter beschikking wordt gesteld en dat ze bovendien om de andere vóórmelde redenen niet voldoen. Beoordeling
- Zoals sub 4 in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. IX-10.622-8/16
- Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.
- In de mate dat de verzoekende partijen aanvoeren dat een verwerping van het schorsingsverzoek een “precedentwerking” zal hebben op de houding van andere bestuurlijke overheden wanneer zij met controversiële meningen worden geconfronteerd, beroepen zij zich op schadelijke gevolgen die niet rechtstreeks het gevolg zijn van de thans bestreden beslissing, minstens zonder actuele invloed zijn op hun eigen rechtspositie. Een dergelijk betoog kan de spoedeisendheid van het schorsingsverzoek niet aantonen. Voor zover de verzoekende partijen vragen om bij de beoordeling van de spoedeisendheid ook rekening te houden met “de omstandigheid dat fundamentele rechten en vrijheden in ernstige mate zijn aangetast” moet worden opgemerkt dat de spoedeisendheid en het aanvoeren van minstens één ernstig middel twee afzonderlijke schorsingsvoorwaarden zijn. Het gegeven dat een (enig) middel betrekking heeft op grondwettelijk of internationaalrechtelijk gewaarborgde rechten en vrijheden betekent niet dat het IX-10.622-9/16 daarmee in verband gebrachte nadeel ipso facto volstaat om een beroep op de schorsingsprocedure te verantwoorden. Daarbij aansluitend moet worden opgemerkt dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarnaar de verzoekende partijen verwijzen omtrent een principiële keuzevrijheid van een organisator met betrekking tot de locatie en het tijdstip van een evenement, verband houdt met de beoordeling van de regelmatigheid van het overheidsoptreden en niet met de spoedeisendheid.
- Bij de beoordeling van het aangevoerde uit de bestreden beslissing voortvloeiende nadeel moet ermee rekening worden gehouden dat de schorsingsprocedure niet is bedoeld om nadelen te verhinderen die de verzoekende partij zelf kan vermijden of ongedaan maken. Op een verzoekende partij rust derhalve, wanneer zij daartoe bij machte is, een schadebeperkingsplicht.
- De door de verzoekende partijen ter staving van de spoedeisendheid ingeroepen elementen kunnen enkel worden betrokken op de eerste verzoekende partij. Het gaat immers om háár statuut van erkende studentenvereniging en de daaruit voortvloeiende aanspraken, háár doelpubliek, háár financiële mogelijkheden en de veiligheid van háár leden en de gastspreker. Er worden geen elementen van spoedeisendheid aangevoerd die specifiek aan de tweede verzoekende partij zijn gerelateerd. De uiteenzetting omtrent de veiligheid, die ook op de tweede verzoekende partij kan worden betrokken, valt samen met wat ter zake voor de eerste verzoekende partij wordt gesteld. De schorsingsvoorwaarde van de spoedeisendheid wordt hierna in die zin beoordeeld. 13.
- De verzoekende partijen achten “een aula” het meest geschikt omwille van de daaraan verbonden veiligheidsvoordelen, enerzijds voor de ordehandhaving en anderzijds omdat een dergelijk lokaal niet is gelegen aan de IX-10.622-10/16 straatkant, van waar het “vaak voorkomt” dat projectielen worden gelanceerd “wanneer controversiële ideologische strekkingen aan bod komen”. Nog daargelaten dat de verzoekende partijen niet concreet aantonen dat lokalen buiten de Universiteit Gent niet aan die vereisten kunnen voldoen, moet worden opgemerkt dat zij het veiligheidsrisico bij door de eerste verzoekende partij georganiseerde lezingen zelf danig nuanceren door te beklemtonen dat bij een lezing op 3 december 2024 in een lokaal van de verwerende partij “geen enkel probleem voorhanden” was en dat een lezing met gastspreker M.S. in april 2023 aan een andere universiteit al evenmin een “opmerkelijke opstoot van geweld of andere problemen” veroorzaakte. Aldus overtuigen de verzoekende partijen niet ervan dat thans bij een door de eerste verzoekende partij georganiseerde lezing op een andere locatie dan in een gebouw van de verwerende partij wél ordeverstoringen zouden ontstaan en dat in voorkomend geval de openbare ordehandhaving en de eigen ordediensten van de eerste verzoekende partij niet zouden volstaan. Een noodzaak om te kunnen beschikken over de ordedienst van de verwerende partij is aldus evenmin aangetoond. 13.
- Gewis kan worden aangenomen dat de doelgroep bestaat uit studenten aan de Universiteit Gent en dat de eerste verzoekende partij in eerste instantie in die groep leden wil ronselen. Een organisatie van de lezing buiten de gebouwen van de universiteit weerhoudt de verzoekende partijen evenwel niet om publiciteit te voeren bij de studenten van de verwerende partij. Dat die personen vertrouwd zijn met de lokalen van de Universiteit Gent de routes daarnaartoe, valt al evenzeer te begrijpen. Daarmee is evenwel allerminst aangetoond dat het beoogde publiek ook enkel en alleen in een dergelijke locatie zou willen bijeenkomen. Meer bepaald valt niet in te zien waarom de eerste verzoekende partij – en desgevallend haar ordedienst – niet in staat zouden zijn om een voor de spreker en de deelnemers (veilige) route naar een andere locatie uit te stippelen. Overigens wordt het doelpubliek van de Gentse afdeling van de eerste verzoekende partij in het verzoekschrift gesitueerd “binnen de contouren van de Gentse studentenbuurt”, wat alleszins ruimer is dan (de gebouwen van) de Universiteit Gent. IX-10.622-11/16 13.
- Voor zover wordt aangevoerd dat de eerste verzoekende partij als erkende studentenvereniging de infrastructuur van de verwerende partij kosteloos kan gebruiken en zij voor een andere locatie zou moeten betalen, voert zij een financieel nadeel aan. Het mag vaste rechtspraak van de Raad van State heten dat een financieel nadeel, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, kan worden hersteld na een arrest over het beroep tot nietigverklaring. Om de spoedeisendheid aan te tonen, moeten de financiële gevolgen een significante impact hebben. De omvang van een financieel nadeel moet dus, om een gebeurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat een verzoekende partij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Een verzoekende partij kan er zich niet toe beperken te stellen dat zij dit nadeel lijdt, zonder enig gegeven te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. Er is niet aangetoond dat de eerste verzoekende partij het eventuele financiële nadeel dat erin zou bestaan een huurprijs te betalen voor een locatie buiten de infrastructuur van de verwerende partij, niet kan dragen in afwachting van een arrest over het beroep tot nietigverklaring. De loutere bewering dat de eerste verzoekende partij, die een rechtspersoon is, over een “uiterst beperkte financiering” beschikt en dat het daarom “vereist [is] dat zij kosteloos lezingen kan organiseren”, wordt door geen enkel stavingstuk onderbouwd. De verzoekende partijen laten na enig inzicht te verschaffen in de beschikbare financiële middelen van de eerste verzoekende partij, laat staan dat wordt aangetoond dat zij in de financiële onmogelijkheid verkeert om een zaal te huren of dat een dergelijke uitgave haar financieel evenwicht dermate ernstig in het gedrang zou brengen dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing en het daaropvolgend rechtsherstel geen onmiddellijk nut meer kan hebben. IX-10.622-12/16 13.
- De slotsom is dat de verzoekende partijen niet ervan overtuigen dat zij voor de organisatie van de beoogde lezing noodzakelijkerwijze zijn aangewezen op een lokaal van de verwerende partij.
- Uit wat voorafgaat en rekening houdend met de sub 9 vermelde schadebeperkingsplicht, volgt dat de verzoekende partijen slechts van de rechtens vereiste spoedeisendheid blijk geven wanneer zij voldoende aannemelijk maken dat zij de facto op een andere locatie niet terecht kunnen. Veel moeite blijken de verzoekende partijen zich voor die zoektocht niet te hebben getroost, wel integendeel. In hun verzoekschrift, zoals sub 5.2 aangehaald, geven zij immers aan dat zij eigenlijk geen alternatieve locatie hebben gezocht. Gelet op de tijd die hen ter beschikking stond na de kennisgeving van de bestreden beslissing hadden de verzoekende partijen nochtans gewis méér kunnen doen dan het louter raadplegen van een website met een aanbod van zalen te Gent.
- Het enige overtuigingsstuk dat de verzoekende partijen met betrekking tot mogelijke alternatieve locaties met hun verzoekschrift voorleggen, is inderdaad een afdruk van de ‘zalenzoeker’ op de website van de stad Gent, waarop resultaten te zien zijn die beantwoorden aan de zoekcriteria ‘vereniging’ en ‘101-250 personen’. Aangezien de verzoekende partijen zelf naar capaciteit hebben gefilterd, moet worden aangenomen dat alle negentien zoekresultaten alvast aan dat criterium voldoen. Daargelaten nog de vraag of op deze website álle zalen in Gent zijn opgenomen, moet vooreerst worden opgemerkt dat de zoekactie blijkens de afdruk “19 resultaten” opleverde, waarvan er op het door de verzoekende partijen neergelegde stuk evenwel slechts zes bij naam worden genoemd, met vermelding van de locatie en de capaciteit. Van slechts drie van die zes locaties worden dan IX-10.622-13/16 nog nadere details zoals een beschrijving van het pand en de prijs vermeld. Waarom dertien zoekresultaten geheel buiten beschouwing blijven, valt niet te vernemen. Die vaststelling doet reeds ernstige twijfels rijzen over de door de verzoekende partijen aangevoerde volstrekte onmogelijkheid om buiten de Universiteit Gent een geschikte zaal te vinden.
- Sub 11.3 is reeds uiteengezet waarom het betalend karakter van locaties buiten de Universiteit Gent de aangevoerde spoedeisendheid niet kan schragen. Overigens wordt van zestien zoekresultaten de kostprijs niet getoond. Ten overvloede moet nog worden aangestipt dat de eerste verzoekende partij op het eerste gezicht een erkende studentenvereniging bij de stad Gent is en in dat opzicht in aanmerking lijkt te komen voor verminderde tarieven bij de huur van bepaalde zalen. Alvast voor de drie zalen waarvan de verzoekende partijen details voorleggen en die sub 15 ter sprake komen, varieert de huurprijs voor erkende/betoelaagde verenigingen van ‘gratis’ (voor socio-culturele activiteiten) tot 440 euro (ongeacht de aard van de activiteit). De verzoekende partijen tonen niet aan dat de organisatie van de lezing niet als een socio-culturele activiteit zou worden beschouwd.
- Er zijn dan volgens de verzoekende partijen twee redenen waarom alsnog geen van deze locaties in aanmerking komt: de afstand tot de studentenbuurt is te groot, of sommige zalen hebben “een zekere (christelijke) waarde die lezingen die gepaard gaan met controverse niet verteren”. Die argumentatie kan niet worden bijgevallen. De vermoedelijke weigering tot verhuur die de verzoekende partijen toedichten aan een “(christelijke) waarde” wordt op geen enkele zaal in concreto betrokken en is een loutere bewering die door niets wordt gestaafd. IX-10.622-14/16 Van de drie locaties waarvan de verzoekende partijen de details meedelen (Kapittelzaak Sint-Pietersabdij, Cellarium Sint-Pietersabdij en Theaterzaal in Dienstencentrum Ledeberg) voeren zij níét aan dat ze te ver van de studentenbuurt zijn gelegen (de eerste twee zalen zijn gelegen aan het Sint-Pietersplein) of dat de uitbater onwillig zou zijn om de zaal aan de eerste verzoekende partij te verhuren met het oog op een lezing door M.S. De verzoekende partijen tonen niet aan dat zij de uitbaters van één of meer van deze zalen hebben gecontacteerd of dat deze zalen op 26 maart 2025 niet beschikbaar zijn – ook niet de zaal waarover de eerste verzoekende partij mogelijk gratis had kunnen beschikken. Die vaststelling volstaat om te besluiten dat de verzoekende partijen niet ervan overtuigen dat zij buiten de gebouwen van de verwerende partij geen geschikte locatie konden vinden om aldus het aangevoerde nadeel – het niet kunnen organiseren van de lezing – te keren.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat het tweede aangevoerde argument, namelijk dat de beoogde lezing enkel op 26 maart 2025 kan doorgaan, zelfs indien het zou worden bijgevallen niet ertoe kan leiden dat de schorsingsvoorwaarde van de spoedeisendheid is vervuld, zodat het geen nader onderzoek behoeft.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. IX-10.622-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jim Deridder IX-10.622-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.652 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.270 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div