← België

Arrest 262684 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 20/03/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.684 Rolnummer: A. 211567/XII-9595 Zaak: Arrest 262684 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 20/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-25 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-16 05:57 Fiche Arrest nr 262.684 van 20 maart 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.684 no lien 282227 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 262.684 van 20 maart 2025 in de zaak A. 211.567/XII-9595 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Arnou kantoor houdend te 8210 Zedelgem Burgemeester Joseph Lievensstraat 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniels kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 4 februari 2014, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Geneeskundige Commissie van Beroep, Nederlandstalige Kamer, van 6 december 2013 betreffende het beroep ingesteld door verzoeker, dokter in de geneeskunde, tegen de beslissing van de Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen van 4 juli 2013, waarbij zijn visum definitief wordt ingetrokken. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 231.281 van 21 mei 2015 heeft de Raad van State de procedure geschorst tot aan de mededeling van het definitieve gevolg dat is gegeven aan de strafrechtelijke klacht wegens valsheid in geschrifte. XII-9595-1/13 Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart
  3. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annette Vermout, die loco advocaat Patrick Arnou verschijnt voor verzoeker, en advocaat Daisy Daniels, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Er zijn diverse meldingen in verband met het voorschrijfgedrag van verzoeker, die huisarts is in Oostende. Met een brief van 21 november 2011 nodigt de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen verzoeker uit voor een gesprek op dinsdag 29 november
  6. De uitnodiging vermeldt dat verzoeker om verantwoording zal worden gevraagd over zijn voorschrijfgedrag. Daarna worden verdere inlichtingen ingewonnen. 3.
  7. Bij vonnis van de correctionele rechtbank van Brugge van 25 juni 2012 wordt verzoeker veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens het onrechtmatig voorschrijven van flunitrazepam. XII-9595-2/13 3.
  8. Verzoeker wordt opnieuw uitgenodigd met een brief van 25 oktober 2012 van de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen voor een gesprek in verband met de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten. 3.
  9. Op 9 januari 2013 laat de voorzitter van de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen aan verzoeker weten dat de Nationale Raad van de Orde der Artsen drie artsen heeft aangesteld om een deskundig onderzoek te voeren naar de fysieke en psychische geschiktheid van verzoeker om het beroep uit te oefenen. 3.
  10. In hun verslag van 25 april 2013 besluiten de deskundigen dat men verzoekers visum afhankelijk kan maken van de verplichting zich te voegen naar de wetgeving betreffende een substitutiebehandeling. Indien hij dit niet doet zal men moeten aannemen dat hij niet meer de geschiktheden heeft om zonder risico’s de uitoefening van zijn beroep verder te zetten overeenkomstig het koninklijk besluit van 7 oktober 1976 ‘betreffende de organisatie en de werkwijze van de geneeskundige commissies’ en het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 ‘betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen’, in het bijzonder artikel
  11. Het verslag stelt voorts : “Het geven van het visum zou men afhankelijk kunnen stellen van zijn bereidheid zich te voegen naar huidige wetgeving. De behandeling met vervangingsmiddelen werd gekaderd in het KB van 19 maart 2004 (BS 30.04.04) gewijzigd door het KB van 6 oktober 2006 (BS 21.11.2006). Deze KB’s bepalen het wettelijk kader waarin de substitutiebehandeling moet gebeuren. [...] Indien hij zich met deze voorwaarden niet in orde stelt binnen de zes maanden zal moeten worden overgegaan tot definitief intrekken van het visum.” 3.
  12. Met een schrijven van 13 mei 2013 wordt verzoeker uitgenodigd voor de vergadering van 6 juni 2013 van de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen. Als reden wordt opgegeven de kennisname van het verslag van de deskundigen en beslissing in verband met de fysieke en ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.684 XII-9595-3/13 psychische geschiktheid om het beroep uit te oefenen of het koppelen van voorwaarden hieraan. 3.
  13. Op 27 mei 2013 sluit verzoeker een overeenkomst van registratie met het Medisch Sociaal Opvangcentrum voor Druggebruikers te Oostende (hierna: MSOC Oostende). Hierbij worden voorwaarden opgelegd. 3.
  14. Verzoeker wordt op 7 juni 2013 opnieuw uitgenodigd voor de vergadering van de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen. 3.
  15. Op 28 juni 2013 deelt het MSOC Oostende aan verzoeker mee dat de overeenkomst wordt stopgezet omdat meerdere voorwaarden niet worden nageleefd. MSOC Oostende ziet zich dan ook genoodzaakt om punt 8 van de overeenkomst “melding aan de Provinciale Geneeskundige Commissie West-Vlaanderen” toe te passen. 3.
  16. De raadsman van verzoeker legt op 2 juli 2013 een nota neer waarbij ook wordt ingegaan op de veroordeling uitgesproken door de correctionele rechtbank te Brugge. 3.
  17. De Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen neemt op 4 juli 2013 de volgende beslissing: “• De Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen acht zich bevoegd in dit dossier omdat de feiten zich in West-Vlaanderen hebben voorgedaan en [verzoeker] ingeschreven is in de Orde van Geneesheren van West-Vlaanderen. • De Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen trekt het visum van [verzoeker] in voor onbepaalde duur. Tijdens deze periode kan [verzoeker] geen enkele activiteit als arts uitoefenen. • Indien [verzoeker] opnieuw over een visum wenst te beschikken moet hij een nieuwe aanvraag richten aan de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen en zal er opnieuw een procedure krachtens artikel 37, §1, 2b, h van het KB 78 van 10 november 1976 en art. 11 t.e.m. 23 van het KB van 7 oktober 1976 opgestart worden.” 3.
  18. Verzoeker dient op 13 juli 2013 tegen deze beslissing beroep in bij de Geneeskundige Commissie van Beroep. XII-9595-4/13 3.
  19. Op 6 december 2013 bevestigt de Geneeskundige Commissie van Beroep, na verzoeker en zijn raadsman te hebben gehoord, de beslissing van de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen evenwel met de wijziging dat de termen in het beschikkende gedeelte “dat [verzoeker] fysisch en psychisch niet geschikt is om zijn beroep uit te oefenen” worden vervangen door “dat [verzoeker] niet meer voldoet aan de vereiste psychische geschiktheden om, zonder risico’s, de uitoefening van zijn beroep voort te zetten”. Deze beslissing luidt als volgt : “GENEESKUNDIGE COMMISSIE VAN BEROEP NEDERLANDSTALIGE KAMER Zitting van 6 december 2013 Beslissing betreffende het beroep ingediend door [verzoeker], huisarts, gedomicilieerd te […], tegen de beslissing van de Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen Gelet op het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, artikel 37, gewijzigd bij de Wet van 19 december 2008; Gelet op het koninklijk besluit van 7 oktober 1976 betreffende de organisatie en de werkwijze van de geneeskundige commissies, zoals laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 april 2010; Zitting van 8 november 2013 Bij brief van 18 oktober 2013 werd [verzoeker] overeenkomstig artikel 27 van het K.B. van 7 oktober 1976 betreffende de organisatie en de werkwijze van de geneeskundige commissies opgeroepen voor de zitting van de Geneeskundige Commissie van Beroep, Nederlandstalige kamer, op 8 november
  20. Hij is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, Mr. Patrick Arnou, advocaat te Zedelgem. [Verzoeker] heeft op vraag van de Commissie van Beroep persoonlijk zijn grieven tegen de bestreden beslissing van 4 juli 2013 van de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen uiteengezet en de Commissie van Beroep is met hem in dialoog getreden. Mr. Patrick Arnou heeft gepleit en heeft een nota en een dossier met acht stukken neergelegd. Het debat werd gesloten, de zaak werd in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op een latere zitting. Zitting van 6 december 2013
  21. Het hoger beroep op 12 juli 2013 ingesteld door [verzoeker] tegen de beslissing van 4 juli 2013 van de Provinciale Geneeskundige Commissie is tijdig en regelmatig naar de vorm en derhalve ontvankelijk.
  22. De bestreden beslissing trekt het visum in van [verzoeker] voor onbepaalde duur en bepaalt: - dat hij gedurende deze periode geen enkele activiteit als arts kan uitoefenen; - dat hij, indien hij opnieuw over een visum wenst te beschikken, een nieuwe aanvraag aan de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.684 XII-9595-5/13 moet richten en er opnieuw een procedure krachtens art.
  23. §1, 2 b en h van het K.B. nr. 78 van 10 november 1967 en art. 11 t.e.m. 23 van het K.B. van 7 oktober 1976 zal opgestart worden. De bestreden beslissing berust op een dubbele rechtsgrond: - enerzijds wordt vastgesteld dat uit het strafregister blijkt dat zijn gerechtelijk verleden niet strookt met de uitoefening van zijn beroep en blijkt dat hij veroordeeld is voor feiten die voldoende relevant zijn voor de beroepsuitoefening (art. 37 § 1, 2°, h van het K.B. nr. 78); - anderzijds wordt, op advies van drie geneesheren als deskundigen aangeduid door de Nationale Raad van de Orde van Geneesheren, vastgesteld dat hij niet meer voldoet aan de vereiste psychische geschiktheden om, zonder risico’s de uitoefening van zijn beroep voort te zetten (art. 37 §1, 2°, b van het K.B. nr. 78).
  24. De appellant kan niet worden bijgevallen waar hij stelt dat de rechtsgrond omschreven in art. 37 § 1, 2°, b van het K.B. nr. 78 door de Geneeskundige Commissie in Beroep niet kan of mag worden gebruikt omdat deze niet werd vermeld als reden van de uitnodiging in de aangetekende oproepingen voor de Provinciale Geneeskundige Commissie en omdat daardoor de rechten van verdediging zouden zijn geschonden. De Geneeskundige Commissie van Beroep stelt vast dat de aan de appellant gerichte aangetekende oproeping van 13 mei 2013 voor de Provinciale Geneeskundige Commissie inderdaad geen melding maakt van het gerechtelijk verleden van de appellant of van de veroordeling van 25 juni 2012 door de correctionele rechtbank te Brugge als reden voor de oproeping en dat art. 10bis van het K.B. van 7 oktober 1976, zoals ingevoegd bij K.B. van 6 april 2010 (art. 1), aldus niet werd nageleefd. Voormeld art. 10 bis bepaalt dat de (oproepings)brief de reden van de uitnodiging vermeldt. Het artikel betreft de vorm van de oproeping en niet de beslissingsbevoegdheid of de saisine van de Geneeskundige Commissie van Beroep. De Geneeskundige Commissie van Beroep is bevoegd om kennis te nemen van de beroepen tegen de beslissingen van de Provinciale Geneeskundige Commissies. Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep vormt de Geneeskundige Commissie van Beroep zich een eigen oordeel over het bestaan van de wettelijke gronden die de intrekking of beperking van het visum kunnen rechtvaardigen. In de mate dat de Geneeskundige Commissie van Beroep bepaalde beslissingen en/of motieven van de Provinciale Geneeskundige Commissie overneemt worden dit haar eigen beslissingen en/of motieven. Haar beslissing komt volledig in de plaats van deze die in eerste aanleg werd genomen en die niet langer rechtsgevolgen sorteert. Er moet derhalve geen acht worden geslagen op onregelmatigheden waarmee de beslissing van de Provinciale Geneeskundige Commissie zou zijn behept. Eventuele onregelmatigheden in de procedure in eerste aanleg worden gedekt door de beslissing in beroep.
  25. De veroordeling van [verzoeker] bij vonnis van 25 juni 2012 tot een gevangenisstraf van negen maanden en tot een geldboete van duizend euro (meer opdeciemen), met uitstel van tenuitvoerlegging voor de hoofdgevangenisstraf en met gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging voor de geldboete en voor de vervangende gevangenisstraf is, anders dan voorgehouden door de appellant, een zware straf en zij slaat op feiten die zwaarwichtig zijn en voldoende relevant zijn voor zijn beroepsuitoefening als arts. De veroordeling, die in kracht van gewijsde is gegaan, heeft betrekking op het misbruik maken, als arts, van het voorschrijven van geneesmiddelen die ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.684 XII-9595-6/13 psychotrope stoffen bevatten welke afhankelijkheid kunnen teweegbrengen, onderhouden of verergeren. Uit de vaststellingen in het vonnis blijkt dat het in concreto gaat over, enerzijds, het exorbitant voorschrijven, in de periode van minstens 1 januari 2008 tot 1 oktober 2009, van Rohypnol (flunitrazepam), zonder onderzoek en zonder valabele medische indicatie, aan ganse families van Joegoslaven en, anderzijds, over het voorschrijven, zonder onderzoek en zonder patiëntendossier, van grote hoeveelheden Rohypnol aan E.D.C. en E.G.A., waarbij de eerste verslaafd geraakte en bij de tweede de verslaving werd onderhouden en waarbij de arts, om te pogen zijn normoverschrijdend gedrag te maskeren, uitdrukkelijk aanraadde de voorschriften aan te bieden in verschillende apotheken. In het deskundigenverslag […] is vermeld dat [verzoeker] in 2008 en 2009 meer dan 500 voorschriften schreef voor Rohypnol zonder de patiënten te hebben onderzocht. Dat de strafrechter als bijkomende straf geen beroepsverbod uitsprak ‘omdat het een eerste feit betrof’, staat er niet aan in de weg dat de Geneeskundige Commissie van Beroep in het kader van het onderzoek van het geheel van de feiten die aan haar beoordeling zijn onderworpen en die ruimer zijn dan de feiten die tot de strafrechtelijke veroordeling hebben geleid, de opportuniteit beoordeelt van het al dan niet intrekken of beperken van het visum en daarbij ook de correctionele veroordeling in acht neemt. De Geneeskundige Commissies treedt op ter bescherming van de Volksgezondheid en heeft een andere taak en hanteert andere criteria dan de strafrechter.
  26. [Verzoeker] werd bij beslissing van 17 mei 2010 van de Raad van Beroep van de Orde van Geneesheren geschorst voor 6 maanden om op onverantwoorde wijze psychotrope stoffen te hebben voorgeschreven, meer bepaald 527 verpakkingen Rohypnol. De schorsing nam een aanvang op 22 juni
  27. Op 21 november 2011 werd [verzoeker] een eerste keer bij aangetekend schrijven opgeroepen om voor de Provinciale Geneeskundige Commissie te verschijnen naar aanleiding van klachten over zijn voorschrijfgedrag die in juni en augustus 2011 werden opgesteld of doorgestuurd door het Centrum van Algemeen Welzijnswerk en Jeugdzorg te Oostende. De Koninklijke Geneesherenvereniging van Oostende, de Huisartsenkring Middenkust, de Orde van Apothekers van West-Vlaanderen en de Burgemeester van Oostende.
  28. De Geneeskundige Commissie van Beroep moet dan ook vaststellen dat de tuchtrechtelijke vervolging en veroordeling, een eerste oproeping voor de Provinciale Geneeskundige Commissie noch de strafrechtelijke vervolging en veroordeling [verzoeker] ertoe hebben bewogen zijn praktijkvoering in overeenstemming te brengen met de geldende regels. Ook het deskundigenverslag van 25 april 2013, dat aan [verzoeker] werd toegestuurd op grond van art. 20 van het K.B. van 7 oktober 1976 en waarin hij geconfronteerd werd met grote tekortkomingen in zijn taakvervulling als arts, heeft hij niet te baat genomen om zijn gedrag te conformeren aan de geldende normen. Hij ondertekende weliswaar op 27 mei 2013 een overeenkomst van registratie met het MSOC te Oostende doch hij kwam ze niet na. Dat de opzegging van die overeenkomst door het MSOC ontijdig was, gebeurde onder druk en/of op andere gronden dan deze aangehaald in de opzeggingsbrief van 28 juni 2011, blijkt uit niets.
  29. XII-9595-7/13 Uit voormeld deskundigenverslag van 25 april 2013 dat o.m. rapporteert over het voorschriftgedrag van [verzoeker] over de periode van 19 juli 2012 tot 22 november 2012, blijkt dat het massaal voorschrijven van flunitrazepam verdwenen was maar dat er wel problemen bleven bestaan met het voorschrijven van rilatine en methadon (deskundigenverslag, p, 3 tot en met 5). Dat voor de beoordeling van het voorschrijven van een te hoge dosis methadon zou moeten worden in aanmerking genomen dat in een aantal gevallen voor op dezelfde dag afgeleverde voorschriften, gebruik zou zijn gemaakt van voorschriften met een ‘uitgestelde datum’ en dat dit aan de […] aandacht van de deskundigen zou zijn ontsnapt omdat zij de voorschriften zelf niet inzagen, kan niet worden aangenomen. De deskundigen stellen op pagina 4 van hun verslag dat zij de voorschriften inzagen en daardoor enkele malen hebben gezien dat twee voorschriften voor methadon dezelfde dag aan dezelfde man werden voorgeschreven en door de apotheek werden afgegeven zodat die patiënt ‘in toto’ op dezelfde dag 1,680 mg (2 maal 840 mg) meekreeg, hetgeen volgens de deskundigen een lethale dosis is.
  30. De Geneeskundige Commissie van Beroep treedt de beoordeling van de Provinciale Geneeskundige Commissie bij waar zij op grond van de aangehaalde bevindingen in het deskundigenverslag van 25 april 2013 […] oordeelt dat [verzoeker] psychisch niet geschikt is om zijn beroep uit te oefenen en een gevaar stelt voor zijn patiënten en de Volksgezondheid in gevaar brengt. Dat hij psychisch niet geschikt is om, zonder risico’s, de uitoefening van zijn beroep voort te zetten wordt aanvullend gestaafd met de bevindingen van de deskundigen die gewag maken van een progressief, spontaan vervagen van normen en waarden (deskundigenverslag, p. 6), vaststellen dat er bij hem een opvallend gebrek aan schuld of schaamtegevoel is, dat hij niet in staat is zich aan maatschappelijk[e] normen te houden of zich te conformeren aan de wettelijke normen, niet handelt als een verantwoordelijke arts waarbij hij een poging zou doen om de verslaving te voorkomen, de patiënten niet wijst op het verkeerd gebruik of misbruik van substanties die tot afhankelijkheid kunnen leiden en evenmin op de risico’s bij langdurig gebruik. Hij gaat nooit na of de substituties kunnen worden afgebouwd of afgeschaft. Hij houdt zich niet aan de wetgeving, inzonderheid niet aan de reglementaire bepalingen van het K.B. van 19 maart 2004, gewijzigd door het K.B. van 6 oktober 2006 die het wettelijk kader bepalen waarin de substitutiebehandeling moet gebeuren, doet geen moeite om zijn medische kennis bij te schaven en ziet dat niet als een tekort of een gevaar voor het uitoefenen van de geneeskunde (deskundigenverslag p. 8). Bij de persoonlijke tussenkomsten van [verzoeker] tijdens de zitting van 8 november 2013 is het de Commissie van Beroep opgevallen dat hij - zoals het ook het geval was voor de experten - zijn verkeerde handelwijze trachtte te minimaliseren en zelfs te vergoelijken, thans met ‘Er is tenslotte niets gebeurd’ en door zijn problematiek te beperken tot de ‘zaak van de Rohypnol’ die nu achter de rug zou zijn terwijl het gaat over een ruimer probleem waarbij ook zijn omgang met andere psychotrope stoffen en ook zijn persoonlijke instelling een rol spelen. Er is duidelijk een probleem met zijn ethische instelling, omtrent zijn onafhankelijkheid en assertiviteit tegenover de patiënten, van karaktersterkte, verantwoordelijkheidszin en van een deficiënte kennis van de actuele stand van de medische wetenschap.
  31. XII-9595-8/13 De Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen heeft terecht het visum voor onbepaalde duur ingetrokken en bepaald dat er voor het eventueel opnieuw bekomen van een visum door de Provinciale Geneeskundige Commissie de in art. 37 §1, 2° omschreven procedure zal dienen te worden opgestart. Naar het oordeel van de Commissie van Beroep is het opleggen van deze procedure een voorzorgsmaatregel die op de maat is van het probleem dat zich te dezen voordoet en waarvan de noodzaak niet wordt ontzenuwd door de argumentatie die daaromtrent voor de appellant wordt uiteengezet en evenmin door de stukken die worden voorgelegd. De door de appellant voorgestelde minder drastische beperkingen van zijn professionele activiteit bieden in de huidige stand van zaken naar het oordeel van de Geneeskundige Commissie van Beroep onvoldoende waarborgen voor de bescherming van de Volksgezondheid. OM DEZE REDENEN : De Nederlandstalige kamer van de Geneeskundige Commissie van Beroep, Verklaart het hoger beroep van 12 juli 2013 tegen de beslissing van 4 juli 2013 van de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen ontvankelijk doch ongegrond, Bevestigt de bestreden beslissing, op grond van de erin vermelde motieven, zoals hiervoor aangevuld, evenwel met de wijziging dat de termen in het beschikkend gedeelte ‘dat [verzoeker] fysisch en psychisch niet geschikt is om zijn beroep uit te oefenen’ worden vervangen door ’dat [verzoeker] niet meer voldoet aan de vereiste psychische geschiktheden om, zonder risico’s, de uitoefening van zijn beroep voort te zetten.” Dit is de bestreden beslissing. 3.
  32. Lopende de voorliggende annulatieprocedure wijst verzoeker erop dat de motieven van de verwerende partij steunen op valse stukken. Hij heeft in dit verband bij de onderzoeksrechter een klacht met burgerlijke partijstelling ingediend “wegens valsheid in geschriften, het gebruik van valse stukken, misbruik van vertrouwen en oplichting”. Artikel 51 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement) bepaalt dienaangaande het volgende: “Zo een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt de partij die het stuk heeft overgelegd door de staatsraad of het lid van het auditoraat belast met het onderzoek, of door de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, verzocht zonder verwijl te verklaren of zij volhardt in haar bedoeling er van gebruik te maken. Zo de partij op deze vraag niet ingaat, of zo zij verklaart dat zij van het stuk geen gebruik wenst te maken, wordt het verworpen. XII-9595-9/13 Zo zij verklaart dat zij er gebruik wil van maken, wordt er zonder verwijl verslag over uitgebracht bij de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is. Wanneer deze oordeelt dat het van valsheid beticht stuk geen invloed heeft op haar eindbeslissing, wordt er geen rekening mede gehouden. Zo zij, integendeel, oordeelt dat het stuk van wezenlijk belang is voor de oplossing van het geschil, dan schorst zij het geding tot het bevoegd rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan.” Overeenkomstig dit procedurevoorschrift heeft het lid van het auditoraat, belast met het onderzoek, op 23 oktober 2014 de verwerende partij verzocht zonder verwijl mee te delen of zij volhardt in haar bedoeling om van het van valsheid betichte stuk gebruik te maken. Op 25 november 2014 heeft de verwerende partij medegedeeld dat zij volhardt. Het stuk dat verzoeker middels een klacht met burgerlijke partijstelling van valsheid beticht, is van wezenlijk belang voor de oplossing van het geschil. Bij arrest nr. 231.281 van 21 mei 2015 heeft de Raad van State de procedure met toepassing van artikel 51, laatste lid, van het algemeen procedurereglement, geschorst tot aan de mededeling van het definitieve gevolg dat is gegeven aan de strafrechtelijke klacht wegens valsheid in geschrifte. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Ambtshalve exceptie van gebrek aan actueel belang in hoofde van verzoeker Uiteenzetting van de ambtshalve exceptie
  33. Het auditoraat werpt in zijn verslag ambtshalve de niet-ontvankelijkheid van het beroep op wegens gebrek aan actueel belang in hoofde van verzoeker op grond van de volgende overwegingen: “
  34. Verzoeker werd gedurende de afgelopen jaren gevraagd naar het gevolg dat ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.684 XII-9595-10/13 werd gegeven aan de strafrechtelijke klacht en naar een stand van zaken.
  35. Met een schrijven van 6 september 2024 meldt de raadsman van verzoeker dat cliënt zijn visum als geneesheer intussen terugkreeg. ‘In deze omstandigheden meen ik dan ook dat cliënt geen belang meer heeft bij het verderzetten van de zaak, die het intrekken van dit visum betrof.’
  36. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker gehele genoegdoening heeft verkregen. Er wordt vastgesteld zoals verzoeker zelf aangeeft, dat verzoeker geen belang meer heeft bij het voorliggende beroep. Het beroep is niet ontvankelijk.
  37. Gelet op het bovenstaande dient er niet langer gewacht te worden op de mededeling van het definitieve gevolg dat is gegeven aan de strafrechtelijke klacht wegens valsheid in geschrifte omdat de mededeling dat verzoeker niet langer belang heeft bij het verderzetten van de procedure, het geschil definitief beslecht.” Beoordeling
  38. Door de raadsman van verzoeker wordt in zijn aan de Raad van State gericht schrijven zelf aangegeven dat “cliënt zijn visum terug gekregen heeft, en derhalve geen belang meer heeft bij zijn beroep”.
  39. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, dat verzoeker niet langer getuigt van het rechtens vereiste belang bij het aanvechten van de beslissing tot intrekking van zijn visum, zodat de ambtshalve exceptie gegrond is en dient te worden vastgesteld dat het beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is. V. Kosten en rechtsplegingsvergoeding
  40. Zoals hiervoor werd vastgesteld, heeft het terugkrijgen van zijn visum tot gevolg dat verzoeker niet langer getuigt van het rechtens vereiste belang bij het aanvechten van de beslissing tot intrekking van zijn visum. Het verlies aan actueel belang bij het voorliggend beroep is derhalve uitsluitend aan de verwerende partij toe te schrijven. In deze omstandigheden kan verzoeker worden beschouwd als een “in het gelijk gestelde partij” in de zin van artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. XII-9595-11/13 In de gegeven omstandigheden past het de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen. Wat de door verzoeker in de laatste memorie gevraagde rechtsplegingsvergoeding betreft, kan worden opgemerkt dat het enig verzoekschrift tot schorsing en nietigverklaring is ingediend op 4 februari
  41. Het artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat het mogelijk maakt om een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen, is ingevoegd bij wet van 20 januari 2014 en in werking getreden op 1 maart
  42. Het is van toepassing op beroepen die ingediend zijn vanaf die datum. Bijgevolg kan aan verzoeker geen rechtsplegingsvergoeding worden toegekend. BESLISSING
  43. De Raad van State verwerpt het beroep.
  44. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 375 euro.
  45. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XII-9595-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9595-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.684 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.