id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.685 Rolnummer: A. 241939/XII-9628 Zaak: Arrest 262685 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 20/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-27 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-16 05:57 Fiche Arrest nr 262.685 van 20 maart 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 262.685 van 20 maart 2025 in de zaak A. 241.939/XII-9628 In zake : B.V. tegen : het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING (RIZIV) -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Hoge Raad van artsen-directeurs van het RIZIV van 12 maart 2024 waarbij haar accrediteringsaanvraag van adviserend arts voor 2023 wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. XII-9628-1/13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart 2025. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Verzoekster is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster werkte als adviserend arts bij de CM Limburg. 3.2. Per e-mail van 13 oktober 2023 dient verzoekster een aanvraag voor accrediteringspremie adviserend arts 2023 in. 3.3. Verzoekster informeert per e-mail van 26 oktober 2023 of haar accrediteringsaanvraag volledig is. Het secretariaat van de Hoge raad van artsen-directeurs (hierna: HRAD) antwoordt aan verzoekster met een e-mail van 30 oktober 2023: “Wij zullen uw accreditering 2023 reeds toevoegen aan uw dossier. Gelieve niet te vergeten om ons de ontbrekende attesten te bezorgen voor 1 februari 2024.” 3.4. Verzoekster is vanaf 1 november 2023 gepensioneerd. XII-9628-2/13 3.5. Tijdens de zitting van 12 maart 2024 besliste de HRAD de accrediteringsaanvraag 2023 van verzoekster niet goed te keuren. Met een aangetekende brief van 18 maart 2024 wordt de weigeringsbeslissing aan verzoekster ter kennis gebracht: “Uw accrediteringsaanvraag van adviserend arts voor 2023 werd behandeld door de Hoge raad van artsen-directeurs van 12 maart 2024. Op basis van de door u meegedeelde elementen wordt uw aanvraag geweigerd omwille van de volgende reden: U behaalde in 2023 in uw hoedanigheid van beëdigd adviserend arts niet het vereiste minimum van 5 punten door het volgen van erkende programma’s van specifieke vorming in de verzekeringsgeneeskunde (KB van 11 juni 2011, artikel 1, § 2
- b)en § 3, waarvan kopie als bijlage). U behaalde hiervoor slechts 2,5 punten.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het beroep Vooraf 4. Artikel 2, § 1, eerste lid, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemene procedureregeling) zoals het luidde en van toepassing was op het voorliggende beroep, vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. De uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid die volgens verzoeker werd geschonden, als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, is minstens vereist dat summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing wordt aangegeven. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig XII-9628-3/13 te formuleren strekt ertoe het tegensprekelijk karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij te waarborgen. Het komt overigens niet aan de Raad van State toe om uit een juridisch niet onderbouwde uiteenzetting zelf middelen te construeren die voldoen aan de vereiste van de algemene procedureregeling. 5. Zoals terecht wordt aangegeven in het auditoraatsverslag bevat het verzoekschrift geen “middel” in de zin van de voormelde bepaling van het algemeen procedurereglement, maar een aaneenschakeling van feitelijkheden en onsamenhangende grieven. Dit gegeven neemt echter niet weg dat de verwerende partij erin geslaagd is een verweer te ontwikkelen en de grieven van verzoekster in zekere zin te structureren. In de gegeven omstandigheden volgt de beoordeling ten gronde van de door verzoekster aangevoerde grieven eenzelfde structuur. Uiteenzetting van de aangevoerde grieven 6. In het verzoekschrift laat verzoekster gelden: “Ik wens de beslissing tot weigering accrediteringsaanvraag nietig te laten verklaren om volgende redenen. Reeds op 23 maart ’23 richtte ik een mail (zie bijlage 2 — pag 4) naar de bevoegde instanties met de vraag hoe te voldoen aan de accrediteringsvoorwaarden, vermits ik per 1 november ’23 op rustpensioen zou gaan. Er werd me geantwoord dat ik zelf een aanvraag diende te versturen met het behalen van de nodige accrediteringspunten voor het bereiken van mijn pensioneringsdatum. Er zou dus enkel rekening worden gehouden met de eerste 10 maand van het kalenderjaar ’23. Ik volgde verschillende vormingen en stuurde per 13 oktober ’23 de nodige documenten per mail naar de bevoegde dienst. De registratie in mijn accrediteringsdossier van het Riziv bedroeg op dat moment 22 creditpunten. Ik volgde in de loop van de maand oktober nog 4 extra vormingen, met een totaal van 11 creditpunten. XII-9628-4/13 De voorgaande indiening (betreffende kalenderjaar ’22) op 9 jan ’23 werd daags nadien reeds voor ontvangst bevestigd via mail (bijlage 2 pag 4 en 5). Vermits de procedure nu anders was, formuleerde ik de uitdrukkelijke vraag me te laten weten of de aanvraag volledig was. Zie bijlage 2 pag 1 en het PDF document onderaan pag 6. Ik ontving hierop geen antwoord. Ik stuur u ter onderbouwing een uitprint van het mailverkeer daterend van eind maart ’23 en van mijn concrete accrediteringsaanvraag op 13 oktober ’23 (zie bijlage 2). De uitprint van het ingediend PDF document, alsook de bewijsstukken van de in oktober ’23 nog gevolgde vormingen vind u in bijlage 3. De specifieke vormingen waarvan sprake in het KB van 11 juni 2011, artikel 1 § 2b, worden georganiseerd door de Wetenschappelijke vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde (WVV), waarvan ik tot eind oktober ’23 lid was via mijn werkgever en waarbij ik sedert het begin van mijn loopbaan als adviserend arts op geregelde basis de vormingen volgde. Het aantal vormingen per kalenderjaar is erg beperkt. De data worden door de organisatie ook meestal vrij laat kenbaar gemaakt en niet bij het begin van het kalenderjaar. Voor kalenderjaar ’23 viel de eerste (halve dag) vorming op 21 maart ’23. Deze vorming over ‘Werken met diabetes’ volgde ik en ik verwierf derhalve 2,5 specifieke creditpunten (CP). De volgende vorming vond plaats op 26 mei ’23. Het betrof een volledige dag over ‘Geestelijke Gezondheidszorg bij de beroepsactieve bevolking — 5CP). Vermits mijn zoon op 28 mei ’23 in het huwelijk trad, had ik de week voordien verlof en volgde derhalve de vorming NIET. De volgende en tevens laatste vorming van ’23 was voorzien op 9 november ’23, onderwerp ‘Wetenschappelijk onderzoek’. Vermits deze niet meer kon opgenomen [worden] bij de aanvraag accreditering, zie de opmerking hierboven, heb ik deze vorming niet gevolgd. Zie agenda WVV ’23 in bijlage 4, opgevraagd via mail op 8 april ’24. Er was voor mij materieel geen mogelijkheid meer voorhanden om een specifieke vorming, georganiseerd door de WVV, te volgen vóór eind oktober ’23. Ik ging derhalve op zoek naar zinvolle alternatieven. Ik volgde het symposium georganiseerd door de huisartsenkring van Herentals op 10 juni ’23 met als onderwerp ‘Re-integratie naar werk na langdurige ziekte (3 creditpunten)’. Als sprekers waren er onder meer Prof Lode Godderis en een bedrijfsarts van Liantis (externe dienst preventie). Uiteraard is dit onderwerp gesneden brood voor een adviserend arts van het ziekenfonds. Ook het symposium van de Orde van Artsen Limburg (3 creditpunten), op 17 juni ’23, met o.m. een lezing over verhogen van de veerkracht en burn-out preventie, leek me van waarde voor de uitoefening van mijn job als verzekeringsarts. Tenslotte volgde ik in oktober ook het herfstsymposium georganiseerd door UZA, dienst Prof Stassijns. Sinds mijn opleiding in de Verzekeringsgeneeskunde waarbij Prof Stassijns één van de docenten was, ken ik deze dienst en de door hen georganiseerde, zeer degelijke studiedagen. Ze hebben een brede wetenschappelijke basis en focussen telkens ook op de revalidatie en de professionele re-integratie. In de voorbije jaren heb ik verschillende keren hun herfstsymposium bijgewoond Op 21 okt ’23 ging de vorming over ‘Pijnsyndromen thv de bovenste ledematen (5 creditpunten)’. De problematiek van schouderklachten, overbelasting van elleboog- en polsgewricht, is als verzekeringsarts bij het ziekenfonds dagelijkse kost. Bijscholing hierin vind ik derhalve essentieel. XII-9628-5/13 Ik volgde ook nog 3 gastlezingen tijdens de maand oktober, georganiseerd door de Faculteit Geneeskunde en Levenswetenschappen van de UHasselt, in het kader van de opleiding systeem- en procesinnovatie in de gezondheidszorg. Samenvattend wil ik stellen dat ik tijdig, op 13 oktober ’23, een aanvraag accreditering op conforme wijze doorstuurde naar de bevoegde diensten. Ik haalde op dat ogenblik 22 accrediteringspunten. De accrediteringspunten voor de 4 activiteiten die ik in de maand oktober nog volgde (12, 19, 21 en 26 oktober —11 creditpoints) zijn hierin NIET meegeteld. Ik had gedurende het jaar ’23 materieel geen kans om voldoende punten specifieke vorming, aangeboden door de Wetenschappelijke Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde, te halen, vermits de najaarsvorming na mijn uitdiensttreding viel. Er worden per kalenderjaar slechts een minimaal aantal vormingen voorzien. In ’23 waren dit 3 vormingsmomenten. De voorjaarsvorming betrof slechts een halve dag wat voor 2,5 CP’s wordt gewaardeerd. De vorming in mei kon ik niet volgen wegens privéreden (jaarlijks verlof wegens huwelijk van mijn zoon). Vermits de organisatie zo beperkt de mogelijkheid biedt om de nodige specifieke vormingen te behalen, ging ik zelf op zoek naar zinvolle alternatieven, om een degelijke en wetenschappelijk onderbouwde bijscholing te volgen, geschikt voor mijn taak als adviserend arts bij het ziekenfonds. Ik volgde nog verschillende vormingen, waarvan 6 CP’s reeds werden geregistreerd door het RIZIV, de laatste 5 CP’s (herfstsymposium) en 6 CP’s (U Hasselt) zijn tijdens de maand oktober verworven. Ik haalde dus 33 CP’s in de eerste 10 maand van ’23. Men kan zich de vraag stellen hoe de doelstelling van 5 algemene en 5 specifieke CP’s kan gehaald worden door collega’s die vroeger op het kalenderjaar hun activiteiten stopzetten? De vorming van de huisartsenkring Herentals over ‘Reintegratie naar werk bij langdurig zieken’ op 10 juni ’23 , duidde ik op mijn aanvraag aan als ‘specifiek’, met name gericht op de verzekeringsgeneeskunde. Ook de latere vorming op 21 oktober over pijnsyndromen in het bovenste lidmaat kan m.i. als specifiek worden betiteld. Deze twee vormingen samen, bedragen 8 CP’s. M.i. moet dit volstaan om het tekort in specifieke CP’s, erkend door het RIZIV, aan te vullen tot de 5 vereiste, doch niet haalbare wegens de voor mij geldende einddatum van 31 oktober ’23. Ik stelde bij het indienen van mijn dossier op 13 oktober ’23 aan de bevoegde dienst de uitdrukkelijke vraag naar feedback. Vermits ik geen antwoord ontving, kon ik onmogelijk een eventueel tekort of onvolkomenheid nog bijsturen. Om deze redenen vraag ik nietigverklaring van de beslissing.” 7. In de memorie van wederantwoord voegt verzoekster daaraan toe: “Ik wens als aanvulling op mijn aanvraag tot nietigverklaring (met 4 bijlagen) dit memorie van wederantwoord in te dienen om volgende redenen, zowel van professionele, organisatorische als van persoonlijke aard. Ik werd als adviserend arts erkend door het Comité van de DGEC na de eedaflegging ten overstaan van de Voorzitter van het Comité van de DGEC in sept 2012, met erkenningsnummer 702. XII-9628-6/13 Ik schoolde me in de daaropvolgende jaren steeds bij volgens de geldende voorwaarden van de accreditering en ontving jaarlijks hiervoor de financiële beloning odvv. het accrediteringsforfait. Ik haalde op 1 juli 2014 de academische graad van Master of Medicine in de verzekeringsgeneeskunde en de medische expertise (Manama) met grote onderscheiding (zie bijlage 5). In de jaren die volgden werd ik door de Medische Directie van CM gevraagd om de interne vorming van de nieuw aangeworven medewerkers, artsen en paramedici, mee vorm te geven, zowel nationaal, als lokaal bij CM Limburg. De pensioneringsgolf die de laatste jaren kenmerkt, zorgde in Limburg voor de afvloei van 5 collega’s (op een ploeg van 10 artsen) sedert 2019, met een moeizame zoektocht naar vervanging in de daaropvolgende tijd (penurie van kandidaten verzekeringsartsen). De nieuw aangenomen artsen zijn overwegend (huis)artsen en de toegenomen werkdruk laat niet toe de interuniversitair georganiseerde Manama-opleiding van 2 studiejaren in de verzekeringsgeneeskunde te gaan volgen. De interne vorming is dus noodzakelijk, doch tevens intensief en tijdrovend. In het jaar ’23 waren bovendien 3 collega’s langdurig arbeidsongeschikt (meer dan zes maand). Eén van hen heeft ondertussen de organisatie verlaten, twee hebben hun werkzaamheden voorzichtig deeltijds hervat. Actueel (eind juli ’24) zijn er bij CM-Limburg slechts 8 artsen aan het werk, waarvan 2 deeltijds. Er staan 4 vacatures open, waarvan er drie binnenkort kunnen worden ingevuld. Als ancien mocht ik dus gedurende het jaar ’23 voltijds inspringen in de verschillende - tijdelijk wegens ziekte onbemande - kabinetten, en ondertussen nam ik de supervisie van de nieuw aangenomen collega’s op mij. Mijn toenmalige leidinggevende, arts-coördinator Dr Desiron attesteert op mijn vraag via mail (zie bijlage 6), dat mijn aanwezigheid op dienst noodzakelijk was om de continuïteit te verzekeren. Om de nodige bijscholingen te kunnen bijwonen, volgde ik derhalve zoveel mogelijk vormingen tijdens de weekend, de avonduren of online. Zoals verwerende partij terecht opmerkt, haalde ik in de eerste tien maand van ’23 op die manier ruim het benodigd aantal accrediteringspunten. Met name 31, ipv de vereiste 20. Ook in de voorgaande jaren, haalde ik steeds ruim de nodige accrediteringspunten, zowel de specifieke als de niet-specifieke. Verwerende partij verwijst naar de ‘specifieke’ opleidingen die ik in het jaar ’23 had kunnen volgen, voor mijn pensioneringsdatum op 1 november ’23. Gelieve vooral op de data van de erkende opleidingsmomenten te letten, die ik had kunnen volgen. - Vormingen georganiseerd door WVV. o 21/03/23 Webinar Diabetes (gevolgd — 2,5 CP) o 26/05/23 Studiedag Geestelijke Gezondheidszorg (niet gevolgd omwille van jaarlijks verlof ikv. huwelijk zoon) o 09/11/23 >> niet aan de orde, want NA mijn pensionering - Vormingen georganiseerd door ASMA o 28/03/2023 Journée ASMA - INAMI — Visioconférence ‘Les maladies rares’ (2,5 CP) Vermits ik recent twee webinars van 15 en 27 okt ’20 over ‘Zeldzame aandoeningen’ (5 CP), georganiseerd door WVV en gegeven door Prof Em. R. Westhovens volgde, leek die inhoud niet echt nieuwe inzichten te brengen en dus weinig zinvol opnieuw te volgen. Ik volgde die dag veeleer een online vorming over diagnose en behandeling van borst- en XII-9628-7/13 prostaa[t]kanker, pathologieën die frequent op het spreekuur van de adviserend arts te zien zijn (zie uitprint van de webtoepassing accreditering van het RIZIV in hun memorie van antwoord). o 17/10/23 Conduire comme un malade...? (5 CP) Deze studiedag vond plaats op een dinsdag in de Auditoires Heremans du CHU UCL Namur, site Godinne, te Yvoir. Voorziene verplaatsing Hasselt —Yvoir:130 km. o 21/11/23 >> niet aan de orde, want NA mijn pensionering - Het Eumass congres waarvan sprake vond plaats van 28 tot 30 september ’23, te Straatsburg. Verwachten dat een voltijds werkend adviserend arts zich naar Straatsburg verplaatst, met de bijkomende investering in tijd (voor verplaatsing en congres), lijken me niet in verhouding tot de vraag naar het behalen van 2,5 accrediteringspunten. (Het Eumass-congres ’18 vond plaats in Maastricht, dit heb ik wel volledig gevolgd. De meeste andere recente congressen vonden telkens in een andere Europese stad plaats en werden door mij NIET gevolgd om dezelfde reden) Op persoonlijk vlak wil ik inbrengen dat mijn dochter, Laura Guarraci, in die periode (augustus -september ’23) een zware zwangerschap doormaakte. Ze beviel vroegtijdig op 23 september ’23. Haar dochtertje Nina overleed tien dagen later. Overlijdensbericht in bijlage 7. Samenvattend wil ik stellen dat ik gedurende het jaar ’23 de nodige inspanning leverde om VOLDOENDE accrediteringspunten te verwerven, voormijn uitdiensttreding, met name 31 punten. Zowel een aantal organisatorische factoren (op de werkvloer én op gebied van mogelijke opleidingskansen), als persoonlijke elementen hebben mij verhinderd om de verre verplaatsingen naar de ASMA-opleidingsdagen en het EUMASS congres te doen in de periode september - oktober ’23 en zodoende voldoende SPECIFIEKE accrediteringspunten te verwerven. Ik was zo vrij zelf op zoek te gaan naar zinvolle en leerzame vormingsmomenten, die inhoudelijk een meerwaarde in mijn professionele kennis als verzekeringsarts konden bieden. Zowel de organisatoren (Universiteit Antwerpen, UHasselt, huisartsenkring Herentals, ...) als de inhouden van de gevolgde vormingen (pijnsyndromen bovenste lidmaat, toekomst van de gezondheidszorgberoepen, reïntegratie naar werk na langdurige ziekte, ...) beantwoorden m.i. hieraan (zie mijn aanvraag tot nietigverklaring). Ik haalde naar de letter van de wet slechts 2,5 van de gevraagde 5 ‘specifieke’ punten, vermits ik - volgens mij - materieel onvoldoende de mogelijkheid had om door het RIZIV georganiseerde en aanvaardde specifieke opleidingsmomenten te volgen. Naar de geest van de wet heb ik m.i. wel een constructieve meerinspanning geleverd om mij -binnen mijn vakgebied-, op de ingekorte tijdsspanne van 10 ipv 12 maand, en met de hoge werkdruk en de persoonlijke elementen in acht genomen, zo zinvol en goed mogelijk bij te scholen in innovatieve en concreet bruikbare leerinhouden, die m.i. WEL bijdragen aan de specifieke vorming van een verzekeringsarts. Derhalve vraag ik aan de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, te overwegen mijn aanvraag tot nietigverklaring gegrond te verklaren en de beslissing, genomen door het College op 12 maart ’24 te vernietigen zodat mij alsnog het accrediteringsforfait voor het jaar ’23 kan worden toegekend.” XII-9628-8/13 8. In haar laatste memorie laat verzoekster nog gelden: “Ik wens in deze laatste memorie enkele elementen toe te voegen. Als niet juriste was, noch ben ik bekend met deze procedure van nietigverklaring. Omdat ik gedurende meer dan 10 jaar als adviserend arts steeds wél ruimschoots voldeed aan de wettelijke gevraagde bijscholingseisen, wilde ik te goeder trouw mijn rechten doen gelden. Ik had met name geen weet van het belang van het aanbrengen van een rechtsmiddel, noch van de mate van detaillering van mijn argumenten. Ik benadrukte in mijn oorspronkelijk verzoekschrift de meerinspanning die ik gedurende het jaar ’23 leverde (in totaal 33 CP in 10 maand in plaats van de gevraagde 20 op 12 maand). De specifieke vormingen bij de Wetenschappelijke Vereniging van Verzekeringsartsen heb ik in dat jaar naar mijn inzien maximaal gevolgd. In mijn memorie van wederwoord bracht ik ter aanvulling de persoonlijke doch objectieve elementen die verklaren waarom ik de andere specifieke vormingen, georganiseerd in de periode september — oktober ’23 door de Waalse zustervereniging en de Europese koepel, niet volgde. Derhalve is deze repliek m.i. niet laattijdig. De bespreking ten gronde steunt op de artikelen 1 en 2 van het Koninklijk besluit van 11 juni 2011 tot uitvoering van artikel 154, zesde lid. Artikel 2 ‘om het jaarlijks voordeel van de accreditering te behouden, moet de adviserend arts per jaar aantonen dat hij minimum 20 punten behaalde onder de hierboven vermelde voorwaarden’. Ik herneem hier de vraag die ik in mijn eerste verzoekschrift tijdig formuleerde, weliswaar opnieuw zonder de juiste juridische terminologie te hanteren. ‘Men kan zich de vraag stellen hoe de doelstelling van 5 algemene en 5 specifieke CP’s kan gehaald worden door collega's die vroeger op het kalenderjaar hun activiteiten stopzetten?’ Verwerende partij noch de Raad van State formuleren hierop een antwoord. Ik vond hierover geen uitsluitsel in het vermelde Koninklijk Besluit, met andere woorden blijft de vraag: hoe worden de voorwaarden om te voldoen aan de accreditering toegepast bij een onvolledig gewerkt kalenderjaar?. Het lijkt me zinvol hierop de nodige argumenten van kracht aan te brengen, vermits dit naar mijn aanvoelen een vorm van foutieve beoordeling met zich mee kan brengen, niet enkel voor mezelf, maar tevens voor andere adviserende artsen aan het eind van hun loopbaan, of bijvoorbeeld bij langdurige ziekte.” Beoordeling 9. Door het auditoraat wordt tot de ongegrondheid van de door verzoekster aangevoerde grieven besloten op grond van de volgende overwegingen: XII-9628-9/13 “5.1 Artikel 154, zesde lid van de wet ‘betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994’, bepaalde destijds: ‘De Koning bepaalt de regels en de procedure met betrekking tot de toekenning van de accreditering van de adviserend-artsen door de Hoge raad van artsen-directeurs, na het advies van het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle te hebben ingewonnen. Hij stelt eveneens het financieel voordeel vast dat aan de accreditering is gekoppeld. De uitgaven die voortvloeien uit de accreditering vallen ten laste van de begroting voor de administratiekosten van het Instituut.’ De artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 11 juni 2011 ‘tot uitvoering van artikel 154, zesde lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994’ bepaalden ten tijde van de besluitvorming: ‘Art. 1. § 1. Het stelsel van de accreditering van adviserend artsen, bedoeld in artikel 154, zesde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, is gericht op de actualisering van de beroepskennis aan de hand van programma’s van permanente vorming. Deze programma’s moeten beantwoorden aan kwaliteitscriteria, zoals de wetenschappelijke waarde, het afgestemd zijn op de taken van de adviserend artsen, de geschiktheid, de toepasselijkheid en de actualiteit van de informatie. Zij zullen meer in het bijzonder betrekking hebben op de medico-legale evaluatie van de arbeidsongeschiktheid, de evolutie van de diagnostische en therapeutische technieken, en de bijwerking van de medische kennis. § 2. Voor accreditering komen twee types van programma’s van permanente vorming in aanmerking :
- a)de programma’s erkend binnen het kader van de accreditering van artsen, bedoeld in artikel 36bis van de bovenbedoelde wet : - in de aspecten algemene professionele wetenschappelijke vorming; - in de aspecten “ethiek en economie”;
- b)de specifieke programma’s verzekeringsgeneeskunde uitgewerkt door de “Wetenschappelijke vereniging voor verzekeringsgeneeskunde”, de “Association scientifique de médecine d'assurance”, of de “Europese vereniging voor verzekeringsgeneeskunde en sociale zekerheid”, alsook de door andere organisaties uitgewerkte programma’s waarvan het bijzonder belang is aangetoond in de verzekeringsgeneeskunde of de uitoefening van de opdrachten van verzekeringsgeneeskundigen. De puntenwaarde van de specifieke programma’s bedoeld in § 2, eerste lid, b, wordt bepaald door de Hoge Raad van geneesheren-directeurs. De programma’s erkend binnen het kader van de accreditering van artsen, bedoeld in artikel 36bis van de bovenbedoelde wet, worden van rechtswege erkend met hun puntenwaarde. § 3. De adviserend arts is geaccrediteerd en ontvangt het jaarlijks accrediteringsforfait, na minimum twintig punten per jaar te hebben behaald door het volgen van de programma’s van permanente XII-9628-10/13 vorming. Hij moet minstens vijf punten behalen voor elk type van programma bedoeld in § 2. Art. 2. Om het jaarlijks voordeel van de accreditering te behouden, moet de adviserend arts per jaar aantonen dat hij minimum 20 punten behaalde onder de hierboven vermelde voorwaarden.’ Artikel 6 van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt: ‘§ 1. Het beheer van de accreditering van adviserend artsen wordt waargenomen door de Hoge raad van geneesheren-directeurs, bedoeld in artikel 153, § 5, van de bovenbedoelde wet. Deze raad is belast met :
- a)de erkenning van de specifieke programma’s van permanente vorming bedoeld in artikel 1, § 2, b, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in artikel 1, § 1;
- b)het al dan niet toekennen van het voordeel van de accreditering aan de adviserend arts, na de naleving van de voorwaarden bedoeld in de artikelen 1 en 2 te hebben nagegaan.’ 5.2. In zoverre verzoekster stelt dat er voor haar materieel geen mogelijkheid voorhanden was om een specifieke vorming, georganiseerd door de Wetenschappelijke vereniging voor verzekeringsgeneeskunde, te volgen vóór eind oktober 2023, gaat zij er in het inleidend verzoekschrift aan voorbij dat overeenkomstig artikel 1, §2, b van het koninklijk besluit van 11 juni 2011 ook de Association scientifique de médecine d'assurance en de Europese vereniging voor verzekeringsgeneeskunde en sociale zekerheid specifieke opleidingen aanbieden. De verwerende partij verwijst in de memorie van antwoord naar 3 ASMA-opleidingen (28 maart 2023, 17 oktober 2023 (en 21 november 2023)) met 2,5 specifieke creditpunten voor een halve dag en 5 specifieke creditpunten voor de hele dag en naar het EUMASS-congres over “Insurance medicine 2.0 in a changing world” van 28-30 september 2023, waarvoor 15 specifieke creditpunten (5 specifieke creditpunten per dag) behaald konden worden. 5.3. De repliek van verzoekster in de memorie van wederantwoord dat ook de laatstgenoemde specifieke opleidingen materieel niet mogelijk waren, is laattijdig en niet ontvankelijk. Het valt immers niet in te zien waarom verzoekster deze argumenten niet ook al in haar aanvankelijk verzoekschrift kon formuleren. 5.4. Verzoekster heeft bijgevolg niet op ontvankelijke wijze aannemelijk gemaakt dat zij in de onmogelijkheid verkeerde om vóór haar pensionering op 1 november 2023 de nodige specifieke opleidingen te volgen. 5.5. In zoverre verzoekster stelt zelf op zoek te zijn gegaan naar zinvolle alternatieven en die bij de accrediteringsaanvraag te voegen als ‘specifiek’, wordt vastgesteld dat het gaat om vormingen die niet overeenkomstig artikel 6, §1,
- a)van het koninklijk besluit van 11 juni 2011 door de Hoge raad van artsen-directeurs zijn erkend als specifieke opleiding voor 2023 en waarvan diezelfde Hoge raad van artsen-directeurs evenmin overeenkomstig artikel 1, §2, b, tweede lid van hetzelfde besluit een puntenwaarde heeft bepaald. De Hoge Raad van artsen-directeurs kon dan ook wettig beslissen deze vormingen mee te rekenen als ‘algemene’ creditpunten en niet als ‘specifieke’ creditpunten. De argumentatie van verzoekster dat bedoelde vormingen hadden moeten volstaan om het tekort in specifieke creditpunten aan te vullen, geeft uiting aan de andere zienswijze van XII-9628-11/13 verzoekster maar is niet van aard om de wettigheid van de bestreden beslissing te vitiëren. 5.6. Het beroep is niet gegrond.” 10. In haar laatste memorie herhaalt verzoekster op parafraserende wijze haar grieven zoals aangevoerd in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord zonder inhoudelijk afbreuk te doen aan de redenering in het auditoraatsverslag waarin wordt vastgesteld dat zij niet op ontvankelijke wijze aannemelijk maakt dat zij in de onmogelijkheid verkeerde om vóór haar pensionering op 1 november 2023 de nodige specifieke opleidingen te volgen. In zoverre verzoekster zich de vraag stelt hoe de doelstelling van 5 algemene en 5 specifieke CP’s kan gehaald worden door collega’s die vroeger op het kalenderjaar hun activiteiten stopzetten, volstaat de vaststelling dat het zich “de vraag stellen” niet kan worden beschouwd als zijnde een ontvankelijk middel. Daarnaast dient te worden benadrukt dat de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 11 juni 2011 ‘tot uitvoering van artikel 154, zesde lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994’ geen uitzonderingen bevat voor artsen die in de loop van het jaar op pensioen gaan. Als verzoeksters grief al als een kritiek op die regelgeving moet worden beschouwd (omdat ze geen uitzonderingen voorziet), dan nog moet worden vastgesteld dat verzoekster niet vermeldt welke rechtsregel of rechtsbeginsel daardoor is geschonden, noch vraagt zij om die regelgeving in haar geval buiten toepassing te verklaren. 11. In die omstandigheden ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het beroep ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. XII-9628-12/13 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9628-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.685 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div