← België

Arrest 262716 - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen - 24/03/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.716 Rolnummer: A. 242028/XIV-39438 Zaak: Arrest 262716 - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen - 24/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-25 Raadplegingen: 207 - laatst gezien 2026-06-18 04:39 Fiche Arrest nr 262.716 van 24 maart 2025 Economische zaken - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 262.716 van 24 maart 2025 in de zaak A. 242.028/XIV-39.438 In zake : 1. XXXX 2. XXXX woonplaats kiezend te tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Damien Verhoeven, Bert Van Herreweghe en Vincent Verbelen kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 23 mei 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 26 maart 2024 van het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap waarbij de aanvraag van een rentesubsidie wordt afgekeurd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. XIV-XIV-39.43 Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 16 december 2024 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 22 januari 2025. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 26 maart 2024 weigert het Vlaamse Energie- en Klimaatagentschap (hierna: het VEKA) de aanvraag van verzoekers van een rentesubsidie. Luidens de motivering ervan is de aanvraag afgekeurd op grond van de volgende motief: “Het VEKA heeft een controle uitgevoerd op het EPC vermeld in uw kredietaanvraag. Na controle bleek dat het vermeld EPC fouten bevat. Naar aanleiding daarvan werd de energiedeskundige verzocht een correct EPC te bezorgen, en na de rechtzetting van de fouten is het label van het EPC naar een label D gegaan. Een EPC attest met label D voor een ééngezinswoning komt niet in aanmerking voor een renovatiekrediet met rentesubsidie.” Dit is de bestreden beslissing. XIV-XIV-39.43 IV. Toepassing kortedebattenprocedure Ontvankelijkheid - exceptie inzake rechtsmacht Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie wegens gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State op. Het beroep voldoet niet aan de voorwaarden die ter zake gelden: wat de eerste voorwaarde betreft, zet de verwerende partij uiteen dat artikel 7.15.2 van het Energiebesluit van 19 november 2010 de bevoegdheid van het VEKA volledig bindt: het VEKA kan enkel een rentesubsidie verlenen aan verzoekers indien zij eigenaar zijn van een niet-energiezuinige woning, hetgeen te deze niet het geval is. Wat de tweede voorwaarde betreft, stelt de verwerende partij dat verzoekers de schending aanvoeren van verschillende, niet-pertinente decretale en reglementaire bepalingen die, mocht de Raad van State die ontvankelijk beschouwen, kunnen worden teruggebracht tot de schending van de voornoemde bepaling. De kritiek die verzoekers ter zake leveren, is dat het VEKA die bepaling niet correct heeft geïnterpreteerd, c.q heeft toegepast en daarom schendt. 5. Verzoekers antwoorden in het memorie van wederantwoord niet op deze exceptie. Beoordeling A. Vooraf: de principes inzake rechtsmacht 6. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft, en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen tot XIV-XIV-39.43 nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Wat de beoordeling van het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van een voor de Raad van State gebracht geschil betreft, is op grond van de voornoemde artikelen 144 en 145 van de Grondwet, de Raad van State zonder rechtsmacht wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij (

  1. i)een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht waarover de verzoekende partij meent te beschikken en (
  2. ii)het ingeroepen annulatiemiddel steunt op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt (Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 en de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier (ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127); zie eveneens Cass. (verenigde kamers) 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin (ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8). In zijn arresten nrs. 257.891, 257.892 en 257.893 van 14 november 2023 heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak deze rechtspraak bijgetreden. Hieruit volgt derhalve dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer aan twee (connexe) voorwaarden is voldaan waarbij niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het aangevoerde middel (de causa petendi). De eerste voorwaarde houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, aangezien hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van de administratie volledig gebonden is (zie de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin voor Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418 (ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6); conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). De tweede voorwaarde heeft betrekking op de middelen die tot XIV-XIV-39.43 staving van het annulatieverzoek worden aangevoerd. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het aangevoerde annulatiemiddel wordt afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke die verplichting vestigt (zie de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). 7. Er wordt bij de navolgende beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering dan ook acht geslagen op zowel het voorwerp van de vordering (het petitum), dit is de eerste connexe voorwaarde, als op de aangevoerde middelen (de causa petendi), dit is de tweede connexe voorwaarde. B. De eerste connexe voorwaarde (het petitum) 8. In het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat uit artikel 7.15.2, van het Energiebesluit van 19 november 2000 blijkt dat het VEKA bij het onderzoek of verzoekers voldoen aan de voorwaarden om een rentesubsidie voor niet-energiezuinige woningen te bekomen, zoals bepaald in de voormelde bepaling, louter over een gebonden bevoegdheid beschikt. Het VEKA heeft geen discretionaire beoordelingsbevoegdheid bij het nagaan of de aanvrager in aanmerking komt voor een rentesubsidie, noch bij de omvang hiervan. In de bestreden beslissing stelt het VEKA vast dat er geen sprake is van een niet- energiezuinige woning en dat als voor een eengezinswoning een EPC-attest met label D voorligt, de aanvrager niet in aanmerking komt voor een rentesubsidie. Ter zake beschikt het VEKA over een louter gebonden bevoegdheid. De Raad van State ziet wat deze voorwaarde betreft, geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, na eigen onderzoek, aldus het auditoraatsverslag bijvallend, dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de door de regelgever vastgestelde voorwaarde vervat in de voornoemde bepaling, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld was. XIV-XIV-39.43 C. De tweede connexe voorwaarde (de causa petendi) 9. Het auditoraat stelt in zijn verslag vast dat in de voorliggende zaak het verzoekschrift geen middelen bevat, minstens dienen de aangevoerde middelen als niet-ontvankelijk te worden verworpen. De Raad van State ziet wat deze voorwaarde betreft, geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, dat geen middel is aangevoerd waarover de Raad van State zich zou kunnen uitspreken (de causa petendi). Conclusie 10. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is. 11. De exceptie is in de aangegeven mate gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. 12. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. V. Kosten 13. In de gegeven omstandigheden past het om de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen aangezien die in de bestreden beslissing ten onrechte heeft gesteld dat het beroep diende te worden ingeleid bij de Raad van State. XIV-XIV-39.43 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques. XIV-XIV-39.43 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.716 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.