← België

Arrest 262724 - Dierenwelzijn - 24/03/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.724 Rolnummer: A. 244392/XII-9852 Zaak: Arrest 262724 - Dierenwelzijn - 24/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-03-24 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-16 05:58 Fiche Arrest nr 262.724 van 24 maart 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 262.724 van 24 maart 2025 in de zaak A. 244.392/XII-9852 In zake: T.A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Flavie Van Maldegem kantoor houdend te 1000 Brussel Joseph Stevensstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 14 maart 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “het besluit d.d. 14 februari 2025 van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (het ‘FAVV’) over de noodzakelijk geachte maatregelen die worden opgelegd aan de hond van Verzoeker, een Franse bulldog genaamd Bella, om het risico op hondsdolheid te beperken”. XII-9852-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 14 maart 2025 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 maart
  3. De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Advocaat Flavie Van Maldegem die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Frédérick Valcke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 27 januari 2025 wordt de verwerende partij op de hoogte gesteld van een melding houdende een niet-conforme invoer van een hond uit Hongarije. Diezelfde dag gaat de Lokale Controle Eenheid (LCE) ter plaatse bij verzoeker om hem te horen inzake de hond. Volgens het Hongaars gezondheidsboekje zou de hond geboren zijn op 6 juni
  6. De hond was niet gechipt, niet gevaccineerd tegen rabiës en had geen gezondheidscertificaat. Op dezelfde datum wordt de hond administratief in beslag genomen en aan verzoeker werd een strikte afzondering van de hond als bewarende maatregel opgelegd. XII-9852-2/10 3.
  7. Op 3 februari 2025 stelt de verwerende partij een verklaring op, waarin zij te kennen geeft de intentie te hebben om een maatregel op te leggen om de volksgezondheid te beschermen, zijnde: - afzondering van het dier in een erkende quarantaine-inrichting, of; - terugzending, of; - euthanasie. In de intentiebrief wordt verzoeker gevraagd aanvullend bewijs voor een herbeoordeling van het betrokken gezondheidsrisico over te maken uiterlijk om middernacht op 7 februari
  8. Verzoeker bezorgt daarop nieuwe elementen, waaronder foto’s, een aantal verklaringen en het resultaat van een rabiës antistoffen titertest met als resultaat ‘unsatisfactory’ (‘onbevredigend’). 3.
  9. Op 14 februari 2025 neemt de verwerende partij een besluit en stelt het daarin dat verzoeker stappen moet ondernemen tegen uiterlijk 21 februari 2025 om: - ofwel de afzondering in een inrichting erkend als quarantaine-inrichting te regelen, - ofwel de terugzending te regelen, - ofwel, in laatste instantie, indien verzoeker geen van de beide hierboven vermelde opties uitvoert, de euthanasie te regelen. Dit is het bestreden besluit. 3.
  10. Verzoeker heeft op 17 februari 2025 het besluit van 14 februari 2025 getekend voor ontvangst. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4 Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde XII-9852-3/10 dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  11. Verzoeker zet het volgende uiteen in het verzoekschrift: “
  12. Krachtens artikel 17, §§1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is.
  13. Gezien het feit dat de hond van Verzoeker door het bestreden besluit verplicht zal worden geëuthanaseerd, dringt zich de uitzonderlijke procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid op, daar een gewone procedure van nietigverklaring te laat zou komen.
  14. Als de bestreden beslissing niet wordt geschorst door Uw Raad, zal Bella worden geëuthanaseerd, gezien Verzoeker niet in staat is de kosten van de quarantaine van Bella in een erkende instelling of een terugzending naar Hongarije te financieren.
  15. De bestreden beslissing treft Verzoeker onmiddellijk en op onherstelbare wijze.
  16. Het is enkel door middel van een schorsingsarrest van Uw Raad dat een einde kan gesteld worden aan [de] sanctie die aan verzoeker wordt opgelegd.
  17. De vordering van verzoeker is dienvolgens onmiskenbaar spoedeisend.” Beoordeling
  18. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een XII-9852-4/10 strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. Het is om die reden dat, zoals overwogen in het arrest van de Algemene Vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, nr. 249.313 van 22 december 2020, de Raad van State met een zekere gestrengheid de voorwaarden beoordeelt die vervuld moeten zijn opdat deze vordering kan worden ingewilligd. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Daarbij is overeenkomstig artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereist dat “in het opschrift van de vordering vermeld is dat de zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid, en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, behandeld dient te worden”. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij, zoals wordt aangegeven in de parlementaire voorbereiding, waarin wordt gesteld dat “[d]e procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid […] bovendien uitzonderlijk [moet] blijven en […] hoe dan ook alleen [mag] worden aangewend voor zaken waarin een verzoeker de noodzaak aantoont dat binnen een termijn van maximaal vijftien dagen moet worden opgetreden” (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11-12), aan de hand van precieze, concrete en verifieerbare gegevens dient aan te tonen dat indien de zaak binnen een termijn van meer dan vijftien dagen zou worden behandeld, de uitspraak van de Raad van State onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende XII-9852-5/10 partij veilig te stellen. Alleen de elementen die zij in haar verzoekschrift aanvoert, kunnen in aanmerking worden genomen. Het is aan de verzoekende partij om in haar verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid de specifieke en concrete redenen te vermelden waarom de gewone vordering tot schorsing voorzien in artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet geschikt is om het door haar aangevoerde nadeel tijdig op te vangen of haar belangen tijdig veilig te stellen, rekening houdend met de in die bepaling vermelde behandelingstermijnen, en met de mogelijkheid voor de kamer die de zaak behandelt om een datum voor de zitting te bepalen afhankelijk van de mate van urgentie die in het verzoek wordt aangevoerd. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou zijn, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
  19. Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden XII-9852-6/10 ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting doch vereist het aanreiken van concrete, specifieke op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het resultaat van de gewone schorsingsprocedure zoals voorzien in artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen.
  20. Voorts dient, wie aanvoert redenen te hebben die een zodanigeurgentie verantwoorden dat niet alleen niet de uitkomst van een beroep tot nietigverklaring kan worden afgewacht, maar zelfs niet een schorsing die volgens de gewone procedure zou worden bevolen, zich daar ook naar te gedragen. Dit wordt beoordeeld in het licht van de diligentie die de verzoekende partij bij het instellen van haar vordering, al dan niet, aan de dag heeft gelegd. Diligent optreden is derhalve vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid en het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. Een verzoekende partij die zonder afdoende reden talmt met het instellen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, geeft er blijk van die uiterst dringende noodzakelijkheid zelf niet ernstig te nemen. Het is vanaf het ogenblik waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid ontstaat, dat een verzoekende partij met passende voortvarendheid moet optreden. Dit ogenblik moet niet – maar kan nog wel – samenvallen met het ogenblik dat de verzoekende partij kennis krijgt van de bestreden rechtshandeling. Het valt evenwel aan een verzoekende partij toe om op heldere en overtuigende wijze de (nieuwe of veranderde) feiten en omstandigheden die tot gevolg hebben dat de zaak niet (langer) verenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, uiteen te zetten, ze aannemelijk te maken en ze in de tijd te situeren. Dit laatste is van belang omdat XII-9852-7/10 deze feiten en omstandigheden het uitgangspunt vormen om de diligentie van de verzoekende partij te beoordelen.
  21. Verzoeker kreeg op 14 februari 2025 per e-mail kennis van de bestreden beslissing en heeft op 17 februari 2025 getekend voor ontvangst. Niettegenstaande de bestreden beslissing aan verzoeker oplegt de maatregelen uiterlijk tegen 21 februari 2025 uit te voeren (quarantaine, terugzending of euthanasie) wacht verzoeker vervolgens tot 14 maart 2025 om een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen. Dat tijdsinterval spreekt de uiterst dringende noodzakelijkheid tegen. Waarom verzoeker bijna een maand wacht om het verzoekschrift in te dienen, wordt niet verklaard in het verzoekschrift. Verzoeker legt ter verklaring hiervan evenmin enig stuk voor.
  22. Verzoeker stelt dat de hond zal “worden geëuthanaseerd, gezien verzoeker niet in staat is de kosten van de quarantaine van Bella in een erkende instelling of een terugzending naar Hongarije te financieren”, zonder dit met enig concreet gegeven te staven. Daarmee reikt verzoeker geen concrete, specifieke op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens aan die aantonen dat hij het resultaat van de gewone schorsingsprocedure zoals voorzien in artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen.
  23. Verzoeker toont de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aan. VI. Conclusie
  24. Aangezien de dringende noodzakelijkheid zoals gedefinieerd in artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is XII-9852-8/10 aangetoond, is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VII. Rechtsplegingsvergoeding
  25. De verwerende partij vraagt verzoeker te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 770 euro. Vermits verzoeker als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand geniet en de verwerende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient dit bedrag overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 154 euro. BESLISSING
  26. De Raad van State verwerpt de vordering.
  27. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-9852-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Frédéric Vanneste, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Frédéric Vanneste XII-9852-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.724 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.