← België

Arrest 262798 - Wegenwezen - 28/03/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.798 Rolnummer: A. 238505/X-18347 Zaak: Arrest 262798 - Wegenwezen - 28/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-01 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-16 05:59 Fiche Arrest nr 262.798 van 28 maart 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 262.798 van 28 maart 2025 in de zaak A. 238.505/X-18.347 In zake :

  1. C.V.
  2. T.V. tegen :
  3. de GEMEENTE OUD-HEVERLEE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Bram Van Den Berghe kantoor houdend te 8020 Oostkamp Domein De Herten Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen
  4. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 23 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Oud-Heverlee van 28 juni 2022 houdende goedkeuring van “het stratentracé voorzien in de omgevingsvergunningsaanvraag inzake het aanleggen van fietspaden aan de Waversebaan van nabij de Dorpsstraat [tot] het kruispunt met de Wittebomendreef […]” (hierna: het bestreden gemeenteraadsbesluit) en b. het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken van 19 december 2022 houdende verwerping van verzoekers’ bestuurlijk beroep tegen het bestreden gemeenteraadsbesluit (hierna: het bestreden ministerieel besluit). X-18.347-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
  6. Bij arrest nr. 255.956 van 3 maart 2023 zijn de vorderingen tot schorsing en tot het opleggen van een voorlopige maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 januari
  7. Kamervoorzitter Jan Clement heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partijen, advocaat Bram Van Den Berghe, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Dylan Vercammen, die loco advocaat Jonas De Wit verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-18.347-2/14 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten 3.
  9. Op 7 februari 2022 vraagt de gemeente Oud-Heverlee bij haar college van burgemeester en schepenen een omgevingsvergunning aan voor de heraanleg van de Waversebaan van nabij de Dorpsstraat tot het kruispunt met de Wittebomendreef. 3.
  10. Bij de aanvraag worden grafische plannen gevoegd waarop aan weerszijden van de Waversebaan rode lijnen ingetekend zijn die blijkens de legende gesteund zijn op een plan dat op 8 oktober 1959 door de gemeenteraad van de gemeente Oud-Heverlee is goedgekeurd (hierna: het plan uit 1959). Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit een van deze grafische plannen, waarbij in de linkermarge aanduidingen zijn aangebracht. Zoals uit dit grafisch plan blijkt, zal een deel van het fietspad en een deel van het voetpad aangelegd worden buiten de strook tussen de rode lijnen van het plan uit
  11. X-18.347-3/14
  12. Tijdens het openbaar onderzoek, dat loopt van 3 maart tot 1 april 2022, wordt één bezwaarschrift ingediend.
  13. Met het bestreden gemeenteraadsbesluit van 28 juni 2022 keurt de gemeenteraad “het voorgestelde tracé, het aanleggen van fietspaden aan de Waversebaan van nabij de Dorpsstraat [tot] het kruispunt met de Wittebomendreef, zoals voorzien in de omgevingsvergunningsaanvraag […] gelegen aan de Waversebaan, 3050 Oud-Heverlee (op openbaar domein)” goed.
  14. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oud-Heverlee verleent op 5 juli 2022 de gevraagde omgevingsvergunning onder voorwaarden.
  15. Op 26 juli 2022 stellen verzoekers bij de Vlaamse regering een bestuurlijk beroep in tegen het bestreden gemeenteraadsbesluit. In hun beroepsschrift werpen zij op dat er in de gemeenteraadsbeslissing niet verwezen wordt naar een wettelijk rooilijnplan voor de Waversebaan, terwijl het gaat om een wijziging van een bestaande buurtweg zodat een aangepast rooilijnplan in de omgevingsvergunning geïntegreerd diende te worden. Zij betwisten dat het plan uit 1959 wettelijke rooilijnen bevat.
  16. Op 8 augustus 2022 stellen verzoekers bij de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant (hierna: de deputatie) een bestuurlijk beroep in tegen de in randnummer 6 bedoelde omgevingsvergunning. 9.
  17. Met het bestreden ministerieel besluit van 19 december 2022 verwerpt de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken het in randnummer 7 bedoelde bestuurlijk beroep. 9.
  18. In het bestreden ministerieel besluit wordt het volgende gesteld: “Beroepsindieners menen in hun eerste beroepskritiek dat de werkzaamheden […] de opmaak van een rooilijnplan vereisen. X-18.347-4/14 Immers beperken de werkzaamheden zich niet binnen de bestaande rooilijn. Tevens wordt de wettigheid van de bestaande rooilijnplannen, daterend van 8 oktober 1959, betwist. Wat dit laatste aspect betreft verwijzen beroepsindieners, net zoals de aanvrager via de projectnota en de omgevingsambtenaar in het verslag, naar de plannen die door de gemeenteraad in zitting van 8 oktober 1959 werden goedgekeurd. Beroepsindieners menen dat deze plannen onwettig zijn doch laten na te verduidelijken waarom dit het geval zou zijn. Opgemerkt dient hierover dat deze vroegere rooilijnplannen geen voorwerp uitmaken van voorliggend beroep, noch de Vlaamse Regering bevoegd is om de wettigheid hiervan te toetsen. Bij gebreke aan enige argumentatie van beroepsindieners ten aanzien van deze vroegere rooilijnplannen alsook enige rechterlijke beslissing, dienen deze als wettig en rechtsgeldig beschouwd te worden. […] Beroepsindieners menen dat er weldegelijk sprake is van een ‘wijziging’ in de zin van het Decreet Gemeentewegen, onder verwijzing naar het tracé zoals dit gekend was in de Atlas der Buurtwegen. Echter moet voor de juridisch vastgestelde rooilijn naar de wijzigende plannen van 8 oktober 1959 worden gekeken, om de redenen zoals hierboven vermeld. Beroepsindieners laten na aan te duiden waar, binnen het voorwerp van de vergunningsaanvraag, de werken een overschrijding van deze bestaande rooilijnen tot gevolg hebben, hetgeen een (gedeeltelijke) wijziging van deze gemeenteweg zou impliceren en dus de opmaak van een rooilijnplan zou vergen. Integendeel moet worden vastgesteld dat het aangevraagde voorwerp binnen deze rooilijnen gesitueerd blijft. Bijgevolg is de eerste beroepskritiek ongegrond.”
  19. Met een besluit van 13 april 2023 verwerpt de deputatie het in randnummer 8 bedoelde bestuurlijk beroep en verleent zij aan de gemeente Oud-Heverlee de gevraagde omgevingsvergunning. IV. Exceptie van de eerste verwerende partij met betrekking tot de rechtspleging 11.
  20. In een exceptie voert de eerste verwerende partij aan dat het procedurestuk waarmee verzoekers, na de afwijzing van hun schorsingsvordering bij ’s Raads arrest nr. 255.956 van 3 maart 2023, de voortzetting van de procedure vragen, onregelmatig is omdat niet op een duidelijke wijze de nietigverklaring van de bestreden besluiten wordt gevraagd, maar in wezen gestreefd wordt naar een herziening van het laatstgenoemde arrest. X-18.347-5/14 11.
  21. De exceptie wordt verworpen nu verzoekers in hun verzoekschrift tot voortzetting wel degelijk bevestigen dat zij volharden in de door hen gevorderde nietigverklaring van de bestreden besluiten. V. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen 12.
  22. In hun memories van antwoord voeren de verwerende partijen de exceptio obscuri libelli aan. Volgens hen bevat het verzoekschrift geen duidelijke en nauwkeurige uiteenzetting van de wijze waarop de bestreden besluiten de aangevoerde rechtsregels zouden schenden. 12.
  23. Voorts werpt de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie van gebrek aan belang op. Zij argumenteert dat verzoekers hun belang enten op de nadelen die zij vrezen te ondervinden als gevolg van de komst van een buurtsupermarkt, die losstaat van de bestreden besluiten. Voorts is het onvoldoende duidelijk welke nadelige gevolgen verzoekers precies vrezen te ondervinden ingevolge de bestreden besluiten, aangezien zij niet woonachtig zijn langs de Waversebaan. Het is voor de eerste verwerende partij onduidelijk hoe het belang van de verzoekers onderscheiden kan worden van het algemeen belang dat iedere natuurlijke persoon kan aanvoeren. 12.
  24. Ten slotte beschikken verzoekers volgens de eerste verwerende partij ook niet over het vereiste belang bij hun vordering omdat de vernietiging van de bestreden besluiten hen geen voordeel zou opleveren, daar de bestreden besluiten betrekking hebben op de strook tussen de bestaande juridische rooilijnen van het plan uit 1959 die bijgevolg niet gewijzigd moeten worden. Het feit dat er geen gemeenteraadsbeslissing noodzakelijk is over een nieuw rooilijnplan, maakt dat de verzoekers geen voordeel kunnen putten uit de vernietiging van de bestreden besluiten. X-18.347-6/14
  25. In haar laatste memorie voegt de eerste verwerende partij eraan toe dat het niet is omdat de verwerende partijen een poging tot verweer hebben gedaan dat de middelen voldoende duidelijk zouden zijn. Wat de exceptie van gebrek aan belang betreft, benadrukt zij dat de woning van verzoekers zich op zo’n 700 meter van het betrokken wegtracé bevindt en dat wegeniswerken ook een verbetering voor het woongenot van de omwonenden kunnen inhouden. Beoordeling
  26. Aangezien het verzoekschrift een voldoende duidelijke uiteenzetting bevat van de wijze waarop de in randnummer 18.1 bedoelde rechtsregels geschonden zijn, kan de door de verwerende partijen aangevoerde exceptio obscuri libelli niet worden aangenomen. Er dient te worden vastgesteld dat deze partijen erin geslaagd zijn het betrokken middelonderdeel te beantwoorden. Hieruit blijkt dat deze partijen niet werden geschaad in hun rechten van verweer.
  27. Het uitgangspunt van de in randnummer 12.3 bedoelde exceptie is dat de door het bestreden gemeenteraadsbesluit goedgekeurde aanpassingen van de Waversebaan uitsluitend betrekking hebben op de strook tussen de rode lijnen die volgens de eerste verwerende partij de op het plan uit 1959 ingetekende rooilijnen zijn. Deze exceptie kan niet worden aangenomen daar dit uitgangspunt, zoals hierna zal blijken (randnr. 25), onjuist is. 16.
  28. Te dezen voeren verzoekers aan dat hun woning gelegen is in een zijtak van de Waversebaan en dat zij eigenaar zijn van een huis in een andere zijtak van dezelfde baan. Van het betrokken gedeelte van de Waversebaan maken zij “bijna dagelijks gebruik”, waarbij zij als “wandelaar […] geregeld in de kant [moeten] duiken wanneer fietsers […] hen ‘wegbellen’”. X-18.347-7/14 16.
  29. Vastgesteld moet worden dat verzoekers aan de in het vorige randnummer bedoelde elementen een toereikend persoonlijk belang ontlenen bij hun beroep. Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de door de eerste verwerende partijen ingeroepen elementen.
  30. De excepties worden verworpen. VI. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen 18.
  31. In het tweede middel (blz. 23 en volgende verzoekschrift) voeren verzoekers onder meer de schending aan van artikel 12 van het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeentewegen’ (hierna: het gemeentewegendecreet) en van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 18.
  32. Verzoekers zetten uiteen dat het bestreden gemeenteraadsbesluit niet is genomen op basis van een correct dossier. Het dossier bevat immers geen (ontwerp van) rooilijnplan van de gewijzigde gemeenteweg. De verwijzing naar het plan uit 1959 is onterecht, want dit is geen wettig rooilijnplan. 19.
  33. In haar memorie van antwoord werpt de eerste verwerende partij vooreerst op dat het middel onontvankelijk is in de mate dat verzoekers de daarin vervatte kritiek niet hebben aangevoerd tijdens de bestuurlijke beroepsprocedure voor de Vlaamse regering. 19.
  34. Ten gronde meent de eerste verwerende partij dat verzoekers geenszins aannemelijk maken dat er te dezen een rooilijnplan overeenkomstig artikel 12, § 2, van het gemeentewegendecreet opgemaakt moest worden. De goedgekeurde aanpassing van de Waversebaan vindt immers plaats binnen de X-18.347-8/14 juridische rooilijnen van het plan uit
  35. Dit blijkt uit de plannen van het aanvraagdossier voor de wegeniswerken waarop de rooilijnen in het rood staan ingetekend en waarbij in de legende expliciet staat aangegeven dat het de rooilijnen betreft zoals deze werden goedgekeurd door de gemeenteraad in de zitting van 8 oktober
  36. Het gaat om onteigeningsplannen die op 8 oktober 1959 door de gemeenteraad werden vastgesteld en die bij besluit van 14 juni 1960 werden goedgekeurd. Voor het betrokken tracé werd toentertijd een rooilijn ingetekend met een breedte die varieert tussen 11 meter en 16,13 meter. Aangezien alle werken worden voorzien binnen deze juridische rooilijnen diende er geen nieuw rooilijnplan overeenkomstig het gemeentewegendecreet opgesteld te worden voor de omgevingsvergunningsaanvraag. Volgens de eerste verwerende partij maken verzoekers evenmin aannemelijk waarom het juridische rooilijnplan van 1959 onwettig zou zijn. Ten overvloede wordt nog gewezen op de memorie van toelichting van het gemeentewegendecreet waaruit duidelijk blijkt dat verfraaiings-, uitrustings- of herstelwerkzaamheden niet vallen onder de definitie van een wijziging van de rooilijn. De memorie van toelichting stelt expliciet dat er bijgevolg ook geen (wijziging van een) rooilijnplan vereist is voor de wijziging van de verharding of de verharde oppervlakte binnen de rooilijnen. Hoe dan ook is er dus in casu geen rooilijnplan vereist, aangezien de voorziene werken steeds binnen de juridische rooilijnen van het plan uit 1959 vallen.
  37. In haar memorie van antwoord verduidelijkt de tweede verwerende partij vooreerst dat er binnen het kader van de beroepsprocedure bij de Vlaamse regering slechts sprake is van een marginaal toetsingsrecht betreffende de feitelijke elementen. Volgens de tweede verwerende partij gaat de stelling van verzoekers in tegen de elementen van het dossier. Immers wordt in de omgevingsvergunningsaanvraag op voldoende duidelijke wijze verwezen naar de rooilijnen zoals vastgesteld in het plan uit
  38. Verzoekers voeren geen enkel concreet element aan waarom het rooilijnplan van 1959 onwettig zou zijn, dan wel dat er een rooilijnplan opgesteld moest worden conform artikel 12, § 2, van het gemeentewegendecreet. Het plan uit 1959 geniet het vermoeden van wettigheid, X-18.347-9/14 hetgeen door de verzoekende partijen niet weerlegd wordt. Bijgevolg moeten deze rooilijnen als uitgangspunt genomen worden, waarbij de door de omgevingsvergunning toegestane werkzaamheden zich beperken tot de strook binnen deze rooilijnen.
  39. In haar laatste memorie benadrukt de eerste verwerende partij dat het plan uit 1959 wel degelijk een rechttrekking – wat als een tracéwijziging moet worden begrepen – is van het tracé van de Waversebaan. Als stuk 13 legt zij een “meer gedetailleerde versie” van het plan uit 1959 neer waaruit volgens haar blijkt dat dit plan voldoende duidelijk is met betrekking tot de toen bestaande en nieuwe rooilijnen.
  40. In haar laatste memorie benadrukt de tweede verwerende partij dat zij geen bevoegdheid had om de wettigheid van het plan uit 1959 te controleren. Beoordeling
  41. De in randnummer 19.1 bedoelde exceptie behoeft geen beoordeling daar het besproken middelonderdeel overeenstemt met de kritiek die verzoekers in hun beroepsschrift bij de Vlaamse regering hebben aangevoerd (randnr. 7).
  42. Het materiëlemotiveringsbeginsel houdt in dat een besluit van het bestuur moet gedragen worden door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit het besluit zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht de overheid zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van een beslissing en ervoor te zorgen dat de juridische en feitelijke aspecten van het dossier deugdelijk worden geïnventariseerd en gecontroleerd, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen. X-18.347-10/14 X-18.347-11/14 Artikel 12, § 2, van het gemeentewegendecreet stelt: “§
  43. In afwijking van artikel 11 kan de aanleg, wijziging [of] verplaatsing […] van een gemeenteweg met overeenkomstige toepassing van artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning opgenomen worden in een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, voor zover die wijziging past in het kader van de realisatie van de bestemming van de gronden. Die mogelijkheid geldt voor zover het aanvraagdossier een ontwerp van rooilijnplan bevat dat voldoet aan de bij en krachtens dit decreet gestelde eisen op het vlak van de vorm en inhoud van gemeentelijke rooilijnplannen […]”.
  44. Volgens de verwerende partijen diende er te dezen geen nieuw rooilijnplan te worden goedgekeurd door de gemeenteraad omdat de door het bestreden gemeenteraadsbesluit goedgekeurde aanpassingen uitsluitend betrekking zouden hebben op de strook tussen de rode lijnen die de door het plan uit 1959 vastgestelde rooilijnen zijn. Uit de gegevens van de zaak (randnr. 3.2) blijkt evenwel dat een deel van het fietspad en een deel van het voetpad zoals die door het bestreden gemeenteraadsbesluit goedgekeurd zijn, gelegen zijn buiten de laatstgenoemde strook. De redengeving dat de goedgekeurde aanpassingen steeds binnen de door de verwerende partijen bedoelde rooilijnen zouden vallen mist aldus feitelijke grondslag.
  45. Bovendien biedt het als stuk 13 door de eerste verwerende partij neergelegde plan uit 1959 onvoldoende duidelijkheid met betrekking tot de toen bestaande en de beweerde nieuwe rooilijnen. Het blijkt immers te gaan om een onteigeningsplan “Verbetering van Weg […] Grondplan” waarop “onteigeningen” met “rode tint” zijn ingekleurd, maar waarop geen huidige of toekomstige rooilijnen zijn aangeduid.
  46. Vastgesteld moet worden dat vooreerst er geen wettig motief blijkt om geen nieuw rooilijnplan goed te keuren en dat bovendien de kritiek dienaangaande in verzoekers’ beroepsschrift bij de Vlaamse regering niet zorgvuldig onderzocht is. X-18.347-12/14 Aan die vaststellingen wordt geen afbreuk gedaan door de door de verwerende partijen ingeroepen elementen.
  47. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  48. De Raad van State vernietigt het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Oud-Heverlee van 28 juni 2022 houdende goedkeuring van “het stratentracé voorzien in de omgevingsvergunningsaanvraag inzake het aanleggen van fietspaden aan de Waversebaan van nabij de Dorpsstraat tem het kruispunt met de Wittebomendreef […]” en het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken van 19 december 2022 “betreffende het beroep tegen het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Oud-Heverlee van 28 juni 2022 houdende de goedkeuring van het stratentracé inzake de aanleg van fietspaden aan de Waversebaan nabij de Dorpsstraat tot aan het kruispunt met de Wittebomendreef, gelegen op openbaar domein te Waversebaan, 3050 Oud-Heverlee, in het kader van omgevingsvergunningsaanvraag (OMV_2022012905)”.
  49. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  50. De verwerende partijen, elk voor de helft, worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro en een bijdrage van 48 euro.
  51. Het door de verzoekende partijen te veel betaalde bedrag aan bijdrage van 48 euro wordt aan hen terugbetaald. X-18.347-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.347-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.798 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.956 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.