id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.827 Rolnummer: A. 226859/XII-9598 Zaak: Arrest 262827 - Dierenwelzijn - 31/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-04 Raadplegingen: 217 - laatst gezien 2026-06-18 19:17 Fiche Arrest nr 262.827 van 31 maart 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 262.827 van 31 maart 2025 in de zaak A. 226.859/XII-9598 In zake : E.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Verhaegen kantoor houdend te 2970 Schilde Vloeyenbergdreef 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van: 1) “[d]e beslissing van de FOD Volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu van 18 juli 2018 tot bestuurlijke inbeslagname van de volgende specimen[s]: - 1 Sakervalk (Falco cherrug) met identificatie A 006 266 AOB; - 1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus), met identificatie 12.0 18 0052; - 1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus), met identificatie 043 BC 02 X; - 1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus), met identificatie 041 BC 02 X; - 1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus), zonder identificatie; - 1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus), zonder identificatie; - 1 Woestijnbuizerd (Parate unicintus) met identificatie PCA 02 253; XII-9598-1/40 - 1 Koekoeksuil (Ninox novaseelandiae), met identificatie 6 CWP NV, en - 1 Maleisische uil (Strix selupto), met identificatie VDW WB 18 00 12 28”; 2) “[d]e beslissing van de FOD Volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu van 27 september 2018 tot administratieve inbeslagname met fysieke overbrenging naar de vzw Natuurhulpcentrum te Opglabbeek van de volgende specimen[s]: - 1 Zwarte kroonkraanvogel (Balearica pavonia), met identificatie WB 13 20 16 0168; - 1 Zwarte kroonkraanvogel (Balearica pavonia), met identificatie WB 13 20 16 0167; - 1 Zwarte kroonkraanvogel (Balearica pavonia), met identificatie WB 13 20 16 0163; en - 1 Zwarte kroonkraanvogel (Balearica pavonia), met identificatie WB 13 20 16 0164”; 3) “[d]e beslissing van de FOD Volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu van 4 oktober 2018 tot overdracht in volle eigendom aan de vzw Natuurhulpcentrum te Opglabbeek van de volgende specimen[s]: - 1 Sakervalk (Falco cherrug) met identificatie A 006 266 AOB; - 1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus), met identificatie 12.0 18 0052; - 1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus), met identificatie 043 BC 02 X; - 1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus), met identificatie 041 BC 02 X; - 1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus), zonder identificatie; - 1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus), zonder identificatie; - 1 Woestijnbuizerd (Parabuteo unicintus), met identificatie PCA 02 253; - 1 Koekoeksuil (Ninox novaseelandiae), met identificatie 6 CWP NV; - 1 Maleisische uil (Strix selupto), met identificatie VDW WB 18 00 12 28; - 1 Amerikaanse oehoe (Bubo virginianus), met identificatie B0F 143 R355 99 004; XII-9598-2/40 -1 Zwarte kroonkraanvogel (Balearica pavonia), met identificatie WB 13 20 16 0168; -1 Zwarte kroonkraanvogel (Balearica pavonia), met identificatie WB 13 20 16 0167; -1 Zwarte kroonkraanvogel (Balearica pavonia), met identificatie WB 13 20 16 0163, en -1 Zwarte kroonkraanvogel (Balearica pavonia), met identificatie WB 13 20 16 0164”; 4) “[d]e beslissing van de FOD Volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu van 30 oktober 2018, als erratum op de derde bestreden beslissing, tot overdracht in volle eigendom aan de vzw Natuurhulpcentrum te Opglabbeek van de volgende specimen[s]: -1 Zwarte kroonkraanvogel (Balearica pavonia), met identificatie WB 13 20 18 0315; -1 Zwarte kroonkraanvogel (Balearica pavonia), met identificatie WB 13 20 18 0314; -1 Zwarte kroonkraanvogel (Balearica pavonia), met identificatie WB 13 20 18 0318, en - 1 Zwarte kroonkraanvogel (Balearica pavonia), met identificatie AO 20 B 48 18”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 januari
- XII-9598-3/40 Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Schütt, die loco advocaat Koen Verhaegen verschijnt voor verzoeker, en advocaat Brent Van Sande, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 23 februari 2017 wordt in het kader van een grens-overschrijdende illegale import/export van Europese beschermde vogelsoorten en clandestiene handel in dergelijke beschermde specimens een controle uitgevoerd in de dierenspeciaalzaak en aanhorigheden van verzoeker door de lokale politie Nijlen/Berlaar, speurders van de Franse politiediensten en een inspecteur van de cel Natuurinspectie van het agentschap voor Natuur en Bos. Naar aanleiding daar-van volgt het proces-verbaal van inlichtingen ME.64J.H2.110014/17 van 2 maart
- In dat proces-verbaal wordt onder meer het volgende vermeld: “• Onze dienst nam tevens contact op met de diensten van de Federale collega’s, ambtenaren bij de CITES-dienst te Brussel, waarbij wij navraag deden over de [verzoeker], of deze daar gekend is betreffende registraties van CITES-documenten of CITES-registraties of dergelijke. Het blijkt dat deze persoon daar niet in de CITES gegevens voorkomt; er zijn wellicht geen CITES-documenten op zijn eigen naam afgeleverd geweest noch CITES-registraties op zijn naam bijgehouden geworden. De meeste roofvogelsoorten en uilensoorten die ter plaatse konden opgemerkt worden, en mogelijk nog andere soorten als Kraanvogelsoorten of sommige Ganzensoorten,… zijn CITES-plichtig op het vlak van nodig vergezeld zijn van: XII-9598-4/40 - Individuele identificeerbaarheid - CITES-document per individu. Al deze elementen zijn vooralsnog niet kunnen nagekeken worden.” Dat proces-verbaal wordt besloten met de volgende gevolgtrekking: “Uit de gepleegde vaststellingen hebben [we] tientallen vogelsoorten waargenomen en geïnventariseerd. Vanwaar al deze andere soorten komen, is niet geweten en dat vraagt zeker bijkomend onderzoek.” 3.
- Op 4 maart 2017 wordt bij verzoeker een controle uitgevoerd door de lokale politie Nijlen/Berlaar, een CITES-inspecteur en het diensthoofd bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. 3.3 Op 9 januari 2018 vindt dan een eerste administratieve controle van de aangeleverde documenten plaats. Op basis daarvan bezorgt de inspecteur van de cel Soorten/CITES op 1 maart 2018 aan de substituut van de procureur des Konings Antwerpen en aan commissaris L.K. een overzichtstabel, haar bevindingen, een oplijsting van de vastgestelde inbreuken en de voorgestelde acties. 3.
- Op 11 juni 2018 vraagt commissaris R.L. van de lokale politie Nijlen/Berlaar over te gaan tot een plaatsbezoek en een navolgende huiszoeking (en verhoor verdachte). Op 10 juli 2018 wordt vervolgens bij verzoeker een controle uitgevoerd. Tijdens deze controle worden alle specimens opgenomen op CITES-bijlage A of B uitgevangen en geïnventariseerd. Uiteindelijk worden 17 levende specimens en 7 kadavers in beslag genomen (gerechtelijk beslag). 3.
- Op 13 juli 2018 wordt verzoeker verhoord door commissaris R.L. in aanwezigheid van de inspecteur van de cel Soorten/CITES. Tijdens dit XII-9598-5/40 verhoor levert verzoeker vier documenten aan die niet vervat waren in de eerder ter beschikking gestelde documentatie of die hier onleesbaar in vervat waren, waaronder een collectieaangifte uit januari
- Verzoeker verklaart ook de nodige stappen te ondernemen om alsnog de legaliteit van de in beslag genomen vogels aan te tonen. Daarnaast worden nog enkele specimens overlopen die nog bij verzoeker aanwezig zijn maar waarvan de legaliteit onzeker is: wat de Amerikaanse oehoe betreft, die een gesloten pootring van een erkende vogelbond draagt, zal de legale herkomst van deze specimen worden aangenomen als verzoeker de persoon, toebehorend aan het stamnummer opgenomen in het ringnummer, kan vinden en hier alsnog een overdrachtsverklaring van kan bekomen. Wat de kraanvogels betreft, verklaarde verzoeker in een eerder verhoor dat deze specimens alle behoren tot de invoervergunning nr. 2-AII-2153/86, maar tijdens dit verhoor verklaart verzoeker dat er nog maximaal één van deze specimens afkomstig is van deze invoervergunning en dat de andere specimens nakweek zijn. Als verzoeker een ouderdier-jong relatie kan aantonen tussen deze specimens zal deze als eigen kweek worden aangezien en zal de legale herkomst van deze specimens worden aangenomen. Verzoeker verklaart ook nog dat het gaat om grijze kroonkraanvogels (Balearica regulorum) en niet om zwarte kroonkraanvogels (Balearica pavonia). 3.
- Op 16 juli 2018 verstuurt verzoeker een e-mail aan de inspecteur van de cel Soorten/CITES met een overzicht van de uitgevoerde handelingen om de legaliteit van de betrokken specimens te bewijzen. 3.
- Op 18 juli 2018 wordt het gerechtelijk beslag opgeheven. Een aantal van die specimens en van de specimens die nog bij verzoeker aanwezig waren, maar waarvan de legaliteit onzeker is, worden met bestuurlijk beslag bezwaard. Hiervan wordt verzoeker door de inspecteur van de cel Soorten/CITES met een e-mail van 18 juli 2018 op de hoogte gebracht met daarin vervat een oplijsting met de stand van zaken. Deze oplijsting betreft enerzijds een tabel met vogels waarvan de inbeslagname opgeheven wordt en anderzijds een XII-9598-6/40 tabel met vogels die nog onder beslag gehouden worden tot hierover een definitieve beslissing geveld wordt. Dit is de eerste bestreden beslissing voor wat de volgende specimens betreft: -1 Sakervalk (Falco cherrug) met identificatie A 006 266 AOB, -1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus) met identificatie 12.0 18 0052, -1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus) met identificatie 043 BC 02 X, -1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus) met identificatie 041 BC 02 X, -1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus) zonder identificatie, -1 Afrikaanse oehoe (Bubo africanus) zonder identificatie, -1 Woestijnbuizerd (Parabuteo unicintus) met identificatie PCA 02 253, -1 Koekoeksuil (Ninox novaseelandiae) met identificatie 6 CWP NV, en -1 Maleisische uil (Strix selupto) met identificatie VDW WB 18 00 12
- 3.
- Met een e-mail van 27 juli 2018 vraagt de inspecteur van de cel Soorten/CITES aan verzoeker om de DNA-analyse van de kroonkraanvogels zo snel mogelijk te laten uitvoeren om de verwantschap te bewijzen. Aan verzoeker wordt ook meegedeeld dat enkel ouder-nakomelingverwantschap op deze manier kan worden aangetoond, zodat de verwantschap tussen de Afrikaanse oehoes en dergelijke niet kan worden aangetoond. Met betrekking tot de Amerikaanse oehoe met ringnummer BOF 143 R 355 99 004 wordt opgemerkt dat verzoeker aangaf dat het zou gaan om een ring met zijn stamnummer, doch bij navraag bij de KBOF en omwille van de digitalisatie van hun database kunnen zij dit niet meer terugvinden daar deze ring dateert van
- Daarom wordt verzoeker gevraagd hiervoor een bewijs te leveren dat het daadwerkelijk gaat om zijn stamnummer. Op 20 augustus 2018 wordt verzoeker door de inspecteur van de cel Soorten/CITES herinnerd aan de voornoemde e-mail van 27 juli 2018, en wel als volgt: “Onderstaande mail dateert reeds van 27 juli
- Ik heb tot op heden nog geen antwoord van u ontvangen. Graag zou ik voor 24 augustus 2018 een antwoord ontvangen op onderstaande vragen: XII-9598-7/40 - Heeft u reeds DNA van uw kraanvogels doorgestuurd naar het labo om een verwantschapstest te laten uitvoeren? Indien u dit niet tijdig doet zullen wij alsnog moeten overgaan tot de inbeslagname van deze specimen. - Ook heb ik nog een vraag betreffende de Amerikaanse oehoe met ringnummer BOF 143 R 355 99
- U vertelde mij dat het hier zou gaan om een ring met uw stamnummer. Ik heb dit echter nagevraagd bij de KBOF, en omwille van de digitalisatie van hun database kunnen zij dit niet meer terugvinden (daar deze ring reeds dateert van 1999). Kan u hiervoor een bewijs leveren dat het daadwerkelijk gaat om uw stamnummer?” Op 20 augustus 2018 antwoordt verzoeker hierop onder meer dadelijk getelefoneerd te hebben naar de toenmalige secretaris van de vogelbond maar deze niet te hebben kunnen bereiken en het nog een keer te zullen proberen. Daarnaast zijn de pluimen opgestuurd naar Gendika en wordt op antwoord gewacht. Verzoeker geeft ook nog aan er nog steeds van overtuigd te zijn geen register te moeten bijhouden omdat deze vogels niet voor verkoop zijn. Op 21 augustus 2018 antwoordt de inspecteur van de cel Soorten/CITES hierop als volgt: “[…] Wanneer zijn de pluimstalen overgemaakt aan Gendika? Indien u reeds bevestiging van ontvangst van de stalen hebt ontvangen van Gendika, gelieve dan de bevestigingsmail ook aan mij door te geven. Uw vogels zijn in beslag genomen omdat op het moment van de controle geen papieren konden voorgelegd worden om de legale herkomst van deze vogels aan te tonen. Dit is een inbreuk op de CITES wetgeving. De dieren zijn niet in beslag genomen op basis van de Dierenwelzijnswetgeving die gaat over de huisvesting van de dieren. Wat de in beslagname betreft hadden wij op het moment van de controle toestemming van de onderzoekrechter om verder te gaan met het administratief onderzoek en procedure. Van de vogels die meegenomen zijn op moment van controle hadden wij geen originele documenten van legale herkomst ter beschikking, of toch niet voldoende. Deze hebt u aangeleverd op het moment van het verhoor of later via mail. Deze documenten vergden ook nog verder onderzoek van onze dienst daar dit geen courante documenten zijn om de legale herkomst van een specimen aan te tonen. Het niet bijhouden van het register heeft geen rechtstreekse betrekking tot de in beslagname, dit is een bijkomende inbreuk op de CITES wetgeving. Dit had enkel kunnen helpen bij het staven van uw verklaring dat het gaat om eigen kweek dieren. Vroegere contacten met Gendika hebben aangetoond dat het niet mogelijk is om de verwantschap tussen de Afrikaanse oehoes aan te tonen. Naar onze mening bestaat er enkel de mogelijkheid om ouderdier-jong verwantschap aan te tonen. Verwantschap tussen broers en zussen of verder is niet aantoonbaar via DNA-analyse. Aangezien u niet langer in het bezit bent van de oorspronkelijke ouderdieren, waarvan u wel beschikte over papieren om de legale herkomst aan te XII-9598-8/40 tonen, lijkt het ons dus onmogelijk om het nodige verwantschap aan te tonen. Indien u ons een mail van Gendika kan bezorgen die het tegendeel bewijst zijn wij bereid om onze mening hierover te herzien. Graag zouden wij alle gevraagde bewijzen ontvangen ten laatste op 24/08/2018, daar wij het dossier zullen afsluiten op 27/08/
- De controle dateert reeds van 10/07/2018, waardoor er dus reeds anderhalve maand de tijd gegeven is om het nodige bewijsmateriaal te leveren.” Op 21 augustus 2018 wordt deze e-mail van de inspecteur van de cel Soorten/CITES beantwoord aan de hand van een doorgestuurd betaalbewijs betreffende de DNA-analyse van de vier kroonkraanvogels. Daarop volgt omtrent deze DNA-analyse door Gendika nog e-mailverkeer van 23 tot 28 augustus
- 3.
- Bij het bereiken van de deadline van 24 augustus 2018 is door verzoeker geen bewijs geleverd dat het stamnummer betreffende het ringnummer BOF 143 R 355 99 004 daadwerkelijk aan hem werd toegewezen, zodat de legale herkomst van de Amerikaanse oehoe niet kan worden aangetoond. Dit specimen is met bestuurlijk beslag bezwaard ter plaatse bij verzoeker en moet daarom worden verwijderd uit zijn eigendom. 3.
- Tussen 30 augustus 2018 en 21 september 2018 vindt er tussen verzoeker en de inspecteur van de cel Soorten/CITES e-mailverkeer plaats aangaande de bij het labo ingediende pluimstalen van de kroonkraanvogels. Tijdens dit e-mailverkeer worden aan verzoeker ook de volgende verduidelijkingen gegeven omtrent zijn vragen: - over het wettelijk kader van het register commercieel en niet commercieel: “Overeenkomstig artikel 12 Koninklijk besluit van 9 april 2003 dient ieder persoon die Bijlage A en B soorten aankoopt, verkoopt, kweekt een register bij te houden. U heeft nog geen argumenten aangegeven die u zouden kwijtschelden van deze verplichting.” - over de wettelijkheid van het afstand bewijs: “Ik begrijp niet wat u bedoel[t] met ‘wettelijkheid van afstand bewijs’? Overeenkomstig artikel 8 Verordening nr. 338/97 is alle handel met Bijlage A en B soorten verboden. Een ontheffing kan voorzien worden voor de bijlage A indien een certificaat kan worden voorgelegd die kan worden afgeleverd op basis van de voorwaarden beschreven in lid 3 van datzelfde artikel, of voor de Bijlage B indien overeenkomstig lid 5 van datzelfde artikel kan aangetoond worden dat de XII-9598-9/40 specimens legaal werden verkregen of legaal werden ingevoerd. Het is aan u om te bewijzen waar uw vogels vandaan komen.” XII-9598-10/40 - om de vogels ter plaatse te kunnen verzorgen: “[…]. U werd aangeraden tijdens de controle op 10 juli, alsook tijdens het verhoor op 13 juli, alsook via email op 27 juli om zo snel mogelijk alle ontbrekende bewijsstukken nog door te sturen. Onze dienst wou het dossier al afsluiten op 27 augustus, zoals ook meegedeeld per e-mail. Ook al is die deadline al verstreken, onze dienst wil als laatste gunst toch nog wachten op de DNA-resultaten van de kroonkraanvogels. […].” Met een aan de inspecteur van de cel Soorten/CITES doorge-stuurde e-mail wordt gemeld dat het op basis van het door het labo uitgevoerde verwantschapsonderzoek van de vier kroonkraanvogels niet mogelijk is om met zekerheid aan te tonen dat kraanvogel WB B 20 16 0167 (de enige man van de vier vogels) de vader is, samen met een van de drie vrouwelijke kroonkraanvogels van de twee overige kroonkraanvogels. Het is niet uit te sluiten dat alle vier de dieren een broer/zus relatie hebben. Om wel een betrouwbare conclusie te kunnen trekken zouden er meer DNA-merkers getest moeten worden en die zijn niet beschikbaar voor deze soort. De vraag omtrent het ouderschap van de vier kroonkraanvogels kan niet worden beantwoord aan de hand van DNA-technieken. De vier kroonkraanvogels kunnen niet aan het voorgelegde invoerdocument nr. 2-AII-2153/86 gelinkt worden, daar er geen ouderdier-jongrelatie bestaat en de verklaring van verzoeker niet kan worden bevestigd. Uit nader onderzoek door de cel Soorten/CITES blijkt voorts dat voornoemd invoerdocument werd afgeleverd voor de invoer van zwarte kroonkraanvogels (Balearica pavonia) en niet voor de invoer van grijze kroonkraanvogels (Balearica regulorum). Hierdoor kunnen de mogelijke ouderdieren niet gelinkt worden aan dit invoerdocument en kan bijgevolg de legale herkomst van deze specimens niet worden aangetoond. Deze specimens zijn thans met bestuurlijk beslag bezwaard ter plaatse bij verzoeker en moeten daarom worden verwijderd uit zijn eigendom. XII-9598-11/40 3.
- Al de voornoemde gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal van inbreuk (PV nr. 63/CITES/15/1/2018) van 3 oktober
- Een kopie van dit proces-verbaal wordt overgemaakt aan verzoeker op 4 oktober
- 3.
- Bij e-mail van 27 september 2018 wordt door de inspecteur van de cel Soorten/CITES verzoeker op de hoogte gebracht dat tijdens het telefonisch contact met J.S. van diezelfde dag werd meegedeeld dat een eindbeslissing werd getroffen, aangezien de resultaten van Gendika betreffende de kroonkraanvogels werd ontvangen. Deze e-mail bevat een oplijsting met een tabel van de vogels die weer worden vrijgegeven en zullen worden teruggebracht enerzijds en een tabel van de vogels die ook in beslag zullen worden genomen omwille van het niet kunnen bewijzen van de legale herkomst anderzijds. In deze e-mail wordt ook gemeld dat de uitwisseling van de in deze tabellen opgenomen vogels zal plaatsvinden op 4 oktober
- Overeenkomstig deze beslissing worden de volgende vogels definitief in beslag genomen omwille van het niet kunnen bewijzen van de legale herkomst: - Amerikaanse oehoe (Bubo virginianus) met identificatie BOF 143 R 355 99 004, -1 Grijze kroonkraanvogel (Balearica regulorum) met identificatie WB B 20 16 0168, -1 Grijze kroonkraanvogel (Balearica regulorum) met identificatie WB B 20 16 0167, -1 Grijze kroonkraanvogel (Balearica regulorum) met identificatie WB B 20 16 0163, en -1 Grijze kroonkraanvogel (Balearica regulorum) met identificatie WB B 20 16
- Dit is de tweede bestreden beslissing voor wat de vier kroonkraanvogels betreft. Door verzoeker zelf zijn deze in zijn beroep aangeduid als “zwarte” kroonkraanvogels (Balearica pavonia). Verzoeker vraagt niet om de vernietiging van deze beslissing voor zover het de Amerikaanse oehoe betreft. XII-9598-12/40 XII-9598-13/40 3.
- Op 4 oktober 2018 wordt dan de volgende bestemmings-beslissing inzake de in beslag genomen CITES-specimens genomen, dewelke de derde bestreden beslissing uitmaakt voor wat de in Deel A opgenomen specimens betreft: “In het kader van de toepassing van de Belgische Wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, stel ik u in kennis van mijn beslissing over de hieronder vermelde in beslag genomen goederen: Deel A: - 1 x Falco cherrug (Sakervalk) met ringnummer 006 266 AOB, gedeeltelijk onleesbaar - 3 x Bubo africanus (Afrikaanse oehoe) met ringnummers 043 BC 02 X, 12.0 18 0052, 041 BC 02 X - 2 x Bubo africanus (Afrikaanse oehoe) zonder ring of microchip - 1 x Bubo virginianus (Amerikaanse oehoe) met ringnummer BOF 143 R 355 99 004 - 1 x Parabuteo unicintus (Woestijnbuizerd) met ringnummer PCA 02 253 - 1 x Ninox novaseelandiae (Koekoeksuil) met ringnummer 6 CWP NV - 1 x Strix selupto (Maleisische uil) met ringnummer VDW WB 18 00 12 28 - 4 x Balearica regulorum (Grijze kroonkraanvogel) met ringnummers WB B 20 16 0167, WB B 20 16 0168, WB B 20 16 0163, WB B 0164 Deel B: - 1 x Falco cherrug (Sakervalk) met ringnummer 0046 ZG 14.0 02 - 1 x Bubo africanus (Afrikaanse oehoe) met ringnummer PCA 96 809 en microchip: 967000000642508 - 1 x Strix selupto (Maleisische uil) met ringnummer 557 DA Allen bestuurlijk in beslag genomen via PV 001841/18 dd. 17/07/2018 in navolging van PV ME.64.H2.110014/2017 dd. 02/03/
- Verdere toelichting in PV 63/CITES/15/1/
- De bovenvermelde (levende) vogels, deel A, worden in volledig eigendom toegewezen aan het Natuurhulpcentrum vzw te Opglabbeek Voor de bovenvermelde (dode) dieren, deel B wordt de vernietiging bevolen. De motivering voor deze beslissing wordt hieronder uitvoerig toegelicht. De mogelijke bestuurlijke maatregelen die het CITES-Beheersorgaan kan opleggen zijn de volgende:
- Een bevel tot terugzenden naar de Staat van uitvoer op k:osten van deze laatste: niet van toepassing in deze zaak wegens het in dit geval niet gaat om ingevoerde specimens;
- Het geven van het volle eigendom aan de geschikte natuurlijke of rechtspersoon, wanneer dit verenigbaar is met de doelstellingen van de Overeenkomst of van de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake: de vogels worden toegekend aan een erkend opvangcentrum dat zal instaan voor de opvang van deze dieren. Deze bestemming is derhalve in overeenstemming met de doelstellingen van deze conventie;
- Het organiseren van een openbare verkoop: gedeeltelijk niet van toepassing aangezien dit enkel mogelijk is voor specimens van soorten opgenomen op Bijlage B II, gedeeltelijk niet opportuun geacht omdat de mogelijke opbrengst van een openbare verkoop van de Bijlage B II-specimens niet zal opwegen tegen de tijd en energie die in de organisatie hiervan zou geïnvesteerd moeten worden;
- Een bevel tot slachten: aangezien er een zinvolle bestemming kan gegeven worden XII-9598-14/40 aan de levende specimens wordt het slachten niet opportuun geacht;
- Een bevel tot vernietigen: voor deel B aangezien deze specimens zich in slechte staat bevinden (opgeslagen in diepvries), waardoor er geen andere zinvolle bestemming kan gegeven worden.” De derde bestreden beslissing wordt als volgt ondertekend: 3.
- In het e-mailverkeer tussen de raadsman van verzoeker en de inspecteur van de cel Soorten/CITES tussen 1 oktober 2018 en 30 oktober 2018 beklaagt de raadsman van verzoeker zich over het niet in kennis te worden gesteld van de bijlagen bij het proces-verbaal van inbreuk (PV nr. 63/CITES/15/1/2018). 3.
- Aan de hand van de op 2 oktober 2018 door de politierechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen verleende visitatiemachtiging gaat de inspecteur van de cel Soorten/CITES met haar collega en een team van de lokale politie Nijlen/ Berlaar op 4 oktober 2018 bij verzoeker ter plaatse. Er wordt overgegaan tot de fysieke bestuurlijke inbeslagname van de Amerikaanse oehoe (BOF 143 R 355 99 004) en de vier grijze kroonkraanvogels (WB B 20 16 0168 - WB B 20 16 0167 - WB B 20 16 0163 - WB B 20 16 0164) die reeds op 18 juli 2018 ter plaatse bij verzoeker onder bestuurlijk beslag waren geplaatst. Bij controle van de ringnummers van de vier grijze kroonkraanvogels blijkt dat deze niet overeenkomen met de ringnummers opgenomen in het proces-verbaal PV nr. 63/CITES/15/1/
- Bij navraag daarover bij verzoeker verklaart hij de ringen doelbewust te hebben veranderd. Verzoeker overhandigt wel de (open) ringen die de vogels voordien droegen. Omwille van de verandering van ringnummers zal een nieuwe bestemmingsbeslissing worden opgesteld. XII-9598-15/40 Op 16 oktober 2018 neemt de inspecteur van de cel Soorten/CITES nog contact op met een expert op het vlak van vogelsoorten om na te gaan om welk soort kroonkraanvogel het hier precies gaat, daar verzoeker er tijdens de controle op wees dat de zwarte kroonkraanvogel niet voorkomt in Tanzania, het land waaruit de specimens volgens de invoervergunning afkomstig zijn. Op 18 oktober 2018 antwoordt de expert dat de specimens aanwezig bij verzoeker behoren tot de soort grijze kroonkraanvogel (Balearica regulorum). Al de voornoemde gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal van informatie (PV nr. 63/CITES/15/2/2018) van 30 oktober 2018, waarvan aan verzoeker diezelfde dag een kopie wordt overgemaakt. 3.
- Op 30 oktober 2018 volgt dan het erratum op de bestemmingsbeslissing inzake de in beslag genomen CITES-specimens d.d. 04/10/2018: “Dit schrijven geldt als een erratum van de bestemmingsbeslissing dd. 4 oktober 2018, daar tijdens de ophaling van de specimens werd geconstateerd dat de ringnummers van de specimens waren aangepast. In het kader van de toepassing van de Belgische Wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, stel ik u in kennis van mijn beslissing over de hieronder vermelde in beslag genomen goederen: 4 x Balearica regulorum (Grijze kroonkraanvogel) met ringnummers WB B 20 18 0315, WB B 20 18 0314, WB B 20 18 0318, AO 20 B 48 18 De specimens werden bestuurlijk in beslag genomen via PV 001841/18 dd. 17/07/2018 in navolging van PV ME.64.H2.110014/2017 dd. 02/03/
- Verdere toelichting in PV 63/CITES/15/1/2018 en PV 63/CITES/15/2/
- De bovenvermelde vogels, worden in volledig eigendom toegewezen aan het Natuurhulpcentrum te Opglabbeek De motivering voor deze beslissing wordt hieronder uitvoerig toegelicht. De mogelijke bestuurlijke maatregelen die het CITES-Beheersorgaan kan opleggen zijn de volgende:
- Een bevel tot terugzenden naar de Staat van uitvoer op kosten van deze laatste: niet van toepassing in deze zaak wegens het in dit geval niet gaat om ingevoerde specimens;
- Het geven van het volle eigendom aan de geschikte natuurlijke of rechtspersoon, wanneer dit verenigbaar is met de doelstellingen van de Overeenkomst of van de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake: de vogels worden toegekend aan een erkend opvangcentrum dat zal instaan voor de opvang van deze dieren. Deze bestemming is derhalve in overeenstemming met de doelstellingen van deze conventie;
- Het organiseren van een openbare verkoop: niet opportuun geacht omdat de mogelijke opbrengst van een openbare verkoop van de Bijiage B II-specimens niet XII-9598-16/40 zal opwegen tegen de tijd en energie die in de organisatie hiervan zou geïnvesteerd moeten worden;
- Een bevel tot slachten: aangezien er een zinvolle bestemming kan gegeven worden aan de levende specimens wordt het slachten niet opportuun geacht;
- Een bevel tot vernietigen: niet van toepassing.” Dit is de vierde bestreden beslissing. Deze beslissing is ondertekend door het celhoofd van het CITES-Beheersorgaan België. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- In de laatste memorie werpt de verwerende partij op dat de laatste memorie van verzoeker laattijdig en dus onontvankelijk is. Daarmee is volgens de verwerende partij afstand gedaan van de procedure.
- Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat het aangetekend schrijven met het auditoraatsverslag van 8 juli 2024 aan verzoeker is aangeboden op maandag 15 juli 2024, en niet op 12 juli 2024 zoals de verwerende partij verkeerdelijk aangeeft. Daarmee is de neerlegging van de laatste memorie houdende verzoek tot voortzetting op 29 augustus 2024 tijdig. De exceptie wordt verworpen. V. Voorwerp van het beroep Exceptie ratione materiae
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat de vernietiging van de eerste en de tweede bestreden beslissing onmogelijk is. Deze bestreden beslissingen hadden een bestuurlijke inbeslagname van een aantal specimens tot gevolg. Zoals verzoeker ook zelf stelt, werden deze specimens vervolgens in volle eigendom overgedragen aan het natuurhulpcentrum (derde en vierde bestreden beslissing). Aangezien de eigendom van de specimens zich niet langer bij verzoeker bevinden, kan er ook geen sprake meer zijn van een (werkzaam) beslag. Anders gezegd, het beslag en de overdracht in volle eigendom XII-9598-17/40 kunnen niet tegelijk bestaan. Hieruit volgt dat de eerste en de tweede bestreden beslissing (impliciet maar ontegensprekelijk) onwerkzaam zijn geworden. Om deze reden moet het beroep inzake de eerste en de tweede bestreden beslissing niet-ontvankelijk worden verklaard. In de laatste memorie handhaaft de verwerende partij haar standpunt ter zake. Beoordeling
- Artikel 6 van de wet van 28 juli 1981 ‘houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild le-vende dier- en plantensoorten, en van de Bijlagen […]’ (hierna: CITES-wet) luidt: “§
- In geval van de door artikel 5 voorziene overtredingen, zijn de in artikel 7 vermelde overheidsagenten bevoegd voor het opleggen van bestuurlijk beslag op de specimens die het voorwerp uitmaken van het misdrijf. §
- De inbeslaggenomen specimens worden toevertrouwd aan het Beheersorgaan. Deze zendt ze, indien nodig, naar een bewaarcentrum of naar elke andere plaats die geschikt is en verenigbaar met de doelstellingen van de Overeenkomst en de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake. §
- Het Beheersorgaan is bevoegd voor het nemen van bestuurlijke maatregelen omtrent de inbeslaggenomen specimens. Deze maatregelen kunnen zijn : 1° een bevel tot terugzenden naar de Staat van uitvoer op kosten van deze laatste; 2° het geven van het volle eigendom aan de geschikte natuurlijke of rechtspersoon, wanneer dit verenigbaar is met de doelstellingen van de Overeenkomst of van de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake; 3° het organiseren van een openbare verkoop; 4° een bevel tot slachten; 5° een bevel tot vernietigen; 6° een combinatie van de in 1°, 2°, 3° en 4° bedoelde maatregelen. Deze bestuurlijke maatregelen worden schriftelijk opgelegd. De schriftelijke oplegging kan gebeuren door ofwel de kennisgeving van het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen ofwel de kennisgeving van het proces-verbaal. Het Beheersorgaan behoudt het recht om ten allen tijde de bestuurlijke maatregelen op te heffen. Deze bevoegdheid doet geen afbreuk aan de in artikel 5bis gestelde bevoegdheid. XII-9598-18/40 §
- In geval van veroordeling spreekt de rechtbank de verbeurdverklaring uit van de specimens die niet werden teruggezonden of vernietigd en doet zij de veroordeelde de onkosten betalen van de terugzendingen die zouden gemaakt zijn en die niet door de Staat van uitvoer werden betaald, evenals de kosten van expertises, van het vervoer naar bewaarcentra, van het slachten, van het vernietigen en van de bewaring tot aan de datum van het vonnis.” Uit artikel 6, § 3, van de CITES-wet volgt dat het beheersorgaan bevoegd is voor het nemen van bestuurlijke maatregelen omtrent de “inbeslag-genomen specimens”. Hieruit kan enkel worden afgeleid dat de bestuurlijke maatregel volgt op het bestuurlijk beslag. Artikel 6 van de CITES-wet bepaalt niet dat de bestuurlijke maatregel het bestuurlijk beslag ook opheft. Gelet hierop en gezien uit het administratief dossier niet blijkt dat het bestuurlijk beslag door een andere beslissing werd opgeheven of ingetrokken, moet worden geconcludeerd dat de beslissing van het bestuurlijk beslag (de eerste en de tweede bestreden beslissing) nog steeds bestaat. Het beroep is dan ook niet zonder voorwerp wat dat bestuurlijk beslag (de eerste en de tweede bestreden beslissing) betreft. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie is niet gegrond. VI. Bevoegdheid van de Raad van State Exceptie
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat de vier bestreden beslissingen geen vier rechtshandelingen in de zin van “artikel 14” van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uitmaken. In de laatste memorie handhaaft de verwerende partij haar standpunt ter zake. Beoordeling XII-9598-19/40
- Een beroep tot nietigverklaring moet overeenkomstig artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een (griefhoudende) administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. De bestuurshandeling moet de rechtzoekende uit zichzelf onmiddellijk en effectief kunnen benadelen. De eerste en de tweede bestreden beslissing betreffen het bestuurlijk beslag van de betrokken specimens in de zin van artikel 6, § 1, van de CITES-wet. Het bestuurlijk beslag van de betreffende specimens werd geformaliseerd aan de hand van de twee e-mails van respectievelijk 18 juli 2018 en 27 september 2018, waarmee aan verzoeker de eigenlijke beslissing van het door de inspecteur van de cel Soorten/CITES opgelegde bestuurlijke beslag ter kennis werd gebracht. Het ophalen van bepaalde specimens bij verzoeker op 4 oktober 2018 – die tot dan onder bestuurlijk beslag bij verzoeker waren geplaatst – betreft louter de wijze waarop materieel uitvoering wordt gegeven aan de eigenlijke beslissing van het bestuurlijk beslag. Het bestuurlijk beslag overeenkomstig artikel 6, § 1, van de CITES-wet doet rechtsgevolgen ontstaan, en berokkent verzoeker een onmiddellijk nadeel. Verzoeker wordt er immers door aangetast in zijn eigendomsrecht van de betreffende specimens. Het bestuurlijk beslag dat geformaliseerd is in de eerste en de tweede bestreden beslissing maakt een aanvechtbare administratieve rechtshandeling uit in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De derde bestreden beslissing betreft een bestuurlijke maatregel omtrent de inbeslaggenomen specimens. Meer in het bijzonder wordt er overeenkomstig artikel 6, § 3, 2°, van de CITES-wet geopteerd voor de bestuurlijke maatregel van het geven van de volle eigendom aan de vzw Natuurhulpcentrum te Opglabbeek van de in Deel A opgenomen specimens. Ook deze derde bestreden beslissing maakt een aanvechtbare administratieve XII-9598-20/40 rechtshandeling uit, daar er eveneens rechtgevolgen mee worden beoogd, verzoekers rechtstoestand erdoor wordt gewijzigd en een onmiddellijk nadeel aan verzoeker wordt berokkend. De vierde bestreden beslissing betreft een erratum van de derde bestreden beslissing. Met deze vierde bestreden beslissing wordt naar aanleiding van de wijziging van de ringnummers door verzoeker van de vier grijze kroonkraanvogels expliciet beslist dat het om de vogels met ringnummers WB B 20 18 0315 - WB B 20 18 0314 - WB B 20 18 0318 – AO 20 B 48 18 gaat die in volle eigendom worden toegewezen aan de vzw Natuurhulpcentrum te Opglabbeek. Hieruit volgt dan ook dat deze vierde bestreden beslissing integraal deel uitmaakt van de ten aanzien van verzoeker genomen bestuurlijke maatregel van het in volle eigendom geven van zijn vogels aan de vzw Natuurhulpcentrum te Opglabbeek. De derde en de vierde bestreden beslissing maken één geheel uit. Hieruit volgt dat ook die vierde bestreden beslissing een aanvechtbare administratieve rechtshandeling is. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie is niet gegrond. VII. Ontvankelijkheid van het beroep A. Geen samenhang Exceptie
- De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat de rechtsgevolgen en draagwijdte van de vier bestreden beslissingen verschillend zijn. Er is geen sprake van enige samenhang. Irrelevant is dat de beslissingen dezelfde specimens als onderwerp hebben of dat op dezelfde feiten of wetgeving gesteund wordt. XII-9598-21/40 In de laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de voorwerpen van de bestreden beslissingen nauw verweven moeten zijn met elkaar opdat er sprake kan zijn van samenhang. Dit is niet het geval. De bestreden beslissingen bevatten afzonderlijke finaliteiten en voorwerpen. De eerste en de tweede bestreden beslissing gaan over een bestuurlijk beslag, terwijl de derde en de vierde bestreden beslissing de bestuurlijke maatregel van het geven van de volle eigendom aan de vzw Natuurhulpcentrum betreffen. Beoordeling
- In het belang van een goede rechtsbedeling dient diegene die een beroep doet op de rechter, voor elke vordering een afzonderlijk geding in te spannen om alzo de rechtsstrijd overzichtelijk te houden en een vlotte afwikkeling van de zaak mogelijk te maken. Meerdere vorderingen kunnen slechts ontvankelijk in één enkel verzoekschrift worden ingesteld indien bij uitzondering de goede rechtsbedeling daardoor wordt bevorderd, meer bepaald indien de vorderingen, wat hun voorwerp of wat hun grondslag betreft, zo nauw samenhangen dat het als waarschijnlijk voorkomt dat vaststellingen gedaan of beslissingen genomen met betrekking tot de ene vordering, een weerslag zullen hebben op de uitkomst van de andere vordering. De eerste en de tweede bestreden beslissing betreffen beide een bestuurlijk beslag van vogels in het kader van het onderzoek naar de legaliteit van bepaalde vogels bij dezelfde persoon. De vierde bestreden beslissing is een rechtzetting van de derde bestreden beslissing. Daarnaast hangen het bestuurlijk beslag (de eerste en de tweede bestreden beslissing) en de bestuurlijke maatregel (de derde en de vierde bestreden beslissing) samen aangezien zij allebei gesteund zijn op dezelfde inbreuken en dezelfde specimens betreffen, en vermits de bestuurlijke maatregel gevolgd is op het beslag. XII-9598-22/40 Uit wat voorafgaat, volgt dat er voldoende samenhang is tussen de vier bestreden beslissingen, om op ontvankelijke wijze in eenzelfde verzoekschrift bestreden te worden. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie is niet gegrond. B. Geen belang Exceptie
- De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord het belang dat verzoeker heeft bij het aanvechten van de eerste, de tweede en de vierde bestreden beslissing. De eerste en de tweede bestreden beslissing bevelen immers ook de opheffing van het bestuurlijk beslag van een aantal specimens. De vernie-tiging van deze beslissingen zou het beslag op die specimens nu net doen herleven. Wat de eerste en de tweede bestreden beslissing betreft, is verzoeker ook niet alert en diligent opgetreden door na te laten tijdig een beroep in te stellen. Het niet vermelden van de beroepsmodaliteiten kan verzoeker niet inroepen. De tweede bestreden beslissing is een loutere mededeling per e-mail door de CITES-inspecteur aan verzoeker waarbij verzoeker geïnformeerd wordt over de (op 4 oktober 2018 geplande) overdracht in volle eigendom. Deze beslissing is niet onmiddellijk griefhoudend en verzoeker kan geen voordeel putten uit een vernietiging ervan, aangezien deze formeel gezien pas valt bij de derde bestreden beslissing. De derde bestreden beslissing omvat volledig de inhoud van de tweede bestreden beslissing. De vierde bestreden beslissing betreft enkel een rechtzetting/correctie van de bestemmingsbeslissing van 3 (lees: 4) oktober 2018 XII-9598-23/40 (de derde bestreden beslissing). Verzoeker zelf ligt trouwens aan de bron van deze vierde bestreden beslissing. Zij heeft geen rechtsgevolgen voor verzoeker. De vernietiging ervan is enkel nuttig als ook de derde bestreden beslissing vernietigd wordt. In de laatste memorie handhaaft de verwerende partij de exceptie. Beoordeling
- Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.105, punten B.11.2 en B.12.2). XII-9598-24/40 Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.105, punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406).
- De vernietiging van de vier bestreden beslissingen kan verzoeker een voordeel verschaffen: met een vernietiging verdwijnt het in die beslissingen opgelegde bestuurlijk beslag en de in die beslissingen opgelegde bestuurlijke maatregel uit de rechtsorde zodat de mogelijkheid bestaat dat verzoeker terug over de betrokken vogels kan beschikken. Verzoeker beschikt aldus wel degelijk over het rechtens vereiste belang bij zijn beroep.
- Wat de eerste en de tweede bestreden beslissing betreft, verliest de verwerende partij uit het oog dat verzoeker enkel en alleen de nietigverklaring van het bestuurlijk beslag van een aantal specimens beoogt. Voor zover de e-mails van 18 juli 2018 en 27 september 2018 ook nog de opheffing van het beslag van een aantal andere specimens inhoudt, maakt dit niet het voorwerp uit van het XII-9598-25/40 voorliggende beroep.
- In tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, kan het zogenaamde gebrek aan alert en diligent optreden door verzoeker hem niet zijn belang, voor wat de eerste en de tweede bestreden beslissing betreft, ontzeggen. Met het argument van het zogenaamde gebrek aan alert en diligent optreden is immers allerminst aangetoond dat deze bestreden beslissingen verzoeker geen nadeel zouden hebben berokkend en al evenmin dat een vernietiging ervan hem geen enkel voordeel zou kunnen opleveren. Voor zover de verwerende partij met dit argument aangeeft dat verzoeker heeft nagelaten deze bestreden beslissingen tijdig aan te vechten, faalt het eveneens. Met verzoeker moet immers worden vastgesteld dat noch de e-mail van 18 juli 2018 noch deze van 27 september 2018 melding maken van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State, laat staan van de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen, zoals dit nochtans is vereist overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Uit de lezing van deze bepaling samen met artikel 4, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ volgt dan ook dat de beroepstermijn van zestig dagen in dat geval slechts een aanvang neemt vier maanden na de kennisgeving met de e-mails van 18 juli 2018 en 27 september
- Het verzoek-schrift tot nietigverklaring van 3 december 2018 is derhalve tijdig ingediend.
- Voor zover de verwerende partij betwist dat de tweede bestreden beslissing onmiddellijk griefhoudend is en de vernietiging ervan verzoeker geen voordeel kan opleveren, werd hierboven (supra, randnummer 9) reeds uitgelegd dat de eerste en de tweede bestreden beslissing in wezen neerkomen op het aanvechten door verzoeker van “het bestuurlijk beslag van de betrokken specimens”. In die zin heeft verzoeker aldus wel degelijk belang bij zijn beroep.
- Voor zover de verwerende partij ook nog het belang van XII-9598-26/40 verzoeker voor wat de vierde bestreden beslissing betreft, betwist, kan opnieuw worden verwezen naar wat reeds hierboven (supra, randnummer 11) werd uiteengezet, namelijk dat de derde en de vierde bestreden beslissing één geheel uitmaken en dat met deze beslissingen in hun geheel de bestuurlijke maatregel werd genomen. Deze bestuurlijke maatregel is voor verzoeker wel degelijk onmiddellijk griefhoudend en een vernietiging kan hem effectief een voordeel opleveren. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie is niet gegrond. VIII. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), en voor zover als nodig de schending van de zorgvuldigheidsplicht, het redelijkheids-beginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het evenredigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur.
- Het auditoraat vat het eerste middel als volgt samen op basis van het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord: “Doordat, eerste onderdeel, de eerste bestreden beslissing de juridische en feitelijke overwegingen die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen niet vermeldt, terwijl elke individuele eenzijdige bestuurshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden de juridische en feitelijke overwegingen die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen moet vermelden; Doordat, tweede onderdeel, de motivering van de tweede bestreden beslissing, in zoverre zij overgaat tot het in beslag nemen van de daarin vermelde specimen, XII-9598-27/40 niet, minstens niet op afdoende wijze, de juridische en feitelijke overwegingen die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen vermeldt, terwijl elke individuele eenzijdige bestuurshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden op afdoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen moet vermelden; Doordat, derde onderdeel, de motivering van de derde en vierde bestreden beslissing tot het in volle eigendom overdragen van de door de eerste en tweede bestreden beslissing in beslag genomen specimen aan de vzw Natuurhulpcentrum te Opglabbeek niet op afdoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen vermeldt, terwijl elke individuele eenzijdige bestuurshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden op afdoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen moet vermelden.”
- In de laatste memorie herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt eraan toe dat, voor zover het middel verwijst naar een aantal beginselen van behoorlijk bestuur, er een nauwe band bestaat tussen deze principes en de wet van 29 juli
- Verzoeker meent dat hij in zijn aanvankelijke uiteenzetting van het eerste middel voldoende heeft aangegeven waarin de motivering van de bestreden beslissingen tekortschoot. Volgens verzoeker worden in het auditoraatsverslag onder de titel “feitelijke toedracht van de zaak” de elementen van het administratief dossier besproken waaruit blijkt dat verzoeker wist of kon weten waarom er bestuurlijk beslag werd gelegd en nadien de bestuurlijke maatregel van het geven in volle eigendom werd genomen. Het auditoraatsverslag besluit tot de niet-ontvankelijkheid van het eerste middel bij gebrek aan belang. Aangezien het doel van de formelemotiveringsplicht erin bestaat aan de rechtsonderhorige de informatie te verschaffen die nodig is om een beredeneerde afweging te maken over het al dan niet instellen van een beroep bij de Raad van State, laat verzoeker gelden dat, door het hem niet overmaken van belangrijke documenten, dat doel niet is bereikt. Aan verzoeker werden de processen-verbaal opgemaakt in 2017 niet overgemaakt en ook de beslissing tot gerechtelijk beslag heeft hij niet te zien gekregen (dit is logisch binnen het strafrechtelijk onderzoek, dat in essentie geheim XII-9598-28/40 is, maar niet in enige administratieve procedure). Voorts werden de bijlagen bij het proces-verbaal van 3 oktober 2018 niet aan hem bezorgd, ondanks zijn vraag daartoe. Volgens het auditoraatsverslag vormt dat geen probleem, omdat er in het proces-verbaal verwezen wordt naar de desbetreffende bijlage en er een inventaris werd gevoegd bij het proces-verbaal. Zulks gaat volgens verzoeker niet op: wanneer er gemotiveerd wordt aan de hand van afzonderlijke stukken, dan moet de rechtsonderhorige hiervan kennis kunnen nemen vooraleer het administratief dossier wordt voorgelegd in het kader van een annulatieprocedure. In de bijlagen bij het proces-verbaal bevond zich onder meer het antwoord van een expert over het precieze ras van de kroonkraanvogel (zwart of grijs), hetgeen een belangrijk discussiepunt was tussen de inspecteurs en verzoeker. De omstandigheid dat verzoeker dit advies niet te zien heeft gekregen en zelfs niet op de hoogte was gesteld nopens de identiteit van de expert, tast het onderbouwd karakter van de hierop betrekking hebbende beslissingen aan. In het auditoraatsverslag wordt er tevens aan voorbijgegaan dat de beslissing tot het leggen van bestuurlijk beslag geen automatisme is, ook niet na eerder gerechtelijk beslag, zodat de beslissing hierover berust op een discretionaire bevoegdheid en derhalve een motivering vereist.
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat het verwijzen naar een aantal beginselen “voor zover als nodig” laakbaar is. Aangezien de toelichting niet verduidelijkt hoe die beginselen geschonden zijn, dient de ingeroepen schending van deze beginselen als niet-ontvankelijk verklaard te worden. Wat het eerste middelonderdeel betreft, stelt de verwerende partij dat de eerste beslissing de verderzetting is van een gerechtelijk beslag en dat een beknopte motivering daarom kan volstaan. In casu werd het gerechtelijk beslag deels opgeheven, deels omgezet in een bestuurlijk beslag. In elk geval kan de niet-kennisgeving van de (bestaande) formele motieven, enkel leiden tot de vernietiging indien de belangen van verzoeker geschonden zijn. In casu heeft verzoeker meteen na ontvangst van de derde bestreden beslissing een XII-9598-29/40 kortgedingprocedure ingesteld, waardoor zijn belangen niet geschonden kunnen zijn. Wat het tweede middelonderdeel betreft, stelt de verwerende partij in hoofdorde dat de tweede bestreden beslissing niet als een eenzijdige administratieve rechtshandeling kan worden aangemerkt. In ondergeschikte orde staat vast dat enige vormgebreken zijn gedekt door de formele beslissing die op 4 oktober 2018 genomen werd. Wat het derde middelonderdeel betreft, stelt de verwerende partij dat zowel de derde als de vierde bestreden beslissing de toepasselijke rechtsgrond vermelden en de alternatieven bespreken. Ook is voldaan aan de voorwaarden voor een motivering door verwijzing. De verwijzing naar de processen-verbaal is aldus toegestaan. Bovendien is de formele motivering afdoende aangezien verzoeker in staat is gesteld om de materiële motieven die aan de beslissing ten grondslag liggen, te identificeren en aan te vechten. De verwerende partij betwist geenszins dat de bestuurlijke maatregelen deel uitmaken van de discretionaire bevoegdheid. Het standpunt van verzoeker als zou de rechtsgeldigheid van de derde en de vierde bestreden beslissing onlosmakelijk verbonden zijn aan het lot van de eerste en de tweede bestreden beslissing, kan volgens de verwerende partij niet gevolgd worden. Ten eerste hebben de derde en de vierde bestreden beslissing enkel de eigendomsoverdracht tot voorwerp en gevolg. Ook werd volgens de verwerende partij al aangetoond dat de bevestiging van de wettigheid van de derde en de vierde bestreden beslissing inhoudt dat de eerste en de tweede bestreden beslissing onwerkzaam zijn geworden. In de laatste memorie sluit de verwerende partij zich aan bij de redenering in het auditoraatsverslag. Daarnaast herhaalt zij dat verzoeker met kennis van zaken hoger beroep kon instellen. Het feit dat een bijlage bij het proces-verbaal van 3 oktober 2018 zou ontbreken, doet hieraan geen afbreuk. Uit het geheel van de stukken blijkt volgens de verwerende partij dat is voldaan aan de XII-9598-30/40 formelemotiveringsplicht. Zij benadrukt ook dat het bestuurlijk beslag geen automatisme was, maar de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid. Verzoeker toont volgens de verwerende partij niet aan dat er geen voorafgaandelijke afwegingen plaatsvonden, nu uit de woordkeuze “in dit geval” blijkt dat er wel degelijk een contextuele afweging plaatsvond. XII-9598-31/40 Beoordeling
- Het auditoraat heeft het eerste middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, weergegeven in de zin als hiervoor (supra, randnummer 20), samengevat. Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze samenvattende analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting(en) verricht.
- Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat in het verzoekschrift niet uiteengezet wordt op welke wijze verzoeker de zorgvuldig-heidsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel geschonden acht. In de mate dat verzoeker in de laatste memorie verwijst naar de nauwe band tussen deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de wet van 29 juli 1991, betreft dit nieuwe argumenten en kritieken waarvan niet blijkt dat hij deze niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Deze argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. Het eerste middel is in de aangegeven mate niet ontvankelijk.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.
- De juridische en feitelijke overwegingen die aan de eerste bestreden beslissing (i.e. het bestuurlijk beslag) ten grondslag liggen, zijn niet opgenomen in de e-mail van 18 juli
- De beslissing vermeldt niet welke de XII-9598-32/40 rechtsgrond is voor de bestreden beslissing, laat staan welke wetsbepalingen op de specifieke context van toepassing zijn. Dat dit tot verwarring heeft geleid, blijkt uit een e-mail van verzoeker van 20 augustus 2018 waarin verzoeker stelt dat hij verwacht had dat “de rechtbank hierover een beslissing zou nemen” en aangeeft dat de vogels bij zijn weten enkel mogen worden meegenomen “als er sprake is van slechte huisvesting en verzorging”, waarop de verwerende partij repliceert dat de inbeslagname niet gebaseerd is op de “Dierenwelzijnswetgeving”, maar op een inbreuk op de “CITES-wetgeving”. In de e-mail van 18 juli 2018 wordt enkel verduidelijkt dat het gaat om een stand van zaken waarbij een oplijsting wordt gegeven van “[v]ogels die nog onder beslag gehouden worden tot hierover een definitieve beslissing geveld wordt”. Door aan te geven dat bepaalde vogels “nog” onder beslag worden gehouden, geeft de eerste bestreden beslissing aan dat er sprake is van een verlenging van een maatregel, terwijl, zoals de verwerende partij zelf ook erkent, er voorheen geen sprake was van bestuurlijk beslag, maar van een gerechtelijk beslag. Gerechtelijk beslag en bestuurlijk beslag vormen verschillende procedures met een verschillende finaliteit. De motivering haalt beiden door elkaar, of laat minstens na om een onderscheid tussen beiden te maken. Ten slotte, bevat de e-mail van 18 juli 2018 geen enkele aanwijzing over de redenen waarom de vogels “nog” in beslag moeten worden gehouden. De eerste bestreden beslissing (e-mail van 18 juli 2018) is niet op “afdoende” wijze gemotiveerd en schendt de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
- Ook de juridische en feitelijke overwegingen die aan de tweede bestreden beslissing ten grondslag liggen, zijn niet afdoende opgenomen in de e-mail van 27 september
- De beslissing vermeldt vooreerst niet welke de rechtsgrond is voor de bestreden beslissing, laat staan welke wetsbepalingen op de specifieke context van toepassing zijn. Daarnaast is er verwarring over de XII-9598-33/40 strekking van de beslissing. In deze e-mail van 27 september 2018 waarin sprake is van een “eindbeslissing” kan gelezen worden dat een aantal vogels vrijgegeven wordt en dat andere nader genoemde “vogels zullen in beslag genomen worden omwille van het NIET kunnen bewijzen van de legale herkomst”. Verder luidt de motivering: “Daar voor deze vogels geen bewijs van legale herkomst kon worden voorgelegd zullen deze dieren definitief in beslag genomen worden. De uitwisseling van deze vogels zal plaatsvinden op 4 oktober 2018 om 15u.” Door de terminologie “zullen […] definitief in beslag genomen worden” is het niet duidelijk wanneer de vogels “definitief” in beslag zijn genomen. De motivering lijkt inbeslagname en fysieke verwijdering onterecht als synoniemen te gebruiken. Evenmin motiveert de tweede bestreden beslissing waarom het definitief beslag ook de fysieke verwijdering van de desbetreffende vogels met zich meebrengt, terwijl dat voorheen niet nodig bleek. De tweede bestreden beslissing (e-mail van 27 september 2018) is niet op “afdoende” wijze gemotiveerd en schendt de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
- Door in het ongewisse te blijven over de juridische en feitelijke draagwijdte van de eerste en de tweede bestreden beslissing is verzoekers recht om zich in rechte te verweren tegen deze beslissingen in het gedrang gebracht en de doelnorm van de formelemotiveringsplicht niet bereikt. Dit wordt geenszins weerlegd door het feit dat verzoeker op 2 oktober 2018 in kortgeding voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel een verzoek heeft ingediend om een verbod op te leggen om over te gaan tot “fysieke bestuurlijke inbeslagname” van de Amerikaanse oehoe en de vier grijze kroonkraanvogels. Daarmee is niet aangetoond dat verzoeker op de hoogte is gebracht welke de rechtsgrond is voor de eerste en de tweede bestreden beslissing, laat staan welke wetsbepalingen op de specifieke context van toepassing waren volgens de verwerende partij. De verwerende partij betwist niet dat verzoeker op datum van het verzoekschrift niet in het bezit is gesteld van het PV 001841/18 van 17 juli 2018 en het PV ME.64J.H2.110014/17 van 2 maart 2017, zodat de verwijzingen naar die processen-verbaal evenmin aantonen dat de doelnorm bereikt is. De XII-9598-34/40 juridische en feitelijke onduidelijkheden worden evenmin geremedieerd door het proces-verbaal van 3 oktober
- Bij de weergave van de “vaststellingen” wordt op pagina 3 aangegeven dat er op 10 juli een “gerechtelijke inbeslagname” is geweest. Op pagina 5 wordt vermeld dat het gerechtelijk beslag op 18 juli 2018 wordt opgeheven en dat een aantal specimens “alsnog met bestuurlijk beslag [worden] bezwaard”. Er wordt verduidelijkt dat “[d]eze stap wordt ondernomen zodat de inspectiedienst Cel Soorten en de Cel CITES hun bestuurlijke bevoegdheden kunnen uitoefenen (opheffing of handhaving bestuurlijk beslag)”. Op pagina 7 en 8 wordt aangegeven dat de betrokken specimens “in beslag [werden] genomen tijdens de controle van 10 juli 2018” zonder het onderscheid te maken tussen gerechtelijk en bestuurlijk beslag. Daarmee is evenwel niet duidelijk welke de rechtsgrond is voor de eerste en de tweede bestreden beslissing, laat staan welke wetsbepalingen op de specifieke context van toepassing zijn. Nergens wordt in dat proces-verbaal verwezen naar artikel 6, § 1, van de CITES-wet en er wordt niet precies geduid waarom de voorwaarden voor de toepassing ervan vervuld zijn en welk vaststellingen beschouwd worden als “door artikel 5 voorziene overtredingen”. Voorts toont de verwerende partij niet aan dat de doelnorm op een andere manier bereikt is.
- Het bestuurlijk beslag vormt een noodzakelijke voorwaarde voor de daaropvolgende bestuurlijke maatregelen, i.e. de derde en de vierde bestreden beslissing. Overeenkomstig artikel 6, § 3, van de CITES-wet is een bestuurlijke maatregel immers slechts mogelijk voor “inbeslaggenomen specimens”. Gelet op de terugwerkende kracht van een vernietigingsarrest leidt de vernietiging van het beslag (i.e. de eerste en de tweede bestreden beslissing) tot de vaststelling dat de bestuurlijke maatregelen, opgelegd door de derde en de vierde bestreden beslissing, niet langer over een feitelijke en juridische grondslag beschikken daar er geen “inbeslaggenomen specimens” meer zijn die het voorwerp kunnen vormen van die beslissingen.
- Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. XII-9598-35/40 B. Vijfde middel Standpunt van de partijen
- In een vijfde middel voert verzoeker een schending aan van “de substantiële vormvereiste van ondertekening van de administratieve beslissing en het plaatsen van de naam van de ondertekenaar die handelt in opdracht van de bevoegde functionaris” en uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, artikel 7, § 1, eerste lid, gelezen samen met artikel 6, §§ 1 en 3, van de CITES-wet, de zorgvuldigheidsplicht, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en de materiëlemotiverings-plicht als beginselen van behoorlijk bestuur. Het auditoraat citeert het verzoekschrift: “Doordat de derde en vierde bestreden beslissing werden ondertekend door een niet bij naam genoemde persoon die zou handelen in opdracht van mevrouw [M.V.] terwijl elke akte of individuele beslissing uitgaande van de overheid moet uitgaan van een terzake bevoegde persoon en dat de bevoegdheid van de persoon enkel kan worden nagegaan wanneer de naam van de persoon die de akte of individuele beslissing ondertekent, gekend is.” In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie herhaalt verzoeker in essentie het middel.
- De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat het middel niet ontvankelijk is omdat verzoeker niet duidt op welke manier het ontbreken van de vermelding van de naam van de persoon die de bestreden beslissing heeft ondertekend een schending zou uitmaken van de ingeroepen rechtsnormen. Bovendien blijkt uit artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat de op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen “slechts aanleiding tot een nietigverklaring [geven] als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller XII-9598-36/40 van de handeling te beïnvloeden. Verzoeker toont niet aan dat aan deze voorwaarden is voldaan. In de laatste memorie sluit de verwerende partij zich aan bij de redenering van het auditoraatsverslag. Beoordeling
- Het auditoraat heeft het eerste middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, weergegeven in de zin als hiervoor (supra, randnummer 31), samengevat. Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze samenvattende analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting(en) verricht. Over de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel
- De verwerende partij werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel op doordat verzoeker op geen enkele wijze duidt op welke manier het ontbreken van de vermelding van de naam van de persoon die de bestreden beslissing ondertekend heeft een schending zou uitmaken van de ingeroepen rechtsgronden. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoeker heeft willen aankaarten dat de ondertekening van de derde en de vierde bestreden beslissing door een niet bij naam genoemde persoon, niet toelaat te controleren of deze beslissingen door de bevoegde persoon zijn genomen. De exceptie wordt verworpen. Over de gegrondheid van het middel
- De derde bestreden beslissing werd ondertekend door een persoon wiens naam niet op de akte wordt vermeld. Bij de handtekening staat de afkorting “o.i.v.” en de naam en hoedanigheid van het celhoofd van het XII-9598-37/40 CITES-Beheersorgaan België. Het wordt niet betwist dat de handtekening niet door het celhoofd van het CITES-Beheersorgaan België werd geplaatst maar door een ander persoon die daarbij stelde te handelen “in opdracht” van die leidend ambtenaar.
- Met het plaatsen van de handtekening bevestigt de auteur van de bestuurshandeling de inhoud ervan, en verleent hij hieraan de vereiste authenticiteit opdat de akte een bindend karakter zou verkrijgen. Om na te kunnen gaan of de persoon die de handtekening plaatste wel bevoegd was om de bestuurshandeling te stellen, is vereist dat de akte die persoon ook identificeert. Het gaat om een substantiële vormvereiste, nu de vraag of de bestuurshandeling gesteld is door een daartoe bevoegd orgaan, de openbare orde aanbelangt. Verzoeker moet dan ook niet aantonen dat zijn belangen geschaad zijn om te kunnen aanvoeren dat de bestreden beslissing aangetast is door dit vormgebrek.
- Nu de derde bestreden beslissing niet toelaat de persoon te identificeren die haar heeft ondertekend, is zij door een substantieel vormgebrek aangetast. De identiteit van de auteur van de bestuurshandeling moet uit de akte zelf blijken.
- De vierde bestreden beslissing vermeldt wel de naam van de persoon die de beslissing heeft ondertekend.
- Het vijfde middel is gegrond in zoverre het de derde bestreden beslissing betreft. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt: 1) de beslissing van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu van 18 juli 2018 in zoverre de volgende vogels nog onder beslag worden gehouden tot hierover een definitieve beslissing wordt geveld: XII-9598-38/40 - 1 Sakervalk (Falco cherrug) met identificatie A 006 266 AOB, - 3 Afrikaanse oehoes (Bubo africanus) met identificatie 12.0 18 0052, 043 BC 02 X en 041 BC 02 X, - 2 Afrikaanse oehoes (Bubo africanus) zonder identificatie, - 1 Woestijnbuizerd (Parabuteo unicintus) met identificatie PCA 02 253, - 1 Koekoeksuil (Ninox novaseelandiae) met identificatie 6 CWP NV, en - 1 Maleisische uil (Strix selupto) met identificatie VDW WB 18 00 12 28; 2) de beslissing van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu van 27 september 2018 in zoverre : 4 grijze kroonkraanvogels (Balearica regulorum) met identificatie WB B 20 16 0168, WB B 20 16 0167, WB B 20 16 0163 en WB B 20 16 0164 in beslag worden genomen omwille van het niet kunnen bewijzen van de legale herkomst; 3) de beslissing van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu van 4 oktober 2018 in zoverre voor de volgende vogels tot overdracht in volle eigendom aan de vzw Natuurhulpcentrum te Opglabbeek wordt beslist: - 1 x Falco cherrug (Sakervalk) met ringnummer A 006 266 AOB, gedeeltelijk onleesbaar, - 3 x Bubo africanus (Afrikaanse oehoe) met ringnummers 043 BC 02 X, 12.0 18 0052, 041 BC 02 X, - 2 x Bubo africanus (Afrikaanse oehoe) zonder ring of microchip, -1 x Bubo virginianus (Amerikaanse oehoe) met ringnummer BOF 143 R 355 99 004, - 1 x Parabuteo unicintus (Woestijnbuizerd) met ringnummer PCA 02 253, - 1 x Ninox novaseelandiae (Koekoeksuil) met ringnummer 6 CWP NV, - 1 x Strix selupto (Maleisische uil) met ringnummer VDW WB 18 00 12 28, XII-9598-39/40 - 4 x Balearica regulorum (Grijze kroonkraanvogel) met ringnummers WB B 20 16 0167, WB B 20 16 0168, WB B 20 16 0163, WB B 20 16 0164; en 4) de beslissing van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu van 30 oktober 2018, als erratum op de derde bestreden beslissing, tot overdracht in volle eigendom aan de vzw Natuurhulpcentrum te Opglabbeek van de volgende goederen: 4 x Balearica regulorum (Grijze kroonkraanvogel) met ringnummers WB B 20 18 0315, WB B 20 18 0314, WB B 20 18 0318, AO 20 B 48
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenendertig maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9598-40/40 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.827 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.109 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.105 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div