id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.837 Rolnummer: A. 237230/XII-9841 Zaak: Arrest 262837 - Prijzen - 31/03/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-03 Raadplegingen: 165 - laatst gezien 2026-06-15 21:26 Fiche Arrest nr 262.837 van 31 maart 2025 Economische zaken - Prijzen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2019 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR.105 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR.109 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 262.837 van 31 maart 2025 in de zaak A. 237.230/XII-9841 In zake : de NV NOVARTIS PHARMA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christophe Ronse, William Timmermans en Kirian Claeyé kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86C, bus 414 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-François De Bock kantoor houdend te 1180 Brussel Bosveldweg 70 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de VZW FEBELGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benito Boone kantoor houdend te 2930 Brasschaat Klaverheide 8 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 september 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Prijzendienst van de FOD Economie van 14 juli 2022 waarbij de afwijking van de prijsdaling voor het geneesmiddel Xolair® wordt opgeheven. XII-9841-1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 259.790 van 21 mei 2024 werd het debat heropend en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart 2025. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaten Christophe Ronse en Bart Willems, loco advocaten William Timmermans en Kirian Claeyé, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Jean-François De Bock, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Benito Boone, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur – afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XII-9841-2/14 III. Feiten 3. In het arrest nr. 259.790 van 21 mei 2024 waarbij het debat wordt heropend, worden de feiten als volgt weergegeven: “3.1. Op 26 juni 2018 vraagt de verzoekende partij aan de Prijzendienst om voor XOLAIR® (omalizumab – een gehumaniseerd monoklonaal antilichaam) een afwijking te verkrijgen van de prijsverlaging bepaald in artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 oktober 2007 ‘tot verlaging van de prijzen van sommige terugbetaalbare geneesmiddelen’ […]. Op 26 juli 2018 staat de Prijzendienst op grond van artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 deze afwijking toe, zodat de gevraagde prijzen mogen worden aangerekend. Het betreft de specialiteiten 75 en 150 mg en dit als oplossing voor injectie, waarvoor de in die beslissing vermelde af-fabrieksprijzen (excl. btw) worden toegelaten. 3.2. Op 14 juli 2022 beslist de verwerende partij tot opheffing van de voormelde beslissing van 26 juli 2018. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: ’(..) De Prijzendienst heeft recent vastgesteld dat de toekenning van de afwijking van de prijsverlaging dd. 26 juli 2018 m.b.t. het geneesmiddel Xolair onregelmatig is gebeurd. Dit om volgende reden: • De aanvraag tot afwijking werd ingediend op basis van octrooi nr. EP1 610 820. Dit octrooi beschermt niet het werkzaam bestanddeel ‘omalizumab’ maar beschermt enkel een fabricageprocédé (galenische vorm) inzake omalizumab (i.e. een oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit). Het artikel 69, § 9, derde lid van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, heeft dus enkel betrekking op oude werkzame bestanddelen en het enige octrooi waarmee rekening kan worden gehouden is datgene dat het voornaamste werkzame bestanddeel beschermt en niet datgene dat, zoals in casu, een fabricageprocédé beschermt; Bijgevolg voldeed uw aanvraag van 26 juni 2018 om een afwijking te verkrijgen van de prijsverlaging bepaald in artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 oktober 2007 tot verlaging van de prijzen van sommige terugbetaalbare geneesmiddelen, niet aan de voorwaarden van artikel 69, § 9, derde lid van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, en werd deze afwijking onterecht toegekend aan uw onderneming. Omwille van deze reden wordt de beslissing dd. 26 juli 2018 van de Prijzendienst van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie op grond van artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 oktober 2007 tot verlaging van de prijzen van sommige terugbetaalbare geneesmiddelen, waarbij de afwijking van de prijsverlaging aan uw onderneming werd toegekend op basis van voornoemd octrooi, met onmiddellijke ingang opgeheven en bijgevolg zullen de prijzen verlaagd worden vanaf 1 oktober 2022. XII-9841-3/14 Tegen de onderhavige beslissing kan een beroep tot nietigverklaring worden ingediend bij de Raad van State binnen de 60 dagen na deze kennisgeving. Dit beroep kan ingediend worden, hetzij bij een ter post aangetekend schrijven op het adres Wetenschapsstraat 33 te 1040 Brussel, hetzij volgens de elektronische procedure (zie daartoe de rubriek ‘e-procedure’ op de website van de Raad van State).’ Dit is de bestreden beslissing. 3.3. Met een brief van 3 augustus 2022 doet de verzoekende partij haar bezwaren gelden tegen de bestreden beslissing. De Prijzendienst antwoordt hierop in haar brief van 10 augustus 2022 het volgende: ‘(…) De Prijzendienst is van mening dat er niet kan worden ingegaan op uw argumenten en bevestigt hierbij de inhoud van de motivering in zijn besluit tot opheffing van 14 juli 2022. U stelt in de eerste plaats dat artikel 2 van het KB van 16 oktober 2007 impliceert dat, aangezien de beslissing tot afwijking van de prijsverlaging werd toegekend, er noodzakelijkerwijs werd voldaan aan de toekenningsvoorwaarden ervan en dat het niet mogelijk is om terug te komen op die beslissing. Die interpretatie kan niet worden gevolgd omdat een beslissing door onregelmatigheden kan worden aangetast. Het is niet omdat een bepaling aangeeft dat een afwijking van de prijsverlaging wordt toegekend indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, dat er noodzakelijkerwijs aan die voorwaarden werd voldaan. Als blijkt dat niet aan die voorwaarden werd voldaan, is de toegekende afwijking aangetast door onregelmatigheden. Terugkomen op een dergelijke onregelmatige beslissing is mogelijk in bepaalde omstandigheden, zoals hieronder toegelicht in verband met uw tweede argument. U meent in de tweede plaats dat de beslissing tot afwijking van de prijsverlaging een beslissing is die een onaantastbare individuele situatie betreft en dat een opheffing van dit type beslissing niet mogelijk is. De Prijzendienst meent dat de desbetreffende beslissing tot toekenning van een uitzondering niet een louter individuele administratieve rechtshandeling is, maar tevens een reglementair karakter heeft. De beslissing heeft weliswaar een individueel karakter voor de aanvrager van de uitzondering, maar heeft ook een reglementair karakter voor een hele groep of categorie personen (in die zin dat ze bijvoorbeeld voor de patiënt/rechthebbende dan wel de apotheker/groothandelaar(-verdeler) het recht/de verplichting creëert om tegen die bepaalde prijs een farmaceutische specialiteit aan te kopen dan wel te verkopen). Voor zover de beslissing tevens een bestuurshandeling met een reglementair karakter is, kan deze alsnog worden opgeheven. Voor dit soort handeling is een opheffing immers op elk moment en onder alle omstandigheden mogelijk. De opheffing resulteert in de schrapping van de handeling voor de toekomst en moet worden uitgevoerd door de auteur ervan; in dit geval de Prijzendienst van de FOD Economie. (…). Tot slot stelt u ten vierde en in ondergeschikt orde dat deze opheffing tegenstrijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van het nemen van beslissingen binnen een redelijke termijn. In dat opzicht heeft een opheffing, in tegenstelling tot een intrekking, geen retroactief effect, net om geen afbreuk te doen aan de rechtszekerheid. XII-9841-4/14 Het beginsel van het nemen van beslissingen binnen een redelijke termijn is dus ook niet relevant in het onderhavige geval want de beslissing om de afwijking van de prijsverlaging toe te kennen, werd genomen binnen de opgelegde termijn en de impact ervan werd behouden tot de datum van de opheffing. Overigens kan de beslissing tot opheffing, zoals eerder vermeld, te allen tijde worden genomen aangezien het hier gaat om een bestuurshandeling met een reglementair karakter. Het besluit tot opheffing werd bovendien genomen binnen een redelijke termijn vanaf het ogenblik dat de Prijzendienst kennis heeft gekregen van de onregelmatigheid die de afwijking van de toegekende prijsverlaging had aangetast.’.” IV. Regelmatigheid van de rechtspleging Exceptie van gebrek aan belang in hoofde van de tussenkomende partij Uiteenzetting van de exceptie 4. De verzoekende partij betwist in de memorie van wederantwoord het belang van de vzw Febelgen. Zij laat in essentie gelden dat de vzw Febelgen geen rechtstreeks en persoonlijk belang bij de zaak heeft en dat het belang van de tussenkomst is beperkt tot het inhoudelijk op de hoogte blijven van het verloop van de procedure. Volgens de verzoekende partij zou de vzw Febelgen geen nadelige gevolgen ondervinden, laat staan financiële gevolgen, minstens zou zij zulks onvoldoende en zeker aantonen. De verzoekende partij benadrukt voorts dat de vzw Febelgen de klacht in eigen naam had ingediend. Het feit dat de uitkomst van de zaak hypothetisch repercussies zou hebben voor haar leden, doet niet ter zake. De verzoekende partij vervolgt dat de tussenkomst van de vzw Febelgen de procedure bovendien vertraagt nu het verzoekschrift tot tussenkomst werd ingediend na wisseling van de stukken tussen de verzoekende partij en de verwerende partij. In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij in essentie dat niettegenstaande de vzw Febelgen een klacht neerlegde, hieruit niet automatisch volgt dat zij ook een rechtstreeks en persoonlijk belang heeft en haar standpunt kan verdedigen in een daaropvolgende procedure. De verzoekende partij laat verder gelden dat de vzw Febelgen de voorgaande klacht in eigen naam XII-9841-5/14 neerlegde en niet in naam van haar leden, niettegenstaande het collectieve belang van de vzw Febelgen dient te worden onderscheiden van het individuele belang van haar leden. Tot slot wijst de verzoekende partij erop dat door de vzw Febelgen nieuwe excepties in het debat werden opgeworpen en zelfs een prejudiciële vraagstelling aan het Europees Hof van Justitie werd gevorderd, met (mogelijk) een vertraging van de procedure tot gevolg. Beoordeling 5. Door het auditoraat wordt tot de ongegrondheid van de exceptie besloten op grond van de volgende overwegingen: “De tussenkomst van de vzw Febelgen is voorlopig toegestaan bij beschikking van 3 januari 2023 omdat ‘(u)it de gegevens van de zaak blijkt dat de belangen van de vzw Febelgen kunnen worden beïnvloed door de oplossing die aan het ingestelde beroep gegeven zou worden’. (…) Verslaggever meent dat geen redenen voorliggen om de tussenkomst van de vzw Febelgen af te wijzen. De vzw Febelgen ligt met haar klacht aan de basis van de bestreden beslissing. Zoals de voorzitter in kort geding terecht heeft opgemerkt, heeft zij alleen al om die reden een belang om tussen te komen in de procedure, onder meer om de inhoud van haar klacht en de door de Belgische Staat genomen beslissing die hieruit is voortgevloeid, te verdedigen. De vzw Febelgen handelt aldus binnen de perken van haar maatschappelijk doel dat onder meer strekt tot de behartiging van de belangen van haar leden met focus op generische en biosimilaire geneesmiddelen, of andere geneesmiddelen waarvan het octrooi is afgelopen. Het is niet ondenkbaar dat de uitkomst van huidig beroep de materiële belangen van de leden, vertegenwoordigd door de vzw Febelgen, raakt. Het verzoekschrift tot nietigverklaring werd voorts niet ter kennis gebracht van de vzw Febelgen door de griffie. Evenmin werd het gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Overeenkomstig artikel 52, §1, tweede lid van het algemeen procedurereglement ‘kan de met de zaak belaste kamer een latere tussenkomst toelaten, voor zover deze de procedure niet vertraagt’. De omstandigheid dat de processtukken tussen verzoekende en verwerende partijen al zijn gewisseld op het ogenblik van de tussenkomst, is op zich geen reden om aan te nemen dat de laatste het verloop van de rechtspleging zou vertragen.” 6. In haar laatste memorie herhaalt de verzoekende partij op een parafraserende wijze haar betoog zoals aangevoerd in de memorie van XII-9841-6/14 wederantwoord zonder inhoudelijk nog een andere visie te geven op de beoordeling door het auditoraat. 7. In die omstandigheden ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt hij aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, de exceptie ongegrond. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van gebrek aan actueel belang in hoofde van de verzoekende partij Standpunt van de partijen 8. De verwerende partij werpt in haar laatste memorie een exceptie van gebrek aan actueel belang op in hoofde van de verzoekende partij. Zij laat in essentie gelden dat de periode waarover de verzoekende partij beschikte om de bestreden beslissing aan te vechten, met name tussen de notificatie bij brief van 14 juli 2022 en de afloop van het octrooi op 29 maart 2024, haar toeliet om de nodige procedurele stappen voor de Raad van State te nemen, met inbegrip van een vordering tot schorsing, volgens de gewone procedure. Feit is volgens de verwerende partij dat de verzoekende partij deze procedurele keuze niet heeft gemaakt maar verkoos om de burgerlijke rechter in kort geding te vatten, dewelke de vordering op gemotiveerde wijze heeft verworpen en dat het behoud van de afwijking waarop de verzoekende partij meent recht te kunnen hebben, sinds 29 maart 2024 (datum waarop het octrooi verloopt) niet meer aan de orde is. De vernietiging van de bestreden beslissing kan volgens de verwerende partij bijgevolg aan de verzoekende partij geen voordeel meer verschaffen, nu er sprake is van een gewijzigde omstandigheid die een weerslag heeft op het actueel en rechtstreeks belang. Voor zover als nodig benadrukt de verwerende partij dat de verzoekende partij haar belang niet kan steunen op de principiële genoegdoening die zij uit een vernietiging zou bekomen, of op de weerslag van deze vernietiging op de burgerlijke procedure die zij heeft aangespannen, nu volgens vaste rechtspraak van de Raad van State “het belang dat louter bestaat uit het zien XII-9841-7/14 onwettig verklaren van een bestreden beslissing om de toekenning van een schadevergoeding door een burgerlijke rechtbank te faciliteren, onvoldoende rechtstreeks” is en dat deze vaststellingen niet van een overdreven formalisme getuigen. 9. De verzoekende partij benadrukt in het verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord dat zij een evident belang heeft bij de voorliggende zaak. Zij laat gelden dat zij wordt benadeeld door de bestreden beslissing aangezien deze zal leiden tot een vroegtijdige prijsdaling van haar geneesmiddel Xolair®, met name per 1 oktober 2022 en dat in geval van een vernietiging van de bestreden beslissing, de beslissing van 26 juli 2018 herleeft, zodat de afwijking van de prijsdaling behouden blijft tot 1 juli 2024. De nietigverklaring levert bijgevolg volgens de verzoekende partij een evident voordeel voor haar op. In haar laatste memorie herhaalt de verzoekende partij haar standpunt en benadrukt in essentie dat bij een vernietiging van de bestreden beslissing de beslissing van 26 juli 2018 herleeft, zodat de afwijking op de prijsdaling behouden blijft tot 1 juli 2024, wat bijgevolg voor haar een evident en concreet voordeel inhoudt wat meer dan een genoegdoening betreft verbonden aan het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing. De vaststelling dat de verzoekende partij de gevolgen van het opheffen van de afwijking heeft moeten ondergaan, volstaat volgens de verzoekende partij om te oordelen dat zij een actueel belang heeft. Beoordeling 10. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 244.015). XII-9841-8/14 XII-9841-9/14 Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Dit geldt evenzeer bij het aanvechten van reglementaire akten. De omstandigheid dat de verzoekende partij als gevolg van de vernietiging opnieuw een kans krijgt om haar situatie in gunstigere zin te zien beoordeeld, volstaat om het belang tot nietigverklaring te verantwoorden. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punten B.11.2. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. XII-9841-10/14 Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, 243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. 11. De verzoekende partij laat gelden dat zij wordt benadeeld door de bestreden beslissing aangezien deze zal leiden tot een vroegtijdige prijsdaling van haar geneesmiddel Xolair®, met name vanaf 1 oktober 2022 en dat in geval van een vernietiging van de bestreden beslissing, de beslissing van de Prijzendienst van 26 juli 2018, waarbij op grond van artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 oktober 2007 ‘tot verlaging van de prijzen van sommige terugbetaalbare geneesmiddelen’ een afwijking op de prijsdaling werd toegestaan, herleeft, zodat de afwijking van de prijsdaling behouden blijft tot 1 juli 2024, datum waarop, XII-9841-11/14 overeenkomstig de beslissing van 26 juli 2018, de afwijking van de prijsdaling een einde neemt, rekening houdend met de datum waarop het octrooi vervalt. De verzoekende partij heeft aldus de grenzen van de rechtsstrijd nauwkeurig afgebakend en heeft haar door de bestreden beslissing vermeende veroorzaakte nadeel in wezen aangeduid. 12. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep, maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat. 13. De Raad van State stelt vast dat het octrooi “EP 820” voor het geneesmiddel Xolair® is toegekend op 8 september 2010 en verstrijkt op 29 maart 2024 en dat het door de verzoekende partij beoogde voordeel dat zij bij de vernietiging van de bestreden beslissing tracht te bekomen, het herleven van de beslissing van 26 juli 2018 betreft, zodat de afwijking van de prijsdaling behouden blijft tot 1 juli 2024, waarbij zij zelf haar rechtens vereiste belang lijkt te koppelen aan een uiterste datum, met name 1 juli 2024, datum waarop, overeenkomstig de beslissing van 26 juli 2018, de afwijking van de prijsdaling een einde neemt. Bezien vanuit dat oogpunt kan een vernietiging van de bestreden beslissing de verzoekende partij, in zoverre zij met het voorliggende beroep het behoud van de afwijking van de prijsdaling tot 1 juli 2024 beoogt en bijgevolg zelf haar rechtens vereiste belang beperkt tot de voornoemde datum, niet tot voordeel strekken. De verzoekende partij verliest evenwel, ten gevolge van het verlopen van het octrooi en het overschrijden van de door haar vooropgestelde datum van 1 juli 2024 tot behoud van de afwijking van de prijsdaling, niet noodzakelijk ingevolge deze gewijzigde (juridische) omstandigheid elk belang bij de nietigverklaring. Zoals hiervoor is aangenomen, kan de aard van het belang immers evolueren, maar dient de verzoekende partij minstens aannemelijk te maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. XII-9841-12/14 De verzoekende partij doet zulks niet. De verzoekende partij geeft aan nog belang te hebben bij het ingestelde annulatieberoep tegen de bestreden beslissing. Ter zake heeft de verzoekende partij een stelplicht. Te dezen laat de verzoekende partij gelden dat de vaststelling dat zij de gevolgen van het opheffen van de afwijking heeft moeten ondergaan en een groot financieel verlies heeft geleden, volstaat om te oordelen dat zij een actueel belang heeft, waarbij zij zich, ondanks haar stelplicht ter zake, – ter staving van haar standpunt – beperkt tot het louter poneren van haar standpunt. Het door de verzoekende partij aangevoerde argument ter verantwoording van haar actueel belang betreft met andere woorden de door haar ondergane gevolgen van de opheffing van de afwijking van de prijsdaling tussen de inwerkingtreding van de thans bestreden beslissing en de vooropgestelde beëindiging van de haar toegekende afwijking op 1 juli 2024. De Raad van State stelt te dezen vast dat het door de verzoekende partij gevoerde betoog, dat betrekking heeft op de in het verleden, gedurende een welbepaalde periode, ondergane gevolgen van de opheffing van de afwijking van de prijsdaling door de tussenkomst van de thans bestreden beslissing, op zich niet voldoet opdat zij doet blijken van een actueel belang. Wat de verzoekende partij – thans – met de gevraagde nietigverklaring nog nastreeft, is immers niet méér dan het voordeel om derden te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het aldus beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. 14. De exceptie is gegrond. XII-9841-13/14 15. De verzoekende partij heeft geen toereikend actueel belang bij het voorliggende beroep tot vernietiging. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenendertig maart tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9841-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.837 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.