← België

Arrest 262869 - Bedrijfsrevisoren - 02/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.869 Rolnummer: A. 240653/XIV-39314 Zaak: Arrest 262869 - Bedrijfsrevisoren - 02/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-03 Raadplegingen: 174 - laatst gezien 2026-06-18 14:19 Fiche Arrest nr 262.869 van 2 april 2025 Beroepen - Bedrijfsrevisoren Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 262.869 van 2 april 2025 in de zaak A. 240.653/XIV-39.314 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het COLLEGE VAN TOEZICHT OP DE BEDRIJFSREVISOREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Casper François kantoor houdende te1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 december 2023, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren (dan wel het Comité van het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren) van 5 oktober 2023 tot het opleggen van een maatregel op grond van artikel 57 van de wet van 7 december 2016 (A01XXX)”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-39.314 -1/25 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025 om 14:30 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Floriane Delbaere die, loco advocaten Marc Stommels en Jan Fransen, verschijnt voor verzoeker en advocaat Casper François, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is bedrijfsrevisor. 3.2. Op 27 januari 2023 voert het College van toezicht op de Bedrijfsrevisoren (hierna: CTB) een inspectie uit op het kantoor van verzoeker. Het onderzoek is gericht op de uitvoering van de werkzaamheden door verzoeker als bedrijfsrevisor voor twee entiteiten, namelijk F. en V. Uit de voorlopige vaststellingen gedaan tijdens deze controle blijkt onder meer dat onvoldoende controlewerkzaamheden zouden zijn uitgevoerd. XIV-39.314 -2/25 3.3. Op 15 februari 2023 opent de secretaris-generaal van het CTB met toepassing van artikel 56 van de wet van 7 december 2016 ‘tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren’ (hierna: wet van 7 december 2016) een onderzoek naar specifieke inbreuken op de toepasselijke wettelijke, reglementaire en normatieve bepalingen die aanleiding kunnen geven tot een administratieve maatregel of een administratieve geldboete. 3.4. Het Comité van het CTB stelt op 12 mei 2023 vast dat, hoewel het onderzoek nog niet is afgerond, er ernstige aanwijzingen zijn dat er sprake zou kunnen zijn van de onregelmatige attestering van (jaar)rekeningen en dat deze feiten zouden kunnen worden gekwalificeerd als een misdrijf krachtens algemene of bijzondere strafwetten. De door de bedrijfsrevisor opgestelde verslagen en opgenomen verklaringen worden niet ondersteund door de wettelijk voorgeschreven en te documenteren controlewerkzaamheden in de respectievelijke controledossiers. Het Comité beslist om, conform artikel 45, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 7 december 2016, het beroepsgeheim op te heffen en die feiten ter kennis te brengen aan het parket. Nog dezelfde dag wordt aangifte gedaan bij de procureur des Konings. 3.5. Op 15 mei 2023 neemt het Comité van het CTB een “‘beslissing tot intentie’ tot het opleggen van een maatregel aan [verzoeker]” en beslist verzoeker daarvan in kennis te stellen. De beoogde maatregel(

  1. en)strekken ertoe om de inbreuken, vastgesteld op de wettelijke verplichtingen, te beëindigen. Op 2 juni 2023 beslist het Comité evenwel om de kennisgeving van de “beslissing tot intentie” die betrekking heeft op het opleggen van de maatregel uit te stellen gelet op het lopende gerechtelijk onderzoek. XIV-39.314 -3/25 3.6. Op 30 augustus 2023 vindt op verzoek van de onderzoeksrechter en in aanwezigheid van een medewerker van het CTB een huiszoeking plaats bij verzoeker. Er wordt een verslag van vaststellingen opgesteld. 3.7. Op 7 september 2023 beslist het Comité om het beroepsgeheim met betrekking tot de integrale controledossiers van de boekjaren 2020 en 2021 van de in punt 3.2 vermelde entiteiten op te heffen en deze controledossiers te bezorgen aan de Federale Gerechtelijke Politie Antwerpen, zoals gevraagd door de onderzoeksrechter. 3.8. Nog op 7 september 2023 beslist het Comité om zijn “beslissing tot intentie” tot het opleggen van maatregelen op grond van artikel 57, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 7 december 2016 – wat het eerder had uitgesteld (cfr. punt 3.5) –, ter kennis van verzoeker te brengen. Deze “beslissing tot intentie” waarin (
  2. i)de feiten worden vermeld die aan die intentie ten grondslag liggen, evenals (
  3. ii)de gedane vaststellingen, (iii) de inbreuken en (
  4. iv)de voorgenomen maatregelen, wordt nog dezelfde dag aan verzoeker betekend. In die “beslissing tot intentie” wordt, sterk samengevat, wat de inbreuken betreft, onder meer wat volgt overwogen: “Het Comité van het College meent op basis van de voormelde elementen, op het eerste gezicht en onder het uitdrukkelijk voorbehoud van de kennisneming van uw standpunt en zienswijze, te kunnen vaststellen dat u mogelijks de volgende bepalingen van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader schendt: - Voor de revisorale opdrachten voor [V.] […] - Voor de revisorale opdrachten voor [F.] […] - voor de kantoororganisatie: […] - voor het openbaar register: […] - voor de onverenigbaarheden: […] Het Comité van het College acht het, op grond van de thans gekende feitelijke elementen, afdoende aannemelijk dat er sprake is van de voormelde inbreuken, XIV-39.314 -4/25 weze het onder voorbehoud van de kennisneming van uw standpunt en zienswijze, om de voorgenomen maatregelen te nemen.” In deze “beslissing tot intentie” wordt als juridische grondslag krachtens dewelke de maatregelen worden overwogen artikel 57, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 7 december 2016 aangeduid. Voorts worden in de “beslissing tot intentie” de maatregelen opgesomd die het CTB zich voorneemt te nemen en die volgens het CTB zijn vereist “om redenen van algemeen maatschappelijk en economisch belang”, wat verder in de “beslissing tot intentie” wordt toegelicht. De maatregelen die in het vooruitzicht worden gesteld hebben betrekking op (
  5. i)de beëindiging van de activiteiten voor de entiteit V., (
  6. ii)de beëindiging van de activiteiten voor de entiteit F., (iii) op de kantoororganisatie en de uitvoering van revisorale opdrachten, (
  7. iv)op (de vermeldingen
  8. in)het openbaar register en (
  9. v)op de onverenigbaarheden met telkens een termijn waarbinnen verzoeker zich in regel moet stellen. Voorts wordt gesteld dat er sprake is van hoogdringendheid in de zin van artikel 57, §1, tweede lid, zodat een verbod om alle activiteiten uit te oefenen en een schorsing van verzoekers inschrijving in het register gedurende een periode van zes maanden zich lijken op te dringen totdat verzoeker zich heeft geconformeerd aan “de essentiële basisvereisten van het beroep van bedrijfsrevisor en zijn organisatie”. Tot slot wordt verzoeker in de “beslissing tot intentie” nog meegedeeld: “U beschikt voorafgaand het nemen van de voormelde beslissing door het Comité van het College over de mogelijkheid om eventuele opmerkingen te bezorgen. U kunt, zonder verplichting evenwel, uw schriftelijke opmerkingen uiterlijk tegen 29 september 2023 per e-mail aan info@ctr-csr.be verzenden als u wenst dat het Comité van het College hiermee rekening kan houden.” 3.9. Verzoeker heeft geen opmerkingen geformuleerd tegen de intentie om hem bepaalde maatregelen op te leggen. 3.10. Op 5 oktober 2023 beslist het Comité van het CTB om de in de “beslissing tot intentie” in het vooruitzicht gestelde maatregelen aan verzoeker op XIV-39.314 -5/25 te leggen. Deze maatregelen moeten worden uitgevoerd binnen de in de beslissing vastgestelde termijnen. Omwille van de hoogdringendheid wordt tevens een verbod opgelegd om alle professionele activiteiten als bedrijfsrevisor uit te oefenen, evenals een schorsing van verzoekers inschrijving in het register van bedrijfsrevisoren en zulks gedurende een termijn van zes maanden. Tot slot, wordt beslist, wat ook eerder was aangekondigd, om de maatregel te publiceren op de website van het CTB conform artikel 57, § 2, van de wet van 7 december 2016, gelezen in samenhang met artikel 72, § 3, vierde tot zevende lid, van de wet van 2 augustus 2002 ‘betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten’. Na bespreking van de feiten, vaststellingen en inbreuken, en voorafgaand aan de maatregelen die worden opgelegd, kan in deze beslissing van 5 oktober 2023 nog wat volgt worden gelezen: “Het Comité van het College stelt eveneens vast dat het de betrokkene de mogelijkheid heeft geboden om zijn standpunt omtrent de op dat ogenblik gekende feiten, de voorgenomen maatregelen en de voorgenomen motivering mee te delen. De betrokkene reageerde niet, zodat het Comité van het College enkel kan vaststellen dat er geen reden is om anders te oordelen over de vastgestelde feiten, de maatregelen en de verantwoording hiertoe, dan zoals voorgenomen. Het Comité van het College heeft intussen evenmin kennis gekregen van nieuwe elementen die hem ertoe zouden aanzetten de voorgenomen maatregelen niet op te leggen of de voorgenomen motivering te nuanceren.” Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt nog dezelfde dag aan verzoeker betekend. 3.11. Navolgend, op 27 oktober 2023 neemt het CTB weerom een “beslissing tot intentie”, dit keer tot het opleggen van dwangsommen met toepassing van artikel 57, § 1, derde lid, 2°, van de wet van 7 december 2016 omdat verzoeker in gebreke blijft bij afloop van de hem (met de bestreden beslissing) opgelegde termijnen. Deze “beslissing tot intentie” wordt diezelfde dag aan verzoeker betekend. XIV-39.314 -6/25 In die kennisgeving wordt hem meegedeeld dat hij over de mogelijkheid beschikt om zijn eventuele opmerkingen te bezorgen. Tevens wordt hij uitgenodigd om, desgewenst, te worden gehoord op 13 november 2023 om 16u30. 3.12. Nadat verzoeker op de hoorzitting van 13 november 2023 om uitstel heeft verzocht, wordt hem met een beslissing van 16 november 2023 een bijkomende termijn toegekend die afloopt op 29 november 2023 om schriftelijk zijn verweermiddelen te doen gelden, waarna het Comité van het CTB op basis van alle elementen in het dossier een definitieve beslissing zal nemen over de voorgenomen maatregelen (namelijk de in het vooruitzicht gestelde dwangsommen). 3.13. Op 29 november 2023 legt verzoeker een verweernota met overtuigingsstukken neer. 3.14. Op 25 januari 2024 neemt het CTB een tussenbeslissing waarbij aan verzoeker een bijkomende termijn tot 14 februari 2024 wordt verleend om uitvoering te geven aan de (nog resterende) herstelmaatregelen met betrekking tot (
  10. i)de gegevens in het openbaar register en (
  11. ii)de onverenigbaarheden en het CTB daarover in te lichten. In de tussentijd wordt de “beslissing tot intentie” tot het opleggen van dwangsommen gehandhaafd in die zin dat, indien op 14 februari 2024 niet is voldaan aan de uitvoering van de genoemde maatregelen, het Comité alsnog kan beslissen om dwangsom(men) op te leggen. XIV-39.314 -7/25 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoeker voert in het verzoekschrift een schending aan van de hoorplicht en van het onpartijdigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. In het verzoekschrift wordt het eerste middel als volgt samengevat: “[d]e beslissing tot intentie tot het opleggen van een maatregel [hierna: de “beslissing tot intentie” (cfr. punt 3.8)] op grond van artikel 57 van de wet van 7 december 2016 getuigt van een vooringenomenheid in hoofde van het comité van het [CTB], vooringenomenheid die belet dat verzoeker op een nuttige wijze gehoord kon worden alvorens de bestreden beslissing werd genomen en vooringenomenheid die op zich genomen een aantasting is van het onpartijdigheidsbeginsel”. In de toelichting bij het eerste middel zet verzoeker uiteen dat de “beslissing tot intentie” van 7 september 2023 niet alleen feiten en voorgenomen maatregelen bevat, maar ook overwegingen die als definitief standpunt over de zaak moeten worden beschouwd voordat verzoeker werd gehoord. De “beslissing tot intentie” vermeldt onder de hoofding “Inbreuken” dat het aannemelijk is dat er sprake is van inbreuken, “weze het onder voorbehoud van de kennisneming van uw standpunt en zienswijze”, maar onder de hoofding “Vaststellingen” en “Maatregelen” worden definitieve standpunten ingenomen die elk verweer nutteloos maken. In de eerste plaats maken de ingenomen standpunten over de ingeroepen feiten, wat verzoeker aan de hand van passages uit de “beslissing tot intentie” illustreert, elke hoorzitting nutteloos. Volgens verzoeker zijn het definitieve standpunten over de feitelijke basis van de maatregel. Het is niet in te zien hoe het comité van het CTB op deze eigen vaststellingen kan terugkomen. In de tweede plaats maken de ingenomen standpunten over de gevolgen van de XIV-39.314 -8/25 beweerde feiten elke hoorzitting nutteloos. Het bestuur heeft zich zo een verregaand oordeel gevormd over de zaak, wat verzoeker weerom aan de hand van passages uit de “beslissing tot intentie” illustreert, dat het niet op een onpartijdige wijze kon oordelen over enig verweer. Verzoeker kon bijgevolg niet op een nuttige manier worden gehoord. Nochtans, aldus verzoeker, rekening houdende met een aantal bedenkingen die in de “beslissing tot intentie” en nadien in de bestreden beslissing worden vermeld, kan worden vastgesteld dat de feiten niet voor eenvoudige vaststelling vatbaar zijn en een eigen interpretatie van de verwerende partij vereisen voordat er gevolgen aan kunnen worden gekoppeld. De interpretatie van de verwerende partij houdt geen rekening met de praktische gevolgen van de verhuis van het kantoor van verzoeker – verhuis die reeds aan de verwerende partij bekend was op het moment van “de beslissing tot intentie” – en gaat louter uit van foutief gedrag van verzoeker, met daarbij verregaande uitlatingen over de professionaliteit van verzoeker (nochtans een bedrijfsrevisor met 33 jaar ervaring) zonder verzoeker hierover voorafgaandelijk te hebben gehoord. Gezien de inhoud van de “beslissing tot intentie” is er een duidelijke vooringenomenheid en minstens een definitieve uitspraak over tal van aspecten van de zaak alvorens verzoeker werd gehoord. Er is in de “beslissing tot intentie” een oordeel over de zaak die vertrekt vanuit de optiek dat het algemeen belang verregaand geschaad is en dat de verwerende partij als orgaan van actief bestuur dit algemeen belang dient door verzoeker te veroordelen. Wanneer dergelijk standpunt uitdrukkelijk schriftelijk wordt ingenomen, kan niet redelijk worden verwacht dat hier nog op teruggekomen wordt, temeer gelet op het herhaald karakter van dit standpunt als verdediger van een algemeen belang. 5. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker op de door de verwerende partij in de memorie van antwoord aangevoerde exceptie wegens gebrek aan belang bij het middel (zie infra punt 10). Vervolgens herhaalt verzoeker in de memorie van wederantwoord, wat de gegrondheid van het eerste middel betreft, hetgeen hij eerder in het verzoekschrift heeft uiteengezet. Hij stelt voorts dat het standpunt van de verwerende partij niet kan worden gevolgd waar deze beweert dat voor elke XIV-39.314 -9/25 maatregel afzonderlijk moet worden onderzocht of de hoorplicht geldt. De verwerende partij heeft hierover echter reeds uitspraak gedaan: pro forma werd verzoeker immers uitgenodigd om een standpunt kenbaar te maken over elke maatregel die werd genomen. Als in een oproepingsbrief al wordt gesteld dat het algemeen belang verregaand is geschaad en dat de verwerende partij dit belang moet dienen door verzoeker te veroordelen, is dit een situatie waarin de beslissingsbevoegde overheid een moreel belang heeft bij de bevestiging van het reeds ingenomen standpunt. Een hoorzitting (of schriftelijk verweer) heeft dan geen nut meer. Verzoeker gaat niet voorbij aan de finaliteit van de hoorplicht maar maakt er toepassing van: het horen komt eerst, het beslissen erna. De oproeping voor de hoorzitting toont aan dat de beslissing al was genomen. De inhoudelijke bespreking van de uitlatingen in de oproepingsbrief zijn niet meer dan een poging om de duidelijke bewoordingen van de oproepingsbrief te ontkennen. Het standpunt van de verwerende partij betreffende het onpartijdigheidsbeginsel houdt in dat een administratieve overheid vooringenomen mag zijn bij het voorbereiden van een beslissing, wat het algemeen rechtsbeginsel buitenspel zou zetten, zelfs bij beslissingen die de belangen van een bestuurde verregaand aantasten. Dit is evident niet de inhoud/bedoeling van een beginsel van behoorlijk bestuur, dat een rechtsregel is die tot vernietiging kan leiden. Verzoeker stelt nog dat het niet de structuur van de verwerende partij is die maakt dat toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel zou beletten dat legitieme maatregelen genomen worden. Het is de concrete gedraging van de verwerende partij in dit dossier die een schending van het onpartijdigheidsbeginsel oplevert en de rechtsgeldigheid van de maatregelen aantast. Er is geen beletsel dat verzoeker eerst wordt gehoord vooraleer definitieve standpunten worden ingenomen. De door de verwerende partij aangehaalde arresten hebben betrekking op situaties waarin een voorafgaand onderzoek wordt gevoerd door een onderzoeker en hierover een verslag wordt opgesteld, die vervolgens door het beslissingsorgaan worden beoordeeld. Te dezen echter heeft het beslissingsorgaan zelf al definitieve standpunten ingenomen tijdens het onderzoek. In het verzoekschrift wordt aangetoond dat hetzelfde orgaan dat de beslissing neemt, zichzelf al vooraf aan de te nemen beslissing heeft geëngageerd om een bepaald standpunt in te nemen. Dit is, aldus verzoeker, een subjectieve partijdigheid. Stellen dat vooringenomenheid niet blijkt uit de XIV-39.314 -10/25 oproepingsbrief is een negatie van de expliciete bewoordingen ervan, wat in het verzoekschrift is geïllustreerd. 6. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker dat de bestreden beslissing is genomen met schending van de hoorplicht en het onpartijdigheidsbeginsel omdat zij is gesteund op de in de “beslissing tot intentie” onvoorwaardelijk omschreven “feiten” die de basis vormen voor de bestreden beslissing en die enkel kan steunen op de juistheid van deze “feiten”. Bovendien wordt er ook nog eens een onvoorwaardelijk waardeoordeel gekoppeld aan de onvoorwaardelijk vastgestelde inbreuken. Een loutere stijlformule in de uitnodiging dat het hier gaat om een beoordeling “op het eerste zicht” neemt niet weg dat deze beoordeling reeds gemaakt is. Het gaat niet om de objectieve weergave van gebeurtenissen. Beoordeling A. Vooraf: relevant wetgevend kader 7. Naar luid van artikel 32, eerste lid, van de wet van 7 december 2016 wordt een College van toezicht op de bedrijfsrevisoren opgericht, een autonome instelling met rechtspersoonlijkheid, met als opdracht toe te zien op de naleving van de bepalingen van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader, en de toepassing ervan te controleren. Krachtens het laatste lid van artikel 32 onderwerpt het College de bedrijfsrevisoren aan een kwaliteitscontrole, neemt het de besluiten van de kwaliteitscontroles aan, is het belast met het toezicht, neemt het de in artikel 57 bedoelde maatregelen en beslist het om de zaak bij de sanctiecommissie (van het FSMA) aanhangig te maken. Het College is samengesteld uit een Comité en een secretaris-generaal (artikel 34 van diezelfde wet). XIV-39.314 -11/25 8. De kwaliteitscontrole, het toezicht, de bevoegdheden en de maatregelen worden nader geregeld in de artikelen 52 tot 60 van de wet van 7 december 2016. In het kader van deze controle- en sanctieprocedure zijn meerdere stappen te onderscheiden. Krachtens artikel 56 van de wet van 7 december 2016 kan de secretaris-generaal, wanneer hij bij de uitoefening van zijn functie ernstige aanwijzingen vaststelt van het bestaan van een praktijk die aanleiding kan geven tot het opleggen van een administratieve maatregel of een administratieve geldboete als bedoeld in artikel 59, het dossier onderzoeken en daarover verslag uitbrengen bij het Comité van het CTB (artikel 56, §§ 1, 1/1 en 1/2). Het Comité van het CTB beslist over het gevolg dat het aan het verslag van de secretaris-generaal geeft (artikel 56, § 2). Wanneer het CTB beslist om, met toepassing van artikel 56, § 2, een procedure in te stellen die tot het opleggen van een administratieve maatregel of een administratieve boete kan leiden, stelt het de betrokken personen in kennis van de grieven en legt hen het verslag van de secretaris-generaal over (zie supra punt 3.8). Het CTB maakt de kennisgeving van de grieven ook over aan de voorzitter van de sanctiecommissie (van de FSMA) (artikel 58 van de wet van 7 december 2016) dat het bevoegde orgaan is voor het opleggen van administratieve maatregelen en geldboetes bedoeld in artikel 59 van de wet van 7 december 2016 bij een inbreuk op de toepasselijke wettelijke, reglementaire en normatieve bepalingen (artikel 59 van de wet van 7 december 2016). 9. Evenwel, en zonder afbreuk te doen aan de artikelen 58 en 59 van de wet van 7 december 2016, voorziet het te dezen met de bestreden beslissing (zie supra punt 3.10) toegepaste artikel 57 van die wet in de mogelijkheid voor (het comité van) het CTB om een bedrijfsrevisor (
  12. i)een termijn op te leggen waarbinnen deze zich dient te conformeren aan sommige bepalingen van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader, en dient af te zien van herhaling van die gedraging (artikel 57, § 1, eerste lid). Bovendien kan het CTB (
  13. ii)in geval XIV-39.314 -12/25 van hoogdringendheid, voor deze termijn, de uitoefening van de volledige of van een deel van de activiteit door de bedrijfsrevisor verbieden en de inschrijving in het register schorsen (artikel 57, § 1, tweede lid). Als de betrokken persoon vervolgens, dit is bij afloop van de hem opgelegde termijn, in gebreke blijft, kan het College – zoals aan verzoeker met de “beslissing tot intentie” van 27 oktober 2023 is meegedeeld (cfr. supra punt 3.11) –, na hem te hebben gehoord of ten minste behoorlijk te hebben opgeroepen, (onder meer) de betaling van een dwangsom opleggen die, noch meer mag bedragen dan 50.000 euro per kalenderdag waarop de aanmaning niet wordt nageleefd, noch in totaal 2.500.000 euro mag overschrijden (artikel 57, § 1, derde lid, 2°). B. Exceptie wegens gebrek aan belang bij het middel Uiteenzetting van de exceptie 10. In de memorie van antwoord voert de verwerende partij aan – en zij volhardt in haar laatste memorie – dat verzoeker het vereiste belang bij het middel ontbeert en dat het derhalve niet-ontvankelijk is. Zij voert daartoe drie redenen aan. Zij meent, ten eerste, dat het middel is gericht tegen de “beslissing tot intentie” van 7 september 2023 terwijl het voorliggende beroep daarentegen is gericht tegen de bestreden beslissing van 5 oktober 2023 waarbij de maatregelen worden opgelegd. De “beslissing tot intentie” van 7 september 2023 is slechts een voorbereidende handeling en wijzigt de rechtstoestand van verzoeker niet. Een eventuele schending van de hoorplicht en het onpartijdigheidsbeginsel kan slechts worden beoordeeld ten aanzien van de bestreden beslissing die wel direct grievend is. Ten tweede wijst de verwerende partij op het feit dat verzoeker wel degelijk de gelegenheid heeft gehad om te worden gehoord vooraleer de XIV-39.314 -13/25 bestreden beslissing werd genomen doch deze gelegenheid niet te baat heeft genomen. Volgens artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State leidt een onregelmatigheid slechts tot nietigverklaring als deze de draagwijdte van de beslissing beïnvloedt, de betrokkenen een waarborg ontneemt of de bevoegdheid van de steller van de handeling beïnvloedt. Aangezien verzoeker zijn standpunt niet kenbaar heeft gemaakt tijdens de administratieve fase, kan hij nu moeilijk een schending van die rechten aanvoeren. De verwerende partij wijst op eerdere rechtspraak waarin is gesteld dat wie nalaat zijn rechten te doen gelden tijdens de administratieve fase, later moeilijk een schending van die rechten kan aanvoeren voor de Raad van State, wat aansluit bij het vereiste van een loyale procesvoering, waarbij het tijdig aanvoeren van bezwaren essentieel is voor een correcte procedure. Doordat verzoeker geen bezwaren heeft aangevoerd tijdens de interne beroepsprocedure, heeft het bestuur geen rekening kunnen houden met mogelijke onwettigheden in de besluitvorming. Dit nalaten kan niet in het nadeel van het bestuur worden uitgelegd. Bovendien heeft verzoeker geen concrete aanwijzingen gegeven dat hem een waarborg is ontnomen. Ten slotte merkt de verwerende partij op dat verzoeker de feitelijke vaststellingen en inbreuken, zoals vermeld in de bestreden beslissing niet betwist. Verzoeker formuleert geen argumenten of bewijzen die aannemelijk maken dat de bestreden beslissing op onjuiste motieven steunt, zodat de vraag rijst welk belang verzoeker nastreeft met de opgeworpen schendingen, aangezien hij niet aannemelijk maakt dat de – per hypothese aangenomen – gegrondheid daarvan de strekking van de bestreden beslissing zou beïnvloeden. Beoordeling 11. Vooreerst, en anders dan de verwerende partij dat ziet, staat niets er aan in de weg dat een rechtszoekende de onwettigheden of onrechtmatigheden die volgens hem aan een voorbereidende rechtshandeling kleven op ontvankelijke wijze inroept tegen de eindbeslissing in het kader van een complexe rechtshandeling zoals de voorliggende. De zogenaamde “beslissing tot intentie” van 7 september 2023 waarbij de verwerende partij, alvorens een beslissing met XIV-39.314 -14/25 rechtsgevolg jegens de betrokkene te nemen, hem er met het oog op de uitoefening van het hoorrecht krachtens de wet kennis van moet geven dat het bestuur zich voorneemt om de in die kennisgeving aangekondigde maatregelen op te leggen, is niet meer dan een voorbereidende handeling. Overigens keert verzoeker zich niet zozeer tegen de onwettigheid van de “beslissing tot intentie” maar leidt hij daaruit een vooringenomenheid af waardoor de uitoefening van het hoorrecht zinloos wordt. Het is dan de bestreden beslissing die door die vooringenomenheid is aangetast. In de mate de verwerende partij met de opgeworpen exceptie nog beoogt te stellen dat een verzoeker verplicht zou zijn om reeds tijdens de administratieve procedure de onwettigheden te identificeren en op te werpen waarmee een voorbereidende handeling en, vervolgens, de te nemen beslissing zou zijn behept, te dezen omdat uit de “beslissing tot intentie” zou blijken dat de tot beslissen bevoegde overheid reeds standpunt heeft ingenomen op zodanige wijze dat daardoor een onbevangen (eind)beslissing niet meer mogelijk is, wordt zij evenmin bijgevallen. Geen algemene rechtsregel schrijft voor dat de Raad van State in het kader van beroepen tot nietigverklaring of vorderingen tot schorsing enkel kennis mag nemen van grieven of middelen die reeds tijdens de administratieve procedure door de betrokkene zijn opgeworpen. Evenmin bestaat er een specifieke bepaling die verzoeker uitdrukkelijk ertoe zou verplichten, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de latere rechtsgang, bepaalde middelen voor te dragen in de loop van het georganiseerd administratief beroep. Een dergelijke door de verwerende partij nagestreefde voorafgaande melding- c.q. attentieplicht kan niet verantwoorden dat het feit dat een overheid een onwettigheid begaat, minder verregaande gevolgen heeft dan het feit dat de rechtzoekende dit niet onmiddellijk heeft opgemerkt. In dat verband dient eraan te worden herinnerd dat het uitgangspunt moet zijn dat een overheid die zoals het CTB – zolang de opgedragen herstelmaatregelen door verzoeker niet zijn uitgevoerd –, bij wijze van een schorsingsmaatregel, een (tijdelijk) beroepsverbod oplegt, de fundamentele plicht heeft om wettige beslissingen te nemen. Deze zorgvuldigheidsplicht en plicht tot rechtmatig optreden die op het CTB rust, kan niet in de praktijk worden omgezet naar een zorgvuldigheidsplicht van de rechtszoekende (vgl. GwH 11 april XIV-39.314 -15/25 2023, nr. 59/2023, punt B 17.2, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.059). In dat kader kan aldus van verzoeker niet worden vereist dat hij reeds tijdens de administratieve fase, waarbij dergelijke ingrijpende maatregelen in het vooruitzicht worden gesteld, expliciet voorbehoud maakt betreffende de wettigheid van een te nemen maatregel “omdat de overheid, alvorens de bestreden beslissing te nemen, beweerdelijk al een definitief standpunt zou hebben ingenomen, waarop ze niet zonder gezichtsverlies zou kunnen terugkomen en waardoor elk horen nutteloos zou zijn geworden”. Het kan er in ieder geval niet toe leiden dat zijn toegang tot de rechter wordt gefnuikt doordat verzoeker dat middel niet ter beoordeling aan de wettigheidsrechter zou mogen voorleggen. In de mate de verwerende partij nog stelt dat wie nalaat zijn rechten te doen gelden tijdens de administratieve fase, later moeilijk een schending van die rechten kan aanvoeren voor de Raad van State, wat “aan[sluit] bij het principe van loyale procesvoering”, gaat zij eraan voorbij dat wie zich beroept op misbruik van recht of kwade trouw (deloyale procesvoering) daarvan het bewijs aan de hand van concrete gegevens dient te leveren. Aan die bewijslast is niet voldaan door aan te voeren dat de rechtszoekende tijdens de administratieve fase “de keuze heeft gemaakt om de mogelijkheid om te worden gehoord, niet te grijpen”. Tot slot, kan uit het gebrek aan betwisting door verzoeker van de vaststellingen en inbreuken in de bestreden beslissing niet zonder meer worden afgeleid dat verzoeker geen belang heeft bij het aangevoerde middel. Verzoeker steunt zich in wezen op een (vermeende) vooringenomenheid die van die aard is dat volgens hem de uitoefening van zijn hoorrecht geheel inhoudsloos wordt, en die hem verhinderde om zich op nuttige wijze te verdedigen, wat volstaat om zijn belang bij het aangevoerde middel te ondersteunen. 12. De exceptie wordt verworpen. C. Gegrondheid van het eerste middel 13. De hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur houdt, bij afwezigheid van een uitdrukkelijke regeling ter zake, in dat het bestuur XIV-39.314 -16/25 tegen niemand een maatregel kan nemen die van aard is om de belangen van de betrokkene ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt daarover op een nuttige wijze ter kennis te brengen van het bestuur. Het doel van de hoorplicht is erin gelegen, enerzijds, de belangen van de bestuurde te bewaken door hem de mogelijkheid te bieden zijn opmerkingen te laten kennen en aldus een voor hem ongunstige beslissing te vermijden, en, anderzijds, te vermijden dat het bestuur een onzorgvuldige beslissing zou nemen omdat het niet beschikt over een volledige kennis van zaken. Aan het beginsel van de hoorplicht is voldaan wanneer de betrokkene alle nuttige elementen kan laten gelden. De hoorplicht reikt dan weer niet zo ver dat verzoeker ook nog mondeling zijn opmerkingen met betrekking tot de zaak moet kunnen toelichten. Opdat een belanghebbende zoals verzoeker op nuttige wijze zijn standpunt naar voor kan brengen, moeten evenwel een reeks modaliteiten zijn vervuld. Zo zal het bestuur niet alleen de betrokkene behoorlijk moeten uitnodigen om zijn standpunt kenbaar te maken doch ook, meer in het bijzonder, hem op voorhand de verwijtbare feiten precies meedelen, alsook de maatregel(
  14. en)die het bestuur van plan is te nemen en de juridische grondslag waarop deze maatregelen steunen. Het tijdstip waarop de betrokkene wordt gehoord, moet worden meegedeeld, of, zoals te dezen, de wijze waarop dit horen schriftelijk kan gebeuren, waarbij het bestuur een redelijke termijn moet laten, zodat de betrokkene in staat wordt gesteld zijn verweer behoorlijk voor te bereiden én nuttig, met kennis van zaken, te voeren. 14. Het onpartijdigheidsbeginsel, zoals van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid (van de leden) van de bestuurlijke organen die mee een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die leden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen. XIV-39.314 -17/25 Te dezen stelt verzoeker dat het niet de structuur van de verwerende partij is die maakt dat toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel zou beletten dat legitieme maatregelen worden genomen. Het is de concrete gedraging van de verwerende partij in dit dossier die volgens verzoeker een schending van het onpartijdigheidsbeginsel oplevert en de rechtsgeldigheid van de maatregelen aantast. Hij verwijt de CTB namelijk zelf al definitieve standpunten te hebben ingenomen. Volgens verzoeker wordt in het verzoekschrift aangetoond dat hetzelfde orgaan dat de beslissing neemt, zichzelf al vooraf aan de te nemen beslissing heeft geëngageerd om een bepaald standpunt in te nemen. Dit is een subjectieve partijdigheid: stellen dat vooringenomenheid niet blijkt uit de oproepingsbrief is volgens hem een negatie van de expliciete bewoordingen ervan. Het door verzoeker geschonden geachte subjectieve of persoonlijke onpartijdigheidsbeginsel (van de leden) van bestuurlijke organen houdt in dat deze zich moeten onthouden van deelname aan het besluitvormingsproces in de administratieve procedure indien zij een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben bij de zaak. Dit kan ook een moreel belang zijn, onder meer wanneer de administratieve overheid reeds een duidelijk standpunt heeft ingenomen en niet zonder gezichtsverlies op dat standpunt zou kunnen terugkomen. Subjectieve of persoonlijke partijdigheid wordt evenwel niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen. Het komt aan verzoeker toe de daadwerkelijke vooringenomenheid van de overheid in de voorliggende administratieve procedure aan te tonen. Een loutere subjectieve indruk van partijdigheid volstaat niet om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken. Bij de beoordeling of er verifieerbare gegevens zijn die ten minste een schijn van verdenking kunnen wettigen ten aanzien van (de leden van) het CTB, moet weliswaar de optiek van de rechtzoekende in aanmerking worden genomen, maar speelt ze geen doorslaggevende rol. Doorslaggevend is of de beweerde vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid als objectief verantwoord kan worden beschouwd. Om de aangevoerde schending van het XIV-39.314 -18/25 onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken, volstaat bijgevolg geen louter subjectieve indruk van verzoeker, maar moet hij die indruk objectief kunnen rechtvaardigen, rekening houdend met de concrete elementen van de zaak. 15. Verzoeker neemt in het verzoekschrift allerlei passages op uit de “beslissing tot intentie” van 7 september 2023 om de subjectieve partijdigheid van het CTB aan te tonen. Hij wijst erop dat de bewoordingen in deze “beslissing tot intentie” “onvoorwaardelijk” zijn geformuleerd waardoor volgens verzoeker de inbreuken en de vooropgestelde maatregelen reeds definitief zijn vastgesteld en de uitoefening van het hoorrecht nutteloos werd, reden waarom hij er, hoewel hem de mogelijkheid werd geboden, geen gebruik van heeft gemaakt. In zijn ogen kon het CTB op 5 oktober 2023 omwille van het eerder in die “beslissing tot intentie” ingenomen standpunt niet langer onpartijdig, onbevangen en zonder vooringenomenheid beslissen. Verzoeker ontkent niet dat hij van die “beslissing tot intentie” kennis heeft genomen, alsook van de mogelijkheid die hem daarbij is geboden om hierover zijn standpunt in te nemen, maar hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Uit de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur volgt, zoals hiervoor is uiteengezet, dat op voorhand de verwijtbare feiten alsook de te nemen maatregelen en verantwoording met een vereiste graad van precisie moeten worden aangeduid. Te dezen hollen de duidelijke bewoordingen in de “beslissing tot intentie” het hoorrecht van verzoeker niet uit, maar laten hem integendeel toe om op concrete wijze zijn bezwaren kenbaar te maken. De beweerdelijk “onvoorwaardelijke” bewoordingen volstaan bijgevolg niet om de vooringenomenheid van het beslissingsorgaan aan te tonen, temeer in de “beslissing tot intentie” een intentie tot het opleggen van maatregelen binnen welbepaalde termijnen wordt aangekondigd, die omwille van de hoogdringendheid met een schorsing van de beroepsactiviteit gepaard gaan. Bovendien wordt in de “beslissing tot intentie” wel degelijk voorbehoud gemaakt bij de inbreuken en wacht het CTB de opmerkingen van XIV-39.314 -19/25 verzoeker af. Zo wordt erin gesteld dat het CTB “op basis van de voormelde elementen, op het eerste gezicht en onder het uitdrukkelijk voorbehoud van de kennisneming van uw standpunt en zienswijze, [meent] te kunnen vaststellen dat u mogelijks de volgende bepalingen van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader schendt […]” en dat het “[CTB] oordeelt in de huidige stand van zaken, die enkel op het eerste gezicht zijn vastgesteld, en dit onder het voorbehoud van de kennisneming van uw standpunt en zienswijze ter zake, dat de goede, professionele en betrouwbare uitvoering van de revisorale werkzaamheden en de vereiste onafhankelijkheid van een bedrijfsrevisor in het gedrang zijn […]” en, nog, dat “[a]an het eind van deze termijn het [CTB] op basis van alle elementen in het dossier een definitieve beslissing [zal] nemen over de inbreuken en de voormelde voorgenomen maatregelen.” Daarnaast vermeldt de verwerende partij in de bestreden beslissing ook het stilzwijgen van verzoeker waar deze vaststelt dat het CTB “de betrokkene de mogelijkheid heeft geboden om zijn standpunt omtrent de op dat ogenblik gekende feiten, de voorgenomen maatregelen en de voorgenomen motivering mee te delen. De betrokkene reageerde niet, zodat het [CTB] enkel kan vaststellen dat er geen reden is om anders te oordelen over de vastgestelde feiten, de maatregelen en de verantwoording hiertoe, dan zoals voorgenomen. Het [CTB] heeft intussen evenmin kennis gekregen van nieuwe elementen die hem ertoe zouden aanzetten de voorgenomen maatregelen niet op te leggen of de voorgenomen motivering te nuanceren”. Hieruit blijkt de bereidheid in hoofde van het CTB om zijn standpunt in het licht van de opmerkingen die verzoeker zou bezorgen, te heroverwegen. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker er niet in slaagt de vooringenomenheid van het beslissingsorgaan, noch de uitholling van het hoorrecht aan te tonen. 16. Het eerste middel is ongegrond. XIV-39.314 -20/25 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 17. Verzoeker roept een schending in van artikel 57, § 1, tweede lid, van de wet van 7 december 2016. Hij vat het middel samen als volgt: “De hoogdringendheid die is vereist voor een verbod op het uitoefenen van alle activiteiten en een schorsing van de inschrijving in het register, is niet aanwezig en wordt ontkracht door de eigen gedragingen van de verwerende partij.” Verzoeker licht toe, wat hij in de memorie van wederantwoord en in zijn laatste memorie herhaalt, dat uit artikel 57 § 1, tweede lid, van de wet van 7 december 2016 volgt dat het CTB in geval van hoogdringendheid de uitoefening van de activiteit door de bedrijfsrevisor kan verbieden en de inschrijving in het register kan schorsen. Op vrijdag 27 januari 2023 vond een inspectie plaats. Het Comité van het CTB beraadslaagde op 12 mei 2023, 15 mei 2023, 2 juni 2023 en 7 september 2023 over het dossier. Op 12 mei 2023 werd een “aangifte van mogelijke misdrijven” gedaan op basis van een “voorontwerp van voorlopig onderzoeksverslag”. Op 15 mei 2023 werd besloten om de intentie tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen ter bescherming van het algemeen belang ter kennis te brengen aan de bedrijfsrevisor. Op 30 augustus 2023 vond een huiszoeking plaats. Op 7 september 2023 werd verzoeker uitgenodigd om zijn standpunt kenbaar te maken vóór 29 september 2023. Op 5 oktober 2023 werd bij hoogdringendheid een verbod op het uitoefenen van alle activiteiten en een schorsing van de inschrijving in het register opgelegd. Dit tijdsverloop is volgens verzoeker niet in overeenstemming te brengen met enige hoogdringendheid, waardoor de basisvoorwaarde voor het opleggen van dergelijke maatregelen niet is vervuld. Aangezien het gaat om een zeer publieke maatregel behoudt verzoeker belang bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing en bij het middel. XIV-39.314 -21/25 Beoordeling 18. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen: “1. Artikel 57, § 1, Wet 7 december 2016 luidt als volgt: Onverminderd de overige maatregelen bepaald door de wet, kan het College elke persoon als bedoeld in artikel 54, § 1, derde lid, een termijn opleggen waarbinnen deze zich dient te conformeren aan sommige bepalingen van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader, en dient af te zien van herhaling van die gedraging. In geval van hoogdringendheid kan het College, voor deze termijn, de uitoefening van de volledige of van een deel van de activiteit door de bedrijfsrevisor verbieden en de inschrijving in het register schorsen. Als de betrokken persoon in gebreke blijft bij afloop van de hem opgelegde termijn, kan het College, na hem te hebben gehoord of ten minste behoorlijk te hebben opgeroepen, 1° zijn standpunt met betrekking tot de krachtens het eerste lid gedane vaststellingen bekendmaken; 2° de betaling van een dwangsom opleggen die, noch meer mag bedragen dan 50.000 euro, per kalenderdag waarop de aanmaning niet wordt nageleefd, noch in totaal 2.500.000 euro mag overschrijden, of 3° de bedrijfsrevisor gelasten zich voorlopig te onthouden van iedere beroepsmatige dienstverlening of van bepaalde dienstverlening. Die maatregel is van toepassing gedurende de door het College bepaalde periode. Hij houdt van rechtswege op uitwerking te hebben als de sanctiecommissie niet binnen zes maanden na het opleggen van deze maatregel is geadieerd met aanwijzingen, feiten of tenlasteleggingen die de maatregel rechtvaardigen. Zijn effecten houden eveneens van rechtswege op wanneer de beslissing van de sanctiecommissie inzake deze aanwijzingen, feiten of tenlasteleggingen in kracht van gewijsde is gegaan. 2. Artikel 57, § 1, eerste lid, Wet 7 december 2016 legt een hersteltermijn op die de betrokkene toelaat om zich te conformeren aan de toepasselijke bepalingen. Na afloop van de hersteltermijn kan het College indien blijkt dat de betrokken persoon in gebreke blijft, conform artikel 57, § 1, derde lid, 3°, Wet 7 december 2016 beslissen dat de bedrijfsrevisor zich voorlopig dient te onthouden van iedere beroepsmatige dienstverlening. Artikel 57, § 1, tweede lid, Wet 7 december 2016 bepaalt dat samen met het opleggen van de hersteltermijn het College reeds een schorsing van de beroepsactiviteiten kan opleggen. Hiervoor is vereist dat er van hoogdringendheid sprake is. Er dient dus een onmiddellijke en ernstige noodzaak te bestaan om in te grijpen, vanwege de potentiële risico's of schade die kunnen voortvloeien uit het voortzetten van de activiteiten door de bedrijfsrevisor zonder correctie of sanctie. Dit impliceert dat het College niet kan wachten met handelen tot de normale procedures en termijnen zijn doorlopen. De hoogdringendheid dient te worden beoordeeld op het ogenblik dat een hersteltermijn wordt opgelegd. De vraag die daarbij voorligt, is of eerst de hersteltermijn dient te worden afgewacht om een schorsing van de beroepsactiviteiten te bevelen. 3. De verzoekende partij kijkt voor de beoordeling van de hoogdringendheid louter naar het tijdsverloop tussen de inspectie die plaatsvond op 27 januari 2023 en de datum van het bestreden besluit, zijnde 5 oktober 2023. XIV-39.314 -22/25 Zoals zonet is gesteld, dient de hoogdringendheid in wezen te worden beoordeeld vanaf het moment dat de hersteltermijn wordt opgelegd, en – bijgevolg – niet vanaf de kennisname van de tekortkomingen bij de inspectie. Het aangeklaagde tijdsverloop, noch het besluit op 2 juni 2023 om de kennisgeving van de maatregel uit te stellen gelet op het lopende gerechtelijk onderzoek,[…] wat een aanvaardbare reden is, weerleggen op zich de hoogdringendheid. Dit volstaat reeds om het middel als ongegrond te verwerpen. 4. Bijkomend, de beoordeling van de hoogdringendheid houdt een appreciatiemarge in voor de verwerende partij. Als wettigheidsrechter is de Raad van State op grond van artikel 14, § 1, van de op 12 januari 1973 ‘gecoördineerde wetten op de Raad van State’ enkel bevoegd om, binnen de grenzen van het hem ontvankelijk voorgelegde geschil, een onwettig gebleken administratieve handeling te vernietigen. Hij is geen rechter die in hoger beroep kennis neemt van de betwisting die de verzoekende partij heeft met het bestuur en die een eigen beslissing in de plaats kan stellen.[…] De Raad van State is bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de verwerende partij is uitgegaan van werkelijk bestaande en relevante feitelijke gegevens die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, of hij die correct en met een zorgvuldige afweging van alle in het geding betrokken belangen heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. […] 5. Het bestreden besluit bevat de volgende verantwoording voor de hoogdringendheid: Maatregel tot de schorsing van alle professionele activiteiten Er is tevens sprake van een hoogdringendheid (in de zin van art. 57, § 1, tweede lid van de wet van 7 december 2016), die specifiek gericht is op de beroepsuitoefening van de bedrijfsrevisor. Het vormt een maatschappelijk urgent risico dat u uw activiteiten als bedrijfsrevisor zou voortzetten, zolang niet is gebleken dat u zich niet hebt geconformeerd aan de essentiële basisvereisten van het beroep van bedrijfsrevisor en zijn organisatie. Een verbod om alle activiteiten uit te oefenen en een schorsing van uw inschrijving in het register lijken dan ook niet enkel wegens hoogdringendheid verantwoord, maar zelfs absoluut noodzakelijk gedurende de termijn van zes maanden. De schorsingsperiode die wordt verbonden aan de termijn van zes maanden staat naar oordeel van het Comité van het College in redelijke verhouding ten opzichte van de termijn waarop de vaststellingen betrekking hebben. Gegeven dat minstens voor één van de tekortkomingen een termijn van zes maanden wordt opgelegd, ligt het in de reden om de schorsingstermijn daarop af te stellen. Het Comité is van oordeel dat het repetitief karakter van de niet-toepassing van het toepasselijke wetgevend en reglementair kader bij de uitvoering van de revisorale opdrachten zeer ernstig is, waarbij tevens moet worden rekening gehouden met de vaststelling dat ook andere maatregelen worden opgelegd die eveneens de nodige tijd in beslag zullen nemen en eveneens zeer ernstig zijn. Het Comité moet erop toezien dat een bedrijfsrevisor geen revisorale opdrachten meer kan uitvoeren wanneer deze geen blijk geeft van afdoende vakbekwaamheid om alle revisorale opdrachten op kwalitatieve wijze uit te voeren en overeenkomstig de toepasselijke regelgeving zodat de continuïteit en regelmatigheid van zijn controlewerkzaamheden worden gewaarborgd. De verslagen van een bedrijfsrevisor dringen zich immers op aan de openbare orde. Naar oordeel van het Comité van het College is de periode van zes maanden in de concrete omstandigheden noodzakelijk voor een bedrijfsrevisor om het hem mogelijk te maken -en hem dus een ernstige kans te geven- om zijn vakbekwaamheid terug op een minimumniveau te brengen om nog enige revisorale opdracht uit te voeren. Om die reden is deze termijn noodzakelijk. XIV-39.314 -23/25 Deze maatregel houdt ook in dat u de titel van bedrijfsrevisor gedurende de voormelde periode niet mag gebruiken of daarop mag alluderen door onder meer, maar zonder daartoe beperkt te zijn, deze te plaatsen onder uw handtekening, op briefhoofdpapier, op sociale media of uw website. Alle revisorale werkzaamheden die een bedrijfsrevisor op basis van de wet van 7 december 2016 kan uitvoeren en de werkzaamheden die een bedrijfsrevisor op basis van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur kan uitvoeren, vallen onder het toepassingsgebied van onderhavige beslissing. Dergelijke werkzaamheden kunnen niet worden uitgeoefend tijdens deze periode, zelfs niet in onderaanneming of enige andere wijze. 6. De verzoeker wijst louter op het tijdsverloop tussen de inspectie en het bestreden besluit, maar betrekt nergens in zijn middel de gegeven verantwoording voor de hoogdringendheid. De verwerende partij stelt dat er sprake is van hoogdringendheid omdat het voortzetten van de activiteiten van de bedrijfsrevisor een maatschappelijk urgent risico vormt zolang niet is aangetoond dat hij voldoet aan de basisvereisten van zijn beroep. Het comité wijst op […] de ernst van het repetitief karakter van de niet-toepassing van de regelgeving bij de uitvoering van de revisorale opdrachten. De periode van zes maanden geeft de bedrijfsrevisor de kans om zijn vakbekwaamheid te herstellen en de continuïteit en regelmatigheid van zijn controlewerkzaamheden te waarborgen.” 19. Verzoeker heeft na de kennisneming van het verslag van het auditoraat, niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren. Het volstaat daartoe immers niet, zoals verzoeker te dezen doet, louter te stellen dat in het auditoraatsverslag ten onrechte niet wordt aanvaard dat de kennisname van de feiten een bestuur dient aan te zetten tot een beoordeling van de hoogdringendheid en ter adstructie daarvan slechts te poneren dat bij de beoordeling van de voorgehouden hoogdringendheid “[h]et tijdsverloop […] relevanter [is] dan de motivering die de verwerende partij alsnog probeert te geven voor de zogenaamde hoogdringendheid”. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. XIV-39.314 -24/25 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.314 -25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.869 Gerelateerde publicatie(
  15. s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.059 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.