← België

Arrest 262872 - Notarissen - 02/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.872 Rolnummer: A. 244105/IX-10624 Zaak: Arrest 262872 - Notarissen - 02/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-10 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-16 05:30 Fiche Arrest nr 262.872 van 2 april 2025 Justitie - Notarissen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 262.872 van 2 april 2025 in de zaak A. 244.105/IX-10.624 In zake: H.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 advocaat Jean-Louis de Chaffoy kantoor houdend te 1602 Sint-Pieters-Leeuw Schaliestraat 18bis tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniels kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 4 februari 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 12 augustus 2024 waarbij aan verzoeker ontslag wordt verleend uit zijn ambt van notaris ter standplaats Lennik “in zoverre dit besluit hem de eretitel van notaris niet toekent”. IX-10.624-1/11 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 12 februari 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en het administratief dossier neergelegd. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 maart
  3. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Daisy Daniels, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker was notaris met standplaats te Lennik. Omdat hij op 13 december 2024 de leeftijdgrens van zeventig jaar bereikt, informeert de FOD Justitie op 8 februari 2024 bij de kamer van notarissen te Vlaams-Brabant en de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde IX-10.624-2/11 “of aan [verzoeker] ontslag verleend kan worden en of hij gemachtigd kan worden tot het voeren van de eretitel van zijn ambt”. 3.
  6. Op 21 februari 2024 verleent de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde “gunstig advies voor het aanvaarden van het ontslag uit zijn ambt, alsook dat hij gemachtigd is tot het voeren van de eretitel van zijn ambt”. 3.
  7. Op 17 mei 2024 verleent de kamer van notarissen te Vlaams- Brabant het volgende advies: “De Kamer van Notarissen heeft geen bezwaar tegen de aanvaarding van het ontslag. Wat de toekenning van de eretitel aan [verzoeker], notaris ter standplaats Lennik betreft, dient volgens de aanbeveling van de Nationale Kamer van Notarissen van 09 maart 2017 zowel het gunstig als het ongunstig advies gemotiveerd te worden. Als algemene regel meldt deze richtlijn dat indien een notaris zijn ambt ‘nauwgezet en eerlijk’ – t.t.z. op een ‘normale’ wijze – vervuld heeft, kleine tekortkomingen of professionele fouten geen beletsel mogen zijn voor het toekennen van een eretitel, tenzij die lichte vergrijpen herhaaldelijk en bijna systematisch plaatsvonden. Het advies moet immers het resultaat zijn van de beoordeling van de loopbaan in globo. Er wordt geconcludeerd dat het negatief advies eerder de uitzondering moet zijn, al was het maar omdat het notarisberoep almaar moeilijker en ingewikkelder wordt. Op basis van de informatie en de stukken in het bezit van de Kamer zijn volgende overwegingen in acht te nemen: In positieve zin: - aanwezig op de verplichte algemene vergaderingen - de vragen van de tuchtrechtelijke overheden werden beantwoord - voldoende bijscholing sinds de verplichting ervan (minstens 40 uur/2 jaar) - stipt de trimestriële staten en jaarrekeningen heeft ingediend In negatieve zin: - ambtsuitoefening met meerdere incidenten - veel klachten tijdens loopbaan, zowel bij de syndici van de Tuchtkamer als bij de Ombudsman van het notariaat - de vragen van de tuchtrechtelijke overheden niet altijd stipt beantwoorden - onnauwkeurig voeren van de boekhouding Er kan dus gesteld worden dat hij zijn ambt op zodanige wijze heeft vervuld, dat de Kamer ongunstig advies geeft voor het verlenen van de eretitel aan [verzoeker], notaris ter standplaats Lennik.” IX-10.624-3/11 3.
  8. Bij koninklijk besluit van 12 augustus 2024, dat in werking treedt op 13 december 2024, wordt aan verzoeker ontslag verleend uit zijn ambt van notaris. Het is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 6 december
  9. In de mate dat het koninklijk besluit van 12 augustus 2024 geen vermeldingen bevat over het verlenen van de eretitel van zijn ambt, leest verzoeker hierin de (impliciete) weigering om aan hem de eretitel van zijn ambt toe te kennen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  10. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn. Dat is, zoals hierna zal blijken, niet het geval. V. Schorsingsvoorwaarden
  11. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting IX-10.624-4/11
  12. Ter staving van de schorsingsvoorwaarde van de spoedeisendheid, verwijst verzoeker naar twee arresten van de Raad van State waaruit hij afleidt dat “de weigering van de eretitel van notaris een dermate direct moreel nadeel schept in hoofde van de betrokkene, dat de uitkomst van de vernietigingsprocedure te lang zou duren om dit nadeel nog voldoende te herstellen”. Hij voegt daaraan toe wat volgt: “De weigering van de titel van erenotaris heeft voor gevolg dat de verzoekende partij onder meer geen enkele taak zal mogen uitoefenen die erenotarissen wel mogen uitoefenen en die resulteren uit het succesvol afsluiten van een lange loopbaan, bv. uitnodigingen voor de algemene vergadering, zetelen in de stagecommissie (art. 37, § 3 Notariswet), of zetelen in de commissie van toezicht op de boekhouding (art. 10 KB van 10 januari 2002 [betreffende] het beheer van de door een notaris ontvangen sommen, effecten en geldswaardige papieren aan toonder en betreffende het toezicht op de boekhouding van de notarissen. Bovendien zou de reputatie van de verzoekende partij, gezien het zeer uitzonderlijke karakter van de weigering, bevlekt blijven met een waas van verdenking, louter omdat zijn voormalige associé (die jammer genoeg dezelfde naam draagt) het kantoor bijna ten onder doen gaan had.” Beoordeling
  13. Zoals sub 5 in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”.
  14. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om in haar verzoekschrift op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone IX-10.624-5/11 doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd. Eventueel ter terechtzitting nieuw aangehaalde argumenten kunnen niet in aanmerking worden genomen, aangezien alleen de in het verzoekschrift aangebrachte gegevens de verwerende partij toelaten zich daartegen op de geëigende wijze – in een geschreven procedurestuk – te verweren.
  15. Om de spoedeisendheid aan te tonen, volstaat het niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan de verzoekende partij om aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen. Overigens moet die verzoekende partij zich er rekenschap van geven dat een vordering tot schorsing luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, mag worden ingesteld “op elk moment”. IX-10.624-6/11 10.
  16. Verzoeker citeert vooreerst twee arresten van de Raad van State en leidt daaruit af dat de Raad “reeds meermaals [besliste] dat de weigering van de eretitel van notaris een dermate direct moreel nadeel schept in hoofde van de betrokkene, dat de uitkomst van de vernietigingsprocedure te lang zou duren om dit nadeel nog voldoende te herstellen”. 10.
  17. Verzoeker mag dan wel aanvoeren dat het niet-verlenen van een eretitel hem benadeelt, de vraag blijft of die benadeling rechtvaardigt dat verzoeker een beroep doet op de schorsingsprocedure. De overtuigingskracht van een verzoekschrift op dat vlak volgt evenwel niet uit geciteerde (vermeende) precedenten, maar uit een secure ontleding van de gegevens die aan de zaak eigen zijn. Zoals hiervóór reeds is aangegeven, wordt van verzoeker bijgevolg verwacht dat hij specifieke gegevens bijbrengt die aantonen waarom hij de nadelen waarmee hij zich door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geconfronteerd meent en die hij aan de rechter ter beoordeling voorlegt, niet kan dragen tot aan de uitkomst van zijn beroep tot nietigverklaring. Het louter citeren van arresten beschouwt de Raad van State niet als een op de eigen zaak betrokken uiteenzetting van het nadeel. 11.
  18. Vervolgens zet verzoeker uiteen wat de bestreden beslissing voor hem voor gevolg heeft: hij mag “geen enkele taak […] uitoefenen die erenotarissen wel mogen uitoefenen”, namelijk “uitnodigingen voor de algemene vergadering, zetelen in de stagecommissie […], of zetelen in de commissie van toezicht op de boekhouding”. 11.
  19. Daargelaten dat uit artikel 37, § 3, van de wet van 25 ventôse jaar XI (16 maart 1803) ‘op het notarisambt’ geenszins volgt dat een erenotaris mag zetelen in de stagecommissie – in die bepaling is alleen voorgeschreven dat een erenotaris als ‘coach’ voor een stagiair kan worden aangesteld, “die als IX-10.624-7/11 vertrouwenspersoon optreedt en een brugfunctie heeft tussen stagemeester, stagiair en stagecommissie” – bepaalt verzoeker zich in die mate ertoe slechts een opsomming te geven van wat voor hem de gevolgen van de bestreden beslissing zijn. Wat hij dan weer níét doet, is concreet inzichtelijk maken waarom hij die gevolgen niet kan verdragen tot aan de uitspraak over zijn annulatieberoep. 12.
  20. Dat laatste geldt trouwens ook voor het e-mailbericht van 25 februari 2025 dat verzoeker op 20 maart 2025 aan de Raad van State heeft bezorgd. Daarin bevestigt een directielid van de beroepsaansprakelijkheids- verzekeraar van verzoeker dat hij “premieloos” blijft genieten van een zogenaamde posterioriteitsdekking – dit wil zeggen “de verzekeringsdekking voor de schadegevallen waarvan men pas na [zijn] ambtsbeëindiging kennis zou nemen” – maar dat het niet-verlenen van de eretitel van zijn ambt voor gevolg heeft dat die dekking niet zonder franchise is. 12.
  21. Hiermee voert verzoeker een financieel nadeel aan. 12.
  22. Evenwel volstaat het op zich niet om een financieel nadeel in te roepen, om de behandeling van zijn zaak bij spoedeisendheid te rechtvaardigen. Immers, een financieel verlies kan in beginsel worden hersteld na een eventueel vernietigingsarrest. Uitzonderlijk kan het anders zijn. Dan moet de verzoekende partij wel bijzondere redenen aanvoeren waaruit blijkt dat de financiële gevolgen een zodanige impact hebben op haar persoonlijke toestand, dat zij ze niet kan ondergaan tot aan de uitspraak ten gronde, op het gevaar af dat ze alsdan onomkeerbaar zouden blijken te zijn. Van een verzoekende partij wordt bijgevolg verwacht dat zij de financiële gevolgen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing concreet aantoont én aannemelijk maakt dat ze in beginsel onomkeerbaar zijn. De omvang van een financieel nadeel moet dus, om een gebeurlijke schorsing te kunnen verantwoorden, dermate zijn dat een IX-10.624-8/11 verzoekende partij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Een verzoekende partij kan zich niet ertoe beperken te stellen dat zij dit nadeel lijdt, zonder enig gegeven te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. 12.
  23. Verzoeker preciseert daaromtrent helemaal niets. Hij maakt niet duidelijk om hoeveel schadegevallen het tot op heden gaat waarvoor hij gehouden is de franchise te dragen – in het voormelde e-mailbericht van 25 februari 2025 is sprake van één geval (“Vereffening-verdeling cs [V.V.] dagvaarding [A.M.]”) – noch vermeldt hij het bedrag of het percentage dat deze franchise vertegenwoordigt. Verzoeker laat voorts na ook maar enig inzicht te verschaffen in zijn vermogenstoestand of zijn gezinssituatie. Nog daargelaten dat verzoeker door dit gebrek aan concrete gegevens het voor de Raad van State onmogelijk maakt om de precieze impact van de bestreden beslissing op zijn financiële toestand na te gaan, moet worden vastgesteld dat hij niet eens beweert de financiële gevolgen van de bestreden beslissing niet of moeilijk het hoofd te kunnen bieden. 13.
  24. Tot slot betoogt verzoeker dat zijn “reputatie […], gezien het zeer uitzonderlijke karakter van de weigering, bevlekt [zou] blijven met een waas van verdenking, louter omdat zijn voormalige associé (die jammer genoeg dezelfde naam draagt) het kantoor bijna ten onder doen gaan had”. 13.
  25. Aangenomen wordt dat een dergelijk moreel nadeel of een dergelijke reputatieschade in de regel wordt goedgemaakt door een vernietigingsarrest en dus niet onherstelbaar is. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van de imagoschade op de situatie van de verzoekende partij een zodanige impact heeft dat zij deze niet kan lijden tot de uitspraak ten gronde. IX-10.624-9/11 13.
  26. Verzoeker wijst in dat verband alleen op het “uitzonderlijke karakter van de weigering”. Hoe uitzonderlijk een dergelijke weigering ook mag zijn, verzoeker laat na te verduidelijken waarom bij een vernietigingsarrest de “waas van verdenking” niet zou optrekken en waarom dat in zijn geval niet zou volstaan. 13.
  27. Bovendien relateert verzoeker zélf de “waas van verdenking” eerder aan de handelingen die zijn voormalige associé én naamgenoot heeft gesteld.
  28. Uit wat voorafgaat volgt dat de spoedeisendheid niet genoegzaam is aangetoond. VII. Conclusie
  29. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. IX-10.624-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jurgen Neuts IX-10.624-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.872 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.