← België

Arrest 262875 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.875 Rolnummer: A. 238911/VII-41993 Zaak: Arrest 262875 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-15 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-16 05:31 Fiche Arrest nr 262.875 van 3 april 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 262.875 van 3 april 2025 in de zaak A. 238.911/VII-41.993 In zake : de NV DE MARIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 17 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0626 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 9 maart 2023 in de zaak 2122-RvVb-0543-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 258.280 van 21 december 2023 is het debat heropend en wordt het cassatieberoep voortgezet overeenkomstig de artikelen 12 tot 18 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.993-1/6 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 28 juni 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het cassatieprocedurebesluit. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 februari
  3. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ruben Massoels, die loco advocaat Pieter Jongbloet verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoekende partij baat een handel in bouwmaterialen uit. Zij beschikt over een omgevingsvergunning voor onder meer het stallen van voertuigen, waarin haar volgende bijzondere milieuvoorwaarde wordt opgelegd: “er is geen afwijking aangevraagd van artikel 5.15.0.6, §1 van Vlarem II voor het vertrekken of toekomen van vrachtwagens voor 07 uur. Er is geen afwijking aangevraagd voor het vertrekken of toekomen van vrachtwagens na 19 uur. Rustverstorende werkzaamheden blijven verboden voor 07 uur en na 19 uur.” VII-41.993-2/6 3.
  6. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat weigert op 29 juli 2021 een aanvraag van de verzoekende partij om deze voorwaarde van haar omgevingsvergunning bij te stellen in de zin dat vrachtwagens voortaan zouden mogen toekomen en vertrekken vanaf 4.30 uur op weekdagen en zaterdagen. Het beroep van de verzoekende partij tegen deze weigeringsbeslissing wordt door de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant ongegrond verklaard op 20 januari 2022, en de gevraagde bijstelling wordt geweigerd. 3.
  7. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van de verzoekende partij tegen de deputatiebeslissing. IV. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Standpunt van de verzoekende partij
  8. De verzoekende partij zet uiteen dat artikel 5.15.0.6, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 ‘houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (hierna: Vlarem II) niet van toepassing is op de organisatie van gemotoriseerd verkeer van en naar een onder rubriek 15.1 van de indelingslijst vallende inrichting, zodat dit verkeer zonder afwijking van deze bepaling vóór 7.00 uur ’s morgens kan gebeuren zolang artikel 5.15.0.6, § 2, van Vlarem II wordt gerespecteerd. Zij stelt dat zij niettemin onder druk van de gemeente een aanvraag heeft ingediend om de milieuvoorwaarde bij te stellen die volgens de gemeente het verkeer vóór 07.00 uur zou verbieden, doch daarbij in hoofdorde heeft aangevoerd dat de aanvraag zonder voorwerp is. Haar stelling werd echter in laatste bestuurlijke aanleg verworpen door de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant die oordeelde dat de aanvraag wel een voorwerp heeft, en de gevraagde bijstelling niet verleende. Het bestreden arrest verwerpt vervolgens het VII-41.993-3/6 beroep waarin de verzoekende partij is opgekomen tegen de beoordeling dat haar aanvraag niet zonder voorwerp is. Volgens de verzoekende partij beschikt zij over het vereiste belang bij het cassatieberoep omdat zij, na vernietiging van het bestreden arrest, een arrest kan verkrijgen van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) dat het deputatiebesluit vernietigt, waarna de deputatie kan beslissen dat haar vergunningsaanvraag zonder voorwerp is. Het is de betrachting van de verzoekende partij om te horen zeggen voor recht, minstens een deputatiebesluit te verkrijgen dat zegt, dat artikel 5.15.0.6, § 1, van Vlarem II zich niet verzet tegen gemotoriseerd verkeer van en naar de inrichting van de verzoekende partij dat plaatsvindt vóór 7.00 uur ’s morgens zolang artikel 5.15.0.6, § 2, van Vlarem II wordt gerespecteerd. Beoordeling
  9. De voorwaarde van het belang bij een cassatieberoep bestaat hierin dat de verzoekende partij, na een gebeurlijke vernietiging van de door haar bestreden jurisdictionele beslissing, enig voordeel moet kunnen putten uit een gebeurlijk nieuw onderzoek van de zaak door het administratief rechtscollege. Het nagestreefde voordeel moet wettig zijn.
  10. Het door de verzoekende partij nagestreefde voordeel bestaat er volgens haar eigen uiteenzetting niet in dat de gevraagde bijstelling van de milieuvoorwaarde zou worden verleend, maar enkel dat - met gezag van gewijsde - zou worden gezegd dat haar aanvraag geen voorwerp heeft. In haar beroep bij de RvVb heeft de verzoekende partij overigens geen (ondergeschikte) kritiek gericht tegen de beslissing van de deputatie om de gevraagde bijstelling niet te verlenen. Het nieuwe onderzoek van de RvVb na een vernietigingsarrest van de Raad van State kan bijgevolg voor de VII-41.993-4/6 verzoekende partij enkel nog het voordeel opleveren dat (met gezag van gewijsde) wordt gezegd dat de vergunningsaanvraag geen voorwerp heeft.
  11. Een vaststelling dat de vergunningsaanvraag geen voorwerp heeft, wijzigt niets aan de bestaande vergunningstoestand van de verzoekende partij. De verzoekende partij zou dergelijke vaststelling weliswaar kunnen tegenwerpen in het geval handhavend wordt opgetreden tegen gemotoriseerd verkeer dat plaatsvindt vóór 7.00 uur ’s morgens. Met het voordeel dat de verzoekende partij aldus zou nastreven, wordt het instrument van de omgevingsvergunning echter afgewend van haar doel. Een (bijstelling van een voorwaarde van een) omgevingsvergunning mag niet worden aangevraagd met het enkele doel een gezaghebbende uitspraak te verkrijgen over de draagwijdte van de regels waaraan de aanvrager is onderworpen. De verzoekende partij getuigt aldus niet van een wettig belang bij haar cassatieberoep. BESLISSING
  12. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  13. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. VII-41.993-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.993-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.875 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.280 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.