id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.876 Rolnummer: A. 238540/VII-41938 Zaak: Arrest 262876 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-15 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-16 05:31 Fiche Arrest nr 262.876 van 3 april 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 262.876 van 3 april 2025 in de zaak A. 238.540/VII-41.938 In zake : W.G. (overleden) rechtsgeding hervat door: D.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Inke Dedecker kantoor houdend te 3500 Hasselt Spoorwegstraat 105 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE LIMBURG -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 28 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0438 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 19 januari 2023 in de zaak 2122-RvVb-0268-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 27 maart
- Op 10 oktober 2023 heeft verzoekster een verzoek tot gedinghervatting ingediend. Bij arrest nr. 259.472 van 15 april 2024 wordt de vordering tot tussenkomst van de heer B. als niet verricht beschouwd. VII-41.938-1/15 Verzoekster heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 9 juli 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 februari
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Geertrui De Groote, die loco advocaat Inke Dedecker verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Hervatting van het geding
- Uit het register van de overlijdensakten van de gemeente Lanaken blijkt dat de oorspronkelijke verzoeker op 11 april 2023 is overleden. Met een verzoekschrift van 10 oktober 2023 verklaart verzoekster het geding te hervatten. VII-41.938-2/15 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verzoekster formuleert in haar verzoek tot voortzetting van de procedure een schriftelijke repliek op het verslag van de auditeur. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke repliek in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoekende partij luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit (in de versie vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 21 juli 2023, die nog van toepassing is op deze zaak) vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden toegewezen. Het “verzoek tot voortzetting van de procedure” van verzoekster wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin wordt verzocht om de procedure voort te zetten teneinde te worden gehoord. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. V. Feiten 5.
- De deputatie van de provincieraad van Limburg verleent op 19 juli 2018 aan de oorspronkelijke verzoeker een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van verschillende onderdelen van een kunstcentrum te Lanaken. Volgens één van de voorwaarden mag de ontsluiting van het centrum langs de Van Kerckemstraat enkel gebruikt worden door de werknemers van het centrum en voor ter plaatse producerende kunstenaars, en moeten bezoekers(groepen) het centrum bereiken via een toegang aan de Paalsteenlaan. Tegen deze deputatiebeslissing wordt door de heer B., een omwonende, een beroep ingesteld bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb). VII-41.938-3/15 5.
- Nog vóór de RvVb zich definitief over het beroep heeft uitgesproken, dient de oorspronkelijke verzoeker op 22 april 2021 een aanvraag in om de toegang tot het centrum voor bezoekersgroepen te verplaatsen naar de ontsluiting langs de Van Kerckemstraat. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lanaken verleent hiervoor op 1 juli 2021 een omgevingsvergunning. De heer B. stelt hiertegen bestuurlijk beroep in. Bij beslissing van 28 oktober 2021 verklaart de deputatie van de provincieraad van Limburg het beroep gegrond, en weigert de omgevingsvergunning. 5.
- De RvVb verwerpt op 2 december 2021 het beroep van de heer B. tegen de deputatiebeslissing van 19 juli
- 5.
- De oorspronkelijke verzoeker stelt bij de RvVb een beroep in tegen de deputatiebeslissing van 28 oktober
- De heer B. dient in die procedure een verzoek tot tussenkomst in. Het bestreden arrest verklaart de tussenkomst van de heer B. ontvankelijk, en verwerpt het beroep. VI. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert de schending aan van de artikelen 2, 1°, 53, 2°, en 105, § 2, (gelezen in samenhang met artikel 105, § 4,) van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC).
- Het eerste onderdeel van het middel komt op tegen het oordeel van de RvVb dat de heer B. belang heeft om tussen te komen in de procedure bij de RvVb en dat zijn tussenkomst bijgevolg ontvankelijk is. In het tweede onderdeel van het middel komt verzoekster op tegen het oordeel van de RvVb dat de VII-41.938-4/15 deputatie terecht heeft geoordeeld dat de heer B. belang heeft om bestuurlijk beroep in te dienen tegen de omgevingsvergunning die op 1 juli 2021 in eerste bestuurlijke aanleg werd verleend. Het bestreden arrest motiveert zijn beslissingen hierover als volgt: “
- 1.1 Overeenkomstig artikel 52 juncto 53, 2° Omgevingsvergunningsdecreet kan door het betrokken publiek administratief beroep worden ingesteld bij de deputatie tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg. Op grond van artikel 105, § 2, [eerste lid], 2° van het Omgevingsvergunningsdecreet kan een beroep worden ingesteld door het betrokken publiek. Artikel 105, § 4 van het Omgevingsvergunningsdecreet bepaalt dat elk van de personen die beroep kan instellen bij de [RvVb] kan tussenkomen in een zaak. Het zogenaamd ‘betrokken publiek’ kan dus zowel administratief als gerechtelijk beroep aantekenen. 1.2 In artikel 2, [eerste lid], 1° Omgevingsvergunningsdecreet wordt ‘betrokken publiek’ als volgt gedefinieerd: ‘elke natuurlijke persoon of rechtspersoon alsook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden waarbij niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten, geacht worden belanghebbende te zijn;’ Uit de hiervoor aangehaalde bepaling blijkt dat een derde belanghebbende niet enkel zijn belang kan aantonen
(1)door een omschrijving te geven van gevolgen die kunnen worden ondervonden door de vergunningsbeslissing die bestreden [wordt], maar ook
(2)door het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een vergunningsbeslissing of van de vergunningsvoorwaarden. In de mate dat de verzoekende partij uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt deze naar recht. 2. In de bestreden beslissing wordt de ontvankelijkheid van het beroepschrift als volgt beoordeeld: ‘… Beroepschrift Overwegende dat het ingestelde beroep in hoofdzaak gesteund is op volgende argumenten: VII-41.938-5/15 - de exploitatie zoals deze thans verloopt, is bijzonder hinderlijk voor beroepsindiener; de nadruk ligt vooral op horeca-activiteiten; het beheer van het domein zorgt voor een onleefbare situatie: - de toegangsweg wordt helemaal niet gebruikt zoals in de beslissing van de deputatie van 19 juli 2018 opgelegd; door de aangevraagde wijziging tracht aanvrager de huidige illegale toestand te regulariseren; de exploitatie zoals vergund, met name een laag dynamisch kunstcentrum waarbij er geen permanente horeca-activiteiten aanwezig mogen zijn, is niet mogelijk met de voorwaarden die door de deputatie worden opgelegd m.b.t. de toegangsweg; - de deputatie heeft in de vorige beslissing uitdrukkelijk gesteld dat bij het vorige aanvraagdossier waarover op 1 februari 2010 een vergunning werd verleend, door de aanvrager werd gesteld dat deze erfdienstbaarheid van overgang een privaat karakter -en dus geen openbaar karakter- zou blijven behouden en dat aanvullend verklaard werd dat deze toegang beperkt gebruikt zou worden en dus ook zou afgesloten blijven; - er is geen enkel nieuw element dat verantwoordt dat van de eerder opgelegde voorwaarden zou afgeweken worden; … Beoordeling Overwegende dat in de ‘nota hoorzitting’ door de vergunningsaanvrager het belang van de beroepsindiener wordt betwist en het ingestelde beroep als manifest onontvankelijk wordt afgedaan; dat echter artikel 87 §1, 3° [van het omgevingsvergunningsdecreet] ter zake bepaalt: §1. Het beroepsschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid: … 3° minstens een van de volgende elementen als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
- a)een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
- b)het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van de vergunningsvoorwaarden. dat enerzijds de betreffende uiteenzetting om dit belang te evalueren foutief en misleidend is in de mate dat geïnsinueerd wordt dat de bezoekers thans een toegang nemen langsheen de perceelsgrens met de beroepsindiener; dat deze voorstelling flagrant in strijd is met navolgende voorwaarden van de vergunning d.d. 19 juli 2018, namelijk: - dat de ontsluiting langs de Van Kerckemstraat enkel gebruikt wordt als toegang voor werknemers van het centrum en voor kunstenaars, en bezoekers(groepen) het kunstencentrum bereiken via de perceelstoegang voor de woning van aanvrager aan de Paalsteenlaan […]; VII-41.938-6/15 - de bestaande toegangsweg in klinkers vanaf de Paalsteenlaan […] enkel gebruikt wordt voor de ontsluiting van de conciërge woning; dat anderzijds uit de argumenten van het beroepschrift wel degelijk blijkt dat beroepsindiener een ontegensprekelijk belang heeft bij huidige aanvraag; dat uit het beroepschrift onder meer blijkt dat beroepsindiener in het verleden betrokken partij was bij de dd. 19 juli 2018 verleende vergunning; dat in het beroepschrift gesteld wordt dat de exploitatie zoals deze thans verloopt bijzonder hinderlijk is; dat de toegangsweg helemaal niet gebruikt wordt zoals in de beslissing van de deputatie van 19 juli 2018 opgelegd en dat aanvrager tracht door de aangevraagde wijziging de huidige illegale toestand te regulariseren; dat de exploitatie zoals vergund, met name een laag dynamisch kunstcentrum waarbij er geen permanente horeca-activiteiten aanwezig mogen zijn, niet mogelijk is met de voorwaarden die door de deputatie zijn opgelegd m.b.t. de toegangsweg; dat ook hierin al een omschrijving van de gevolgen ingevolge de bestreden beslissing en het belang van de beroepsindiener wordt aangegeven; dat in ondergeschikte orde wordt opgemerkt dat door vergunningsaanvrager tijdens de hoorzitting werd erkend dat kwestieuze voorwaarde, waarvan de opheffing wordt gevraagd, tot op heden niet wordt nageleefd; …’ Uit deze overwegingen blijkt dat de verwerende partij het aanvaarden van het belang van [de heer B.] relateert aan haar belang ‘bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van de vergunningsvoorwaarden’, zoals bepaald in artikel 87, § 1, 3° van het Omgevingsvergunningsbesluit. De verwerende partij wijst er vooreerst op dat [de heer B.] betrokken partij was bij de vergunningsbeslissing van 19 juli 2018. Het is deze vergunningsbeslissing die het voorwerp uitmaakt van de aanvraag. Zoals blijkt uit de overwegingen uit de bestreden beslissing kwalificeert de verwerende partij (eensluidend met het verslag van de provinciale ambtenaar) de aanvraag immers als een bijstelling van de voorwaarden van de vergunningsbeslissing. Het wordt ook niet betwist dat de aanvraag de opheffing impliceert van één van de voorwaarden van de eerdere vergunningsbeslissing. De verwerende partij verwijst verder naar de stelling van [de heer B.] in [zijn] beroepschrift, met name: - de exploitatie is thans bijzonder hinderlijk voor beroepsindiener; - de toegangsweg wordt helemaal niet gebruikt zoals in de beslissing van de deputatie van 19 juli 2018 opgelegd; door de aangevraagde wijziging tracht aanvrager de huidige illegale toestand te regulariseren; de exploitatie zoals vergund, met name een laag dynamisch kunstcentrum waarbij er geen permanente horeca-activiteiten aanwezig mogen zijn, is niet mogelijk met de VII-41.938-7/15 voorwaarden die door de deputatie zijn opgelegd m.b.t. de toegangsweg; De stelling van [de heer B.] komt er dus op neer dat de toegangsweg langs de Van Kerckemstraat wordt gebruikt om de exploitatie een hogere dynamiek te kunnen geven dan opgelegd in de eerdere vergunningsbeslissing. 3. Het standpunt van de verzoekende partij in het eerste middel is dat [de heer B.] geen nadelige gevolgen kan ondervinden door het verplaatsen van de toegangsweg voor bezoekers omdat de vergunde toegangsweg voor bezoekers dichter bij [zijn] eigendom ligt. Haar stelling komt er dus op neer dat [de heer B.] er geen belang bij heeft om zich te verzetten tegen het verplaatsen van de toegangsweg naar een locatie verder van [zijn] eigendom. Deze stelling lijkt te steunen op de veronderstelling dat bij het beoordelen van het belang van [de heer B.] - zowel in administratief beroep, als in de onderliggende zaak - er enkel kan en moet onderzocht worden of [de heer B.] nadelige gevolgen kan ondervinden door het verplaatsen van de toegangsweg voor bezoekers, waarbij de verzoekende partij het als een evidentie lijkt te beschouwen dat dit niet het geval is aangezien de thans vergunde toegangsweg dichter bij de eigendom van [de heer B.] ligt. Deze stelling spoort niet met het begrip ‘betrokken publiek’ dat ook toelaat om te onderzoeken of een derde kan belang hebben bij de besluitvorming ‘over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van de vergunningsvoorwaarden’. Uit de uiteenzetting (in het administratief beroepschrift en in het inleidend verzoekschrift) van [de heer B.] blijkt voldoende dat het er [hem] om te doen is aan te kaarten dat de toegangsweg voor bezoekers die nu gevraagd wordt, maar feitelijk nu al wordt gebruikt, dient voor een hogere dynamiek dan vergund - waarbij de nadruk ligt op horeca - en die voor [hem] als buur hinderlijk is. 4. De conclusie van het voorgaande is dat de verzoekende partij niet kan gevolgd worden waar zij stelt dat de verwerende partij het belang van [de heer B.] niet correct heeft beoordeeld. Haar standpunt dat [de heer B.] geen belang heeft om beroep in te stellen bij de [RvVb] kan evenmin gevolgd worden.” 8. Verzoekster zet uiteen dat het bestreden arrest op onwettige wijze heeft geoordeeld dat de heer B. behoort tot het “betrokken publiek” in de zin van artikel 2, 1°, van het omgevingsvergunningsdecreet, en als zodanig op ontvankelijke wijze zowel bestuurlijk beroep kan aantekenen tegen de omgevingsvergunning die in eerste bestuurlijke aanleg werd verleend (artikel 53, 2°, van het omgevingsvergunningsdecreet), als kan tussenkomen in het geding dat bij de RvVb wordt gevoerd over het beroep tot nietigverklaring van de in laatste bestuurlijke aanleg genomen beslissing om de vergunning, na bestuurlijk beroep VII-41.938-8/15 van de heer B., te weigeren (artikel 105, § 2, 2°, gelezen in samenhang met artikel 105, § 4, van het omgevingsvergunningsdecreet). Volgens verzoekster moet de heer B. aantonen dat hij nadelige gevolgen ondervindt van de verplaatsing van de toegangsweg voor bezoekers. De heer B. toont dit echter niet aan, en onderneemt daartoe zelfs geen poging. Hij verzet zich enkel tegen het kunstencentrum in zijn geheel. Dat kunstencentrum in zijn geheel werd echter eerder reeds vergund, zodat de heer B. zijn belang daaraan niet kan ontlenen. De verplaatsing van de toegangsweg naar een ligging verder van de eigendom van de heer B., kan de heer B. enkel maar voordeel opleveren, zodat hij gewoonweg geen belang kan hebben bij het bestrijden van die verplaatsing. Verzoekster betwist niet dat de heer B. tot “het betrokken publiek” behoorde om op te komen tegen de vergunning die op 19 juli 2018 werd verleend, doch die omstandigheid doet hier niet ter zake. Verder is het voor de vraag of de heer B. beschouwd kan worden als “betrokken publiek” dat door de verplaatsing van de toegangsweg wordt benadeeld, niet relevant dat het hier gaat om een regularisatievergunning. Evenmin is het pertinent dat de vergunningsvoorwaarde betreffende de toegangsweg onlosmakelijk samenhangt met de exploitatie van het kunstencentrum. Er mag volgens verzoekster enkel worden gekeken naar de gevolgen voor de heer B. die in oorzakelijk verband staan tot de verplaatsing van de toegangsweg. Verzoekster voert aan dat, in tegenstelling tot wat wordt voorgehouden door het bestreden arrest, uit de in het arrest aangehaalde overwegingen van de deputatie niet blijkt dat de deputatie het belang van de heer B. relateert aan het belang “bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van de vergunningsvoorwaarden, zoals bepaald in artikel 87, § 1, 3° van het Omgevingsvergunningsbesluit”. Indien dit het geval zou zijn geweest, had de deputatie immers niet verwezen naar artikel 87, § 1, 3°,
- a)en
- b)van het omgevingsvergunningsbesluit, maar enkel verwezen naar artikel 87, § 1, 3°,
- b)ervan. De overwegingen van de deputatie zijn onbetwistbaar gerelateerd VII-41.938-9/15 aan artikel 87, § 1, 3°,
- a)van het omgevingsvergunningsbesluit - en bijgevolg aan het overeenkomstige artikel 2, 1°, van het omgevingsvergunningsdecreet - en meer bepaald aan de zinsnede “elke natuurlijke persoon … die gevolgen ondervindt … van … de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van omgevingsvergunningsvoorwaarden”. Het bestreden arrest motiveert op geen enkele correcte wijze hoe tot het oordeel wordt gekomen dat “[u]it deze overwegingen blijkt dat de verwerende partij het aanvaarden van het belang van [de heer B.] relateert aan haar belang ‘bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van de vergunningsvoorwaarden’, zoals bepaald in artikel 87, § 1, 3° van het Omgevingsvergunningsbesluit”. Dit wordt gewoonweg zonder meer geponeerd, zodat de motiveringsplicht zoals bepaald in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC is geschonden. In elk geval gaat dit oordeel uit van een verkeerde premisse zodat het volledige arrest - dat hierop is gebaseerd - op losse schroeven staat en alleen al om die reden vernietigd dient te worden. De RvVb schendt volgens verzoekster artikel 2, 1°, gelezen in samenhang met de artikelen 53, 2°, 105, § 2, en 105, § 4, van het omgevingsvergunningsdecreet: - door de vergunningsbeslissing van 19 juli 2018 en de exploitatie van het kunstencentrum te betrekken bij de vraag of de heer B. als betrokken publiek kan worden beschouwd in het kader van zijn bestuurlijk beroep en in het kader van zijn tussenkomst bij de RvVb, en door te oordelen dat de deputatie terecht de vergunningsbeslissing van 19 juli 2018 betrekt bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bestuurlijk beroep; - door bij de beoordeling van het belang van de heer B. aan te nemen dat rekening kan worden gehouden met “de exploitatie”, “de beslissing van de deputatie van 19 juli 2018”, “door de aangevraagde wijziging tracht aanvrager de huidige illegale toestand te regulariseren”, “de exploitatie zoals vergund, met name een laag dynamisch kunstcentrum waarbij er geen permanente horeca-activiteiten aanwezig mogen zijn”. Beoordeling VII-41.938-10/15 9. Artikel 53, 2°, van het omgevingsvergunningsdecreet bepaalt dat het bestuurlijk beroep tegen de in eerste aanleg genomen vergunningsbeslissing kan worden ingesteld door “het betrokken publiek”. Uit artikel 105, § 4, gelezen in samenhang met artikel 105, § 2, eerste lid, 2°, van het omgevingsvergunningsdecreet, volgt dat in geval van beroep bij de RvVb tegen een in laatste bestuurlijke aanleg genomen vergunningsbeslissing, “het betrokken publiek” kan tussenkomen in de zaak. Het in deze bepalingen bedoelde “betrokken publiek” wordt door artikel 2, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet omschreven als: “elke natuurlijke persoon of rechtspersoon alsook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden waarbij niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten, geacht worden belanghebbende te zijn.” Artikel 87, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsbesluit) bepaalt dat het beroepschrift dat gericht wordt tegen een in eerste bestuurlijke aanleg genomen vergunningsbeslissing het volgende moet bevatten: “3° minstens een van de volgende elementen als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
- a)een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
- b)het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van de vergunningsvoorwaarden.” 10. Het middel komt niet op tegen de beoordeling van het bestreden arrest dat het volstaat dat een persoon “belang heeft bij de besluitvorming over de VII-41.938-11/15 afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van de vergunningsvoorwaarden” opdat hij zou behoren tot het “betrokken publiek”. In zoverre verzoekster aanvoert dat het bestreden arrest niet naar recht verantwoordt dat de heer B. (waarschijnlijk) geen gevolgen ondervindt van de aangevraagde afgifte van een omgevingsvergunning of bijstelling van een vergunningsvoorwaarde, gaat zij eraan voorbij dat het volgens het bestreden arrest volstaat om een belang te hebben bij de besluitvorming over de bijstelling van de vergunningsvoorwaarde om tot “het betrokken publiek” te behoren, zodat niet ook moet blijken dat de betrokkene hiervan (waarschijnlijk) gevolgen ondervindt. 11. Artikel 14, § 2, RvS-wet bepaalt dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Bijgevolg kan het cassatieberoep niet ertoe strekken de Raad van State te verplichten de feitelijke beoordeling van de Raad voor Vergunningsbetwistingen over te doen. Het middel is dan ook niet ontvankelijk in zoverre het de Raad van State uitnodigt om opnieuw te beoordelen of de deputatie de heer B. heeft beschouwd als behorend tot “het betrokken publiek” omdat hij “belang heeft bij de besluitvorming over de … bijstelling van een … vergunningsvoorwaarde”. 12. Het bestreden arrest stelt vast: - de deputatie van de provincieraad van Limburg verleent op 19 juli 2018 een stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van onderdelen van het kunstencentrum onder de voorwaarden dat: o het kunstencentrum een laagdynamisch karakter heeft en er geen enkele vorm van permanente horecafaciliteiten aanwezig is op het domein; o de ontsluiting langs de Van Kerckemstraat enkel gebruikt wordt als toegang voor werknemers van het centrum en voor ter plaatse producerende kunstenaars, en bezoekers(groepen) het VII-41.938-12/15 kunstencentrum bereiken via de perceelstoegang voor de woning van de aanvrager aan de Paalsteenlaan; o de bestaande toegangsweg in klinkers vanaf de Paalsteenlaan enkel gebruikt wordt voor de ontsluiting van de conciërgewoning; - de RvVb verwerpt op 2 december 2021 het beroep van de heer B. tegen de beslissing van 19 juli 2018; - het college van burgemeester en schepenen van Lanaken verleent op 1 juli 2021 een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van de toegangsweg voor bezoekersgroepen van de Paalsteenlaan naar de Van Kerckemstraat; - niet wordt betwist dat deze nieuwe aanvraag de opheffing impliceert van één van de voorwaarden van de eerdere vergunningsbeslissing van 19 juli 2018; - de deputatie van de provincieraad van Limburg verklaart het bestuurlijk beroep van de heer B. tegen de beslissing van 1 juli 2021 gegrond, en weigert de omgevingsvergunning; - uit de uiteenzettingen van de heer B., zowel in zijn beroepschrift bij de deputatie als in zijn verzoekschrift tot tussenkomst bij de RvVb, blijkt dat het hem erom te doen is aan te kaarten dat de toegangsweg voor bezoekers die nu gevraagd wordt, dient voor een hogere dynamiek dan vergund - waarbij de nadruk ligt op horeca - en die voor hem als buur hinderlijk is. De RvVb miskent niet de draagwijdte van het begrip “betrokken publiek” wanneer hij uit voorgaande feitelijke gegevens afleidt dat de heer B. belang heeft bij de besluitvorming over de gevraagde bijstelling van de vergunningsvoorwaarde. In zoverre de schending wordt aangevoerd van de artikelen 2, 1°, 53, 2°, en 105, § 2, (gelezen in samenhang met artikel 105, § 4,) van het omgevingsvergunningsdecreet, faalt het middel naar recht. 13. De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van VII-41.938-13/15 een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Verzoekster leidt de schending van de rechterlijke motiveringsplicht af uit de omstandigheden dat het bestreden arrest “op geen enkele correcte wijze” tot een beoordeling is gekomen, en voor een oordeel “uitgaat van een verkeerde premisse”. Zij gaat aldus uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht, zodat het middel in zoverre ongegrond is. 14. In zoverre het ontvankelijk is, is het middel ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. VII-41.938-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.938-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.876 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.472 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div