id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.877 Rolnummer: A. 241094/VII-42375 Zaak: Arrest 262877 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-15 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-16 05:31 Fiche Arrest nr 262.877 van 3 april 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.877 no lien 282662 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 262.877 van 3 april 2025 in de zaak A. 241.094/VII-42.375 In zake :
- de BV VANCAENEGHEM ADVOCATEN
- P.V.
- K.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : C.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gaëlle De Smet kantoor houdend te 9000 Gent Kompasplein 20, bus 405 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0292 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 21 december 2023 in de zaak 2223-RvVb-0836-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 7 maart
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-42.375-1/14 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 13 augustus 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 februari
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Angelique Van de Meirssche, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Gaëlle De Smet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Het college van burgemeester en schepenen van Gent verleent aan verweerder een omgevingsvergunning. Onder meer de verzoekende partijen stellen tegen die beslissing bestuurlijk beroep in. De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verklaart het beroep gegrond en weigert de omgevingsvergunning. 3.
- Verweerder stelt tegen de weigeringsbeslissing een vernietigingsberoep in bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb). VII-42.375-2/14 Met een beschikking van 11 augustus 2023 stelt de voorzitter van de RvVb vast dat het beroep op het eerste gezicht alleen een kort debat vereist, en bepaalt hij dat het kort debat zal plaatsvinden op 7 november
- De verzoekende partijen worden in deze beschikking niet als belanghebbenden vermeld. De beschikking wordt evenmin aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. 3.
- De verzoekende partijen verzoeken per brief van 31 augustus 2023 om in de procedure voor de RvVb tussen te komen. Zij worden hierna niet verwittigd van de zitting van 7 november 2023, en zijn hierop niet aanwezig of vertegenwoordigd. 3.
- Het bestreden arrest verklaart het verzoek tot tussenkomst van de verzoekende partijen niet ontvankelijk, en vernietigt het weigeringsbesluit van de deputatie. IV. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Verweerder werpt op dat “de zaak in wezen zonder voorwerp is geworden”. Hij wijst erop dat de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen na het bestreden vernietigingsarrest een hoorzitting heeft gehouden en dat de provinciale omgevingsambtenaar een adequaat gemotiveerd ongunstig advies heeft uitgebracht. Een nieuwe beoordeling door de RvVb zou volgens verweerder dan ook “weinig tot geen toegevoegde waarde” bieden.
- Op de zitting hebben de partijen bevestigd dat de deputatie na het vernietigingsarrest nog geen nieuwe beslissing heeft genomen over het bestuurlijk beroep van de verzoekende partijen. De verzoekende partijen behouden aldus hun belang bij de vernietiging van het bestreden arrest dat de weigeringsbeslissing van de deputatie heeft vernietigd. De vernietiging van dat arrest - dat, zoals hierna zal blijken, tot stand kwam zonder dat de verzoekende partijen over het beroep werden gehoord of ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.877 VII-42.375-3/14 hun standpunt schriftelijk hebben kunnen uiteenzetten - kan immers ertoe leiden dat de RvVb, na kennisname van het standpunt van de verzoekende partijen, het annulatieberoep van verweerder verwerpt, waardoor de deputatie geen nieuwe beslissing meer moet nemen en de weigering van de vergunning definitief wordt. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het middel tot cassatie Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), artikel 149 van de Grondwet, het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak, de artikelen 9.2 en 9.3 van het Verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’ (hierna: Verdrag van Aarhus), de artikelen 58, 59, 59/2, 59/3 en 60 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: procedurebesluit), gelezen in samenhang met de artikelen 2, 1°, b), en 20 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC) en artikel 105, § 2, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet).
- Het middel komt op tegen de beslissing van het bestreden arrest om het verzoek tot tussenkomst van de verzoekende partijen niet ontvankelijk te verklaren. De RvVb motiveert deze beslissing als volgt: “
- VII-42.375-4/14 [De verzoekende partijen] vragen via neerlegging op het digitaal loket op 31 augustus 2023 de Raad om toegelaten te worden als vrijwillig tussenkomende partijen.
- In principe kan elke belanghebbende tussenkomen in een hangende procedure (artikel 20, eerste lid DBRC-decreet). Een belanghebbende die niet door de griffie is aangeschreven met de vermelding van de mogelijkheid om een verzoek tot tussenkomst in te dienen, kan enkel een ontvankelijk verzoek tot tussenkomst indienen, als die tussenkomst de procedure niet vertraagt (artikel 59/3, tweede lid Procedurebesluit). Het betreft hier echter een procedure met korte debatten. In dergelijke verkorte procedure kunnen enkel de partijen en de belanghebbenden die daartoe zijn aangewezen [door] de voorzitter, een nota met opmerkingen indienen en gehoord worden (artikel 59/2 Procedurebesluit). [De verzoekende partijen] zijn niet als belanghebbenden aangeduid door de voorzitter van de Raad in de beschikking van 11 augustus 2023 waarbij is vastgesteld dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist. Ze treden dus niet op in de hoedanigheid van aangewezen belanghebbenden die een nota kunnen indienen met opmerkingen in het kader van de korte debatten. De tussenkomst vertraagt de procedure en is alleen om die reden al niet toelaatbaar (artikel 59/3, tweede lid Procedurebesluit). Het toelaten van de tussenkomst zou in voorkomend geval immers tot gevolg hebben dat de procedure niet in korte debatten kan worden gevoerd. Het verzoek tot tussenkomst wordt dan ook afgewezen.”
- De verzoekende partijen formuleren hiertegen volgende grieven: “In het bestreden arrest worden de verzoekende partijen aangezien als partijen die hebben gevraagd toegelaten te worden als vrijwillig tussenkomende partijen. In het arrest wordt niet betwist dat de verzoekende partijen belanghebbende partijen zijn. De verzoekende partijen kregen geen kennis van de beschikking van 11 augustus 2023, zij ontvingen geen uitnodiging om een nota op te stellen, noch een uitnodiging voor de zitting van [7] november
- Het verzoek om te mogen tussenkomen wordt in het bestreden arrest nochtans wel beoordeeld én in het beschikkende gedeelte uitdrukkelijk afgewezen als onontvankelijk. Zonder dat zij dus een mogelijkheid kregen om zich te verweren, wordt over de vraag van de verzoekende partijen geoordeeld en wordt hun verzoek om tussen te komen onontvankelijk verklaard. Dit is in strijd met artikel 6 EVRM en het recht op verdediging. Ook de artikelen 9.2 en 9.3 van het Verdrag van Aarhus worden geschonden. VII-42.375-5/14 […] Uit de bedoelde brief van 31 augustus 2023 van de advocaat van de verzoekende partijen blijkt dat deze partijen, als belanghebbende partijen, wilden tussenkomen. […] De verzoekende partijen hebben nadien gewacht op de brief […] van de griffier om hen de mogelijkheid te geven een schriftelijke uiteenzetting in te dienen, zoals voorzien in artikel 59/3 van het Procedurereglement. Zij konden niet weten dat de Voorzitter had beslist dat de zaak op het eerste gezicht alleen korte debatten zou vereisen. Aangezien er geen discussie bestaat - en ook niet kan bestaan - over het feit dat de verzoekende partijen als belanghebbende partijen moeten worden beschouwd, kon van hen niet worden verwacht dat zij al een schriftelijke uiteenzetting zouden indienen, nu hiervoor nog geen termijn werd verleend. Zij konden zelfs niet weten of het beroep tot nietigverklaring wel geldig was ingediend. Toch wordt in het bestreden arrest overgegaan tot een beoordeling van hun vraag om tussen te komen en wordt deze als onontvankelijk afgewezen. […] Het bestreden arrest zegt, met verwijzing naar artikel 59/2 van het Procedurebesluit, dat enkel de partijen en de belanghebbenden die daartoe zijn aangewezen [door] de voorzitter, een nota met opmerkingen kunnen indienen en gehoord worden. Artikel 59/2 van het Procedurebesluit bepaalt weliswaar enkel dat de Voorzitter bij beschikking kan vaststellen wie wordt opgeroepen, en wie een nota kan indienen. Dit artikel doet op zich geen afbreuk aan de mogelijkheid om te verzoeken om tussen te komen in de procedure, noch sluit het uit dat belanghebbende derden alsnog gehoord worden, ook al werden zij niet vermeld in de beschikking. Indien de voorzitter vaststelt dat er nog leden van het betrokken publiek zijn die wensen tussen te komen, en zij effectief belanghebbende partijen zijn, kan zij deze nog toelaten om een nota op te stellen / tussen te komen. Indien de voorzitter van mening is - zoals in het bestreden arrest wordt overwogen - dat daardoor korte debatten niet meer zouden kunnen volstaan - quod non - dan zal zij moeten vaststellen dat de procedure wordt voortgezet volgens de gewone rechtspleging cfr. artikel 59/2, § 2, van het Procedurebesluit. Door dit niet te doen en enkel de verzoekende partijen uit de procedure te houden, worden de vermelde bepalingen geschonden. […] Onder de ‘ontvankelijkheid van de tussenkomst’ wordt in het bestreden arrest vastgesteld dat de tussenkomst van de verzoekende partijen de procedure vertraagt. Eveneens wordt gesteld dat het toelaten van de tussenkomst in voorkomend geval tot gevolg zou hebben ‘dat de procedure niet in korte debatten kan worden gevoerd’. - De vaststelling dat de tussenkomst van de verzoekende partijen zou meebrengen dat de procedure wordt vertraagd, is niet correct en wordt in het arrest niet gemotiveerd. Enkel artikel 59/3 van het Procedurereglement voorziet dat een belanghebbende, die niet de mogelijkheid heeft gekregen om tussen te ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.877 VII-42.375-6/14 komen, alsnog kan tussenkomen als dat de procedure niet vertraagt. Dit artikel staat onder de ‘afdeling 3 Tussenkomst’ en niet onder ‘afdeling
- Verkorte procedures’. Artikel 59/3 voorziet de ‘normale situatie’, waarin de griffier de belanghebbenden de mogelijkheid geeft om tussen te komen. In casu heeft de voorzitter in toepassing van artikel 59/2 beslist om de verzoekende partijen als belanghebbenden geen mogelijkheid te geven om een nota in te dienen. Hieruit blijkt geenszins dat deze partijen ook onmiddellijk geen mogelijkheid meer zouden hebben om tussen te komen, nu zij wel degelijk belanghebbende partijen zijn. Indien de voorzitter deze partijen als belanghebbenden zou hebben aangeduid in [zijn] beschikking van 11 augustus 2023, dan zouden zij dezelfde termijn hebben gekregen om een nota in te dienen en opgeroepen zijn voor de zitting. Er kan dan geen sprake zijn van een vertraging. De advocaat van de verzoekende partijen heeft de brief reeds neergelegd op 31 augustus
- De zitting was toen al gepland op 7 november 2023 […] (waarvan de verzoekende partijen niet op de hoogte waren). De voorzitter had toen nog kunnen beslissen de verzoekende partijen voor dezelfde zitting op te roepen én zelfs een termijn voor een nota te geven. Dit had de procedure niet vertraagd, minstens wordt dit in het arrest niet gemotiveerd en ligt een gebrek aan motivering voor. Er ligt een schending van artikel 149 van de Grondwet voor, alsook van artikel 59/2 van het Procedurebesluit. - De enige reden waarom dit een vertraging zou kunnen meebrengen, is omdat de Voorzitter van mening was dat er door de verzoekende partijen een mogelijkheid te geven een nota in te dienen, en dus te laten tussenkomen, er plots geen sprake meer zou zijn van een zaak die met korte debatten kan worden behandeld. Op deze wijze sluit het bestreden arrest dus bewust belanghebbende partijen uit de procedure. - Uit de vaststelling in het arrest dat de tussenkomst van de verzoekende partijen zou meebrengen dat de procedure niet in korte debatten zou kunnen worden gevoerd, kan bovendien worden afgeleid dat de afhandeling van de zaak niet zo duidelijk is als vereist voor een zaak met korte debatten. Wanneer de tussenkomst van een belanghebbende partij op zich meebrengt dat de zaak niet meer in korte debatten kan worden gevoerd, dan kan er nooit sprake zijn van een zaak waarvan de afhandeling zodanig duidelijk is dat een doorgedreven onderzoek niet noodzakelijk is. Wanneer wordt vastgesteld dat de afhandeling van de zaak zodanig duidelijk is dat een doorgedreven onderzoek niet noodzakelijk is, kan dit niet inhouden dat de tussenkomst van een belanghebbende partij de zaak plots minder duidelijk maakt. De motivering is op dit punt tegenstrijdig en artikel 149 van de Grondwet wordt geschonden. VII-42.375-7/14 Minstens houdt het arrest zelf in dat er ten onrechte van de korte debatten procedure toepassing wordt gemaakt én is het op dit punt in strijd met artikel 59 en 59/2 van het Procedurereglement. […] Uit het arrest blijkt bovendien geen motivering of verantwoording over: - waarom er beslist werd dat de zaak op het eerste gezicht slechts korte debatten zou vereisen - waarom in het arrest de zaak in korte debatten wordt behandeld en niet toch de procedure werd voortgezet volgens de gewone rechtspleging. […] Volgens het arrest kan een zaak met korte debatten worden behandeld ‘wanneer de afhandeling ervan zodanig duidelijk is dat een doorgedreven onderzoek niet noodzakelijk is’ […]. Dit sluit aan bij vaste rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. In het arrest wordt enkel naar de beschikking van 11 augustus 2023 verwezen om vast te stellen dat een behandeling in korte debatten van het verzoekschrift kan volstaan. Deze beschikking stelt enkel: ‘een behandeling in korte debatten van het in het verzoekschrift aangevoerde enig middel kan volstaan.’ Er blijkt niet uit deze beschikking, en dus ook niet uit het arrest, waarom de afhandeling zo duidelijk is dat een doorgedreven onderzoek van de zaak niet noodzakelijk is. Het feit dat de partijen zich niet verzetten tegen de behandeling in korte debatten is niet relevant. Indien een zaak een behandeling in korte debatten vereist, dan hangt dit niet af van het verzet van de partijen. In elk geval blijkt dat niet alle belanghebbenden in de zaak waren betrokken, zodat ook niet alle partijen hun standpunt konden geven.” Standpunt van verweerder
- Verweerder merkt op dat de RvVb een ernstige tekortkoming heeft vastgesteld in het besluitvormingsproces van de deputatie waarbij niet werd voldaan aan de wettelijke vereiste van een zorgvuldige motivering. Noch de aanvrager, noch de beroepsindieners hebben inzicht gekregen in de geldige motieven achter de beslissing, wat nadelig is voor alle betrokken partijen, voornamelijk omdat dit leidt tot aanhoudende juridische conflicten. Daarom heeft de RvVb het verzoek tot tussenkomst van de verzoekende partijen als vertragend beschouwd, aangezien het overduidelijk was dat de deputatiebeslissing fundamenteel gebrekkig was. VII-42.375-8/14 Het is volgens verweerder cruciaal dat fundamentele gebreken direct worden aangepakt door de beslissing te vernietigen en het bestuur te verplichten een nieuwe, correct gemotiveerde beslissing te nemen. Dit zorgt voor duidelijkheid, rechtmatigheid, en draagt bij aan de rechtszekerheid voor alle betrokken partijen. Het besluit om geen tussenkomst van derde partijen toe te staan, werd genomen in het licht van de ernstige schendingen van de formelemotiveringsplicht en het ontbreken van een grondig wettigheidsonderzoek. Door de tussenkomst te beperken, streeft de RvVb naar een snellere en meer gefocuste herziening van de beslissing, wat uiteindelijk moet resulteren in een nieuwe, juridisch solide en correct gemotiveerde beslissing. Dit dient het grotere belang van efficiëntie en rechtszekerheid voor alle betrokken partijen. De RvVb oordeelde dat extra juridische input van de verzoekende partijen niet zou bijdragen aan het adresseren van de fundamentele tekortkomingen, maar eerder het bereiken van een nieuwe, correcte beslissing zou hinderen. Het uitsluiten van de tussenkomsten was daarom een logische, strategische beslissing om het proces efficiënter te maken en sneller tot een oplossing te komen. De kortedebattenprocedure wordt toegepast in situaties waarin de zaak op het eerste gezicht zo duidelijk lijkt dat een uitgebreide behandeling geen toegevoegde waarde zou bieden. Dit wordt vastgesteld in een beschikking die niet noodzakelijk impliceert dat partijen geen kans krijgen om hun standpunt naar voren te brengen. Het betekent eerder dat de zaak dermate duidelijk is dat een tussenkomst hier geen enkele nuttige bijdrage aan kan leveren. De beslissing om geen tussenkomst toe te staan is in dergelijk geval niet willekeurig, maar gebaseerd op duidelijke en objectieve criteria die beogen de doelmatigheid van het juridisch proces te verbeteren zonder de fundamentele rechten van de betrokkenen te schaden. Beoordeling
- Het bestreden arrest heeft het verzoek tot tussenkomst van de verzoekende partijen niet ontvankelijk verklaard enkel omdat het toelaten van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.877 VII-42.375-9/14 tussenkomst tot gevolg zou hebben dat de procedure niet met een kort debat kan worden afgehandeld, en aldus zou worden vertraagd. De uiteenzetting van verweerder over de redenen van de RvVb om de tussenkomst niet toe te laten, mist feitelijke grondslag.
- In de afdeling 2 “Verkorte procedures”, bestaande uit de artikelen 59, 59/1 en 59/2 van het procedurebesluit, worden de bijzondere regels bepaald die van toepassing zijn wanneer de voorzitter van het bestuursrechtscollege of de hem aangewezen bestuursrechter, na ambtshalve onderzoek van het verzoekschrift, oordeelt dat het beroep op het eerste gezicht volgens de vereenvoudigde procedure kan worden behandeld of alleen een kort debat vereist. Artikel 59/2 van het procedurebesluit luidt: “§
- De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast: 1° dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist; 2° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de korte debatten zullen plaatsvinden; 3° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken; 4° de namen van een of meer van de belanghebbenden, vermeld in artikel 20, eerste en tweede lid, van het decreet, als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter heeft beslist een of meer belanghebbenden op te roepen; 5° de termijn waarbinnen de partijen en de belanghebbenden, vermeld in punt 4°, een nota kunnen indienen. De griffier betekent de beschikking en een afschrift van het verzoekschrift aan de partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°. Gelijktijdig met het indienen van de nota, vermeld in het eerste lid, 5°, bezorgt elke partij en belanghebbende, vermeld in het eerste lid, 4°, een afschrift van die nota aan de overige partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°. §
- Na het horen van de partijen en de belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, neemt de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter de zaak in beraad. Als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter niet besluit dat korte debatten volstaan, dan wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging, vermeld in dit besluit.” VII-42.375-10/14
- Artikel 59/3 van het procedurebesluit, dat deel uitmaakt van de afdeling 3 “Tussenkomst” van het besluit, bepaalt: “De griffier stelt de belanghebbenden, vermeld in artikel 20, eerste en tweede lid, van het decreet, als ze kunnen worden bepaald, in de mogelijkheid om tussen te komen. De griffier deelt mee voor welke vordering het mogelijk is om een schriftelijke uiteenzetting in te dienen, rekening houdend met de stand van de zaak. Bij ontstentenis van een betekening conform artikel 58/1, eerste lid, kan een latere tussenkomst alsnog worden toegelaten, als dat de procedure niet vertraagt.” Wanneer de voorzitter van het bestuursrechtscollege of de door hem aangewezen bestuursrechter met toepassing van artikel 59/2, § 1, van het procedurebesluit vaststelt dat het beroep op het eerste gezicht alleen een kort debat vereist, wordt de tussenkomst in het kort debat niet geregeld door artikel 59/3, maar door artikel 59/2 van het procedurebesluit. Het komt in dat geval aan de voorzitter van het bestuursrechtscollege of de door hem aangewezen bestuursrechter toe om in de beschikking de belanghebbenden aan te wijzen die voor het kort debat worden opgeroepen, en de gelegenheid krijgen om met het oog op het kort debat een nota in te dienen.
- In het geval dat de aanvrager van een omgevingsvergunning bij de RvVb een beroep instelt tot vernietiging van de beslissing tot weigering van de vergunning, die in laatste bestuurlijke aanleg werd genomen nadat tegen de in eerste bestuurlijke aanleg genomen beslissing tot het verlenen van de vergunning door een derde een bestuurlijk beroep werd ingesteld, volgt uit de gezamenlijke lezing van artikel 20 DBRC, artikel 2, 1°, b), DBRC en artikel 105, § 2, van het omgevingsvergunningsdecreet, gelezen in het licht van het algemeen beginsel van het recht van verdediging en van artikel 6 EVRM, dat deze beroepsindiener een “belanghebbende” is in de zin van de artikelen 59/2 en 59/3 van het procedurebesluit. (vgl. Grondwettelijk Hof, arresten nrs. 157/2015 en 158/2015 van 4 november 2015) VII-42.375-11/14 Wanneer de voorzitter in de in artikel 59/2, § 1, van het procedurebesluit bedoelde beschikking een dergelijke beroepsindiener niet aanwijst als belanghebbende die voor het kort debat wordt opgeroepen en die de gelegenheid krijgt een nota in te dienen, behoort het de RvVb in beginsel om deze omissie recht te zetten door deze partij alsnog toe te laten tot het kort debat, of als dat niet meer mogelijk is, de zaak voort te zetten volgens de gewone rechtspleging. De vertraging die het gevolg is van het toelaten van deze belanghebbende partij tot het kort debat, of van de voortzetting van de zaak volgens de gewone rechtspleging, weegt niet op tegen de inbreuk op het fundamenteel recht, afgeleid uit artikel 6 EVRM, van deze partij om in rechte haar standpunt uiteen te kunnen zetten over het beroep dat gericht wordt tegen de weigering van een omgevingsvergunning waarvan de tenuitvoerlegging haar zou benadelen en die zij eerder met succes heeft bestreden met een bestuurlijk beroep.
- Het bestreden arrest stelt vast dat: - verweerder aan de RvVb de vernietiging vraagt van het deputatiebesluit dat het beroep heeft ingewilligd van de verzoekende partijen tegen de omgevingsvergunning die aan verweerder werd verleend, en dat die vergunning heeft geweigerd; - de voorzitter van de RvVb bij beschikking heeft vastgesteld dat het beroep op het eerste gezicht alleen een kort debat vereist; - deze beschikking de verzoekende partijen niet heeft aangeduid als belanghebbenden die moeten worden opgeroepen; - de verzoekende partijen de RvVb gevraagd hebben om toegelaten te worden als vrijwillig tussenkomende partijen; - het toelaten van de tussenkomst de procedure vertraagt omdat zij tot gevolg zou hebben dat de procedure niet met een kort debat kan worden behandeld. Vervolgens beslist de RvVb na het kort debat dat het annulatieberoep gegrond is en vernietigt hij het deputatiebesluit. VII-42.375-12/14 Door de zaak in deze omstandigheden niet te verwijzen naar de gewone rechtspleging, en integendeel het verzoek tot tussenkomst niet ontvankelijk te verklaren, en het annulatieberoep gegrond te verklaren, zonder de verzoekende partijen op te roepen en de gelegenheid te geven een schriftelijke nota in te dienen, schendt het bestreden arrest de voormelde bepalingen.
- Het middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-2324-0292 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 21 december 2023 in de zaak 2223-RvVb-0836-A.
- Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
- De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. VII-42.375-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.375-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.877 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div