← België

Arrest 262900 - Natuurbehoud - Vergunningen - 03/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.900 Rolnummer: A. 241371/VII-42422 Zaak: Arrest 262900 - Natuurbehoud - Vergunningen - 03/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-15 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-16 05:21 Fiche Arrest nr 262.900 van 3 april 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 262.900 van 3 april 2025 in de zaak A. 241.371/VII-42.422 In zake:

  1. C.S.
  2. G.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE WEVELGEM, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Maxim Senesael kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen :
  3. de VZW NATUURPUNT
  4. de VZW NATUURPUNT BEHEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 28 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wevelgem van 3 januari 2024 waarbij een vergunning verleend wordt conform artikel 35bis § 5 van het Veldwetboek”. VII-42.422-1/4 II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeksters hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Bij arrest nr. 261.211 van 24 oktober 2024 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Het genoemde arrest is op 8 november 2024 aan de verzoeksters ter kennis gebracht. Op 27 januari 2025 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoeksters de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoeksters hebben gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 maart
  7. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Elliott Missault, die loco advocaten Steve Ronse en Deborah Smets verschijnt voor de verzoeksters, is gehoord. VII-42.422-2/4 Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  8. III. Beoordeling
  9. Naar luid van de op het geding toepasselijke versie van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. De verplichting om binnen een bepaalde termijn een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging in te dienen volgt uit het arrest waarbij de vordering tot schorsing wordt afgewezen en staat dus volledig los van het indienen van de memories in het kader van de lopende annulatieprocedure. De verzoeksters hebben te dezen geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
  10. In hun verzoek om gehoord te worden noch ter terechtzitting voeren de verzoeksters redenen van overmacht of onoverkomelijke dwaling aan die hebben verhinderd dat de betrokken procedurehandeling tijdig kon worden verricht.
  11. Het vermoeden van afstand van het geding is te dezen van toepassing. VII-42.422-3/4 BESLISSING
  12. De Raad van State spreekt de afstand van geding uit.
  13. De verzoeksters worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-42.422-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.900 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.211 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.