id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.916 Rolnummer: A. 244430/X-19011 Zaak: Arrest 262916 - Lokale mandatorissen - 04/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-04 Raadplegingen: 134 - laatst gezien 2026-06-17 02:03 Fiche Arrest nr 262.916 van 4 april 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Lokale mandatorissen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 262.916 van 4 april 2025 in de zaak A. 244.430/X-19.011 In zake: A.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel, Kristof Caluwaert en Sietse Wils kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 18 maart 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van de Vlaamse minister van Binnenland, Steden- en Plattelandsbeleid, Samenleven, Integratie en Inburgering, Bestuurszaken, Sociale Economie en Zeevisserij van 13 maart 2025 houdende de niet-benoeming van [A.D.] tot burgemeester van de gemeente Oudenburg. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 19 maart 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. X-19.011-1/23 De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 maart 2025, om 14 uur. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaten Sven Boullart en Wouter De Rycke, die verschijnen voor verzoeker, en advocaten Bart Martel en Sietse Wils, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Bij de gemeenteraadsverkiezing te Oudenburg van 13 oktober 2024 is verzoeker kandidaat op de lijst “Voor Oudenburg”. Met 48,7% van de stemmen behaalt zijn partij een absolute meerderheid van twaalf op de eenentwintig zetels in de gemeenteraad. Verzoeker behaalde het hoogste aantal naamstemmen. X-19.011-2/23
- Tijdens de installatievergadering van de gemeenteraad van Oudenburg van 7 januari 2025 legt verzoeker de eed af als aangewezen- burgemeester.
- Op 27 januari 2025 brengt de procureur-generaal van het hof van beroep te Gent het volgende advies uit: “Met verwijzing naar uw mailbericht van 14 januari 2025, heb ik de eer u te doen kennen dat er lastens [A.D.], voorgedragen burgemeester te Oudenburg, thans nog een strafrechtelijk opsporingsonderzoek hangende is te Kortrijk in het dossier KO.38.99.200790/
- De tenlastelegging is inbreuk op de kieswet. Tevens is er een gerechtelijk strafonderzoek hangende bij de onderzoeksrechter te Brugge sedert 8 mei 2024 in het dossier BG.25.RL.100780/24 (+ BG.25F1.500698/22) wegens belangenneming door een ambtenaar te Oudenburg. Dat ik geen bezwaar heb dat de betrokkene zou voorgedragen worden voor het ambt van burgemeester te Oudenburg is gestoeld op het principe van het vermoeden van onschuld, verwoord in artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14, lid 2, van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.”
- Op 29 januari 2025 brengt de gouverneur van de provincie West- Vlaanderen advies uit. Hij wijst in eerste instantie op de mogelijke impact van het strafrechtelijk opsporingsonderzoek en gerechtelijk strafonderzoek waarnaar het advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep van Gent heeft verwezen: “Bijgevolg zal de eindbeslissing in het lopende gerechtelijke vooronderzoek bij de onderzoeksrechter te Brugge, zoals omschreven door de procureur-generaal, determinerend zijn voor het al dan niet opstarten van een tuchtprocedure uit hoofde van de door de procureur-generaal aangehaalde feiten, wat vanuit het beginsel van de zorgvuldigheid op zijn minst en in subsidiaire orde noopt tot een voorbehoud van negatief advies gelet op het feit dat dit desgevallend en in casu onlosmakelijk zal zijn gerelateerd aan de wijze van het (al dan niet geschikt) functioneren en de attitude van [A. D.] als burgemeester, wat onder meer is opgenomen bij de beoordelingscriteria voor de definitieve benoeming die hierdoor mogelijks onomkeerbaar wordt.” X-19.011-3/23 Vervolgens geeft de gouverneur bijkomend aan dat hij “alsnog in hoofdorde een negatief voorbehoud wens[t] te formuleren met betrekking tot de geschiktheid en attitude van de aangewezen-burgemeester”. Hij verwijst daarvoor naar de volgende overwegingen: “In mijn ambt van Gouverneur werd ik […] in extenso in kennis gesteld van het rapport van 3 augustus 2023 – met exemplaarnummer 14 – uitgevoerd door de dienst Audit Vlaanderen zoals eveneens besproken op de zitting van 18 september 2023 van de gemeenteraad van de stad Oudenburg. Dit stelt, in zijn samenvatting, dat [A. D.] actief betrokken is geweest bij de behandeling van bepaalde omgevingsvergunningsaanvragen met betrekking tot vastgoed waarbij één van zijn vennootschappen (eigendoms)rechten uitvoert, actief is betrokken geweest bij het beslissingsproces van een aantal in opmaak zijnde Ruimtelijke UitvoeringsPlannen (RUP) die betrekking hebben op een aantal onroerende goederen in zijn bezit en op een onwettige wijze een kabinetsmedewerker heeft tewerkgesteld met schending van meerdere wettelijke basissen in de uitvoering van diens taken. De audit verwijst hierbij als generieke kwalificatie en te voorlopigen titel naar een eventuele schending van het beroepsgeheim, het desgevallend plegen van belangenvermenging gecombineerd met schriftvervalsing en een eventuele schending van de deontologische code van de Stad Oudenburg. De audit formuleert zijn conclusies onder voorbehoud van het straf- of tuchtrechtelijk gevolg dat hieraan zou (kunnen) worden gegeven, maar richt zich in essentie op het functioneren van de burgemeester en – bij uitbreiding - het college binnen de beleidsstructuren van de Stad Oudenburg en de reparatietrajecten die hiervoor zouden kunnen worden opgestart in functie van een goede werking van diensten en een transparante en democratische dienstverlening aan de burgers. Heel in het bijzonder doch gesynthetiseerd, parafraserend en schematisch weergegeven, brengt de voormelde Audit Vlaanderen een aantal vaststellingen naar aanleiding van een onderzoek inzake: - Actieve betrokkenheid van de burgemeester […] bij omgevingsvergunningsaanvragen met betrekking tot vastgoed waarbij één van zijn vennootschappen eigendomsrecht uitoefent, stellende dat • De burgemeester zesmaal de vergadering niet heeft verlaten in dossiers waarin hij een belang heeft met betrekking tot een onroerend goed • De notulen inzake de inhoudelijke bespreking van argumentatie in een welbepaald dossier over een omgevingsvergunning werden aangepast • Door hem zelf de tegenargumentatie werd ontwikkeld in 9 dossiers bij weigering van positief advies door de GOA (gemeentelijke omgevingsambtenaar) via rechtstreekse communicatie met de aanvrager, bouwheer, architect, landmeter, aannemer of adviesbureau waarmee de burgemeester een zakelijke of professionele samenwerking onderhoudt X-19.011-4/23 • De burgemeester zelf de voorbereiding doet voor het college van de tegenargumentatie in dossiers van negatief advies van de GOA in samenwerking met zijn persoonlijk aangeworven kabinetsmedewerker die hiervoor de pc van de burgemeester gebruikt en externe voorbereidende communicatie voert • Er contactname is geweest door diens persoonlijke medewerker met de kabinetsmedewerkers van de gedeputeerde van de provincie, bevoegd voor de ruimtelijke ordening en specifieke beroepen inzake omgevingsvergunningen • Het beroep bij de Deputatie tegen dossiers van weigering van een omgevingsvergunning meestal in het voordeel van het college van de Stad Oudenburg wordt beslist • Informatie wordt gedeeld met derden uit meerdere aanvraagdossiers zonder dat hiertoe een vraag werd gesteld op basis van de Wet Openbaarheid van Bestuur - De betrokkenheid van de burgemeester […] bij beslissingen over de RUP’s in ontwikkeling, stellende dat • Minstens er een sterke betrokkenheid is met vertegenwoordigers van eigenaars van aanzienlijke stukken grond binnen de ontwerp-RUP’s • De burgemeester met zekerheid deel uitmaakte van het planteam RUP en deelnam aan een aantal voorbereidende vergaderingen, met de perceptie van persoonlijke belangenverdediging of -vermenging op basis van het beschikken over een persoonlijke eigendom in het gebied • Door het opnemen van taken en bevoegdheden die essentieel en intrinsiek toebehoren aan de schepen van ruimtelijke ordening de perceptie is ontstaan van persoonlijke belangenverdediging of -vermenging - Het ingaan op VIP-uitnodigingen van private professionele en commerciële partners voor het faciliteren van de toekenning van omgevingsvergunningen en de opmaak van RUP’s in deze context verbonden aan het afsluiten van een promotie-overeenkomst - De tewerkstelling van een kabinetsmedewerker van de burgemeester, stellende dat deze • Officieel deeltijds is tewerkgesteld als kabinetsmedewerker bij gedeputeerde [S.L.], onder meer bevoegd voor ruimtelijke ordening, inzonderheid voor het beroep tegen omgevingsvergunningen • Officieel in het KBO staat geregistreerd voor vastgoedmakelaarsactiviteiten • Tewerk is gesteld in een persoonlijke – onwettige – rechtstreekse overeenkomst met de burgemeester, zonder mailadres of -box van de stad maar werkend via de toegang van de persoonlijke pc en inloggegevens van de burgemeester • Onwettig toegang heeft tot overheidsgebonden documenten van de gemeente en bijkomend tot privacy-intrusieve gegevens • Tussen is gekomen voor het intrekken van een beroep tegen een toegekende omgevingsvergunning bij de Bestendige Deputatie in ruil voor de toezegging voor de verwerving van een ander onroerend goed door betrokken. X-19.011-5/23 Het rapport stelt tevens vast dat ingevolge voorgaande feiten heel specifiek de GOA op 24/2/2021 de organisatie heeft verlaten en in het algemeen de samenwerking met de algemeen directeur, op heden dezelfde persoon en zichzelf in de audit kwalificerend als ‘mogelijke klokkenluider’ onder spanning is komen te staan. Het rapport concludeert in zijn aanbevelingstabel, gesteund op de materiële vaststellingen van de audit, dat de Stad Oudenburg het risico loopt op reputatieschade, verlies aan financiële middelen, ongelijke behandeling van de burgers, kwetsbaarheid voor juridische procedures en een gebrekkige informatieverstrekking aan de burgers. Deze risico’s en vaststellingen zijn heel concreet gericht in hoofde van de burgemeester doch hebben vanuit een breder perspectief op vraag van de Minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen dd 8 augustus 2023 geleid tot een verscherpt toezicht van de Gouverneur op [de] werking van de Stad Oudenburg, zoals omschreven in de drie specifieke aanbevelingen. De specifieke opdracht van de Gouverneur bestond er dan ook in om de burgemeester en de schepenen uit te nodigen voor een persoonlijk gesprek over de noodzakelijk te nemen maatregelen, ervan verslag uit te brengen evenals over de verdere voortuitgang van het verscherpt toezicht in het licht van de aanbevelingen van het rapport, zoals uitgebracht op 21 december 2023 en 6 mei
- De eerste aanbeveling betreft de sensibilisering van de politieke mandatarissen (en – bij uitbreiding – de personeelsleden) teneinde mogelijke belangenvermenging of het nastreven van een particulier voordeel maximaal te vermijden. De tweede aanbeveling eist het respect voor de openbaarheid van bestuur inzake communicatie en de registratie ervan. Tot slot beveelt het rapport de aanwerving aan van kabinetsmedewerkers conform de vigerende regels. Uit het rapport blijkt onmiskenbaar dat de houding en handelingen van de burgemeester (en bij perceptuele uitbreiding de politieke mandatarissen) de goede werking van de dienstverlening heeft geïmpacteerd op het niveau van ‘het welzijn van de burgers en verzekeren een burgernabije, democratische, transparante en doelmatige uitoefening van hun bevoegdheden’, zoals bij uitgangspunt geponeerd in artikel 2 van het Decreet Lokaal Bestuur (DLB). De kern van het opvolgende verbetertraject lag dan bijgevolg ook in essentie bij de herwerking van de deontologische code voor de personeelsleden en de mandatarissen, met een aantal indicatieve tot symptomatische vaststellingen met betrekking tot deze laatste. Het DLB stelt in zijn artikel 39 letterlijk dat de gemeenteraad een deontologische code aanneemt en een deontologische commissie opricht. De deontologische code regelt ook de samenwerking, werking en bevoegdheid van de deontologische commissie. De (vernieuwde) deontologische code voor het personeel werd vlot goedgekeurd door de raden op 20 maart
- Het college van burgemeester en schepenen kan echter (voor zich)zélf een deontologische code aannemen die minstens de deontologische code zoals aangenomen door de gemeenteraad omvat, zo stelt het artikel 55 DLB. X-19.011-6/23 Heel in het bijzonder werd echter intern de diensten van de Stad Oudenburg de discussie heel scherp gefocust op (de samenstelling van de deontologische commissie met betrekking tot) de deontologische code voor de mandatarissen. Er kon tot op heden enkel maar een (tussen)oplossing worden gevonden om de aanpassing van deze deontologische code voor mandatarissen door te schuiven naar de volgende legislatuur. Hieruit moet worden afgeleid dat, gesteund op een zeer concrete voorzichtigheid, intern (de diensten) een bijzondere terughoudendheid is ontstaan ten aanzien van de politieke mandatarissen die onmiskenbaar een impact heeft op de onderlinge samenwerking. Immers de imperatieven die gelden ten aanzien van de personeelsleden van de stadsdiensten zijn bijzonder stringent en worden onderworpen aan de regels van evaluatie en tucht die mede vanuit beleidsbestuurlijke zijde worden georiënteerd. De operationele kern van de forensische audit was er tevens op gericht om het interne controlesysteem (decretaal het OrganisatieBeheerSysteem – OBS – genoemd) te toetsen op zijn fiabiliteit en de performantie en na te gaan of hiervoor aanbevelingen tot verbetering te formuleren waren. Krachtens artikel 217 van het DLB omvat de zogenaamde organisatiebeheersing het geheel van maatregelen en procedures die ontworpen zijn om een redelijke zekerheid te verschaffen dat men (i.e. zijn de ‘diensten’ en hun personeelsleden): 1° de vastgelegde doelstelling bereikt en de risico’s om deze te bereiken kent en beheerst; 2° wetgeving en procedures naleeft; 3° over betrouwbare financiële en beheersrapportering beschikt; 4° op een effectieve en efficiënte wijze werkt en de beschikbare middelen economisch inzet; 5° de activa beschermt en fraude voorkomt. Het volgende artikel DLB stelt – onder meer – dat het organisatiebeheersingssysteem minstens beantwoordt aan het principe van ‘functiescheiding’ waar mogelijk en verenigbaar is met de continuïteit van de werking van de diensten. [Artikel] 219 DLB bepaalt tot slot dat het organisatiebeheersingssysteem wordt vastgesteld door de algemeen directeur, na overleg met het ‘managementteam’. Krachtens artikel 179 DLB bestaat het managementteam uit de algemeen directeur, de adjunct-algemeen directeur, de financieel directeur en alle andere leden die geen mandataris zijn en waarvan de deelname aan het managementteam nuttig wordt geacht voor het functioneren van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De burgemeester, of de door hem aangewezen schepen, maakt – krachtens het derde lid van dat artikel – met raadgevende stem deel uit van het managementteam. Het uitblijven van de goedkeuring van de deontologische code voor de mandatarissen, lijkt bijgevolg duidelijk te wijzen op een vertrouwensbreuk vanuit het managementteam, geleid door de algemeen directeur, jegens de X-19.011-7/23 politieke mandatarissen die van rechtswege via de burgemeester of zijn aangewezen schepen zijn vertegenwoordigd [in] het managementteam. De forensische audit lijkt hierop eveneens in essentie te zijn gestoeld en concludeert dat het herstel van de goede interne werking absoluut is vereist via de methodiek van het verscherpt toezicht. Het verbetertraject verliep dan ook niet verwonderlijk moeizaam, zo blijkt heel specifiek met betrekking tot het gedeelte van de mandatarissen, op het niveau van het managementoverleg dat – in toepassing van artikel 217 een aantal bestuurlijke – en beleidsbeginselen (supra) vooropstelt waartegen de burgemeester – en zijn omgeving – prima facie en in deze stand van kennis via de audit een inbreuk zou kunnen hebben gemaakt. Dit terwijl net – krachtens artikel 191 DLB – deze (zelfde) beleidsbeginselen dwingend van toepassing zijn op de gemeentelijke personeelsleden stellende dat: §
- De hoedanigheid van personeelslid is onverenigbaar met elke activiteit die het personeelslid zelf of via een tussenpersoon verricht en waardoor: 1° de ambtsplichten niet kunnen worden vervuld; 2° de waardigheid van het ambt in het gedrang komt; 3° de eigen onafhankelijkheid wordt aangetast; 4° een belangenconflict ontstaat. Artikel 194 DLB bepaalt dan weer dat de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid niet kennelijk onredelijk mag zijn. De beëindiging is gebaseerd op redenen die verband houden met het gedrag of de geschiktheid van het personeelslid of berusten op noodwendigheden voor de werking van het bestuur (supra art. 191 § 1). Het mag geen beëindiging zijn waartoe nooit beslist zou zijn door een normaal en redelijk handelend lokaal bestuur. Laat het nu net een feit zijn dat de geschiktheid van de aangewezen- burgemeester moet worden beoordeeld in het licht van zijn definitieve benoeming in een context die in hoofde van de personeelsleden geen enkel deviantie toelaat. De – bij anticipatie correctieve – ‘stap opzij’ van de burgemeester op het einde van de vorige legislatuur had hiervoor het vertrouwen van de medewerkers kunnen wekken, in weerwil van de louter materiële vaststellingen infra in deze context bij de samenstelling van het nieuwe college. Het ontslag wegens beroepsongeschiktheid ingevolge het ontoereikend functioneren van het personeelslid, is niet mogelijk zonder voorafgaande evaluatie. Het voorbereidend rapport – voor deze evaluatie – wordt minstens opgemaakt op basis van een evaluatiegesprek tussen de externe deskundigen en de functiehouder en op basis van een onderzoek over de wijze van functioneren van de functiehouder, waarbij de burgemeester, de voorzitter van het vast bureau, de leden van het managementteam en de voorzitter van de gemeenteraad betrokken worden. Het evaluatiecomité bepaalt of het evaluatie-resultaat gunstig of ongunstig is. Het DLB stelt in zijn artikel 199 – naast het evalueren van het zuivere functioneren – in hoofde van de personeelsleden van een gemeente dat ‘elke X-19.011-8/23 handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt, alsook een overtreding van de rechtspositieregeling, een tuchtvergrijp is en kan aanleiding geven tot een tuchtstraf’. Het – alsnog – uitblijven van een eventueel tuchtonderzoek in hoofde van de aangewezen-burgemeester(-evaluator) te steunen op het door de procureur-generaal vermelde hangende gerechtelijk strafonderzoek lijkt dan weer bijzonder schadelijk te kunnen zijn voor het eerder gewekte vertrouwen door de zogenaamde ‘stap opzij’. Enerzijds de complexe werkingsprocedures binnen een gemeente met een decretaal geregelde afstemming tussen de diensten en de politieke mandatarissen en anderzijds de sanctioneerbare imperatieven ten aanzien van de personeelsleden die instaan voor de service aan de burger, wijzen duidelijk op een wettelijke garantie op ‘checks and balances’. De democratische doelstelling bestaat er duidelijk in om hiermee de beginselen van de openbare dienst gegarandeerd en afdwingbaar te maken door en voor de organen van de gemeentelijke dienstverlening. Het hoeft immers, steunend op voorgaan stringent wettelijk kader dat de ‘houding’ van de personeelsleden van een gemeente dwingend vastzet, niet te verwonderen dat de terughoudendheid vanuit het managementteam onder leiding van zijn algemeen directeur en waarvan de burgemeester wettelijk of bij vertegenwoordiging deel uitmaakt, op heden nog steeds een duidelijke onbalans aangeeft in het wederzijdse vertrouwen jegens de aangewezen-burgemeester, waarop een adequate dienstverlening aan de burger moet zijn gesteund. Dit blijk materialiter uit het uitstel van de deontologische code voor mandatarissen tot de volgende legislatuur. Het besluit van 6 juli 2018 van de Vlaamse Regering houdende het statuut van de lokale mandataris (BVR) laat immers nog steeds, op basis van de lopende (opsporings- en gerechtelijk straf-)onderzoeken aangemeld door de procureur-generaal toe om een tuchtonderzoek op te starten dat desgevallend kan uitmonden in een preventieve schorsing al dan niet gevolgd door een tuchtsanctie. Het gegeven dat de burgemeester in de loop van de vorige legislatuur een stap opzij heeft gezet, doet hieraan evenmin afbreuk, gelet op zijn herverkiezing en aanwijzing als burgemeester in de nieuwe legislatuur. Onverminderd het lopende gerechtelijk strafonderzoek, zet de aangewezen- burgemeester zijn economische activiteiten in de vastgoedsector ongewijzigd verder als bestuurder, zo blijkt uit de informatie die publiek op het net beschikbaar is gesteld. Het in de pers – voor de verkiezingen – aangekondigde engagement om niet meer aanwezig te zijn bij ruimtelijke aangelegenheden verhindert evenmin dat de burgemeester aanwezig zal of kan zijn bij andere domeinen, die rechtstreeks of onrechtstreeks, vastgoed-gebonden zijn. Eveneens toont de forensische audit aan dat bij de vorige legislatuur door de burgemeester persoonlijke belangen werden behartigd via de tussenpersoon van de kabinetsmedewerker en de bevoegde schepen van ruimtelijke ordening. Het gegeven dat de nieuwe derde schepen […], verantwoordelijk voor ruimtelijke ordening, tevens te privaten titel officieel X-19.011-9/23 in publiek raadpleegbare registers staat geregistreerd als individuele ondernemer, gespecialiseerd in bouwwerkzaamheden, inzonderheid voor het plaatsen van vloer- en wandtegels, schrijnwerk en overige werkzaamheden in verband met de afwerking van gebouwen, komt de schijn van de onpartijdigheid, in de zin van het eerder geciteerde artikel 2 DLB inzake ‘transparante en doelmatige uitoefening van hun bevoegdheden’ niet ten goede. Justice shoud not only be done, but also seen to be done, zo luidt het adagium inzake het vermoeden van contextuele vooringenomenheid. De samenstelling van het college geeft in ieder geval alle ruimte aan de perceptie, intern en extern de diensten van de Stad Oudenburg, dat de facto de ‘attitude’ van de burgemeester ondanks de verklaringen voorafgaand aan diens herverkiezing (engagement om niet meer aanwezig te zijn bij ruimtelijke aangelegenheden) ongewijzigd is gebleven. Diezelfde vaststelling bevestigt prima facie eveneens het gebrek aan schuldinzicht aangebracht door de Gouverneur in zijn voortzettingsrapportering dd 21 december 2023 en 6 mei 2024, gesteund op vaststellingen inzake de houding (attitude) van [A. D.]. Minstens stelt zich binnen het nieuw samengestelde bestuur op basis van de – oude en vigerende – deontologische code dd 25 april 2014 voor de mandatarissen van Oudenburg de vraag naar de houdbaarheid van het – decretale – principe dat het voor een gemeenteraadslid (bij uitbreiding mandatarissen) verboden is deel te nemen aan de bespreking en de stemming over – onder meer – aangelegenheden waarin hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger, of waarbij de echtgenoot, of bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Het artikel 4 expliciteert bijkomend dat bij hun optreden binnen en buiten de gemeentelijke context en in hun contacten met de bevolking, de mandatarissen steeds voorrang geven aan het algemeen belang boven het politiek en het particulier belang. Zij vermijden elke vorm van belangenverstrengeling en belangenvermenging tussen eigen en algemeen belang. Aansluitend regelt het Hoofdstuk 3 de informatiebemiddeling, doorverwijzing, administratieve begeleiding en ondersteuning refererend aan de principes van de discretie, beroepsgeheim en privacy. Hoofdstuk 4 over de ‘Tussenkomsten en schijndienstbetoon’ stelt dan weer uitdrukkelijk dat elke tussenkomst met de intentie om de behandelingstermijn of de visie van de betrokken ambtenaar te beïnvloeden ongeoorloofd is. Tot voorlopig slot stelt artikel 22 - § 1 van deze – vigerende – Code dat ‘mandatarissen situaties vermijden waar belangenverstrengeling of een schijn van belangenverstrengeling zich kan voordoen tussen hun mandaat en bijvoorbeeld beroepsbezigheden, nevenfuncties, lidmaatschap van verenigingen, …’, waarbij zich minstens hernieuwd de vraag opwerpt naar de geschiktheid van de aangewezen-burgemeester juncto de aanstelling van de bedoelde derde schepen. De bevoegdheden van de burgemeester veronderstellen immers bij wettelijk uitgangspunt het behartigen van het democratische en collectieve belang zonder schade aan de goede werking van de dienst. Dit uitgangspunt X-19.011-10/23 is gesteund op de beginselen van de openbare dienst, bestaande uit de continuïteit (bestendigheid), verantwoordelijkheid en benuttingsgelijkheid. Dit moet aan iedere burger van een gemeentelijke of stedelijke entiteit de garantie geven op een gelijke en onbevooroordeelde dienstverlening van het bestuur en de diensten die daarvoor instaan, die luidens artikel 191 DLB, garant moeten staan voor een onafhankelijke, belangeloze en waardige dienstverlening. Principes die mutatis mutandis krachtens – ook – de – vigerende – deontologische code van Oudenburg van toepassing zijn op de mandatarissen die zich moeten onthouden van iedere schijn van partijdigheid. Het loutere gegeven dat het opstellen en goedkeuren van een nieuwe deontologische code werd overgedragen tot – of is het aan – een nieuw bestuur, wijst op een duidelijke afstand tussen de diensten en het actuele bestuur. Het beginsel van onpartijdigheid, gekoppeld aan het zorgvuldigheidsbeginsel, moet aan de basis liggen van iedere beslissing die of besluit dat door de burgemeester of het college in alle redelijkheid moet leiden tot een houding van fair play, net zoals een goede bestuurlijke huisvader op geen enkele wijze ‘iudex in sua causa’ kan zijn. Schijn mag nooit bedriegen. Het gegeven dat een burgemeester obiter dictum in toepassing van de Wet op het politieambt bekleed met de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie het gezag heeft over de politiediensten voor het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke politie en hiervoor de noodzakelijke bevelen, onderrichten en richtlijnen kan geven, mag enkel zijn gebaseerd op een absoluut vertrouwen in diens waardigheid en onkreukbaarheid. Het gegeven dat een korpschef de in artikel 44 van de Wet op de geïntegreerde politie bedoelde bevoegdheden uitoefent onder het gezag van de burgemeester of van het politiecollege, en hiervoor elke maand verslag moet uitbrengen aan de burgemeester of aan het politiecollege over de werking van het korps en hem op de hoogte moet brengen van de klachten van buitenaf aangaande de werking van het korps of het optreden van zijn personeel, conflicteert prima facie met deze stand van kennis van de door de procureur-generaal aangehaalde onderzoeken op grond van de absolute vereiste van een persoonlijke deontologische onkreukbaarheid, onverminderd het beginsel van het vermoeden van onschuld. Gelet op [het] voorgaande, kom ik met het grootste negatieve voorbehoud terug op het auditrapport dat in de aanbevelingstabel concludeert dat de Stad Oudenburg het risico loopt op reputatieschade, verlies aan financiële middelen, ongelijke behandeling van de burgers, kwetsbaarheid voor juridische procedures en een gebrekkige informatieverstrekking aan de burgers op grond van de feiten lastens de burgemeester in onderzoek. Gelet op het schrijven van de procureur-generaal dat melding maakt van een lopend opsporings- en gerechtelijk strafonderzoek en zijn onthouding van bezwaar tot voordracht als burgemeester gesteund op het vermoeden van onschuld. X-19.011-11/23 Op grond van voorgaande is bijgevolg aan mijn ambt een situatie bekend die alsnog aanleiding zou kunnen geven tot een tuchtmaatregel ten aanzien van de aangewezen-burgemeester uit hoofde van diens strafrechtelijk handelen en niet-deontologisch functioneren. Dit moet in zijn essentie worden bekeken vanuit de kracht – of is het de macht – van “le privilège du préalable de l’administration’ die enkel de (juris)prudentie als tegengewicht heeft, wetende dat ondertussen het beleid ongeremd uitvoering kan krijgen. Omzichtigheid is bijgevolg een basishouding ter garantie van de lokale democratische prerogatieven, gelijk op voor alle burgers, wat dan weer door de bevoegdheidsverdeling binnen het college wordt verzwakt. Steunend op de actuele louter materieel vastgestelde beleidsomstandigheden en – contouren inzake zowel de houding van de aangewezen-burgemeester, de werking van het bestuur en het onafgewerkte verbetertraject wil ik dan ook een negatief voorbehoud maken met betrekking tot de geschiktheid en attitude van [A.D.]. In deze stand van zaken en tot nader order ben ik dan ook van mening dat [A.D.] niet over de vereiste kwaliteiten en vaardigheden beschikt om de stad Oudenburg met bekwaamheid en voldoende moreel gezag te leiden en het ambt van burgemeester uit te oefenen in het licht van alle verplichtingen, bevoegdheden en wettelijke prerogatieven die hieraan dwingend en bindend zijn verbonden erga omnes.”
- Op 13 maart 2025 beslist de bevoegde Vlaamse minister van Binnenland, Steden- en Plattelandsbeleid, Samenleven, Integratie en Inburgering, Bestuurszaken, Sociale Economie en Zeevisserij dat verzoeker niet wordt benoemd tot burgemeester van de gemeente Oudenburg. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt wordt verantwoord: “De aangewezen-burgemeester voldoet aan de benoemingsvoorwaarden. Het advies van de procureur-generaal is gunstig, met opmerkingen. Gelet op het vermoeden van onschuld, zijn het lopende opsporingsonderzoek en het lopende gerechtelijk onderzoek niet van die aard dat zij de benoeming van [A.D.] op zichzelf kunnen tegenhouden. In zijn ongunstig advies wijst de provinciegouverneur van West- Vlaanderen evenwel op feiten die, zelfs losstaand van de lopende onderzoeken bij het parket, tot de vaststelling leiden dat [A.D.] niet over de vereiste capaciteiten en morele eigenschappen beschikt om te kunnen worden benoemd als burgemeester van de gemeente Oudenburg. Ik sluit mij integraal aan bij dit advies van de provinciegouverneur en de motivering van dat advies door de provinciegouverneur. Tijdens de vorige bestuursperiode, toen [A.D.] burgemeester was van Oudenburg, werd er door Audit Vlaanderen een forensische audit X-19.011-12/23 uitgevoerd binnen het bestuur van Oudenburg (Auditopdracht 2208 007 / 3.08.2023). Deze audit bracht een aantal vaststellingen aan het licht, die rechtstreeks gelieerd zijn aan het functioneren van [A.D.] als burgemeester. Zoals samengevat door de provinciegouverneur, zijn deze vaststellingen de volgende: - Actieve betrokkenheid van de burgemeester […] bij omgevingsvergunningsaanvragen met betrekking tot vastgoed waarbij één van zijn vennootschappen eigendomsrecht uitoefent, stellende dat: • De burgemeester zesmaal de vergadering niet heeft verlaten in dossiers waarin hij een belang heeft met betrekking tot een onroerend goed • De notulen inzake de inhoudelijke bespreking van argumentatie in een welbepaald dossier over een omgevingsvergunning werden aangepast • Door hem zelf de tegenargumentatie werd ontwikkeld in 9 dossiers bij weigering van positief advies door de GOA (gemeentelijke omgevingsambtenaar) via rechtstreekse communicatie met de aanvrager, bouwheer, architect, landmeter, aannemer of adviesbureau waarmee de burgemeester een zakelijke of professionele samenwerking onderhoudt • De burgemeester zelf de voorbereiding doet voor het college van de tegenargumentatie in dossiers van negatief advies van de GOA in samenwerking met zijn persoonlijk aangeworven kabinetsmedewerker die hiervoor de pc van de burgemeester gebruikt en externe voorbereidende communicatie voert • Er contactname is geweest door diens persoonlijke medewerker met de kabinetsmedewerkers van de gedeputeerde van de provincie, bevoegd voor de ruimtelijke ordening en specifieke beroepen inzake omgevingsvergunningen • Het beroep bij de Deputatie tegen dossiers van weigering van een omgevingsvergunning meestal in het voordeel van het college van de Stad Oudenburg wordt beslist • Informatie wordt gedeeld met derden uit meerdere aanvraagdossiers zonder dat hiertoe een vraag werd gesteld op basis van de Wet Openbaarheid van Bestuur - De betrokkenheid van burgemeester [A.D.] bij beslissingen over de RUP’s (ruimtelijke uitvoeringsplannen) in ontwikkeling, stellende dat: • Minstens er een sterke betrokkenheid is met vertegenwoordigers van eigenaars van aanzienlijke stukken grond binnen de ontwerp-RUP’s • De burgemeester met zekerheid deel uitmaakte van het plantteam RUP en deelnam aan een aantal voorbereidende vergaderingen, met de perceptie van persoonlijke belangenverdediging of -vermenging op basis van het beschikken over een persoonlijke eigendom in het gebied • Door het opnemen van taken en bevoegdheden die essentieel en intrinsiek toebehoren aan de schepen van ruimtelijk ordening de perceptie is ontstaan van persoonlijke belangenverdediging of -vermenging - Het ingaan op VIP-uitnodigingen van private professionele en commerciële partners voor het faciliteren van de toekenning van omgevingsvergunningen en de opmaak van RUP’s in deze context verbonden aan het afsluiten van een promotie-overeenkomt X-19.011-13/23 - De tewerkstelling van een kabinetsmedewerker van de burgemeester, stellende dat deze: • Officieel deeltijds is tewerkgesteld als kabinetsmedewerker bij gedeputeerde [S.L.], onder meer bevoegd voor ruimtelijke ordening, inzonderheid voor het beroep tegen omgevingsvergunningen • Officieel in het KBO staat geregistreerd voor vastgoedmakelaarsactiviteiten • Tewerk is gesteld in een persoonlijke – onwettige – rechtstreekse overeenkomst met de burgemeester, zonder mailadres of -box van de stad maar werkend via de toegang van de persoonlijke pc en inloggegevens van de burgemeester • Onwettig toegang heeft tot overheidsgebonden documenten van de gemeente en bijkomend tot privacy-intrusieve gegevens • Tussen is gekomen voor het intrekken van een beroep tegen een toegekende omgevingsvergunning bij de Bestendige Deputatie in ruil voor de toezegging voor de verwerving van een ander onroerend goed door betrokkene. […] Naar aanleiding van het auditrapport verzocht toenmalig minister van Binnenlands Bestuur, [B.S.], aan de provinciegouverneur van West- Vlaanderen op 8 augustus 2023 om de gemeente Oudenburg onder ‘verscherpt toezicht’ te stellen. De gouverneur heeft geprobeerd om, in samenwerking met de verschillende actoren binnen het bestuur, een verbetertraject uit te werken om aan de aanbevelingen in het auditrapport tegemoet te komen. Dit traject verliep, zoals blijkt uit het bijgevoegde advies van de provinciegouverneur van 29 januari 2025, moeizaam. De provinciegouverneur wijst hierbij op de attitude van [A.D.] en op diens gebrek aan schuldinzicht. De provinciegouverneur stelt vast dat er een vertrouwensbreuk tot stand is gekomen tussen de medewerkers van de gemeente binnen het managementteam en de mandatarissen van het bestuur, in het bijzonder [A.D.]. Deze vertrouwensbreuk, die nefast is voor de goede werking van het bestuur van de gemeente, is niet hersteld. Het verbetertraject, met het oog om te voldoen aan de aanbevelingen van Audit Vlaanderen, is niet afgewerkt. Om deze redenen meen ik dat [A.D.] niet geschikt is als burgemeester van de gemeente Oudenburg. Daarnaast ben ik van oordeel dat van een burgemeester verwacht mag worden dat deze een indruk wekt van vertrouwen en onkreukbaarheid. De twee onderzoeken die het parket momenteel voert, maar vooral de materiële vaststellingen die in het auditrapport van 3 augustus 2023 werden geformuleerd (zie supra), doen hier ernstig afbreuk aan. Er werd een schijn van partijdigheid gecre[ë]erd. Door het feit dat het verbetertraject bij de provinciegouverneur slechts zeer moeizaam verliep en tot op heden onafgewerkt is gebleven, en door het feit dat de vertrouwensbreuk met personeelsleden binnen het managementteam niet kon worden hersteld, blijft deze indruk voortbestaan. Dit is een ernstige tekortkoming, temeer daar de burgemeester ook wordt bekleed met de hoedanigheid van officier X-19.011-14/23 van bestuurlijke politie, en als dusdanig het gezag heeft over de politiediensten voor het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke politie. De uitspraken in de pers van [A.D.] die zijn onpartijdigheid zouden moeten beklemtonen, volstaan niet om deze schijn van partijdigheid weg te nemen. Ook om deze reden ben ik van oordeel dat [A.D.] niet geschikt is als burgemeester van de gemeente Oudenburg.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. V. Ernst van het enige middel Samenvatting van het middel
- Het enige middel voert de schending aan van artikel 58 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: DLB), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
- De verzoekende partij vat het middel als volgt samen: “Er is in deze beslissing noch sprake van een zorgvuldige feitenvinding, noch van een correcte en zorgvuldige belangenafweging. Integendeel, de motieven van de bestreden beslissing berusten op feitelijke onjuistheden, onbewezen aantijgingen en loutere stijlformules. De bestreden beslissing betrekt het gunstige advies van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent nauwelijks, ondanks de verstrengde motiveringsplicht wanneer er wordt afgeweken van adviezen. Er blijkt X-19.011-15/23 amper een afweging te zijn geweest tussen het algemeen belang en het belang dat de gouverneur van de Provincie West-Vlaanderen en verwerende partij meenden te verdedigen, ofschoon verzoekende partij op grond van de regelgeving over een zeer duidelijk democratisch mandaat beschikt om benoemd te worden tot burgemeester. Verzoekende partij toont het bovenstaande aan in drie middelonderdelen. Eerst wordt aandacht besteed aan de algemene stijl en de opmerkelijke woordkeuze van de in de bestreden beslissing opgegeven motieven. Vrijwel de gehele motivering werd namelijk in de voorwaardelijke wijs opgesteld, vol met loutere stijlformules, interne contradicties en onbewezen aannames die niet op feiten, maar op subjectieve vooroordelen duiden. Het tweede onderdeel gaat in detail in op de vele feitelijke onjuistheden in de motieven, zoals die zelfs al blijken uit de stukken waarnaar verwerende partij zelf naar verwijst in de bestreden beslissing. Het derde en laatste onderdeel knoopt de voorgaande argumentatielijnen terug samen en besluit dat er in het licht van al het voorgaande onmogelijk sprake kon zijn geweest van een correcte of zorgvuldige belangenafweging in hoofde van verwerende partij die de bestreden beslissing kon rechtvaardigen.” Beoordeling
- Artikel 58, § 1, vijfde lid DLB, zoals gewijzigd door artikel 39 van het decreet van 16 juli 2021 ‘tot wijziging van diverse decreten, wat betreft versterking van de lokale democratie’ bepaalt: “De Vlaamse Regering neemt een beslissing over de al dan niet benoeming tot burgemeester nadat de aangewezen-burgemeester de eed heeft afgelegd en zij daarvan in kennis is gesteld door de gemeenteraad. In geval van benoeming tot burgemeester, kan hij als schepen worden vervangen conform artikel 49, § 1.”
- De memorie van toelichting betreffende deze bepaling bevat de volgende toelichting: “Het [vijfde] lid van deze paragraaf voorziet dat de gemeenteraad de Vlaamse Regering in kennis stelt van de eedaflegging van de aangewezen- burgemeester. Vanaf dan kan de Vlaamse Regering op gemotiveerde wijze overgaan tot het niet-benoemen van de aangewezen-burgemeester, als de Vlaamse Regering van oordeel is dat de aangewezen-burgemeester onwaardig is of ongeschikt is om tot burgemeester benoemd te worden. De Vlaamse Regering kan hiervoor het advies inwinnen van de gouverneur en van het parket.” (Parl. St. Vl. Parl., 790 (2020-2021) – Nr. 1, p. 32) X-19.011-16/23
- Of een betrokkene onwaardig of ongeschikt is om tot burgemees- ter benoemd te worden, houdt verband met zijn of haar kwaliteiten om een goed bestuur van de gemeente te behartigen en om als een loyale vertegenwoordiger en vertrouwensman van de regering op te treden. Tot die kwaliteiten en waarborgen behoort onder meer dat de aangewezen burgemeester de nodige morele eigen- schappen en het nodige moreel gezag bezit. Voor haar beoordeling ter zake beschikt de verwerende partij, zoals door de bevoegde Vlaamse minister tijdens de parlementaire voorbereiding van het gewijzigde artikel 58, § 1, vijfde lid, DLB uitdrukkelijk in herinnering ge- bracht, over een discretionaire bevoegdheid (Vl.Parl. 2020-2021, nr. 790/7, 30). Het gaat om een ruime discretionaire bevoegdheid, waarbij de verwerende partij, nu de benoeming nog niet gebeurd is, over een grotere bewegingsvrijheid beschikt, dan wanneer zij zou moeten oordelen over het opleggen van een tuchtmaatregel aan een reeds benoemde burgemeester (zie arresten van de Raad van State nr. 44.159 van 21 september 1993, nr. 60.518 van 26 juni 1996, nr. 185.384 van 14 juli 2008).
- Evident moet de beoordeling dat de aangewezen burgemeester onwaardig of ongeschikt is, gedragen worden door voldoende concrete, vast- staande en ter zake dienende gegevens. Die gegevens zijn evenwel geenszins be- perkt tot strafrechtelijke veroordelingen of tot feiten waarvoor (al) strafrechtelijke veroordelingen werden uitgesproken.
- In casu heeft de bevoegde minister het advies van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen (hierna: de gouverneur) en van het parket ingewonnen. 16.
- Het advies van de gouverneur is ongunstig, hetgeen in grote mate wordt gesteund op de vaststellingen die werden verricht in het kader van de forensische audit die door Audit Vlaanderen werd uitgevoerd. X-19.011-17/23 16.
- Op het eerste gezicht lijkt het van zorgvuldigheid te getuigen dat de bevoegde Vlaamse minister een dergelijk advies niet zomaar naast zich neerlegt, temeer nu het advies uitvoerig is gemotiveerd en wordt ondersteund door een gedetailleerd auditverslag van Audit Vlaanderen. 16.
- Dat het advies van de gouverneur in meerdere passages voorwaardelijk is geformuleerd, laat zich verklaren doordat het advies zich niet wil mengen in een strafonderzoek en/of een tuchtonderzoek. Die voorzichtigheid vermag op het eerste gezicht niet de onmiskenbare teneur van het advies te doen voorbijzien. Zij maakt het advies van de gouverneur en de mede daarop gesteunde bestreden beslissing niet minder draagkrachtig. 16.
- Het is prima facie vereist om bij de beoordeling van de geschiktheid van een aangewezen burgemeester alle relevante vaststellingen in aanmerking te nemen, ook deze die in voorkomend geval aanleiding zouden kunnen geven tot een tuchtrechtelijke of een strafrechtelijke procedure. Het is dan wel van belang dat de kwestieuze vaststellingen steunen op een zorgvuldig onderzoek, en dat deze van aard zijn dat ze de bestreden beslissing kunnen schragen (zie hierna, randnrs. 20.4 – 20.6).
- De bevindingen van het advies van de gouverneur worden niet tegengesproken of geneutraliseerd door het advies van de procureur-generaal. Dat laatste advies spreekt zich immers niet uit over de vraag of verzoeker wel of niet geschikt is voor het ambt van burgemeester. Het advies, dat “geen bezwaar” formuleert, is immers enkel “gestoeld op het principe van het vermoeden van on- schuld”, nu de door het parket vermelde tenlasteleggingen nog maar in de fase van het strafrechtelijke opsporingsonderzoek of gerechtelijk strafonderzoek verkeren. X-19.011-18/23 De wettigheidskritiek dat het advies van het parket niet in aanmerking werd genomen, en dat van dit advies wordt afgeweken, treedt de Raad van State dan ook niet bij.
- Het bestreden besluit beperkt zich niet tot het zich eigen maken van het advies van de gouverneur. “Daarnaast” is de bevoegde Vlaamse minister immers “van oordeel dat van een burgemeester verwacht mag worden dat deze een indruk wekt van vertrouwen en onkreukbaarheid. De twee onderzoeken die het parket momenteel voert, maar vooral de materiële vaststellingen die in het auditrapport van 3 augustus 2023 werden geformuleerd […], doen hier ernstig afbreuk aan”.
- Het is, zoals sub randnummer 13 aangegeven, niet ontoelaatbaar om bij de beoordeling van de geschiktheid als burgemeester ook rekening te houden met het moreel gezag van de betrokkene, inbegrepen de weerslag erop die de beroering omtrent zijn of haar persoon heeft meegebracht. Het is immers van belang dat de inwoners van de betrokken gemeente, het gemeentepersoneel en de overheden en ondernemingen die met de gemeente samenwerken, vertrouwen kunnen stellen in de integriteit van de burgemeester. In het kader van de wettigheidstoetsing zal worden nagegaan of de inschatting daaromtrent door de verwerende partij in voldoende mate door objectieve gegevens wordt ondersteund. Hierna zal blijken dat dit prima facie wel degelijk het geval is. 20.
- Verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing “tal van feitelijke onjuistheden bevat” en “dat tal van de opgegeven motieven niet eens overeenstemmen met de inhoud van het auditverslag”. 20.
- In het kader van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid volstaat het dat de Raad van State nagaat of de verrichte X-19.011-19/23 vaststellingen de bestreden beslissing prima facie in redelijkheid kunnen verantwoorden. 20.
- Uit het tweede middelonderdeel blijkt dat verzoeker in het bijzonder de volgende kritiek heeft op het advies van de gouverneur: - Verzoeker is afgetreden als burgemeester met ingang van 2 oktober 2023, en legde op 7 januari 2025 de eed af als aangewezen-burgemeester. Daartussenin was verzoeker niet betrokken als burgemeester en kunnen hem geen feiten worden toegerekend. Er kan hem kan dan ook niet worden verweten “geen deontologische code te hebben kunnen laten goedkeuren” of het “verbetertraject” niet te hebben afgewerkt; - Er worden “foutieve veronderstellingen gemaakt over de vermeende vertrouwensbreuk” met de administratie; - Ten onrechte wordt uitgegaan van “een gebrekkig schuldinzicht” in hoofde van verzoeker; - De bewering dat een persoonlijke medewerker “officieel in het KBO geregistreerd staat voor vastgoedactiviteiten” klopt niet. Dat deze “de pc van [verzoeker] voor oneigenlijke doelen gebruikt zou hebben, betreft […] eveneens een loutere aantijging”; - De vermelding dat de nieuwe schepen van ruimtelijke ordening geregistreerd zou zijn als individuele ondernemer, gespecialiseerd in bouwwerkzaamheden, klopt niet; - De vaststelling “dat het beroep bij de Deputatie tegen weigeringsdossiers ‘meestal in het voordeel van het college van de stad Oudenburg wordt beslist’ is onjuist”. 20.
- Verzoeker mag dan wel aanvoeren dat de lijst van de in het vorige randnummer vermelde elementen “feitelijke onjuistheden” bevat, op het eerste gezicht voert hij geen betwisting over de volgende elementen : - Verzoeker is binnen de gemeente in eigen naam en via meerdere vennootschappen professioneel actief in de vastgoedsector, hetgeen tot belangenconflicten aanleiding kan geven, en was in een aantal dossiers X-19.011-20/23 aangaande omgevingsvergunningsaanvragen betrokken bij de ontwikkeling van (tegen)argumentatie na een ongunstig advies van de gemeentelijke omgevingsambtenaar; - Verzoeker was betrokken bij besprekingen over gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die ook betrekking hadden op gronden waarop hij zakelijke rechten heeft; - Verzoeker is ingegaan op VIP-uitnodigingen van private en commerciële partners; - Verzoeker heeft op eigen kosten – en dus los van de gemeente – een persoonlijke medewerker als kabinetsmedewerker van de burgemeester tewerkgesteld, die ook deeltijds werkt voor de gedeputeerde van de provincie West-Vlaanderen, bevoegd voor ruimtelijke ordening, met inbegrip van de behandeling van beroepen tegen omgevingsvergunningen; - De audit die heeft plaatsgehad, heeft geleid, enerzijds, tot een verscherpt toezicht van de gouverneur, en, anderzijds tot het vrijwillig ontslag van verzoeker als burgemeester met ingang van 2 oktober 2023; - Er loopt een strafrechtelijk opsporingsonderzoek wegen een inbreuk op de kieswet, en een gerechtelijk strafonderzoek wegens belangenneming. 20.
- Verzoeker overtuigt er niet van dat de in het vorige randnummer vermelde elementen de bestreden beslissing om hem als “ongeschikt” voor het ambt als burgemeester te beschouwen, prima facie niet in redelijkheid kunnen verantwoorden. 20.
- Verzoeker betwist weliswaar “alle overige feitelijke aantijgingen die worden aangebracht door de gouverneur en werden overgenomen in de bestreden beslissing”, en verwijst daartoe naar zijn “reactie op het auditverslag”. Er blijkt echter niet dat deze reactie aan de verwerende partij bekend was toen de bestreden beslissing werd genomen. De inhoud ervan doet op X-19.011-21/23 het eerste gezicht ook geen afbreuk aan de vaststellingen die in randnummer 20.4 zijn vermeld. 20.
- De uitdrukkelijke erkenning van verzoeker dat hij “op vier jaar tijd in vergaderingen over 87 verschillende dossiers, maar liefst 122 maal de vergadering [heeft] verlaten” lijkt de realiteit van een problematiek inzake belangenvermenging alleen maar te bevestigen. De Raad van State merkt in dat verband op dat de loutere deelname aan vergaderingen niet de enige manier is waarop de besluitvorming in een bepaalde richting kan worden georiënteerd.
- Het besluit is dat verzoeker niet aantoont dat het bestreden besluit dat stelt dat hij “niet geschikt” is om het ambt van burgemeester uit te oefenen, prima facie niet op deugdelijke motieven is gesteund of anderszins onwettig is. VI. Besluit
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-19.011-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-19.011-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.916 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div