← België

Arrest 262923 - Niet begeleide minderjarigen - 07/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.923 Rolnummer: A. 242559/VII-42600 Zaak: Arrest 262923 - Niet begeleide minderjarigen - 07/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-10 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-16 05:21 Fiche Arrest nr 262.923 van 7 april 2025 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 262.923 van 7 april 2025 in de zaak A. 242.559/VII-42.600 In zake: R.K. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Soenen kantoor houdend te 9000 Gent Vaderlandstraat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep tot nietigverklaring, ingesteld op 12 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 13 mei 2024 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend. VII-42.600-1/23 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 februari 2025, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Soetkin De Smet, die loco advocaat Bruno Soenen verschijnt voor verzoeker, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 24 november 2021 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 28 februari 2006. De dienst Vreemdelingenzaken uitte geen twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. Op 15 februari 2022 wijst de dienst Voogdij een voogd aan die verzoeker tot de leeftijd van 18 jaar zal bijstaan. VII-42.600-2/23 Op 12 maart 2024 beslist de dienst Voogdij om de voogdij te beëindigen met ingang van 28 februari 2024, zijnde de datum waarop verzoeker de leeftijd van 18 jaar bereikt heeft. Verzoeker verklaart op 17 april 2024 aan de dienst Voogdij dat hij in 2007 is geboren en dus niet in 2006 zoals hij eerder verklaarde en legt een originele papieren taskara over. Op 13 mei 2024 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen (nieuwe) voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), van de materiële- en formelemotiveringsplicht, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van het “algemeen rechtsbeginsel van de zorgvuldigheidsplicht”, van het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, van de artikelen 27, eerste lid en 28, § 1, van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ (hierna: WIPR), van de artikelen 6, § 2, 1°, en 7 van Titel XIII, hoofdstuk 6, ‘voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van VII-42.600-3/23 22 december 2003), van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van artikel 22bis van de Grondwet, van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) en van artikel 14 van het Internationaal Verdrag met betrekking tot de Burgerlijke en Politieke Rechten (hierna: IVBPR). Hij licht dit als volgt toe in acht middelonderdelen: “

  1. a)aanvang voogdij en bijstand van een voogd De verzoeker wenst vooreerst de taak en de doelstelling van de Dienst Voogdij te onderlijnen in het kader van de bijzonder kwetsbare doelgroep van minderjarigen, met name de NBMV. Hij werpt hiervoor volgende artikelen op uit de Titel XIII, Hoofdstuk VI ‘Niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de Programmawet van 24 december 2002 en het KB van 22 december 2003: Het artikel 3 stelt naar letter dat het de eerste taak van de Dienst Voogdij is om een voogd aan te wijzen die een niet-begeleide minderjarige vreemdeling (hierna: NBMV) kan vertegenwoordigen. Art. 3. […] En Art. 5. […] Dat het artikel 3, waarin gesteld wordt dat de Dienst Voogdij een voogd moet aanwijzen ten voordele van de minderjarige, van toepassing is in hoofde van de verzoeker, daar hij binnen het toepassingsgebied valt zoals bepaald in het artikel 5. Hij was een jongen die minder dan 18 jaar oud was die niet begeleid werd door een persoon die het ouderlijk gezag of voogdij over hem kon uitoefenen krachtens de nationale wet van de minderjarige. Dat de verplichting om een voogd aan te stellen aan een NBMV tevens afgeleid kan worden uit het Kinderrechtenverdrag. Het eerste lid van het artikel 20 bepaalt namelijk uitdrukkelijk dat wanneer een kind uit zijn/haar familiale milieu verwijderd is, hij/zij recht heeft op een bijzondere bescherming. Dat de kindzorg moet worden gewaarborgd. Deze waarborgen zijn aldus niet alleen te vinden in de Belgische Voogdijwet maar kennen ook een hoger en meer internationaal, mensenrechtelijke niveau. Dat dit aantoont dat de waarborgen en de bijstand van de minderjarigen van groot belang is en een eerste overweging moet uitmaken van de overheden. (Site Justitie België over de Dienst Voogdij en haar doelstellingen, https://justitie.belgium.be/nl/themas_en_dossiers/kinderen_en_jongeren/nie t-begeleide_minderjarige_vreemdelingen). Toch is dit niet steeds het geval. Dat de verzoeker reeds erkend werd in november 2021 als minderjarige, en toen een voogd kreeg aangewezen. VII-42.600-4/23 Dat verzoeker in februari 2024 als meerderjarig werd beschouwd. Dat hij echter op 18.01.2024 een tweede verzoek om internationale bescherming indiende met zijn originele taskara als nieuw element, waaruit zijn minderjarige leeftijd blijkt. Dat de verzoeker intussen sinds februari 2024 onbegeleid in België is. Dat hierbij moet worden opgemerkt dat er een groot tekort is aan voogden binnen de Dienst Voogdij waardoor NBMV niet meteen een permanente voogd kan worden toegewezen. Dat er een wachtlijst is die kan oplopen tot 5 maanden. Dit zorgt immers voor een groot aantal knelpunten in hoofde van de kwetsbare minderjarigen. Zo ondervinden ze veel moeilijkheden bij het openen van een basisbankdienst, aansluiting bij een ziekenfonds etc. (Artikel door Brulocalis Brussels aangaande de NBMV en het tekort aan voogden, mei 2022, https://brulocalis.brussels). Dit omdat de jongeren handelingsonbekwaam zijn bij wijze van beschermingsmaatregel. Echter, deze maatregel die de minderjarige zou beschermen, schiet zijn doel voorbij en creëert zelfs nieuwe bijkomende knelpunten. Het kan niet de bedoeling zijn dat een beschermingsmaatregel voor kwetsbare groepen in precaire situaties in hun nadeel zouden spelen. Een ander knelpunt, wat ter zake aan de orde is, is de onbekwaamheid officiële documenten te ontvangen en te ondertekenen. Dat door het uitblijven van een voogd, de bestreden beslissing aan de minderjarige werd gegeven. Dat deze echter onbekwaam is de kennisgeving te ondertekenen enerzijds en anderzijds niet-bekwaam is te begrijpen wat de beslissing inhoudt en welke procedurele stappen er konden worden genomen. Dat de rechten van het kind en de eerlijke procedure geschonden zijn! Dat de jonge verzoeker ten minste recht had op de aanstelling van een tijdelijke voogd. Dat dus niet alleen de kinderrechten en rechten op eerlijke procedure werden geschonden, maar tevens ook de Voogdijwet wordt geloochend. Dat nu wel een akkoord is om bijkomende middelen toe te kennen voor de voogdij en de strijd tegen de mensenhandel, maar dit voor de jonge verzoeker te laat komt. Het kwaad is reeds geschied (Publicatie door de Ministerraad, FOD Justitie: bijkomende middelen voor voogdij en de strijd tegen mensenhandel, dd. 06/05/2022, FOD Justitie: bijkomende middelen voor voogdij en de strijd tegen mensenhandel/News.belgium): ‘FOD Justitie: bijkomende middelen voor voogdij en de strijd tegen mensenhandel De ministerraad gaat op voorstel van minister van Justitie Vincent Van Quickenborne akkoord met het verlenen van bijkomend budget voor de FOD Justitie naast de interdepartementale provisie Oekraïne. De ministerraad keurde een provisie van 800 miljoen euro goed voor uitgaven die het gevolg zijn van een verhoogde werklast door de instroom van Oekraïense vluchtelingen. De bijkomende middelen voor de FOD Justitie zullen aangewend worden voor de volgende domeinen:  Voogdij Daarnaast is er een groot aantal minderjarige vluchtelingen die niet begeleid zijn door iemand die het ouderlijk gezag uitoefent. De dienst Voogdij van VII-42.600-5/23 FOD Justitie heeft als opdracht om de minderjarigen op te vangen, de identiteit te verifiëren en een voogd aan te wijzen. De dienst begeleidt de voogden door hen te selecteren, op te leiden en de lopende voogdijen sociaal en administratief op te volgen. Ten tweede moeten er bijkomende voogden geselecteerd worden. Enerzijds moeten er 25 werknemer-voogden worden aangetrokken die tot max 700 jongeren moeten begeleiden. Anderzijds moeten er bijkomende vrijwillige en zelfstandige voogden worden geselecteerd, opgeleid en begeleid.’ Dat hij het bovendien betreurt dat er nu pas bijkomende financiële middelen worden vrijgemaakt, naar aanleiding van de instroom van Oekraïense vluchtelingen, terwijl reeds lange tijd, sinds de machtsovername door de Taliban (augustus 2021), eveneens een grote stroom aan Afghaanse vluchtelingen wordt vastgesteld. Dat toen geen stappen werden ondernomen en de verzoeker hierdoor geen voogd werd toegekend. Dat het nochtans meer dan deugdelijk was voor hem dat hij werd bijgestaan. Het artikel 6 van de voogdijwet voorziet immers een mogelijkheid om tijdelijke voogden aan te stellen, voogden die in uiterst precaire situaties zouden kunnen optreden in het belang van de jongere. Art. 6 […] Dat verzoeker overigens eerder een voogd had, met wie hij inmiddels een vertrouwensband heeft opgebouwd. Dat het voor de Dienst Voogdij een kleine moeite is om de toenmalige voogdij nog even aan te houden tot na een grondig leeftijdsonderzoek, eerder dan de voogdij te beëindigen alvorens er duidelijkheid is. Dat er twijfel is omtrent de geboortedatum en bijgevolg de minderjarigheid van verzoeker. Dat aan de jonge verzoeker echter het voordeel van de twijfel had moeten worden gegeven. Hij stelt echter geboren te zijn in 2007. Hij staaft dit met zijn originele taskara. Dat er hier geen sprake is van onmiskenbare redenen om te denken dat de verzoeker in wezen meerderjarig is. Dat de Dienst Voogdij bijgevolg, indien ze zorgvuldig gehandeld had, een tijdelijke voogd zou hebben aangesteld. De verzoeker verklaarde immers dat hij -18 jaar was en leek te voldoen aan de voorwaarden opgesomd in het artikel 5. Dat de jonge verzoeker in afwachting van de finale identificatie ook nood had aan bijstand en bescherming. Dat bovendien bij de finale identificatie en leeftijdsbeslissing evenzeer een noodwendigheid bestond bijgestaan te worden door een voogd. Toch werd hij aan zijn lot overgelaten en werd er allerminst rekening gehouden met de ratio achter de voogdij. Er werd zelfs geen leeftijdsonderzoek gevoerd. De rechten van verzoeker worden zomaar aan de kant geschoven en er is niemand die hem als minderjarige vertegenwoordigt om zijn rechten af te dwingen. Dat stelt ook de Kinderrechtencoalitie, in zijn rapport met titel ‘Papieren rechten’, zie […]. Dat deze titel reeds voor zich spreekt: ‘Niet-begeleide minderjarigen bevinden zich altijd in een precaire situatie, ook wanneer ze net gesignaleerd zijn bij de Dienst Voogdij en geïdentificeerd worden. Daarom zijn we van oordeel dat er tijdens de VII-42.600-6/23 identificatiefase een tijdelijke voogd moet worden toegewezen, ook als er twijfel bestaat over de leeftijd. Gezien het voordeel van de twijfel, moet men ervan uitgaan dat de persoon minderjarig is. Bovendien heeft zowel de NBM als België er voordeel bij dat de identificatie en het leeftijdsonderzoek snel en wettelijk verloopt. De tijdelijke voogd kan de persoon bijstaan tot het moment dat de minder- of meerderjarigheid wordt vastgesteld. De wet voorziet de aanstelling van een (tijdelijke) voogd ‘bij een omstandig gemotiveerde hoogdringendheid’ en in afwachting van de finale identificatie maar dit wordt in de praktijk nauwelijks toegepast.’ (Rapport Kinderrechtencoalitie met titel ‘Papieren rechten’, https://www.kinderrechtencoalitie.be/wp-content/uploads/2018/12/2016-pa pieren-rechten-kinderen-in-een-migratiecontext.pdf, 2017).
  2. b)aangaande de inhoudelijke conclusie in de bestreden leeftijdsbeslissing Zoals hierboven reeds duidelijk werd gemaakt, kan de vermeende meerderjarige verzoeker het niet eens zijn met de leeftijdsbeslissing. Dat de Dienst Voogdij een manifeste beoordelingsfout heeft begaan, door het louter niet aanvaarden van het document dat hij zou hebben voorgelegd waaruit zijn leeftijd blijkt: […] Dat deze bewoording als het ware lijkt dat de beslissing uit de losse pols is genomen. Dat de leeftijd van verzoeker door de bestreden beslissing van de Dienst Voogdij veranderd wordt. Dat er geen sprake kan zijn van een behoorlijk bestuur. De verzoeker roept vervolgens de materiële en formele motiveringsverplichting van de Dienst Voogdij in en stelt vast dat er sprake is van een schending van de volgende verplichtingen: c.1.) Motiveringsplicht Dat aan iedere administratieve rechtshandeling draagkrachtige motieven ten grondslag moeten liggen. Dat een bestuurshandeling aldus is gemotiveerd als niet alleen de concrete feiten maar ook de op die feiten toepasselijke rechtsregels worden vermeld en tevens wordt uitgelegd hoe de toepassing van die rechtsregels op de feiten naar de uiteindelijke beslissing heeft geleid. Overeenkomstig het artikel 62 van de Vreemdelingenwet moeten alle administratieve beslissingen met redenen omkleed worden. Artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 bepalen dat de bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd en dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn. Uit de bestreden beslissingen dient te blijken dat de Dienst Voogdij met alle feitelijke overwegingen – de specifieke situatie en de beschikbare documenten van de betrokken persoon – heeft rekening gehouden. Dat ze bovendien in het belang van het kind, het kind het voordeel van de twijfel dient te geven bij twijfel over de leeftijd. De uitdrukkelijke motiveringsplicht zoals uiteengezet in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de VII-42.600-7/23 bestuurshandelingen heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid haar beslissing heeft genomen, zodat hij kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Voornoemde artikelen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze (RvS 6 september 2002, nr. 110.071; RvS 21 juni 2004, nr. 132.710). Dat de motieven deugdelijk en weloverwogen moeten zijn. Dat in casu geen rekening werd gehouden met het origineel document die verzoeker heeft voorgelegd en er geen leeftijdsonderzoek werd gevoerd! c.2.) Zorgvuldigheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel, redelijkheidsbeginsel Het zorgvuldigheidsbeginsel legt aan het bestuursorgaan de verplichting om zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding. Het respect voor het zorgvuldigheidsbeginsel houdt derhalve in dat de Dienst Voogdij bij het nemen van een beslissing moet steunen op alle gegevens van het administratief dossier en op alle daarin vervatte dienstige stukken, naast het leeftijdsonderzoek. Er is echter geen leeftijdsonderzoek gebeurd! Het evenredigheidsbeginsel beoogt dat het bestuur in rechte en in feite een verantwoorde beslissing neemt. Het redelijkheidsbeginsel houdt in dat uit de opgegeven motieven de redenering van het bestuur moet blijken. De Raad van State dient bij haar uitoefening van zijn wettelijk toezicht, na te gaan of het bestuur bij het vaststellen van de leeftijd is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of hij die correct heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan niet kennelijk onredelijk tot zijn besluit is gekomen. Dat er dient te worden geconcludeerd dat de leeftijdsbeslissing op basis van de informatie over de verzoeker, beschikbaar in november 2021, vrij correct is verlopen. Dat de verweerster concludeerde dat de verzoeker minderjarig is. Echter nu verzoeker een bijkomend stuk ter staving voorlegt oordeelt verweerster dat dit niets toevoegt. Nochtans ontstaat hierdoor twijfel over de leeftijd van verzoeker en bij twijfel zou verzoeker aan een leeftijdsonderzoek moeten worden onderworpen! Toch moet er worden opgemerkt dat de motivering niet voldoende zorgvuldig of verantwoord is. Meer nog, er is amper sprake van motivering. Dat het eerder een gevoelsmatige beslissing betreft. Dit blijkt uit de bewoording: ‘U hebt ons ook een document om uw leeftijd te bewijzen bezorgd. We hebben dit document onderzocht, maar we aanvaarden deze niet.’ […] c.3.) Consistentie en wetenschappelijkheid van de conclusie Verweerster wijst zelf naar de geldende wetgeving omtrent twijfel bij de leeftijd van een verzoeker: […] VII-42.600-8/23 (Artikel 7, § 1, eerste lid, van titel XIII, hoofdstuk 6 "Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen" van de programmawet van 24 december 2002.) Dat zij hier echter zelf geen gevolg aan geeft door dergelijk leeftijdsonderzoek niet uit te voeren! Er werd geen arts aangesteld, verweerster baseert zich op haar eigen assumpties. Dat hier allerminst sprake kan zijn van een wetenschappelijk onderbouwde en vaststaande conclusie. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of de materiële motiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen zonder dergelijk leeftijdsonderzoek. Dat verweerster verder het volgende aanhaalt: […] (Artikel 3 §1 van het Koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002.) Verzoeker legt zijn originele taskara voor + de vertaling […], waaruit blijkt dat hij geboren is in 2007. Dat verzoeker deze originele taskara heeft toegestuurd gekregen per post uit Afghanistan. Dat aan dit origineel document aldus de nodige waarde moet worden gehecht. Verzoeker verwijst hiervoor naar het WIPR. […](artikel 28 §1 van het Belgisch Wetboek van internationaal privaatrecht). […](artikel 28 §2 van het Belgisch Wetboek van internationaal privaatrecht). Verweerster legt nochtans geen tegenbewijs voor! De motivatie van de beslissing van de dienst Voogdij is niet gebaseerd op een medisch verslag. Omwille van de geringe betrouwbaarheid van het medisch leeftijdsonderzoek kan de bewijswaarde van verzoekers taskara, geboorteakte en vaccinatiekaart niet aan de kant worden geschoven maar moet ze worden beoordeeld in het licht van verzoekers volledige verklaringen met betrekking tot zijn verzoek om internationale bescherming. Er is op zijn minst aanvullend onderzoek nodig, zoals de in artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziene psycho-affectieve test, en dit voorafgaand aan een medische leeftijdstest. Dit is rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het EHRM. Op basis van haar eigen assumties oordeelde de Dienst Voogdij in casu dat de verzoeker meerderjarig is. Zoals reeds gesteld werd deze eindbeslissing onvoldoende gemotiveerd en kon niet worden achterhaald op welke wijze tot het besluit was gekomen, dat het eerder getuigt van natte vingerwerk. (Leidraad bij het leeftijdsonderzoek bij NBMV door Vluchtelingenwerk Vlaanderen, https://www.kinderrechtencoalitie.be/wp-content/uploads/ 2018/12/2016-papieren-rechten-kinderen-in-een-migratiecontext.pdf). De verzoeker voor de volledigheid wenst aan te stippen dat de huidige praktijken van de leeftijdsschatting reeds meermaals veroordeeld werden VII-42.600-9/23 door verschillende instanties, waaronder het Europees Parlement, de Nationale Raad van de Orde der artsen, de VN Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen, de Raad van Europa en het VN Kinderrechtencomité. De consensus onder deze instanties luidt dat de drievoudige radiografie, die nu de hoeksteen van het leeftijdsonderzoek is, hoogstens als aanvullende factor in acht genomen kan worden bij een leeftijdsschatting, en dat enkel in geval van aanhoudende twijfel. In de plaats van enkel een medisch onderzoek moet er een holistisch en multidisciplinair onderzoek komen, met inbegrip van psychologische evaluaties, gesprekken met de verzoeker zelf en verslagen van sociaal werkers en (voorlopige) voogden. Er moet ook meer rekening gehouden worden met (identiteits)documenten. Dit geldt des te meer gezien er geen formele motivatie nodig is bij het uiten van leeftijdstwijfel en er dus snel wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek. Dat ook Vluchtelingenwerk Vlaanderen deze mening is toegedaan […]. Dat indien het leeftijdsonderzoek een multidisciplinair onderzoek betrof, de Dienst Voogdij ook had gekomen tot de conclusie dat de verzoeker minderjarig is en allerminst richting de 18 jaar neigt. Dat bij verzoeker zelfs geen leeftijdsonderzoek werd gedaan is frappant. Dat de voogdij door deze onredelijke, onzorgvuldige en onnauwkeurige bestreden beslissing werd beëindigd en de jongeheer er alleen voor staat. Dat de raadsman van verzoeker de Dienst Voogdij hierop wees […]. Dat de Dienst Voogdij hier echter geen aanstalten aan nam en bij haar beslissing bleef, die zij op onzorgvuldige wijze heeft genomen daar er geen leeftijdsonderzoek werd gevoerd. c.4.) Betreffende de minderjarigheid van de verzoeker Dat de verzoeker volhoudt dat hij op heden nog steeds minderjarig is! De Dienst voogdij diende zoals eerder gesteld het voordeel van de twijfel te geven aan de minderjarige. De verzoeker stelde immers minderjarig te zijn en geboren te zijn in het jaar 2007. Hij kon hiervoor zijn originele taskara voorleggen […]. Zijn familie in Afghanistan heeft de moeite genomen om het originele document per post op te sturen. Dat de Dienst Voogdij het voordeel van de twijfel had moeten toekennen aan de jongeman. Dat de Dienst Voogdij vaststelde dat hij niet loog over zijn minderjarigheid. Hij werd immers bij zijn eerste asielaanvraag op zijn verklaringen geloofd en als minderjarig beschouwd. Dit zou dan ook onmiskenbaar blijken uit een leeftijdsonderzoek moest die worden afgelegd. Dat er hierbij dient te worden gekeken naar het artikel 3 van het KB van 22 december 2003 tot uitvoering van de Voogdijwet NBM (hierna: Voogdijbesluit). Dat de Dienst bij twijfel over de leeftijd een medisch onderzoek moet laten uitvoeren. Dat ze daarnaast ook door middel van officiële documenten of inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of elke andere inlichting, voor zover dit verzoek om inlichting de minderjarige of diens familie niet in gevaar brengt. VII-42.600-10/23 Deze laatste vorm van informatie verzamelen is van groot belang in geval de jongere geen of weinig identiteitsdocumenten kan aanleveren. (zie ook : https://www.agii.be/nieuws/rvs-leeftijdsbeslissing-vermeende-nbmv-schend t-motiveringsplicht). In verzoekers situatie had de verwerende partij de minderjarige verzoeker dienen te geloven op zijn woord nadat ze tot het besluit kwamen dat hij wel degelijk minderjarig is, zoals hij beweerde. c.5.) Schending van de artikelen 27, 1e lid en 28, §1 wetboek IPR Dat de verzoeker zijn originele Taskara kan voorleggen. Dat deze Taskara een buitenlandse akte betreft. […] Het artikel 27 van het Wetboek IPR stelt het volgende: […]. Dat de Dienst Voogdij dient te aanvaarden dat de minderjarige verzoeker een authentieke buitenlandse akte heeft. Dat de Belgische instanties deze dient te erkennen zonder enige procedure naar de rechtsgeldigheid te doen, indien de documenten rechtsgeldig werden opgesteld overeenkomstig het toepasselijk recht. Dit impliceert derhalve dat de verzoekers authentieke akte, met name de Taskara principieel erkend diende te worden door de Dienst Voogdij. Verder stelt het artikel 28, §1 van het Wetboek IPR het volgende: […] Dat de geboorteakte en de Taskara de ware geboortedatum en het geboortejaar vaststelt, met name het jaar 2007 […]. Dat dit bewijs werd opgemaakt door de Afghaanse overheidsdiensten en voldoen aan de voorwaarden voor de echtheid van het recht van de staat die het opstelde. Dat de Dienst Voogdij naar aanleiding van het voorleggen van de Taskara de geldigheid van de akte principieel zou moeten erkennen, zeker aangezien ze eerder geen twijfels had over de minderjarigheid van verzoeker na zijn loutere verklaringen bij zijn eerste asielaanvraag. Dat ze minstens de minderjarigheid aan de hand van de Taskara hadden moeten erkennen als ‘sein’ om een (tijdelijke) voogd aan te stellen die de verzoeker kan bijstaan in de eerste maanden van zijn volgende asielprocedure in België. Dat de verzoeker wel degelijk een minderjarige is en dit kan aantonen aan de hand van zijn originele taskara, maar ook door zijn gedrag en persoonlijkheid. Dat er geen leeftijdsonderzoek werd gevoerd die dit kan bevestigen, en er aldus onvoldoende zekerheid is over de leeftijd doch de meerderjarigheid werd geconcludeerd. Dat de rechten van de verzoeker ontegensprekelijk geschonden zijn. C.6.) Schending van de hogere belangen van het kind en van het eerlijk proces Dat zoals reeds meerdere malen aangehaald in dit verzoekschrift duidelijk blijkt dat de minderjarige niet de bijstand heeft genoten die hij had moeten krijgen. Dat de leeftijdsbeslissing onregelmatig en niet-rechtsgeldig aan de jonge verzoeker werd mede gedeeld, aangezien hij niet meer werd bijgestaan door een voogd. Dat tenslotte zijn rechten als kind geschonden zijn : VII-42.600-11/23 Het artikel 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, dat rechtstreekse werking heeft, bepaalt als volgt: […] Ook het artikel 22bis van de Grondwet bepaalt hieromtrent: […] Ook het recht op eerlijk proces wat een algemeen rechtsbeginsel en een beginsel van behoorlijke rechtsbedeling betreft, werd geschonden. Een eerlijk proces betekent dat iemand het recht heeft op een eerlijke, openbare behandeling van de zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht en dat conform de wet werd ingesteld. Deze beschrijving kan worden gelezen in de artikelen 6 EVRM en 14 van het BUPO-verdrag. Dit beginsel biedt de burger een waarborg tegen arbitraire uitspraken en zorgt ervoor dat de bevolking op de hoogte is van het reilen en zeilen van justitie aangaande zijn persoon. Dat dit in casu niet het geval was. De minderjarige was allerminst op de hoogte van het reilen en zeilen. Dat hij bovendien geacht werd handelingsonbekwaam te zijn. Dat hij ook niet op de hoogte kon zijn. Dat ondanks de invoering van de Voogdijwet nog steeds flagrante schendingen van de rechten van de NBMV worden vastgesteld. Dat hierbij nogmaals de vraag rijst of deze rechten en de garanties niet louter papieren rechten en garanties betreffen? Dat het evident niet in het hoger belang van de minderjarige is om ouder te worden geschat dan zijn verklaarde leeftijd nu hij wel als minderjarige wordt beschouwd. Dat bovendien ondanks het geschreven recht op het hebben van een voogd, geen voogd werd aangesteld, waardoor de minderjarige als het ware aan zijn lot werd overgelaten. Dat dit allerminst kan worden goedgekeurd. Dat er sprake is van faliekante mensenrechtenschendingen en dat deze aan de kaak moeten worden gesteld. V. Concluderend Dat de verwerende partij bij zijn bestreden beslissing vaststelde dat de verzoeker meerderjarig is. Dat het niet te begrijpen valt hoe een leeftijdsbeslissing ten aanzien van een minderjarige kan genomen worden zonder de bijhorende gelijktijdige aanstelling van een voogd. Dat de Dienst Voogdij niet alleen de wet niet correct toepast maar ook de ratio legis uit het oog verliest bij dergelijke handelswijze. Dat verzoeker zijn rechten hierdoor geschonden worden. Dat de bestreden beslissing buigt op een gebrekkige, inconsistente motivering. Dat de Dienst Voogdij naliet een leeftijdsonderzoek te voeren alvorens een beslissing te nemen. Dat de garanties ingebouwd in de Voogdijwet naar aanleiding van de zaak 'Tabitha' in 2002, waarbij België werd veroordeeld bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vanwege mensonterende behandelingen, in hoofde van de jonge verzoeker allerminst werden gegarandeerd. Dat de rechten en de veiligheid van minderjarigen de eerste overweging zouden moeten vormen. Dat dit in casu niet het geval is. Dat dit valt te betreuren. VII-42.600-12/23 Om deze reden vragen de jonge verzoeker (en de voormalige voogd [P.F.]) aan uw Raad om de bestreden beslissing te vernietigen. Dat de raadsman van verzoeker de Dienst Voogdij de kans gaf zich in regel te stellen en alsnog een leeftijdsonderzoek te voeren, doch dat dit door de Dienst Voogdij in de wind werd geslagen […]. Het is echter betreurenswaardig dat de verwerende partij niet eens de moeite nam om een grondig onderzoek te voeren. Dat dit bovenop alle andere schendingen kan worden bijgeteld. Dat uit alles hierboven blijkt dat de Dienst Voogdij geen rekening heeft gehouden met de minderjarige en zijn persoonlijke situatie. Dat hij als kind zijn land van herkomst en zijn familie diende te verlaten. Dat hij in België kwam hopende hier veilig te zijn. Dat België de veiligheid niet kon garanderen.” Beoordeling Eerste middelonderdeel: “aanvang voogdij en bijstand van een voogd” 5. Verzoekers kritiek dat hij een tijdelijke voogd had moeten krijgen in afwachting van het onderzoek naar het door hem aan de dienst Voogdij overgelegde document doch “aan zijn lot [werd] overgelaten”, dat de voogdijwet werd geschonden bij gebreke aan de aanstelling van een tijdelijke voogd, dat de rechten van het kind en “de eerlijke procedure” niet werden gerespecteerd doordat de bestreden beslissing rechtstreeks aan verzoeker werd betekend, terwijl hij onbekwaam is te ondertekenen voor ontvangst of zelfs de inhoud ervan te begrijpen en dat verzoeker het voordeel van de twijfel diende te genieten omdat er twijfel is gerezen omtrent zijn geboortedatum, mist feitelijke grondslag. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op 24 november 2021 aan de dienst Voogdij verklaarde geboren te zijn op 28 februari 2006 en van Afghaanse nationaliteit te zijn. De dienst Voogdij uitte geen twijfel, stelde op 15 februari 2022 een voogd aan voor verzoeker en stelde op 12 maart 2024 een einde aan de voogdij per 28 februari 2024, de dag waarop verzoeker 18 jaar was geworden. Er werd geen annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State. Verzoeker maakte op 17 april 2024 een originele papieren taskara VII-42.600-13/23 over aan de dienst Voogdij, waarna verzoeker werd uitgenodigd voor een gesprek dat plaatsvond op 24 april 2024. De dienst Voogdij won advies in over de authenticiteit van verzoekers taskara en nam vervolgens op basis van dit advies en verzoekers verklaringen op 13 mei 2024 de bestreden beslissing, waarbij verzoekers document niet wordt aanvaard en hij als ouder dan 18 jaar wordt beschouwd . Uit dit feitenrelaas blijkt dat verzoeker wel degelijk een voogd kreeg toegewezen tot op het moment waarop hij, volgens zijn eigen oorspronkelijke verklaringen, 18 jaar werd en verder dat verzoeker ouder dan 18 jaar was op het ogenblik waarop de bestreden beslissing aan hem werd betekend. Aangezien uit de beoordeling van de overige middelonderdelen infra blijkt dat verzoeker de onwettigheid van de bestreden beslissing en daarmee van de vaststelling dat hij ouder is dan 18 jaar, niet aantoont, vermocht de verwerende partij de bestreden beslissing wel degelijk rechtstreeks aan hem te betekenen. Verzoeker kan zich niet dienstig beroepen op de door hem ingeroepen bepalingen. Ten slotte diende verzoeker niet het voordeel van de twijfel te genieten, omdat de verwerende partij nooit twijfel heeft geuit omtrent verzoekers leeftijd. 6. Het eerste middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Tweede middelonderdeel: “aangaande de inhoudelijke conclusie in de bestreden leeftijdsbeslissing” 7. Hoewel verzoeker de verwerende partij verwijt een manifeste beoordelingsfout te hebben begaan door verzoekers document “louter niet [te] aanvaarden”, laat hij verder na uiteen te zetten waarop zijn kritiek is gesteund. Verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij zich bij het nemen van de VII-42.600-14/23 bestreden beslissing heeft gesteund op onjuiste of onbewezen feiten dan wel de feiten verkeerd heeft beoordeeld of er een verkeerde gevolgtrekking uit haalt. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de dienst Voogdij advies heeft ingewonnen omtrent verzoekers taskara. Volgens dit advies valt de authenticiteit van dit soort documenten niet te controleren en kunnen dergelijke documenten gemakkelijk via allerlei niet-officiële kanalen in Afghanistan verkregen worden. Verder stelt de dienst Voogdij vast dat verzoekers document niet gelegaliseerd is en dat verzoeker onduidelijke en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over hoe hij de taskara heeft bekomen. De dienst Voogdij motiveert derhalve waarom hij verzoekers document niet aanvaardt zodat, anders dan hoe verzoeker het ziet, de bestreden beslissing niet “uit de losse pols is genomen”. 8. Verzoekers kritiek dat de bestreden beslissing zijn leeftijd verandert, mist feitelijke grondslag. De bestreden beslissing heeft niet het karakter van een leeftijdsbepaling (waarvoor immers de gewone rechtbanken en hoven bevoegd zijn) maar slechts van een leeftijdsschatting om na te gaan of verzoeker al dan niet in aanmerking komt voor de bescherming die is voorzien voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Bovendien wordt verzoeker als ouder dan 18 jaar beschouwd op basis van zijn eigen, eerdere verklaringen, zodat de dienst Voogdij door te beslissen verzoekers document niet te aanvaarden zijn leeftijd niet verandert. 9. Het tweede middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Derde middelonderdeel: “motiveringsplicht” 10. De schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet kan niet dienstig worden aangevoerd tegen de bestreden beslissing, die met toepassing van de voogdijwet is genomen en dus niet met toepassing van de vreemdelingenwet. VII-42.600-15/23 Het middelonderdeel is in die mate niet ontvankelijk. 11. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van deze formelemotiveringsplicht bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is die beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker verklaarde geboren te zijn op 28 februari 2006, dat de dienst Voogdij op basis van verzoekers verklaringen een voogd aanstelde, dat de voogdij een einde nam op 28 februari 2024 doordat verzoeker op die datum 18 jaar werd, dat verzoeker vervolgens op 17 april 2024 verklaarde geboren te zijn in het jaar 2007 in plaats van 2006, en dat hij tijdens een gesprek op 24 april 2024 een originele papieren taskara voorlegde. Omtrent dit document motiveert de dienst Voogdij in de bestreden beslissing dat verzoeker onduidelijke en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over hoe hij de taskara heeft bekomen, dat het document niet gelegaliseerd is en dat uit het advies dat over dit document gevraagd werd, blijkt dat dit soort documenten gemakkelijk via allerlei niet-officiële kanalen kan worden verkregen in Afghanistan, waarbij de authenticiteit ervan niet te controleren valt. De dienst Voogdij heeft bij het nemen van de bestreden beslissing wel degelijk rekening gehouden met verzoekers taskara en gemotiveerd waarom het document niet wordt aanvaard. Verzoeker betwist deze motieven niet in het minst, laat staan dat hij ze weerlegt, en verduidelijkt evenmin waarom deze VII-42.600-16/23 motivering hem niet in staat zou stellen te begrijpen waarom de taskara niet wordt aanvaard als bewijs van zijn voorgehouden minderjarigheid. In de mate dat verzoeker aanvoert dat een leeftijdsonderzoek moest worden uitgevoerd, heeft deze kritiek geen uitstaans met de formelemotiveringsplicht, zoals deze is vastgelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991. 12. Waar verzoeker in het middel voorhoudt dat bij het nemen van de bestreden beslissing geen rekening is gehouden met zijn origineel document, werpt hij een schending van de materiëlemotiveringsplicht op. Deze houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. De bestreden beslissing wordt gedragen door het motief omtrent het door verzoeker voorgelegde document. Zoals uit bovenstaande overwegingen betreffende de formelemotiveringsplicht blijkt, verduidelijkt de bestreden beslissing waarom verzoekers taskara niet wordt aanvaard en de dienst Voogdij verzoeker beschouwt als ouder dan 18 jaar en geen voogd toewijst. Concreet stelt de dienst Voogdij vast dat verzoeker onduidelijke en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over hoe hij de voorgelegde taskara heeft bekomen en dat het voorgelegde document niet gelegaliseerd is en baseert de dienst Voogdij zich met de bestreden beslissing tevens op het advies dat hij over dit document heeft ingewonnen, waaruit blijkt dat de authenticiteit ervan niet kan worden gecontroleerd. Deze motieven volstaan om de bestreden beslissing te dragen. Met VII-42.600-17/23 de algemene bewering dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met zijn document, dat overigens onjuist blijkt te zijn, toont verzoeker geen schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. 13. In de mate dat verzoeker aanvoert dat hij het voordeel van de twijfel diende te genieten bij twijfel over zijn leeftijd, blijkt uit de bespreking van het vierde, vijfde en zevende middelonderdeel infra dat de dienst Voogdij nooit twijfel heeft geuit over verzoekers leeftijd. 14. Het derde middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Vierde, vijfde en zevende middelonderdeel: ”zorgvuldigheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel, redelijkheidsbeginsel”, “consistentie en wetenschappelijkheid van de conclusie” en “schending van de artikelen 27, 1e lid en 28 §1 Wetboek IPR” 15. Naar luid van artikel 7, §1, eerste lid van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij of indien een andere overheid, bevoegd voor asiel, toegang tot het grondgebied, verblijf en verwijdering twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Doordat te dezen geen medisch onderzoek werd uitgevoerd, acht verzoeker deze bepaling, alsook het zorgvuldigheids-, evenredigheids- en redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht geschonden. Uit het administratief dossier blijkt niet dat de dienst Voogdij dan wel enige andere overheid, bevoegd voor asiel, toegang tot het grondgebied, verblijf en verwijdering twijfel heeft geuit omtrent verzoekers leeftijd. Anders dan hoe verzoeker het ziet, kan niet worden aangenomen dat het volstaat een document voor te leggen aan de dienst Voogdij opdat twijfel zou ontstaan omtrent verzoekers leeftijd. Uit de bestreden beslissing blijkt te dezen namelijk dat de dienst Voogdij VII-42.600-18/23 nooit heeft getwijfeld over verzoekers leeftijd en zich steeds heeft gebaseerd op verzoekers oorspronkelijke verklaringen om hem vanaf 28 februari 2024 als ouder dan 18 jaar te beschouwen. Met de bestreden beslissing motiveert de dienst Voogdij waarom verzoekers taskara niet kan worden aanvaard en zo ook waarom deze geen afbreuk kan doen aan verzoekers eigen, eerdere verklaringen. Concreet wordt in de bestreden beslissing vastgesteld dat verzoekers document niet gelegaliseerd is en dat verzoeker onduidelijke en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over hoe hij de taskara heeft bekomen. Bovendien won de dienst Voogdij een advies in omtrent verzoekers taskara, op basis waarvan wordt geconcludeerd dat de authenticiteit ervan niet kan worden gecontroleerd. Verzoeker toont met zijn kritiek geen schending aan van artikel 7 van de voogdijwet. Evenmin toont verzoeker een schending aan van de door hem aangehaalde beginselen. 16. In zoverre verzoeker opnieuw stelt dat de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd en niet kan worden achterhaald op welke wijze de dienst Voogdij tot zijn besluit is gekomen, en hij verder onder meer aanvoert dat de bestreden beslissing “getuigt van natte vingerwerk”, gebaseerd is op “eigen assumpties en “eerder een gevoelsmatige beslissing betreft”, wordt verwezen naar de beoordeling van het derde middelonderdeel supra, waarmee verzoekers kritiek ongegrond werd bevonden. 17. In de mate dat verzoeker aanvoert dat “omwille van de geringe betrouwbaarheid van het medisch leeftijdsonderzoek […] de bewijswaarde van verzoekers taskara […] niet aan de kant [kan] worden geschoven, is zijn kritiek niet dienstig omdat te dezen geen medisch leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden. Om dezelfde reden is zijn kritiek dat “de huidige praktijken van de leeftijdsschatting reeds meermaals veroordeeld werden door verschillende instanties”, dat ten minste aanvullend onderzoek nodig is, waaronder een pyscho-affectieve test, zoals voorzien in artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003, en dat “[i]n de plaats van enkel een medisch VII-42.600-19/23 onderzoek […] er een holistisch en multidisciplinair onderzoek [moet] komen, niet relevant. 18. Waar verzoeker beweert dat zijn taskara conform artikel 27, § 1 van het WIPR principieel erkend diende te worden en dat de dienst Voogdij niet het tegenbewijs levert in de zin van artikel 28, § 2 van het WIPR, van de feiten die door verzoekers document worden vastgelegd, gaat hij voorbij aan de vaststelling in de bestreden beslissing dat zijn taskara niet gelegaliseerd is, wat hij overigens niet betwist. Artikel 30 van het WIPR bepaalt dat een buitenlandse rechterlijke beslissing of authentieke akte moet worden gelegaliseerd om in België geheel of bij uittreksel, in origineel of in afschrift, te worden voorgelegd. Conform dit artikel hebben zelfs authentieke akten geen bewijskracht indien ze niet gelegaliseerd zijn. Noch het zorgvuldigheidsbeginsel, noch het redelijkheidsbeginsel kan hieraan afbreuk doen. Verzoeker verwijst ten slotte naar een geboorteakte en vaccinatiekaart, doch deze documenten bevinden zich niet in het administratief dossier en werden evenmin als stuk voorgelegd aan de Raad van State. Uit geen enkel element blijkt dat verzoeker zijn geboorteakte en vaccinatiekaart aan de verwerende partij heeft bezorgd dan wel dat deze laatste kennis had of moest hebben van deze documenten op het ogenblik dat hij de bestreden beslissing nam. Alleen al om die reden kan met deze documenten, geen rekening worden gehouden bij de boordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing. 19. Het vierde, vijfde en zevende middelonderdeel zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Zesde middelonderdeel: ”betreffende de minderjarigheid van verzoeker” VII-42.600-20/23 20. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Verzoeker zet niet uiteen, minstens niet anders dan met de voormelde ongegrond bevonden kritiek, op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden met de bestreden beslissing. 21. Andermaal beroept verzoeker zich op het voordeel van de twijfel, doch uit de beoordeling van het vierde, vijfde en zevende middelonderdeel supra blijkt dat noch de dienst Voogdij, noch een andere overheid, bevoegd voor asiel, toegang tot het grondgebied, verblijf en verwijdering, twijfel uitte omtrent verzoekers leeftijd. 22. Het zesde middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Achtste middelonderdeel: ”schending van de hogere belangen van het kind en van het eerlijk proces” 23. Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Aangezien verzoeker de onwettigheid van deze vaststelling niet aantoont, kan hij zich niet dienstig beroepen op het hoger belang van het kind. Dit geldt eveneens voor wat artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 22bis van de Grondwet betreft. Bovendien volgt uit voormelde vaststelling dat de bestreden beslissing, gelet op verzoekers leeftijd, wel degelijk rechtstreeks aan hem kon worden betekend. VII-42.600-21/23 24. In de mate dat verzoeker verwijst naar de artikelen 6 van het EVRM en 14 van het IVBPR om te stellen dat zijn recht op een eerlijk proces geschonden is, dient te worden vastgesteld dat deze bepalingen niet van toepassing zijn op de bestreden administratieve beslissing, die het karakter heeft van een leeftijdsschatting. 25. Het achtste middelonderdeel is niet ontvankelijk. Conclusie 26. Het enige middel is in al zijn onderdelen, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.600-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeven april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.600-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.923 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.