← België

Arrest 262952 - Landbouw en visserij - 09/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.952 Rolnummer: A. 240950/XIV-39535 Zaak: Arrest 262952 - Landbouw en visserij - 09/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-10 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-13 05:45 Fiche Arrest nr 262.952 van 9 april 2025 Economische zaken - Landbouw en visserij Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI ecli_prefixe ECLI ecli_pays ecli_cour ecli_annee ecli_ordre Ongeldig ECLI-nummer - 1 element (

  1. en)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI invalide Ongeldig ECLI-nummer - 1 element (
  2. en)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 262.952 van 9 april 2025 in de zaak A. 240.950/XIV-39.535 In zake : de BV L. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Aude Mahy, Emmanuel Van Nuffel en Floriane Delbaere kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Van De Keere kantoor houdend te 8800 Roeselare Kwadestraat 151B/41 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 15 januari 2024, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de Vlaamse overheid, Departement Landbouw en Visserij dd. 18 december 2023, volgens dewelke het gebruik van biologisch gecertificeerd poeder verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van de algen Lithothamnium calcareum, in biologische plantaardige dranken niet is toegelaten”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-39.535-1/39 Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025 om 14.30 uur. Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaten Aude Mahy en Floriane Delbaere, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Jo Goethals, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij is een bedrijf naar Belgisch recht, gespecialiseerd in het op de Europese markt brengen van biologische plantaardige voedingsmiddelen, waaronder biologische rijst- en haverdranken. Een kenmerkend ingrediënt van deze plantaardige dranken is het wier Lithothamnium calcareum, afkomstig uit biologische gecertificeerde wilde verzameling. XIV-39.535-2/39 3.2. Op 4 april 2023 voert het controleorgaan een controle uit bij de verzoekende partij en stelt daarbij vast dat in twee biologische producten het wier Lithothamnium calcareum wordt gebruikt. Het betreft de volgende twee biologische graandranken met referenties: − 49121000 Rice drink Algen 1L (geproduceerd door N. GmbH) − 49122000 Oat drink Algen 1L (geproduceerd door M.S. GmbH) 3.3. In de certificatiebeslissing van 13 april 2023 stelt het controleorgaan dat voor lithothamnium een onderscheid moet worden gemaakt tussen algen/zeewier (Lithothamnion sp Algae) en een marien product dat ontstaat door verkalking van dode algen (Maerl bedden). Lithothamnium algen zijn zeewier en een landbouwkundig product. Een product dat het resultaat is van het oogsten en verwerken van vers zeewier kan zodoende biologisch gecertificeerd worden. Het kalkskelet dat ontstaat door verkalking van dode algen (zoals Maerl bedden) is volgens het controleorgaan daarentegen niet te beschouwen als een landbouwkundig ingrediënt, en kan dan ook niet worden gecertificeerd onder verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 ‘inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad’ (hierna: verordening (EU) 2018/848). Het gebruik van calciumrijke restanten van lithothamnium in biologische levensmiddelen kan volgens het controleorgaan niet worden aanvaard. Gesteld wordt dat zoals gespecifieerd in de transversale wetgeving het gebruiksdoel van een ingrediënt van doorslaggevend belang is en dat de bio of niet-bio kwaliteit van de grondstof niets wijzigt aan deze redenering. Bovendien wordt vastgesteld dat op de etikettering en technische fiches van de betrokken producten de claim “rijk aan calcium” wordt benadrukt. Om die reden beschouwt het controleorgaan het toevoegen van calciumrijke restanten van lithotamnium als een aanrijking van biologische producten en strijdig met punt 2.2 van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848. Het controleorgaan besluit dat de XIV-39.535-3/39 verzoekende partij “niet-conforme producten etiketteert en verhandelt als biologisch product” (code niet-naleving 6050) en kent de maatregel “waarschuwing” toe. Het vraagt aan de verzoekende partij om de recepturen in kwestie niet meer als biologisch product te commercialiseren en stelt dat de betrokken eindproducten uit de handel moeten worden genomen. Het vraagt ook om de genomen correctieve acties te communiceren uiterlijk op 15 mei 2023. 3.4. Op 25 april 2023 tekent de verzoekende partij tegen de voormelde certificatiebeslissing beroep aan bij het controleorgaan. 3.5. Op 5 mei 2023 handhaaft het controleorgaan zijn initieel besluit. De sanctie “waarschuwing” blijft van kracht, maar de uiterlijke datum om de genomen correctieve acties aan het controleorgaan te communiceren wordt verlengd tot 15 juli 2023. 3.6. Op 26 mei 2023 stelt de verzoekende partij tegen deze beslissing een beroep in bij de Vlaamse overheid, Departement Landbouw en Visserij. Het gebruik van delen van de algen Lithothamnium calcareum uit biologisch gecertificeerde wilde verzameling als biologische landbouwkundige ingrediënten in biologische plantaardige dranken, wordt volgens haar ten onrechte beschouwd als in strijd met verordening (EU) 2018/848. Zij verzoekt om de bestreden beslissing, uitgevaardigd door het controleorgaan op 5 mei 2023 te herzien en te bevestigen dat de betrokken producten verder op de markt mogen worden gebracht met verwijzing naar de biologische productiemethode. Op 16 juni 2023 bevestigt het Departement Landbouw en Visserij aan de verzoekende partij dat, in toepassing van artikel 65, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 2021 ‘over de biologische productie en de etikettering van biologische producten’ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 2021), het door de verzoekende partij ingediende beroep de beslissing van het controleorgaan schorst en dat de producten dus niet langer geblokkeerd zijn in afwachting van de behandeling van het beroep. XIV-39.535-4/39 Op 19 juli 2023 wordt de verzoekende partij door het Departement Landbouw en Visserij gehoord. 3.7. Op 18 december 2023 neemt het afdelingshoofd van de afdeling Inkomenssteun van het Departement Landbouw en Visserij, op basis van de artikelen 4, 1°, i), en 72 van het decreet van 28 juni 2013 ‘betreffende het landbouw- en visserijbeleid’ en artikel 65 van het besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 2021, een beslissing omtrent het door de verzoekende partij ingestelde administratief beroep. Inzake de toepasselijke regelgeving wordt daarin het volgende uiteengezet: “De vraag die zich in dit beroep stelt is of het toegestaan is om de sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum, in de vorm van poeder verkregen uit gereinigde, fijngemaakte en gedroogde sedimenten van dit dode wier te gebruiken in de biologische levensmiddelen waarop dit beroep betrekking heeft, namelijk biologische plantaardige dranken. Hierna geldt een overzicht en bespreking van de relevante bepalingen. Op de verwerking van biologische levensmiddelen zijn de volgende specifieke beginselen, vermeld in artikel 7 van verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad, hierna verordening (EU) 2018/848 te noemen, van toepassing:
  3. a)de productie van biologische levensmiddelen met biologische ingrediënten van agrarische oorsprong;
  4. b)de beperking van het gebruik van levensmiddelenadditieven, niet-biologische ingrediënten met een hoofdzakelijk technologische en sensorische functie, en micronutriënten en technische hulpstoffen, zodat zij zo weinig mogelijk en alleen in gevallen van wezenlijke technologische noodzaak of voor bijzondere voedingsgerelateerde doeleinden worden gebruikt;
  5. c)de uitsluiting van stoffen en verwerkingsmethoden die misleidend kunnen zijn met betrekking tot de ware aard van het product;
  6. d)de zorgvuldige verwerking van biologische levensmiddelen, bij voorkeur door het gebruik van biologische, mechanische en fysieke methoden;
  7. e)de uitsluiting van levensmiddelen die vervaardigde nanomaterialen bevatten of daaruit bestaan. Op de biologische productie van verwerkte levensmiddelen zijn naast de algemene productievoorschriften, vermeld in artikel 9, 11 en 16, van verordening (EU) 2018/848, eveneens de productievoorschriften, vermeld in deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848, van toepassing. Punt 2.2.1. van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848 bepaalt dat bij de verwerking van levensmiddelen alleen gebruik mag gemaakt worden van: XIV-39.535-5/39 (
  8. a)de levensmiddelenadditieven, technische hulpstoffen die overeenkomstig artikel 24 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten; (
  9. b)de niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong die overeenkomstig artikel 24 of artikel 25 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten; (
  10. c)de in punt 2.2.2 bedoelde producten en stoffen. Hierna wordt dieper ingegaan op de 3 voormelde punten. (
  11. a)de levensmiddelenadditieven en technische hulpstoffen die overeenkomstig artikel 24 van verordening (EU) 2018/848 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten Enkel de producten en stoffen, vermeld in deel A van bijlage V bij uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 van de Commissie van 15 juli 2021 betreffende de toelating van bepaalde producten en stoffen voor gebruik in de biologische productie en de opstelling van de lijsten van die producten en stoffen, hierna uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 te noemen, mogen gebruikt worden als levensmiddelenadditieven en technische hulpstoffen bij de productie van verwerkte biologische levensmiddelen.[…] Gebruik van de toegelaten levensmiddelenadditieven en technische hulpstoffen is enkel toegelaten onder de voorwaarden en beperkingen, vermeld in artikel 6 van uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165, in deel A van bijlage V bij uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 en in artikel 24 van verordening (EU) 2018/848. Deel A1 van bijlage V bij uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 bepaalt expliciet dat producten niet verrijkt mogen worden met calcium: […] (
  12. b)de niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong die overeenkomstig artikel 24 of artikel 25 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten Aangezien artikel 25 van verordening (EU) 2018/848, dat aan lidstaten de mogelijkheid biedt om onder bepaalde voorwaarden niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong toe te staan voor verwerkte biologische levensmiddelen, in casu niet van toepassing is, wordt hierna enkel ingegaan op de levensmiddelenadditieven en technische hulpstoffen die overeenkomstig artikel 24 van verordening (EU) 2018/848 zijn toegelaten. Tot en met 31 december 2023 mogen de niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong, vermeld in bijlage IX bij verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft, hierna verordening (EG) nr. 889/2008 te noemen, worden gebruikt voor de productie van verwerkte biologische levensmiddelen. Verwerkte biologische levensmiddelen die vóór 1 januari 2024 zijn geproduceerd met die niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong, mogen in de handel worden gebracht totdat de voorraden zijn uitgeput […]. Punt 1.3. van die bijlage IX bij verordening (EG) nr. 889/2008 bepaalt dat niet-biologische algen, inclusief zeewier, in de bereiding van biologische levensmiddelen mogen gebruikt worden. Vanaf 1 januari 2024 mogen enkel de niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong, vermeld in deel B van bijlage V bij uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165, gebruikt worden voor de productie van verwerkte biologische levensmiddelen […]. Gebruik van de hierboven voormelde toegelaten niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong is enkel toegelaten onder de voorwaarden en beperkingen, vermeld in artikel 7 van uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165, in deel B van bijlage V bij uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 en in artikel 24 van verordening (EU) 2018/848. XIV-39.535-6/39 Artikel 7 van uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 bepaalt expliciet dat de verleende toelatingen niet van toepassing zijn op niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong die worden gebruikt als levensmiddelenadditieven, technische hulpstoffen of producten en stoffen als bedoeld in punt 2.2.2 van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848. In dat geval gelden dus de strikte regels die van toepassing zijn voor de toevoeging van levensmiddelenadditieven, technische hulpstoffen of producten en stoffen als bedoeld in punt 2.2.2 van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848. Overwegende

(14)van uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 licht dit heel duidelijk toe als volgt: Gezien de samenstelling van bepaalde niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong kunnen sommige vormen van gebruik van die ingrediënten in verwerkte biologische levensmiddelen neerkomen op gebruik als levensmiddelenadditief, technische hulpstof of product of stof als bedoeld in deel IV, punt 2.2.2, van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848. Voor die vormen van gebruik is een specifieke toelating vereist overeenkomstig deel IV, punt 2.2., van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848 en die vormen van gebruik mogen niet worden toegestaan via de toelating van niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong. Ook al is niet-biologisch wier dus tot eind 2023 toegelaten als een niet-biologisch ingrediënt van agrarische oorsprong, als het niet-biologisch wier gebruikt wordt als (
  1. a)levensmiddelenadditief, als (
  2. b)technische hulpstof of als (
  3. c)een product of stof als vermeld in punt 2.2.2 van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848, gelden echter de strikte toelatingsregels van (
  4. a)levensmiddelenadditieven, (
  5. b)technische hulpstoffen of (
  6. c)producten of stoffen als vermeld in punt 2.2.2 van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848. Anders oordelen, m.a.w. de voormelde vormen van gebruik toestaan via een toelating als niet-biologisch ingrediënt, zou er op neerkomen dat exploitanten eenvoudig de voormelde strikte toelatingsregels kunnen omzeilen. Hetgeen thans expliciet in artikel 7 van uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 opgenomen is, komt volledig overeen met de conclusie van het Hof van Justitie in het arrest van 29 april 2021, Natumi GmbH, C-815/19, EU:C:2021:336. Op datum van dit arrest was nog de vorige Europese regelgeving inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten van toepassing maar de bepalingen waarnaar verwezen wordt door het Hof van Justitie zijn analoog gebleven in de huidige regelgeving. Bij de bespreking van het arrest doorheen deze beslissing wordt in voetnoten telkens het overeenkomend artikel opgenomen dat thans van kracht is. Het Hof van Justitie stelt in het voormelde arrest het volgende: 69. Vastgesteld moet echter worden dat een uitlegging volgens welke poeder dat is verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum, dat van nature een hoog calciumgehalte heeft, als niet-biologisch ingrediënt van agrarische oorsprong in de zin van artikel 28 van verordening nr. 889/20084 zou mogen worden gebruikt bij de verwerking van biologische levensmiddelen zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde biologische soja- en rijstdranken, teneinde deze te verrijken met calcium, erop zou neerkomen dat de producenten van deze middelen het verbod van artikel 19, lid 2, onder b), en artikel 21 van verordening nr. 834/2007, junctis artikel 27 van verordening nr. 889/2008 en bijlage VIII daarbij, zouden kunnen omzeilen. 70. Een dergelijke uitlegging zou dus tot gevolg hebben dat de strikte regels voor de toevoeging van producten en stoffen zoals mineralen bij de productie van biologische levensmiddelen waarin de regeling in het hoofdgeding voorziet, buiten werking worden gesteld, en zou indruisen tegen de doelstellingen daarvan. XIV-39.535-7/39 Eenzelfde redenering geldt voor het gebruik van biologisch wier. Als biologisch wier gebruikt wordt als (
  7. a)levensmiddelenadditief, als (
  8. b)technische hulpstof of als (
  9. c)een product of stof als vermeld in punt 2.2.2 van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848, gelden eveneens de strikte toelatingsregels van (
  10. a)levensmiddelenadditieven, (
  11. b)technische hulpstoffen of (
  12. c)producten of stoffen als vermeld in punt 2.2.2 van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848. Hier anders oordelen, m.a.w. de voormelde vormen van gebruik toestaan omwille van de reden dat het een biologisch ingrediënt betreft, zou er eveneens op neerkomen dat exploitanten eenvoudig de voormelde strikte toelatingsregels kunnen omzeilen. Het wier Lithothamnium calcareum, in de vorm van poeder verkregen uit gereinigde, fijngemaakte en gedroogde sedimenten van dit dode wier, waar dit beroep betrekking op heeft, wordt aanzien als calcium en toevoegen ervan aan biologische levensmiddelen als het verrijken van die levensmiddelen met calcium. Dit wier heeft namelijk van nature een hoog calciumgehalte en wordt aanzien als een natuurlijk alternatief voor calcium. Tot deze conclusie kwam ook het Hof van Justitie in het arrest van 29 april 2021, Natumi GmbH, C-815/19, EU:C:2021:336. Het lithothamniumproduct waarover voorliggend beroep gaat, is hetzelfde lithothamniumproduct als waarover het voormelde arrest ging, en het gaat om gebruik in gelijkaardige levensmiddelen, zoals rijstdrank en haverdrank. In bijlage I bij verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen wordt calcium vermeld als een mineraal. Bij de behandeling van voorliggend beroep dient er dus te worden nagegaan of het mineraal calcium mag gebruikt worden in de levensmiddelen in kwestie, namelijk biologische plantaardige dranken. (
  13. c)de in punt 2.2.2 bedoelde producten en stoffen Punt 2.2.2., f), i), van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848, bepaalt dat bij de levensmiddelenverwerking mineralen enkel gebruikt mogen worden mits het gebruik ervan in gewone levensmiddelen ‘een rechtstreeks juridisch vereiste is’, in die zin dat het rechtstreeks vereist is krachtens bepalingen van Unierecht of daarmee verenigbaar nationaal recht, met als gevolg dat het levensmiddel hoegenaamd niet als gewoon levensmiddel in de handel mag worden gebracht zonder toevoeging van die mineralen, vitamines, aminozuren of micronutriënten. Voor levensmiddelen die in de handel worden gebracht als levensmiddelen met bijzondere kenmerken of effecten op het gebied van gezondheid of voeding, of in verband met de behoeften van specifieke groepen consumenten, geldt een speciale regeling (punt 2.2.2., f), ii). In casu gaat het niet om dergelijke levensmiddelen. Tot op heden blijkt nergens dat er regelgeving zou bestaan die vereist dat calcium toegevoegd moet worden aan de levensmiddelen waarop dit beroep betrekking heeft, opdat deze op de markt mogen gebracht worden. Tot deze conclusie kwam ook het Hof van Justitie in het voormelde arrest van 29 april 2021[…]. De hierboven vermelde voorwaarde van punt 2.2.2., f), i), van deel IV van bijlage II bij verordening 2018/848 is m.a.w. niet vervuld, het gebruik van calcium is dus niet toegelaten in biologische levensmiddelen. Het antwoord op de vraag of het toegestaan is om het wier Lithothamnium calcareum, in de vorm van poeder verkregen uit gereinigde, fijngemaakte en gedroogde sedimenten van dit dode wier, al dan niet biologisch gecertificeerd, te gebruiken in de biologische levensmiddelen waarop dit beroep betrekking heeft, namelijk biologische plantaardige dranken, is dus negatief. Het Hof van Justitie kwam tot dezelfde conclusie in het arrest van 29 april 2021, Natumi GmbH, C-815/19, EU:C:2021:336. Het Hof van Justitie concludeerde ongeacht de kwalificatie als een ingrediënt van agrarische oorsprong, dat de XIV-39.535-8/39 regelgeving inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten aldus moet uitgelegd worden dat zij zich ertegen verzet dat poeder verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum wordt gebruikt bij de verwerking van biologische levensmiddelen teneinde deze te verrijken met calcium. Het Hof van Justitie concludeert in dit arrest als volgt: Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/1584 van de Commissie van 22 oktober 2018, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat poeder verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum als niet-biologisch ingrediënt van agrarische oorsprong in de zin van artikel 28 van verordening nr. 889/2008, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening 2018/1584, wordt gebruikt bij de verwerking van biologische levensmiddelen, zoals biologische rijst- en sojadranken, teneinde deze te verrijken met calcium. Het Hof van Justitie stelt dus heel duidelijk dat het verbod op het verrijken van biologische levensmiddelen met het mineraal calcium (meer bepaald het wier Lithothamnium calcareum, in de vorm van poeder verkregen uit gereinigde, fijngemaakte en gedroogde sedimenten van dit dode wier) primeert boven het statuut van het wier als agrarisch ingrediënt. Dit arrest ging weliswaar over het gebruik van het niet-biologisch wier Lithothamnium calcareum, in de vorm van poeder verkregen uit gereinigde, fijngemaakte en gedroogde sedimenten van dit dode wier in rijst- en sojadranken. De interpretatie door het Hof van Justitie is zoals hierboven toegelicht, naar analogie van toepassing op het gebruik van de biologische variant van het voormelde wier. Het Departement Landbouw en Visserij volgt dus de interpretatie van het Hof van Justitie en kan ook niet anders dan deze interpretatie te volgen. Het Hof van Justitie is immers de enige instantie die uitleg kan geven aan het Europees recht. Lidstaten moeten op basis van het beginsel van loyaliteit [artikel 4, lid 3 VEU] (ook wel unietrouw genoemd) de verplichtingen van het Europees recht nakomen en mogen geen maatregelen nemen die de verwezenlijking van de doelstellingen van het VEU in gevaar kunnen brengen. In casu het gebruik van het wier Lithothamnium calcareum, in de vorm van poeder verkregen uit gereinigde, fijngemaakte en gedroogde sedimenten van dit dode wier, al dan niet biologisch gecertificeerd, in de biologische levensmiddelen in kwestie, toestaan, zou neerkomen op een miskenning van de Europese regelgeving inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten. De Europese Commissie heeft het verbod op het gebruik van het wier Lithothamnium calcareum thans ook expliciet opgenomen in haar ‘Frequently asked questions ON ORGANIC RULES’. […]” Na onderzoek van het ingediende beroep en de daarin opgeworpen middelen, luidt de conclusie als volgt: “Het Departement Landbouw en Visserij is van mening dat in lijn met het arrest van het Hof van Justitie arrest van 29 april 2021, Natumi GmbH, C-815/19, EU:C:2021:336, en conform het standpunt van de Europese Commissie in haar XIV-39.535-9/39 ‘Frequently asked questions ON ORGANIC RULES’, het niet toegestaan is om het poeder verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum te gebruiken in de biologische levensmiddelen waarop dit beroep betrekking heeft. Of het poeder verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum al dan niet wordt gekwalificeerd als een ingrediënt van agrarische oorsprong, en of het al dan niet biologisch gecertificeerd is of kan worden, is irrelevant aangezien het product in kwestie als calcium gebruikt wordt wat een mineraal is en zoals hierboven uitvoerig toegelicht, is het verrijken van de levensmiddelen waarop dit beroep betrekking heeft met calcium niet toegelaten. [Het controleorgaan] heeft op 4 april 2023 dan ook correct vastgesteld dat [de verzoekende partij] de voorschriften inzake de biologische productie van verwerkte levensmiddelen niet nageleefd heeft. Hoewel [het controleorgaan] de niet-naleving gekwalificeerd heeft als ‘etikettering of verhandeling van een product zonder certificering, met verwijzing naar de biologische productiemethode: niet-conform product’ (code 6050b), is het Departement Landbouw en Visserij van oordeel dat de vastgestelde niet-naleving best kan worden vergeleken met de niet-nalevingen ‘gebruik van additieven die niet zijn toegestaan’ (code 4020) en ‘gebruik of contaminatie van een technische hulpstof of van een ander product dat voor de verwerking gebruikt wordt en dat niet is toegestaan’ (code 4030) in de voormelde lijst. Voor die niet-nalevingen bepaalt de lijst dat de maatregelen ‘waarschuwing’ en ‘declassering lot’ opgelegd moeten worden. Het Departement Landbouw en Visserij is van oordeel dat in casu kan volstaan worden met het opleggen van een waarschuwing. Reden hiervoor is dat, hoewel de interpretatie van het Hof van Justitie en het standpunt van de Europese Commissie duidelijk zijn, we ook rekening dienen te houden met de situatie binnen Europa, het (mogelijk) nog in de handel zijn van biologische levensmiddelen met Lithothamnium calcareum die geproduceerd zijn in andere lidstaten, en het bewaren van een level playing field binnen Europa. De Europese Commissie heeft op 30 november 2023 zoals hierboven toegelicht, het verbod op het gebruik van het wier Lithothamnium calcareum expliciet opgenomen in haar ‘Frequently asked questions ON ORGANIC RULES’. Alle lidstaten zullen dus maatregelen moeten nemen om dit verbod te handhaven. Het Departement Landbouw en Visserij gaat dus niet over tot het opleggen van een declassering lot. De door [de verzoekende partij] reeds geproduceerde levensmiddelen waarin het poeder verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum gebruikt is, mogen in de handel gebracht worden met verwijzing naar de biologische productiemethode totdat de voorraden zijn uitgeput. HET AFDELINGSHOOFD VAN DE AFDELING INKOMENSSTEUN VAN HET DEPARTEMENT LANDBOUW EN VISSERIJ BESLUIT: Enig artikel. De aan [de verzoekende partij], opgelegde maatregel ‘waarschuwing’ blijft behouden. Dit houdt in dat het niet toegelaten is om het poeder verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum, al dan niet biologisch gecertificeerd, toe te voegen aan de biologische levensmiddelen in kwestie, namelijk biologische plantaardige dranken. Uiterlijk op 1 januari 2024 moet het toevoegen van het lithothamnium product, vermeld in het eerste lid, stopgezet zijn. De reeds vóór 1 januari 2024 geproduceerde dranken waaraan het lithothamnium product, vermeld in het eerste lid, werd toegevoegd, mogen nog in de handel gebracht worden met verwijzing naar de biologische productiemethode tot uitputting van de voorraad.” XIV-39.535-10/39 Dit is de bestreden beslissing. 3.8. Met een schrijven van 19 december 2023 wordt de verzoekende partij van deze beslissing in kennis gesteld. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. In een eerste middel voert de verzoekende partij een schending aan van verordening (EU) 2018/848 zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zij vat het middel in het verzoekschrift als volgt samen: “De bestreden akte wordt in rechte gesteund op punt 2.2.2(f),
  14. i)van Deel IV van Bijlage II bij verordening (EU) 2018/848 om te besluiten dat het niet toegelaten is om Lithothamnium calcareum -ongeacht haar biologische certificering - te verwerken in biologische levensmiddelen vermits het een mineraal zou zijn, hetgeen biologische levensmiddelen niet mag ‘verrijken’. De verwerende partij verwijst daarbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 april 2021, Natumi GmbH, C-815/19 en de nota van de Europese Commissie ‘Frequently asked questions ON ORGANIC RULES’ (pp. 100-101), die volgens haar het verbod op verwerking van Lithothamnium calcareum al dan niet afkomstig uit biologische gecertificeerde wilde verzameling in biologische levensmiddelen bevestigen. De verzoekende partij bekritiseert de door de verwerende partij gedane lezing en toepassing van de Europese bio-verordening, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie. De verzoekende partij verdedigt meer bepaald dat (
  15. i)het biologisch gecertificeerd Lithothamnium-ingrediënt ter sprake geen mineraal is, maar een biologisch landbouwkundig product, (
  16. ii)het gebruik van biologische landbouwkundige ingrediënten niet valt onder de voorwaarden die van toepassing zijn op niet-biologische landbouwkundige ingrediënten, (iii) verordening (EU) 2018/848 zodus toelaat om biologisch gecertificeerde ingrediënten, zoals in casu het Lithothamnium-poeder uit biologisch gecertificeerde wilde verzameling, als zodanig in biologische levensmiddelen te verwerken.” In de in het verzoekschrift verstrekte toelichting bij het middel zet zij, in wat als een eerste onderdeel van het middel kan worden beschouwd, uiteen dat het betrokken ingrediënt moet worden gekwalificeerd als een biologisch landbouwkundig ingrediënt afkomstig van wilde verzameling van delen van algen, in overeenstemming met artikel 7, a), van verordening (EU) 2018/848. De XIV-39.535-11/39 bevinding van de verwerende partij dat het Lithothamnium-poeder een mineraal betreft vanwege het calciumgehalte, gaat volgens haar voorbij aan de intrinsieke aard van het Lithothamnium-ingrediënt zelf en aan de bindende kwalificatie van dit product als landbouwkundig ingrediënt door het Hof van Justitie van de Europese Unie in het voormelde arrest. Wat de intrinsieke aard van het ingrediënt betreft, wijst zij erop dat dit calciumcarbonaat van nature aanwezig is in het afgestorven algenskelet: er is geen enkele vorm van aanrijking. Het calcium wordt uitsluitend tijdens het leven van de algen gegenereerd en door de algen in het skelet opgeslagen. Na het ‘overlijden’ van de alg, neemt het calciumgehalte dat is opgeslagen in het skelet niet meer toe. De algenskeletten ondergaan door het zeewater geen fysisch of chemisch proces dat het calciumgehalte van het skelet nog doet toenemen. De kwalificatie door het Hof van dit ingrediënt als een landbouwkundig ingrediënt (punt 42 van het arrest) sluit de kwalificatie als mineraal uit. De kwalificatie als een landbouwkundig ingrediënt geldt volgens de verzoekende partij dus ook voor het Lithothamnium-ingrediënt dat in de graandranken van de verzoekende partij verwerkt is. Wel wijst zij op het belangrijk verschil dat het Lithothamnium-ingrediënt in het arrest Natumi, in tegenstelling tot het door de verzoekende partij gebruikte ingrediënt, niet biologisch gecertificeerd was. In zoverre in de bestreden beslissing wordt verwezen naar het document “Frequently asked questions on organic rules” dat door de Europese Commissie op 30 november 2023 werd gepubliceerd en waarin onder vraag 12 gesteld wordt dat Lithothamnium calcareaum een mineraal is en dat voor de verwerking ervan een toelating vereist is onder punt 2.2.2(
  17. f)van Deel IV van Bijlage II bij verordening (EU) 2018/848, wijst de verzoekende partij erop dat deze interpretatie in strijd is met de bindende kwalificatie door het Europees Hof van Justitie van Lithothamnium calcareum als een landbouwkundig ingrediënt. Bovendien betreft het een louter informatief document, zonder bindende kracht. In wat als een tweede onderdeel van het middel kan worden beschouwd, betoogt de verzoekende partij dat het gebruik van biologische landbouwkundige ingrediënten niet valt onder de voorwaarden die van toepassing zijn op niet-biologische landbouwkundige ingrediënten. Onder verwijzing naar de specifieke beginselen vervat in artikel 7, a), en 7, b), van verordening (EU) XIV-39.535-12/39 2018/848 zet zij uiteen dat de verordening als doelstelling heeft producenten van biologische levensmiddelen aan te moedigen de voorkeur te geven aan de verwerking van biologische ingrediënten. Het gebruik van biologische landbouwkundige ingrediënten en niet-biologische landbouwkundige ingrediënten wordt volgens haar dan ook op een verschillende manier omkaderd in de verordening. De niet-biologische landbouwkundige ingrediënten zijn onderworpen aan een specifiek toelatingsstelsel en criteria vervat in artikel 24.4 van verordening (EU) 2018/848: alleen die ingrediënten die zijn opgenomen in een beperkte lijst mogen worden gebruikt in biologische levensmiddelen. Er gelden bovendien bijkomende criteria uiteengezet in verordening (EU) 2018/848 en uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 van de Commissie van 15 juli 2021 ‘betreffende de toelating van bepaalde producten en stoffen voor gebruik in de biologische productie en de opstelling van de lijsten van die producten en stoffen’ (hierna: uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165) (artikel 7, al. 1). Dit geldt volgens haar niet voor de biologische landbouwkundige ingrediënten. Zij wijst erop dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Natumi-arrest uitdrukkelijk verwezen heeft naar deze tweedelige toetsing voor het kunnen verwerken van niet-biologisch landbouwkundige ingrediënten in biologische productie (punten 51-54 en 71). Het Hof oordeelde dat het niet-biologisch gecertificeerde Lithothamnium calcareum, waarop de zaak betrekking had, niet mag worden verwerkt in biologische levensmiddelen, omwille van het niet tegemoetkomen van de voorwaarden van de op die zaak nog toepasselijke verordening (EU) 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 ‘inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91’ (hierna: verordening (EG) nr. 834/2007) die van toepassing zijn op het gebruik van niet-biologische ingrediënten. De redenering van het Hof kan volgens de verzoekende partij niet worden toegepast op de algen Lithothamnium calcareum uit biologische gecertificeerde wilde verzameling, aangezien het betrokken biologisch gecertificeerd ingrediënt niet onderworpen is aan het beperkende toelatingsstelsel voor het gebruik van niet-biologische landbouwkundige ingrediënten. Dit geldt volgens haar des te meer omdat de gebruiksomstandigheden die zijn vastgesteld door de (nieuwe) verordening 2018/848 als bijkomende voorwaarde voor het gebruik van een niet-biologisch XIV-39.535-13/39 landbouwkundig ingrediënt vereisen dat het biologische ingrediënt niet in voldoende hoeveelheden beschikbaar is (cf. artikel 24.4
  18. d)van verordening (EU) 2018/848). In wat als een derde onderdeel van het middel kan worden beschouwd, zet de verzoekende partij uiteen dat verordening (EU) 2018/848 toelaat om biologische landbouwkundige ingrediënten, zoals in casu het biologisch gecertificeerd Lithothamnium-poeder, in biologische levensmiddelen te verwerken, ongeacht het nutritioneel profiel. Zij benadrukt dat het Lithothamnium-poeder dat in haar biologische graandranken is verwerkt, voor elke stap van de productieketen (van verzameling tot verwerking) een biologische certificatie heeft verkregen, uitgegeven door verschillende nationale certificeringsinstanties, met name IJsland, Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Zij verwijst voorts naar deel III van Bijlage II, punt 2.2.1 van verordening (EU) 2018/848 waaruit volgens haar blijkt dat de verordening uitdrukkelijk toelaat om zowel wilde algen als delen daarvan (zoals de algenskeletten) biologisch te certificeren. Hieruit volgt volgens haar dat het Lithothamnium-ingrediënt ter sprake, met een biologische certificering in overeenstemming met de productievoorschriften opgelegd door verordening (EU) 2018/848, Deel III van Bijlage II, sectie 2.2, een biologisch landbouwkundig ingrediënt uitmaakt dat op grond van verordening (EU) 2018/848 als dusdanig aan biologische levensmiddelen mag worden toegevoegd. Dat het gaat om een ingrediënt dat rijk is aan calcium doet daaraan volgens haar geen afbreuk. Zij verwijst daarbij onder meer naar andere bekende voorbeelden van biologische ingrediënten die op grote schaal worden verwerkt in biologische levensmiddelen vanwege hun specifieke nutritionele eigenschappen, zoals biologisch acerola-poeder, dat toegevoegd wordt omwille van het vitamine C-gehalte, en biologische curry-blaadjes gekozen omwille van het ijzergehalte. In ondergeschikte orde stelt de verzoekende partij dat het middel een probleem van interpretatie van het Unierecht opwerpt en vereist dat een prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zij betoogt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie zich in het arrest Natumi van XIV-39.535-14/39 29 april 2021 enkel heeft uitgesproken over de vraag of niet-biologisch gecertificeerd Lithothamnium calcareum is toegestaan in de verwerking van biologische levensmiddelen. Het arrest is niet ingegaan op de vraag of punt 2.2.2 van Deel IV bij Bijlage II van verordening (EU) 2018/848 verbiedt biologisch gecertificeerde landbouwkundige ingrediënten in het recept van een biologisch levensmiddel te verwerken vanwege hun nutritionele eigenschappen, in casu delen van de algen Lithothamnium calcareum uit biologische gecertificeerde wilde verzameling omwille van hun calciumgehalte. Dit is een vraag die volgens haar nog niet is getoetst in de rechtspraak van het Hof van Justitie en nog door geen enkele nationale rechtbank is onderzocht. Zij verzoekt de Raad van State de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Moet verordening (EU) 2018/848 aldus worden uitgelegd dat een biologisch ingrediënt van agrarische oorsprong in de zin van artikel 7.
  19. a)tegelijkertijd kan vallen binnen het toepassingsgebied van de beperkingen voorzien in artikel 7.b)? Indien het antwoord op de eerste vraag positief is, moet punt 2.2.2 van Deel IV bij Bijlage II van verordening (EU) 2018/848 dan worden uitgelegd in de zin dat het gebruik van poeder van delen van de algen Lithothamnium calcareum uit biologische gecertificeerde wilde verzameling verwerkt in biologische levensmiddelen zoals biologische rijst-en haverdranken, gezien het feit dat het van nature rijk is aan calcium, valt onder het toepassingsgebied van punt 2.2.2(
  20. f)van Deel IV bij Bijlage II van verordening (EU) 2018/848, waardoor het ingrediënt als ‘mineraal’ wordt gekwalificeerd?”. 5. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel op. De verzoekende partij laat volgens haar immers na met de vereiste precisie aan te duiden welke bepaling concreet zou zijn geschonden, of concreet te duiden waarom punt 2.2.2., f), i), van deel IV van de bijlage II bij verordening (EU) 2018/848 er door de verzoekende partij wordt uitgepikt terwijl de bestreden beslissing verwijst naar veel meer dan deze ene bepaling. Wat de argumentatie van de verzoekende partij in het eerste onderdeel betreft dat het lithothamnium-ingrediënt in kwestie geen mineraal is maar een landbouwkundig ingrediënt, wijst de verwerende partij erop dat zijzelf in de bestreden beslissing al op omstandige wijze naar het arrest Natumi heeft verwezen omdat het hier gaat om hetzelfde lithothamnium-ingrediënt en om een XIV-39.535-15/39 gebruik in gelijkaardige levensmiddelen, zoals rijstdrank en haverdrank. De verzoekende partij geeft volgens de verwerende partij echter een verkeerde lezing aan de van toepassing zijnde verordeningen en het arrest Natumi. Het Hof van Justitie stopt namelijk niet na haar vaststelling dat poeder verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum gekwalificeerd kan worden als een ingrediënt van agrarische oorsprong (punten 42 en 47 van het arrest). De verzoekende partij gaat voorbij aan de punten 48 en volgende en de conclusie van het arrest, waarin het Hof van Justitie op omstandige wijze uiteenzet dat de betrokken Europese regelgeving in verschillende vergunningsregelingen voorziet en dit naargelang de gebruikte producten of stoffen niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong zijn, dan wel additieven, technische hulpstoffen, smaakstoffen, water, zout, preparaten van micro-organismen en enzymen, mineralen, sporenelementen, vitaminen of aminozuren of andere micronutriënten uitmaken. Het Hof van Justitie concludeert volgens de verwerende partij heel duidelijk dat de regels inzake het gebruik van niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong niet van toepassing zijn als het product in kwestie gebruikt wordt als een product of stof uit één van de andere vergunningsstelsels. Anders oordelen komt volgens het Hof van Justitie erop neer dat de strikte regels uit de andere vergunningsstelsels buiten werking worden gesteld (omzeild). Het Hof van Justitie stelt in het arrest Natumi dat het wier Lithothamnium calcareum, in de vorm van poeder verkregen uit gereinigde, fijngemaakte en gedroogde sedimenten van dit dode wier, aanzien wordt als calcium en het toevoegen ervan aan biologische levensmiddelen als het verrijken van die levensmiddelen met calcium. Dit wier heeft namelijk van nature een hoog calciumgehalte en wordt aanzien als een natuurlijk alternatief voor calcium. Het Hof van Justitie stelt vervolgens vast dat calcium een mineraal is, en onderzoekt verder of het toegelaten is om het mineraal calcium te gebruiken in biologische levensmiddelen, wat volgens het Hof van Justitie niet het geval is. De verwerende partij benadrukt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift bevestigt dat het calciumcarbonaat van nature aanwezig is in het poeder verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum. In de bestreden beslissing wordt volgens de XIV-39.535-16/39 verwerende partij, overeenkomstig voormeld arrest Natumi, niet de kwalificatie van poeder verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum als ingrediënt van agrarische oorsprong betwist, maar verklaard dat deze kwalificatie niet relevant is aangezien het product in kwestie gebruikt wordt als natuurlijk alternatief voor calcium omdat het van nature een hoog calciumgehalte heeft. Zij doet gelden dat zij in het voorliggende geval dan ook terecht heeft geoordeeld dat niet de toelatingsregels inzake niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong van toepassing zijn, maar wel de toelatingsregels inzake mineralen. Het gebruik van mineralen bij de verwerking van biologische levensmiddelen valt onder punt (
  21. c)van punt 2.2.1. van deel IV bijlage II verordening (EU) 2018/848, Dat punt (
  22. c)handelt over de in punt 2.2.2. van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848 bedoelde producten en stoffen. In dat laatstgenoemde punt 2.2.2. zijn strikte voorwaarden bepaald waaronder de daarin opgenomen producten en stoffen toegelaten zijn. Punt f van punt 2.2.2. handelt specifiek over mineralen. De verwerende partij stelt dat zij in het licht van de overwegingen van het arrest Natumi in de bestreden beslissing op omstandige wijze heeft toegelicht waarom het gebruik van het mineraal calcium niet toegelaten is. Daarbij wordt onder meer vastgesteld dat het verbod op het verrijken van biologische levensmiddelen met het mineraal calcium primeert boven het statuut van het wier als agrarisch ingrediënt en dat aan de voorwaarden voor het gebruik van mineralen bij de verwerking van biologische levensmiddelen niet is voldaan. Het standpunt van de verzoekende partij dat zij zou afwijken van de bindende interpretatie gegeven door het Hof in het voormelde arrest is volgens de verwerende partij dan ook volledig onterecht. Zij doet voorts gelden dat ook de Europese Commissie het arrest Natumi op die wijze uitlegt in haar “Frequently asked questions ON ORGANIC RULES” van 30 november 2023 (organic-rules-faqs_en.pdf (europa.
  23. eu)) waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat het hoofdbestanddeel van Lithothamnium calcareum calciumcarbonaat is en de hoofdfunctie ervan in verwerkte levensmiddelen calciumverrijking is en dat calciumcarbonaat een mineraal is en het gebruik ervan in de biologische productie een toelating vereist conform punt 2.2.2 van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848. XIV-39.535-17/39 In zoverre de verzoekende partij in een tweede onderdeel laat gelden dat het gebruik van biologische landbouwkundige ingrediënten niet valt onder de voorwaarden die van toepassing zijn op niet-biologische landbouwkundige ingrediënten, merkt de verwerende partij op dat de interpretatie door het Hof van Justitie naar analogie van toepassing is op het gebruik van de biologische variant van het voormelde wier. Als biologisch wier gebruikt wordt als mineraal, gelden eveneens de strikte toelatingsregels inzake mineralen. Het beginsel, vermeld in artikel 7, a), van verordening (EU) 2018/848 kan volgens haar niet worden gebruikt om de beginselen, vermeld in
  24. b)en
  25. c)te omzeilen. De verwerende partij verwijst bijkomend naar een recent schrijven van de Europese Commissie Ares
(2023)8716126 van 19 december 2023, waarin nogmaals bevestigd wordt dat punt 2.2.2., f), het gebruik van mineralen in biologische levensmiddelen strikt beperkt, en dit ongeacht de oorsprong van het toegevoegd product, en ongeacht of het afkomstig is van een biologisch of niet biologisch ingrediënt. In zoverre de verzoekende partij in een derde onderdeel nog laat gelden dat verordening (EU) 2018/848 toelaat om biologische ingrediënten in biologische middelen te verwerken ongeacht hun nutritioneel profiel, merkt de verwerende partij op dat daarbij ten onrechte enkel wordt verwezen naar artikel 7, a), van de verordening en abstractie wordt gemaakt van de onder de punten
  1. b)en
  2. c)vermelde specifieke beginselen. In uitvoering van artikel 7, b), van verordening (EU) 2018/848 zijn limitatieve lijsten opgemaakt van producten en stoffen die mogen worden gebruikt als levensmiddeladditieven en technische hulpstoffen bij de verwerking van biologische levensmiddelen. Deze lijsten zijn opgenomen in uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165. In deel A van bijlage V bij uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 wordt expliciet bepaald dat producten niet verrijkt mogen worden met calcium. Ingevolge artikel 7, c), van verordening (EU) 2018/848 zijn stoffen en verwerkingsmethoden, die misleidend kunnen zijn met betrekking tot de ware aard van het biologische product, niet toegelaten binnen de biologische productie. De verzoekende partij erkent dat het poeder verkregen uit gereinigde, fijngemaakte en gedroogde sedimenten van het wier Lithothamnium XIV-39.535-18/39 calcareum toegevoegd wordt omwille van het nutritioneel profiel, namelijk het van nature hoog gehalte aan calciumcarbonaat. Het poeder verkregen uit gereinigde, fijngemaakte en gedroogde sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum wordt volgens de verwerende partij bijgevolg toegevoegd om de consument te misleiden en te laten uitschijnen dat de biologische plantaardige rijst- en haverdrank dezelfde eigenschappen heeft als koemelk, namelijk dat het calcium bevat. Het is niet omdat een ingrediënt biologisch gecertificeerd wordt, dat het automatisch ook toegelaten wordt in de biologische productie. Wat de in ondergeschikte orde voorgestelde prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie van de Europese Unie betreft, stelt de verwerende partij dat de prejudiciële vraag niet ter zake dienend is en niet dient te worden gesteld aangezien de van toepassing zijnde reglementering duidelijk is, en voor zover nodig reeds verduidelijkt werd door het Hof van Justitie. Ondergeschikt werpt zij op dat de door de verzoekende partij gesuggereerde vraag onduidelijk is en als volgt moet worden geherformuleerd: “Moet artikel 16 van verordening (EU) 2018/848 juncto punt 2.2.1. en 2.2.2. van deel IV bij Bijlage II van verordening (EU) 2018/848 juncto artikel 7,
  3. b)en c), van verordening (EU) 2018/848 zo worden uitgelegd dat biologisch gecertificeerd poeder verkregen uit gereinigde, fijngemaakte en gedroogde sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum, dat van nature rijk is aan calciumcarbonaat, bij de verwerking van gewone biologische levensmiddelen valt onder punt 2.2.2., f), i), van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848 en zodoende verboden is gezien het gebruik van calcium in gewone levensmiddelen geen rechtstreeks juridische vereiste is ?” De vraag komt volgens haar neer op de vraag of de conclusie van het Hof in het arrest Natumi ook van toepassing is op de biologische variant van poeder verkregen uit gereinigde, fijngemaakte en gedroogde sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum. 6. Wat de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel betreft, repliceert de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord dat zij in haar verzoekschrift uitgebreid heeft uiteengezet dat de verwerende partij het betreffende ingrediënt op een manier heeft gekwalificeerd die in strijd is met de XIV-39.535-19/39 bindende kwalificatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest Natumi, punt 42, een kwalificatie die van toepassing is voor alle rechterlijke en administratieve autoriteiten (erga omnes). Als gevolg hiervan, heeft de verwerende partij het algehele juridisch kader voor mineralen onterecht op de betreffende biologisch gecertificeerde delen van het wier Lithothamnium calcareum toegepast. Bovendien merkt zij op dat de verwerende partij uitvoerig heeft geantwoord op het eerste middel, hetgeen aantoont dat het voorwerp van de eis en het middel voor haar duidelijk waren. Zij benadrukt nogmaals dat de kern van de schending bij de foutieve kwalificatie als mineraal ligt en de daaruit vloeiende schending van artikel 7, a), en Deel III, van Bijlage II, punt 2.2.1 van verordening (EU) 2018/848. Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, herhaalt de verzoekende partij dat delen van het wier Lithothamnium calcareum geen mineraal zijn, maar een landbouwkundig ingrediënt, dat dit landbouwkundig ingrediënt biologisch gecertificeerd werd in overeenstemming met Deel III van Bijlage II, punt 2.2.1 van verordening (EU) 2018/848 en dat in toepassing van artikel 7, a), van diezelfde verordening, het gebruik van biologisch gecertificeerde ingrediënten in biologische productie als dusdanig is toegestaan zonder verdere toelating. De redenering van de verwerende partij waarin zij oppert dat Lithothamnium calcareum als een mineraal zou moeten worden gezien louter op basis van haar calciumgehalte kan dus niet worden gevolgd en druist in tegen het Unie-recht, rekening houdend met de bindende interpretatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in punt 42 van het arrest Natumi. Wat het tweede onderdeel betreft, betwist zij in de memorie van wederantwoord dat de interpretatie van het Hof van Justitie omtrent het gebruik van niet-biologische gecertificeerde delen van het wier Lithothamnium calcareum in biologische productie, naar analogie kan worden toegepast op biologisch gecertificeerde delen van het wier Lithothamnium calcareum. Het wettelijk regime op het gebruik van niet-biologische ingrediënten verschilt namelijk fundamenteel van het regime dat van toepassing is op het gebruik van biologische ingrediënten. Zo zijn in toepassing van het grondbeginsel vervat in artikel 7, a), van de voormelde verordening, het gebruik van biologische landbouwkundige XIV-39.535-20/39 ingrediënten niet gebonden aan de beperkingen die wel voorzien zijn voor niet-biologische landbouwkundige ingrediënten, en o.a. mineralen, vitamines, aminozuren en micronutriënten. Zij benadrukt dat zij geen ‘abstractie’ heeft gemaakt van de andere specifieke beginselen vervat in punten
  4. b)en
  5. c)van voormeld artikel, maar dat deze beginselen niet relevant zijn voor de biologische productie van de graandranken. De redenering van de verwerende partij en de gedane lezing strookt volgens de verzoekende partij niet met wat het Hof van Justitie van de Europese Unie daadwerkelijk in voormeld arrest heeft verklaard. Zij wijst er daarbij op dat het Hof in punten 42-47 van het arrest Natumi heeft beslist dat niet-biologisch gecertificeerde delen van het wier Lithothamnium calcareum een landbouwkundig ingrediënt (“ingrediënt van agrarische oorsprong”) zijn, vervolgens het gebruik van een niet-biologisch landbouwkundig (agrarisch) ingrediënt onderwierp aan bijkomende criteria (punten 48 – 54 van het arrest) en daarna verder inging op de twee aanvullende criteria waaraan voldaan moet worden voor de verwerking van een niet-biologisch landbouwkundig ingrediënt in biologische productie (punten 55 – 59). Het Hof concludeerde tot het verbod om niet-biologisch gecertificeerde delen van het wier Lithothamnium calcareum in biologische levensmiddelen te gebruiken (punt 59) en ging nadien verder in op de doelstellingen nagestreefd door de Europese wetgever in verband met de bio-regelgeving, met name beperkingen opleggen op de verwerking van niet-biologische ingrediënten in biologische productie (punten 60 -71). In deze uitlegging van de doelstellingen, maakt het Hof daarbij een brug naar het gebruik van mineralen in biologische productie. De verwerende partij kwalificeert in haar redenering en interpretatie niet enkel op tegenstrijdige wijze gereinigde, gedroogde en fijngemaakte delen van het wier Lithothamnium calcareum als een mineraal (in strijd met punt van het Natumi-arrest), maar past bovendien een juridisch stelsel toe waaronder het biologisch gecertificeerde ingrediënt dat door de verzoekende partij in de graandranken wordt verwerkt, niet valt. Ook de verwijzing door de verwerende partij naar een schrijven van de Europese Commissie Ares
(2023)8716126 van 19 december 2023 moet volgens haar in een breder perspectief geplaatst worden nu de Europese Commissie juridische gevolgen heeft getrokken uit het arrest Natumi die geenszins in dit arrest kunnen worden teruggevonden en de Europese Commissie geen interpretatiebevoegdheid heeft met betrekking tot XIV-39.535-21/39 het Unierecht, zodat dit schrijven een document betreft zonder enige bindende juridische waarde. Het komt uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie toe om het Unie-recht te interpreteren. Wat het derde onderdeel betreft, repliceert de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord dat het calcium dat van nature aanwezig is slechts 30% van het totale Lithothamnium calcareum-ingrediënt uitmaakt. De voormelde verordening verbiedt om biologische levensmiddelen te verrijken met geïsoleerde, vitamines en mineralen. De graandranken die door de verzoekende partij worden gecommercialiseerd, worden echter niet verrijkt met geïsoleerd calciumcarbonaat (E 170), maar met een biologisch gecertificeerd ingrediënt dat van nature calcium bevat, naast andere samengestelde stoffen. Vermits het betreffende ingrediënt geen levensmiddelenadditief is, en noch een niet-biologisch ingrediënt, een micronutriënt of technische hulpstof, wordt het beginsel vervat in artikel 7, b), van de voormelde verordening niet miskend. Aangezien de consument niet misleid wordt, is er volgens haar evenmin sprake van een miskenning van het beginsel vervat in artikel 7, c), van de voormelde verordening. Er wordt immers geen verwijzing gemaakt dat de graandranken dezelfde eigenschappen zouden bezitten als koemelk. Het feit dat de betrokken dranken een ingrediënt bevatten dat van natuur calcium bevat, met name delen van het wier Lithothamnium calcareum, betekent niet dat de consument zou denken dat het product koemelk is. Wat de in ondergeschikte orde voorgestelde prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie van de Europese Unie betreft, stelt de verzoekende partij dat de prejudiciële vraagstelling wel degelijk relevant is vermits er sprake is van een interpretatiegeschil van de toepasselijke verordening dat door het arrest Natumi niet werd uitgeklaard. 7. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat, door naar punt 71 van het arrest Natumi te verwijzen, het auditoraatsverslag de eigen conclusie tegenspreekt en de redenering en zienswijze van de verzoekende partij bevestigt dat de voorwaarden en beperkingen die van toepassing zijn op niet-biologische landbouwkundige ingrediënten niet gelden voor biologische XIV-39.535-22/39 landbouwkundige ingrediënten, zoals het ter zake doende biologisch gecertificeerd Lithothamnium calcareum-ingrediënt. Ook de verwijzing in het auditoraatsverslag naar Bijlage III, Deel A en Bijlage V, Delen A1 en B van de uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 is volgens haar volstrekt irrelevant vermits deze bepalingen louter betrekking hebben op niet-biologische ingrediënten, hetgeen het biologisch gecertificeerd Lithothamnium calcareum-ingrediënt klaarblijkelijk niet is. Wat Bijlage III, Deel A betreft, verduidelijkt zij dat deze bijlage enkel betrekking heeft op het gebruik als diervoeder of bij de productie van diervoeder en dat de verwerende partij zelf ook nooit naar deze bijlage heeft verwezen. Bijlage V, Deel A1 betreft volgens haar enkel levensmiddelenadditieven en technische hulpstoffen als bedoeld in artikel 24, lid 2, punt a), van de bio-verordening die toegelaten zijn voor gebruik in de productie van verwerkte biologische levensmiddelen, terwijl Lithothamnium calcareum geen levensmiddelenadditief of technische hulpstof is, maar door het Hof van Justitie in voormeld arrest gekwalificeerd werd als een ingrediënt van agrarische oorsprong. Bijlage V, Deel B verwijst naar de toegelaten niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong voor gebruik bij de productie van verwerkte biologische levensmiddelen, als bedoeld in artikel 24, lid 2, punt b), van de verordening, terwijl het te dezen gebruikte Lithothamnium calcareum ingrediënt biologisch gecertificeerd is. Zij handhaaft voorts haar verzoek tot prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het auditoraatsverslag bevestigt volgens haar dat de interpretatie van het Unierecht met betrekking tot het gebruik van biologisch gecertificeerd poeder verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van de algen Lithothamnium calcareum in biologische dranken, open en vatbaar voor uiteenlopende opvattingen blijft. De verwerende partij zet in haar laatste memorie nog uiteen dat de verzoekende partij een enge en foutieve lezing geeft aan het arrest Natumi en dat het geenszins zo is dat punt 71 van dat arrest haar standpunt zou bevestigen. Voormeld punt 71 anticipeert op de toen in ontwerp, en ondertussen van toepassing XIV-39.535-23/39 zijnde huidige verordening (EU) 2018/848, en bevestigt expliciet dat dezelfde redenering als gehanteerd in het arrest Natumi van toepassing is op de huidige verordening (EU) 2018/848. Overweging 71 stelt duidelijk dat een toelating voor de toevoeging van niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong niet geldt als deze niet-biologische ingrediënten gebruikt worden als bijvoorbeeld mineralen. De interpretatie door het Hof is bijgevolg naar analogie van toepassing op het gebruik van de biologische variant van het voormelde wier. Als biologisch wier gebruikt wordt als mineraal, gelden eveneens de strikte toelatingsregels inzake mineralen. Het louter kijken naar de bepaling inzake biologische ingrediënten van agrarische oorsprong zou volgens de verwerende partij neerkomen op een schending van het verbod op het gebruik van mineralen als vermeld in punt 2.2.2.
  1. f)i), van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848. Wat de verwijzing naar Bijlage III, Deel A van de uitvoeringverordening 2021/1165 in het auditoraatsverslag betreft, blijkt volgens haar duidelijk dat de vermelding van Lithothamne in de uitvoeringsverordening enkel slaat op het gebruik bij diervoeders. Het standpunt van de verzoekende partij i.v.m. Bijlage V, deel A1, van de uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 die voorhoudt dat het aanwezige calciumcarbonaat in het Lithothamnium calcareum niet kan worden beschouwd als een verrijking met geïsoleerd E170 faalt volgens de verwerende partij eveneens, nu de verzoekende partij ook hier geen correcte lezing geeft aan het arrest Natumi. Wat Bijlage V, deel B van de uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 betreft, merkt zij nog op dat het in het voorliggende geval niet relevant is of het wier Lithothamnium calcareum als biologisch of als niet-biologisch ingrediënt wordt toegevoegd. In beide gevallen moet het worden beschouwd als de toevoeging van een mineraal, en gelden de regels van punt 2.2.2(
  2. f)van Deel IV bij Bijlage II van verordening (EU) 2018/848. XIV-39.535-24/39 De verwerende partij herhaalt voorts dat er geen nood is om het Hof van Justitie van de Europese Unie opnieuw te bevragen aangezien het arrest Natumi reeds duidelijk is. Ondergeschikt herformuleert de verwerende partij de voorgestelde vraag als volgt: “Moet punt 2.2.1. en 2.2.2. van deel IV bij Bijlage II van Verordening (EU) 2018/848 juncto artikel 7,
  3. b)en c), van verordening (EU) 2018/848 zo worden uitgelegd dat biologisch gecertificeerd poeder verkregen uit gereinigde, fijngemaakte en gedroogde sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum, dat van nature rijk is aan calciumcarbonaat, bij de verwerking van gewone biologische levensmiddelen valt onder punt 2.2.2., f), i), van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848 en zodoende verboden is gezien het gebruik van calcium in gewone levensmiddelen geen rechtstreeks juridische vereiste is ?” Beoordeling 8. Er is geen grond om de door de verwerende partij in de memorie van antwoord opgeworpen exceptio obscuri libelli aan te nemen. De uiteenzetting van het eerste middel in het verzoekschrift laat haar immers toe een voldoende inzicht te krijgen in de bezwaren die tegen de bestreden beslissing worden aangevoerd. Zij heeft daarop trouwens inhoudelijk geantwoord. 9. Voor de beoordeling van het middel zijn onder meer de volgende unierechtelijke bepalingen relevant. Luidens artikel 7 van verordening (EU) 2018/848 gelden de volgende specifieke beginselen voor de verwerking van biologische levensmiddelen: “De productie van verwerkte biologische levensmiddelen is met name gebaseerd op de volgende specifieke beginselen:
  4. a)de productie van biologische levensmiddelen met biologische ingrediënten van agrarische oorsprong;
  5. b)de beperking van het gebruik van levensmiddelenadditieven, niet-biologische ingrediënten met een hoofdzakelijk technologische en sensorische functie, en micronutriënten en technische hulpstoffen, zodat zij zo weinig mogelijk en alleen in gevallen van wezenlijke technologische noodzaak of voor bijzondere voedingsgerelateerde doeleinden worden gebruikt;
  6. c)de uitsluiting van stoffen en verwerkingsmethoden die misleidend kunnen zijn met betrekking tot de ware aard van het product; XIV-39.535-25/39
  7. d)de zorgvuldige verwerking van biologische levensmiddelen, bij voorkeur door het gebruik van biologische, mechanische en fysieke methoden;
  8. e)de uitsluiting van levensmiddelen die vervaardigde nanomaterialen bevatten of daaruit bestaan.” Overeenkomstig artikel 15 van verordening (EU) 2018/848 dienen exploitanten die algen en aquacultuurdieren produceren, de gedetailleerde productievoorschriften van bijlage II, deel III, en van elke in lid 3 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling in acht te nemen. Overeenkomstig artikel 16 van verordening (EU) 2018/848 dienen exploitanten die verwerkte levensmiddelen produceren, de gedetailleerde productievoorschriften van bijlage II, deel IV, en van elke in lid 3 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling in acht te nemen. Het gebruik van bepaalde producten en stoffen in de biologische productie is onderworpen aan een specifiek toelatingsstelsel vervat in artikel 24 van verordening (EU) 2018/848 dat luidt als volgt: “1. De Commissie kan het gebruik van bepaalde producten en stoffen in de biologische productie toelaten en neemt deze toegelaten producten en stoffen in restrictieve lijsten op, mits zij worden gebruikt als:
  9. a)werkzame stof die zal worden gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen;
  10. b)meststof, bodemverbeteraar of nutriënt;
  11. c)van planten, algen, dieren of gist afkomstig niet-biologisch voedermiddel, of als voedermiddel van microbiële of minerale oorsprong;
  12. d)diervoederadditief of technische hulpstof;
  13. e)product voor het reinigen en ontsmetten van vijvers, kooien, tanks, doorstroomsystemen, gebouwen of installaties voor dierlijke productie;
  14. f)product voor het reinigen en ontsmetten van gebouwen en installaties voor plantaardige productie, waaronder voor opslag in een landbouwbedrijf;
  15. g)product voor het reinigen en ontsmetten van verwerkings- en opslagfaciliteiten. 2. In aanvulling op producten en stoffen die overeenkomstig lid 1 zijn toegelaten kan de Commissie het gebruik van bepaalde producten en stoffen in de productie van verwerkte biologische levensmiddelen en van als levensmiddel of diervoeder gebruikte gist toelaten en neemt zij deze toegelaten producten en stoffen op in restrictieve lijsten, mits deze worden aangewend als:
  16. a)levensmiddelenadditief of technische hulpstof;
  17. b)niet-biologisch ingrediënt van agrarische oorsprong dat dient te worden gebruikt voor de productie van verwerkte biologische levensmiddelen;
  18. c)technische hulpstof voor de productie van gist en gistproducten. 3. De in lid 1 genoemde producten en stoffen worden voor het gebruik in de biologische productie toegelaten in overeenstemming met de beginselen van hoofdstuk II en met de volgende criteria, die in hun totaliteit worden beoordeeld: XIV-39.535-26/39
  19. a)de producten en stoffen zijn essentieel voor voortdurende productie en voor het beoogde gebruik;
  20. b)alle betrokken producten en stoffen zijn van plantaardige, algen-, dierlijke, microbiële of minerale oorsprong, tenzij producten of stoffen van dergelijke oorsprong niet in voldoende hoeveelheden of kwaliteit of er geen alternatieven beschikbaar zijn
  21. c)voor de in lid 1, onder a), bedoelde producten geldt:
  22. i)het gebruik ervan is essentieel voor de bestrijding van een plaagorganisme waarvoor geen andere biologische, fysische of kweekalternatieven, dan wel teeltpraktijken of andere doeltreffende beheerspraktijken beschikbaar zijn;
  23. ii)indien zulke producten niet van plantaardige, algen-, dierlijke, microbiële of minerale oorsprong zijn en niet identiek zijn aan hun natuurlijke vorm, sluiten de voorwaarden voor het gebruik ervan elk direct contact met het eetbare gedeelte van het gewas uit;
  24. d)het gebruik van de in lid 1, onder b), bedoelde producten is essentieel voor het vruchtbaar maken of houden van de bodem, voor specifieke voedingsbehoeften van de gewassen of voor specifieke toepassingen op het gebied van bodemverbetering;
  25. e)voor de in lid 1, onder
  26. c)en d), bedoelde producten geldt:
  27. i)het gebruik ervan is noodzakelijk voor het handhaven van de gezondheid, het welzijn en de vitaliteit van de dieren en draagt bij tot een passend dieet dat voorziet in de fysiologische en ethologische behoeften van de betrokken soort, of het produceren of bewaren van diervoeder is niet mogelijk zonder dergelijke stoffen;
  28. ii)diervoeder van minerale oorsprong, spoorelementen, vitaminen of provitaminen zijn van natuurlijke oorsprong, tenzij producten of stoffen van dergelijke oorsprong niet in voldoende hoeveelheden of kwaliteit of er geen alternatieven beschikbaar zijn; iii) het gebruik van een niet-biologisch voedermiddel van plantaardige of dierlijke oorsprong is noodzakelijk omdat een volgens de voorschriften inzake biologische productie geproduceerd voedermiddel van plantaardige of dierlijke oorsprong niet in voldoende hoeveelheden beschikbaar is;
  29. iv)het gebruik van niet-biologische specerijen, kruiden en melasse is noodzakelijk omdat dergelijke producten niet beschikbaar zijn in biologische vorm; zij moeten zonder chemische oplosmiddelen zijn geproduceerd of bereid en het gebruik ervan mag niet meer bedragen dan 1 % van het voederrantsoen voor een bepaalde soort, berekend op jaarbasis als percentage van de droge stof van diervoeders van agrarische oorsprong. 4. De toelating voor het gebruik van de in lid 2 genoemde producten en stoffen in de productie van verwerkte biologische levensmiddelen of voor de productie van als levensmiddel of diervoeder gebruikte gist wordt verleend in overeenstemming met de beginselen van hoofdstuk II en met de volgende criteria, die in hun totaliteit worden beoordeeld
  30. a)overeenkomstig dit artikel toegelaten alternatieve producten of stoffen, of technieken die in overeenstemming zijn met deze verordening, zijn niet beschikbaar;
  31. b)zonder deze producten en stoffen kunnen de levensmiddelen niet worden geproduceerd of bewaard of kan aan bepaalde voedingsvoorschriften waarin de Uniewetgeving voorziet, niet worden voldaan;
  32. c)deze producten en stoffen komen in de natuur voor en hebben uitsluitend mechanische, fysische, biologische, enzymatische of microbiële processen ondergaan, behalve indien producten of stoffen van dergelijke oorsprong niet in voldoende hoeveelheden of in de juiste kwaliteit beschikbaar zijn;
  33. d)het biologische ingrediënt is niet in voldoende hoeveelheden beschikbaar. […]” XIV-39.535-27/39 Artikel 25 van verordening (EU) 2018/848 voorziet daarnaast in een mogelijke toelating door lidstaten van niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong voor verwerkte biologische levensmiddelen. Deel III van Bijlage II bij de verordening (EU) 2018/848, met als opschrift ‘Productievoorschriften voor algen en aquacultuurdieren’, bepaalt onder punt 2 de voorschriften voor algen, waaronder de vergaring van wilde algen, die luiden als volgt: “2. Voorschriften voor algen Op de biologische vergaring en productie van algen zijn naast de in de artikelen 9, 10, 11 en 15 en eventueel in afdeling 1 van dit deel bedoelde algemene productievoorschriften, de in deze afdeling opgenomen voorschriften van toepassing. Deze voorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op de productie van fytoplankton. 2.1. Omschakeling […] 2.2. Productievoorschriften voor algen 2.2.1. De vergaring van wilde algen en van delen daarvan wordt als biologische productie beschouwd, op voorwaarde dat:
  34. a)de gebieden waar het zeewier groeit, geschikt zijn vanuit gezondheidsoogpunt en zich in zeer goede ecologische toestand bevinden als omschreven in Richtlijn 2000/60/EG, of waarvan de kwaliteit gelijk is aan die van — de productiegebieden van klasse A of B krachtens Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad
(1), tot en met 13 december 2019, of — de overeenkomstige indelingsgebieden als omschreven in de uitvoeringshandelingen die de Commissie heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 18, lid 8, van Verordening (EU) 2017/625, vanaf 14 december 2019;
  1. b)de verzameling geen significante negatieve impact heeft op de stabiliteit van het natuurlijke ecosysteem of de instandhouding van de soorten in het vergaringsgebied. […]” Deel IV van Bijlage II bij de verordening (EU) 2018/848 bevat productievoorschriften voor verwerkte levensmiddelen. Afdeling 2 daarvan bepaalt de volgende gedetailleerde voorschriften voor de productie van verwerkte biologische levensmiddelen: “2.1. De volgende voorschriften zijn van toepassing op de samenstelling van biologische verwerkte levensmiddelen: a. het product moet hoofdzakelijk worden geproduceerd met ingrediënten van agrarische oorsprong of producten bestemd voor gebruik als levensmiddel als vervat in bijlage I; om te bepalen of een product hoofdzakelijk is XIV-39.535-28/39 geproduceerd met die producten, worden toegevoegd water en zout buiten beschouwing gelaten; b. een biologisch ingrediënt mag niet voorkomen samen met hetzelfde ingrediënt in niet-biologische vorm; c. een omschakelingsingrediënt mag niet voorkomen samen met hetzelfde ingrediënt in biologische of niet- biologische vorm. 2.2. Gebruik van bepaalde producten en stoffen bij de levensmiddelenverwerking 2.2.1. Bij de verwerking van levensmiddelen mag alleen gebruik worden gemaakt van de levensmiddelenadditieven, technische hulpstoffen en niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong die overeenkomstig artikel 24 of artikel 25 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten, en van de in punt 2.2.2 bedoelde producten en stoffen, behalve wanneer het gaat om producten en stoffen van de wijnsector, waarop deel VI, punt 2, van toepassing is, en met uitzondering van gist, waarop deel VII, punt 1.3, van toepassing is. 2.2.2. Bij de levensmiddelenverwerking mogen de volgende producten en stoffen worden gebruikt:
  2. a)preparaten op basis van micro-organismen en voedingsenzymen die gewoonlijk worden gebruikt bij de levensmiddelenverwerking, mits voedingsenzymen die voor gebruik als levensmiddelenadditieven zijn bestemd overeenkomstig artikel 24 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten;
  3. b)stoffen en producten als gedefinieerd in artikel 3, lid 2, onder
  4. c)en onder d), i), van Verordening (EG) nr. 1334/2008 die overeenkomstig artikel 16, leden 2, 3 en 4, van die verordening op het etiket zijn vermeld als natuurlijke aromastoffen of natuurlijke aromatiserende preparaten;
  5. c)kleurstoffen voor het stempelen van vlees en eierschalen overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1333/2008;
  6. d)natuurlijke kleurstoffen en natuurlijke bedekkingsstoffen voor het traditioneel versieren van de schaal van gekookte eieren die bestemd zijn om in een bepaalde periode van het jaar in de handel te worden gebracht;
  7. e)drinkwater en biologisch of niet-biologisch zout (met natriumchloride of kaliumchloride als basiscomponenten) dat in het algemeen wordt gebruikt bij de levensmiddelenverwerking;
  8. f)mineralen (inclusief spoorelementen), vitamines, aminozuren en micronutriënten, mits:
  9. i)het gebruik ervan in gewone levensmiddelen ‘een rechtstreeks juridisch vereiste is’, in die zin dat het rechtstreeks vereist is krachtens bepalingen van Unierecht of daarmee verenigbaar nationaal recht, met als gevolg dat het levensmiddel hoegenaamd niet als gewoon levensmiddel in de handel mag worden gebracht zonder toevoeging van die mineralen, vitamines, aminozuren of micronutriënten, of
  10. ii)wat betreft levensmiddelen die in de handel worden gebracht als levensmiddelen met bijzondere kenmerken of effecten op het gebied van gezondheid of voeding, of in verband met de behoeften van specifieke groepen consumenten: − in producten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder
  11. a)en b), van Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad, gebruik ervan is toegelaten bij die Verordening en op grond van artikel 11, lid 1, van die verordening vastgestelde handelingen voor de betrokken producten, of − in bij Richtlijn 2006/125/EG van de Commissie gereguleerde producten, het gebruik ervan bij die Richtlijn is toegelaten. 2.2.3. Voor reiniging en ontsmetting mag alleen gebruik worden gemaakt van de reinigings- en ontsmettingsproducten die krachtens artikel 24 voor gebruik in de verwerking zijn toegelaten. XIV-39.535-29/39 2.2.4. Voor de berekening overeenkomstig artikel 30, lid 5, zijn de volgende voorschriften van toepassing:
  12. a)bepaalde levensmiddelenadditieven die overeenkomstig artikel 24 voor gebruik in de biologische productie zijn toegelaten, moeten worden berekend als ingrediënten van agrarische oorsprong;
  13. b)in punt 2.2.2, onder a), c), d),
  14. e)en f), bedoelde preparaten en stoffen mogen niet als ingrediënten van agrarische oorsprong worden berekend;
  15. c)gist en gistproducten moeten als ingrediënten van agrarische oorsprong worden berekend.” Artikel 6 van uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165, van toepassing met ingang van 1 januari 2022, luidt: “Voor de toepassing van artikel 24, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2018/848 mogen alleen de in bijlage V, deel A, bij deze verordening vermelde producten en stoffen worden gebruikt als levensmiddelenadditieven, met inbegrip van voedingsenzymen voor gebruik als levensmiddelenadditieven, en technische hulpstoffen bij de productie van verwerkte biologische levensmiddelen, mits het gebruik ervan in overeenstemming is met de desbetreffende bepalingen van het recht van de Unie, met name Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad en, waar van toepassing, overeenkomstig op het recht van de Unie gebaseerde nationale bepalingen.” Artikel 7 van uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165, dat evenwel pas van toepassing is met ingang van 1 januari 2024 en dus na de aanname van de bestreden beslissing, luidt: “Niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong die mogen worden gebruikt voor de productie van verwerkte biologische levensmiddelen Voor de toepassing van artikel 24, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2018/848 mogen alleen de in bijlage V, deel B, bij deze verordening vermelde niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong worden gebruikt voor de productie van verwerkte biologische levensmiddelen, mits het gebruik ervan in overeenstemming is met de desbetreffende bepalingen van het recht van de Unie en, waar van toepassing, overeenkomstig op het recht van de Unie gebaseerde nationale bepalingen. De eerste alinea laat de in deel IV, afdeling 2, van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848 vastgelegde gedetailleerde voorschriften voor de biologische productie van verwerkte levensmiddelen onverlet. De eerste alinea is met name niet van toepassing op niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong die worden gebruikt als levensmiddelenadditieven, technische hulpstoffen of producten en stoffen als bedoeld in deel IV, punt 2.2.2, van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848.” Deze bepaling wordt als volgt verduidelijkt in overweging 14 bij de voormelde uitvoeringsverordening : XIV-39.535-30/39 “Gezien de samenstelling van bepaalde niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong kunnen sommige vormen van gebruik van die ingrediënten in verwerkte biologische levensmiddelen neerkomen op gebruik als levensmiddelenadditief, technische hulpstof of product of stof als bedoeld in deel IV, punt 2.2.2, van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848. Voor die vormen van gebruik is een specifieke toelating vereist overeenkomstig deel IV, punt 2.2., van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848 en die vormen van gebruik mogen niet worden toegestaan via de toelating van niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong.” 10. Voor de beoordeling van het middel moet eerst worden uitgemaakt of verordening (EU) 2018/848 toestaat dat biologisch gecertificeerde delen van het wier Lithothamnium calcareum als biologisch ingrediënt van agrarische oorsprong worden gebruikt bij de samenstelling van biologische verwerkte levensmiddelen, zoals de verzoekende partij beweert, dan wel of, zoals de verwerende partij beweert, de strikte toelatingsregels inzake mineralen moeten worden toegepast zoals vervat in deel IV, punt 2.2.2,f), van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848, ongeacht of het afkomstig is van een biologisch of niet-biologisch ingrediënt. Er is derhalve een betwisting tussen de partijen over de vraag hoe de voormelde bepalingen van verordening (EU) 2018/848 moet worden geïnterpreteerd. 11. Verordening (EU) 2018/848 beoogt volgens artikel 1 ervan de beginselen van de biologische productie vast te stellen alsmede de voorschriften inzake biologische productie, de gerelateerde certificering en het gebruik van aanduidingen die naar biologische productie verwijzen op etiketten en in reclame, alsmede controlevoorschriften in aanvulling op de in Verordening (EU) 2017/625 vastgestelde voorschriften. Volgens overweging 123 bij Verordening (EU) 2018/848 heeft zij als doelstelling “het garanderen van eerlijke concurrentie, de goede werking van de interne markt voor biologische producten en het vertrouwen van de consument in die producten en in het logo voor de biologische productie van de Europese Unie”. XIV-39.535-31/39 Op grond van artikel 7 van Verordening (EU) 2018/848 geldt als specifiek beginsel voor de verwerking van biologische levensmiddelen onder meer “de productie van biologische levensmiddelen met biologische ingrediënten van agrarische oorsprong”, maar ook “de beperking van het gebruik van levensmiddelenadditieven, niet-biologische ingrediënten met een hoofdzakelijk technologische en sensorische functie, en micronutriënten en technische hulpstoffen, zodat zij zo weinig mogelijk en alleen in gevallen van wezenlijke technologische noodzaak of voor bijzondere voedingsgerelateerde doeleinden worden gebruikt” en “de uitsluiting van stoffen en verwerkingsmethoden die misleidend kunnen zijn met betrekking tot de ware aard van het product”. Zoals blijkt uit overweging 52 van de verordening heeft zij onder meer tot doel om bepalingen inzake de samenstelling van verwerkte biologische levensmiddelen vast te stellen. Meer bepaald, moeten deze levensmiddelen voornamelijk uit biologische ingrediënten van agrarische oorsprong of uit andere binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende biologische ingrediënten worden geproduceerd, waarbij bepaalde, in deze verordening gespecificeerde niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong in beperkte mate mogen worden gebruikt. Bovendien mogen alleen bepaalde producten en stoffen die overeenkomstig deze verordening zijn toegelaten, worden gebruikt bij de productie van verwerkte biologische levensmiddelen. Zo voorziet de verordening onder meer in strikte regels wat de toevoeging van mineralen bij de productie van biologische levensmiddelen betreft. 12. In het arrest van 29 april 2021, C-815/19, Natumi GmbH, EU:C:2021:336, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie zich uitgesproken over het gebruik van het wier Lithothamnium calcareum bij de verwerking van biologische levensmiddelen zoals biologische rijst- en sojadranken teneinde deze te verrijken met calcium. In dat arrest leidde het Hof uit de bewoordingen van de toenmalige verordening (EG) nr. 889/2008 af dat “poeder dat wordt verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van het wier Lithothamnium XIV-39.535-32/39 calcareum een door verwerking uit een plantaardig product afgeleid product [vormt] dat onder punt 1.3 van bijlage IX bij verordening nr. 889/2008 valt en dat moet worden beschouwd als een niet-biologisch ingrediënt van agrarische oorsprong in de zin van artikel 28 van deze verordening” (punt 42 van het arrest). Het Hof leidde niettemin uit de context en doelstelling van de betrokken bepalingen af dat artikel 28 van verordening nr. 889/2008 en bijlage IX daarbij, juncto artikel 21 van verordening (EG) nr. 834/2007, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat poeder verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum als niet-biologisch ingrediënt van agrarische oorsprong wordt gebruikt bij de verwerking van biologische levensmiddelen zoals de aldaar in het hoofdgeding aan de orde zijnde biologische rijst- en sojadranken, teneinde deze te verrijken met calcium (punten 59 en 72 van het arrest). Een uitlegging volgens welke poeder dat is verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum, dat van nature een hoog calciumgehalte heeft, als niet-biologisch ingrediënt van agrarische oorsprong in de zin van artikel 28 van verordening nr. 889/2008 zou mogen worden gebruikt bij de verwerking van biologische levensmiddelen zou er volgens het Hof op neerkomen dat de producenten van deze middelen het verbod van artikel 19, lid 2, onder b), en artikel 21 van verordening nr. 834/2007, junctis artikel 27 van verordening nr. 889/2008 en bijlage VIII daarbij, zouden kunnen omzeilen. Een dergelijke uitlegging zou immers tot gevolg hebben dat de strikte regels voor de toevoeging van producten en stoffen zoals mineralen bij de productie van biologische levensmiddelen waarin de betrokken verordening voorziet, buiten werking worden gesteld, en zou indruisen tegen de doelstellingen daarvan (punten 69 en 70 van het arrest). 13. Zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven samenvatting van de standpunten van de partijen beroepen beide partijen zich op het voormelde arrest Natumi ter ondersteuning van hun standpunt aangaande de interpretatie van de bepalingen van de voormelde verordening (EU) 2018/848, waarvan door de partijen niet wordt betwist dat het deze laatste verordening is die van toepassing is op onderhavige zaak. XIV-39.535-33/39 In zoverre in de bestreden beslissing en door de partijen bijkomend wordt verwezen naar artikel 7, tweede lid, van de uitvoeringsverordening, merkt de Raad van State wel op dat artikel 7 van uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 pas van toepassing is met ingang van 1 januari 2024 en dus na de aanname van de bestreden beslissing. Hoewel voormeld artikel 7, tweede lid, nog niet van toepassing is op onderhavige zaak toont het, zoals het Hof van Justitie ook al overwoog in het arrest Natumi, wel mee een ontwikkeling aan op het gebied van biologische voeding, namelijk dat de toevoeging van niet-biologische bestanddelen aan biologische levensmiddelen geleidelijk aan banden wordt gelegd (HvJ 29 april 2021, C-815/19, ECLI: EU:C:2021:336, Natumi GmbH, punt 71) 14. Het is volgens de Raad van State echter niet vanzelfsprekend dat de interpretatie die het Hof in het voormeld arrest heeft gegeven aan de bepalingen van verordening (EG) nr. 889/2008 zonder meer naar analogie kan worden toegepast in de voorliggende zaak, en dus dat het uitgangspunt waarop de bestreden beslissing steunt, kan worden bijgevallen. De Raad van State stelt immers vast dat de voorliggende zaak, anders dan het geval was in het voormelde arrest Natumi, betrekking heeft op biologisch gecertificeerd Lithothamnium calcareum. In het arrest Natumi heeft het Hof zich enkel uitdrukkelijk uitgesproken over de vraag naar de indeling van niet-biologisch gecertificeerd Lithothamnium calcareum als niet-biologisch ingrediënt van agrarische oorsprong in de zin van artikel 28 van verordening nr. 889/2008, dan wel als mineraal, om vervolgens te beoordelen of de toelatingsregeling van het gebruik van niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong dan wel de toelatingsregeling inzake het gebruik van mineralen diende te worden toegepast. De verzoekende partij wijst er in dit verband terecht op dat het gebruik van biologische landbouwkundige ingrediënten en niet-biologische landbouwkundige ingrediënten op een verschillende manier worden omkaderd in de verordening. Er blijkt niet dat het arrest reeds is ingegaan op de vraag of punt 2.2.2 van Deel IV bij Bijlage II van verordening (EU) 2018/848 XIV-39.535-34/39 verbiedt biologisch gecertificeerde landbouwkundige ingrediënten in het recept van een biologisch levensmiddel te verwerken vanwege hun nutritionele eigenschappen, in casu delen van de algen Lithothamnium calcareum uit biologische gecertificeerde wilde verzameling omwille van hun calciumgehalte. Bovendien heeft het Hof zich in het voormelde arrest uitgesproken over de indeling van (de niet-biologische variant van) het betrokken ingrediënt in het licht van de toenmalige verordening (EG) nr. 889/2008 en vooralsnog niet over de indeling van (biologisch gecertificeerd) Lithothamnium calcareum in het licht van verordening (EU) 2018/848. In artikel 24, lid 2, onder
  16. a)en b), van deze laatste verordening is weliswaar het beginsel overgenomen dat de Commissie bepaalde producten en stoffen mag toelaten bij de productie van verwerkte biologische levensmiddelen en dat die producten op limitatieve lijsten worden vermeld als levensmiddelenadditieven en technische hulpstoffen of als niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong die bestemd zijn om voor de productie van verwerkte biologische levensmiddelen te worden gebruikt. De regeling zoals opgenomen in verordening (EU) 2018/848 is echter niet identiek aan de regeling zoals opgenomen in verordening (EG) nr. 889/2008 en waarover het Hof zich reeds heeft uitgesproken. Zo bevatten de toelatingscriteria voor het gebruik van bepaalde producten en stoffen bij de verwerking die zijn vastgesteld in artikel 24.4 van verordening (EU) 2018/848 als bijkomende voorwaarde voor het gebruik van een niet-biologisch landbouwkundig ingrediënt dat het biologische ingrediënt niet in voldoende hoeveelheden beschikbaar is (artikel 24.4
  17. d)van verordening (EU) 2018/848). Zo ook bevat bijlage V, deel B, bij de uitvoeringsverordening een lijst van toegelaten producten en stoffen waarin voortaan slechts twee met naam genoemde wiersoorten (arame en hijiki) zijn opgenomen die als niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong aan biologische levensmiddelen mogen worden toegevoegd. 15. Dat in overweging 71 van het arrest Natumi, met verwijzing naar de punten 90 tot en met 93 van de conclusie van de advocaat-generaal, reeds verwezen wordt naar verordening (EU) 2018/848 doet niet anders besluiten, nu daarbij enkel een bepaling van een ontwerpuitvoeringsverordening van verordening (EU) 2018/848 bij de beoordeling wordt betrokken en niet de XIV-39.535-35/39 bepalingen van deze laatste verordening zelf, behoudens de algemene vaststelling dat zij “een ontwikkeling [aantonen] op het gebied van biologische voeding, namelijk dat de toevoeging van niet-biologische bestanddelen aan biologische levensmiddelen geleidelijk aan banden wordt gelegd.” Zoals hiervoor reeds werd opgemerkt, betreft de voorliggende zaak niet de toevoeging van een niet-biologisch bestanddeel aan een biologisch levensmiddel, maar de toevoeging van biologisch gecertificeerd Lithothamnium carcareum. Zowel uit de overwegingen 69 en volgende van het arrest Natumi als uit artikel 7, tweede lid, van uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165 blijkt de bekommernis dat een uitlegging waarbij poeder dat is verkregen uit gereinigde, gedroogde en fijngemaakte sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum, dat van nature een hoog calciumgehalte heeft, als niet-biologisch ingrediënt van agrarische oorsprong zou mogen worden gebruikt bij de verwerking van biologische levensmiddelen erop zou neerkomen dat hierdoor de strikte regels voor de toevoeging van producten en stoffen zoals mineralen worden omzeild. De vraag is echter of dezelfde bekommernis ook speelt wanneer het gaat over de toevoeging van een biologisch ingrediënt en dit mede in het licht van de toevoeging als bijkomende voorwaarde voor het gebruik van een niet-biologisch landbouwkundig ingrediënt in artikel 24.4 van verordening (EU) 2018/848 dat het biologische ingrediënt niet in voldoende hoeveelheden beschikbaar is (artikel 24.4 d). 16. In het licht van het voorgaande, rijst voorts ook de vraag of de argumentatie van de verzoekende partij waarbij zij op basis van het arrest Natumi zonder meer uitgaat van een bindende kwalificatie door het Hof van Justitie van de Europese Unie van het product Lithothamnium carcareum als ingrediënt van agrarische oorsprong, ook onder de toepassing van verordening (EU) 2018/848, kan worden bijgevallen. In voormeld arrest heeft het Hof zich immers enkel uitgesproken over de kwalificatie als niet-biologisch ingrediënt van agrarische oorsprong in de zin van artikel 28 van verordening nr. 889/2008, waarbij de uitlegging mede gesteund is op punt I.3. van bijlage IC bij deze verordening en de XIV-39.535-36/39 daarin vervatte algemene vermelding van “algen, inclusief zeewier”. Zoals hiervoor reeds werd opgemerkt, bevat bijlage V, deel B, bij de uitvoeringsverordening een lijst van toegelaten producten en stoffen waarin voortaan slechts twee met naam genoemde wiersoorten (arame en hijiki) zijn opgenomen die als niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong aan biologische levensmiddelen mogen worden toegevoegd. 17. In die omstandigheden staat het dan ook niet vast dat de eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie inzake verordening (EG) nr. 889/2008 onverkort geldig is en dat kan worden aangenomen dat de te dezen toepasselijke bepalingen van Unierecht reeds door het Hof zijn uitgelegd. 18. De Raad van State stelt voorts vast dat in het document “Frequently asked questions on organic rules” dat door de Europese Commissie op 30 november 2023 werd gepubliceerd en waarnaar door de partijen wordt verwezen, onder vraag 12 gesteld wordt dat het hoofdbestanddeel van Lithothamnium calcareum calciumcarbonaat is, dat de belangrijkste functie ervan in verwerkt voedsel de toevoeging van calcium is en dat aangezien calciumcarbonaat een mineraal is, voor het gebruik ervan in de biologische productie bijgevolg een toelating vereist overeenkomstig punt 2.2.2 van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848. Dat neemt niet weg dat op grond van artikel 267 van het Verdrag van 25 maart 1957 ‘betreffende de werking van de Europese Unie’ het Hof van Justitie bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie. 19. In het licht van al het voorgaande, kan de Raad van State de verwerende partij ook niet bijvallen waar zij aanneemt dat de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan. XIV-39.535-37/39 20. Zoals bij het eerste middel is ook bij het tweede middel de beoordeling afhankelijk van de interpretatie die moet worden gegeven aan de voormelde bepalingen van verordening (EU) 2018/848. Alvorens het onderzoek van het eerste en, in voorkomend geval, het tweede middel, voort te zetten, dient, gelet op de voornoemde onduidelijkheid en de omstandigheid dat de partijen van mening verschillen over de interpretatie die moet worden verleend aan de voormelde bepalingen van verordening (EU) 2018/848 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het dictum ge(her)formuleerde prejudiciële vraag te worden gesteld. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Aan het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Moet punt 2.2.1. en 2.2.2. van deel IV bij Bijlage II van verordening (EU) 2018/848 juncto artikel 7,
  18. b)en c), van verordening (EU) 2018/848 zo worden uitgelegd dat biologisch gecertificeerd poeder verkregen uit gereinigde, fijngemaakte en gedroogde sedimenten van het wier Lithothamnium calcareum, dat van nature rijk is aan calciumcarbonaat, bij de verwerking van gewone biologische levensmiddelen valt onder punt 2.2.2., f), i), van deel IV van bijlage II bij verordening (EU) 2018/848 en zodoende verboden is gezien het gebruik van calcium in gewone levensmiddelen geen rechtstreeks juridische vereiste is ?” 3. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek, na ontvangst van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. XIV-39.535-38/39 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Inge Vos, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.535-39/39 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.952 Gerelateerde publicatie(
  19. s)citeert: ECLI:EU:C:2021:336 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.