← België

Arrest 262957 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 09/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.957 Rolnummer: A. 244491/X-19023 Zaak: Arrest 262957 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 09/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-15 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-16 05:22 Fiche Arrest nr 262.957 van 9 april 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 262.957 van 9 april 2025 in de zaak A. 244.491/X-19.023 In zake:

  1. R.V.
  2. L.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Meindert Gees en Hanna Biebauw kantoor houdend te 8500 Kortrijk Engelse Wandeling 2F5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE MALDEGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jonas De Wit en Julie Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: L.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Van Hulle kantoor houdend te 9930 Lievegem Zomerlaan 1 bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 26 maart 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maldegem van 18 maart 2025 ‘Tijdelijke drankvergunning voor zomer pop-upbar 2025 C.’. X-19.023-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij beschikking van 27 maart 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 31 maart 2025 heeft L.C. gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 april 2025, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Meindert Gees, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Julie Swerts, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Stijn Van Hulle, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Verzoekers wonen in Adegem, dit is een deelgemeente van de gemeente Maldegem. Het aangrenzende terrein heeft ten zuiden van de woning van de buren een grote voortuin en wordt aan de westelijke zijde begrensd door een X-19.023-2/15 gracht. Aan de overzijde van deze gracht bevindt zich een uitgestrekt grasland (hierna: de aanpalende weide). Zowel het terrein van de buren als de aanpalende weide zijn volgens het bij koninklijk besluit van 24 maart 1978 vastgestelde gewestplan ‘Eeklo-Aalter’ gelegen in agrarisch gebied. 4.
  7. Eind 2019 is voor het terrein van de buren een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een bijgebouw. Naast dit bijgebouw, worden in de voortuin meerdere constructies aangevraagd zoals een overdekt terras, een niet-overdekt terras, een petanquebaan en een betonnen zitput. 4.
  8. Met een besluit van 25 februari 2020 verleent het college van burgmeester en schepenen van de gemeente Maldegem (hierna: het collegebesluit van 25 februari 2020) de omgevingsvergunning voor het bouwen van het bijgebouw. Voor de aangevraagde constructies in de voortuin zoals het overdekt terras, het niet-overdekt terras, de petanquebaan en de betonnen zitput wordt de vergunning evenwel geweigerd. In het collegebesluit van 25 februari 2020 wordt het volgende overwogen: “[Het] zou […] de bedoeling zijn om enkel overdag de eventuele pop-up te openen in de zomer en zodoende ’s avonds geen storend effect te creëren in deze buurt. […] [In] de voortuin [wordt] een terras vooraan de woning […], een zitput […], een petanquebaan [en] een overdekt terras [aangevraagd]. Dit zijn verschillende bijkomende verhardingen. […] In agrarisch gebied is het niet mogelijk om bijkomende verharding te vergunnen. Het vrijstellingsbesluit laat toe om 80m² extra te verharden in zij- en achtertuin. De bovengenoemde verhardingen bevinden zich in de voortuin. Deze komen niet in aanmerking voor vergunning.” Artikel 3 van het collegebesluit van 25 februari 2020 legt uitdrukkelijk volgende voorwaarde op: X-19.023-3/15 “De bijkomende verhardingen in de voortuin worden uit de vergunning gesloten.” 5.
  9. Op 27 oktober 2022 stelt de gemeenteraad van de gemeente Maldegem het ‘Pop-Up Horeca’-reglement (hierna: het gemeentelijk pop-upreglement) vast. 5.
  10. In het gemeentelijk pop-upreglement wordt het volgende gesteld: “Artikel 1 : Definities en toepassingsgebied §
  11. Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder : 1° horeca pop-up: een commercieel initiatief voor de tijdelijke uitbating van een horecazaak, op een locatie waarvan een vestigingseenheid werd geregistreerd of geregistreerd zou moeten zijn in de Kruispuntbank Ondernemingen; […] Artikel 2 : De vergunning §
  12. Het verstrekken van een tijdelijke drankvergunning staat los van andere toelatingen/vergunningen. Maar indien een pop-upinitiatief ruimtelijk gezien op de voorgestelde locatie niet toelaatbaar is, dan kan er geen tijdelijke drankvergunning worden verstrekt.”
  13. Op 22 januari 2025 dient L. C. bij het gemeentebestuur een aanvraag in om, zoals de vorige jaren, een “drankvergunning” te krijgen voor een pop-upbar. Als “vooropgestelde startdatum” wordt 1 mei opgegeven en als “vooropgestelde einddatum” 31 augustus 2025, met als openingsuren “14u tot 23u” en als “[v]oorziene gemiddelde bezetting”: “meer dan 50 personen”. De voormelde aanvraag heeft vooreerst betrekking op de voortuin van het terrein van de buren. Het wordt niet door de partijen betwist dat voor de pop-upbar gebruik zal worden gemaakt van het overdekt terras, het niet-overdekt terras, de petanquebaan en de betonnen zitput, die in deze voortuin zijn opgericht. Tevens blijkt uit een bij de aanvraag gevoegd grafisch plan dat een deel van de aanpalende weide gebruikt zal worden als parking voor de autovoertuigen van de klanten van de pop-upbar. Ter verduidelijking volgt hierna X-19.023-4/15 een weergave van dit bij de aanvraag horende plan, waarop bij benadering de voornoemde gracht is aangeduid.
  14. Op 3 februari 2025 dienen verzoekers bij het gemeentebestuur bezwaar in tegen de pop-upbar. Zij zetten onder meer uiteen dat de aanvraag strijdig is met de gewestplanbestemming agrarisch gebied en met de vergunningsvoorwaarden van het collegebesluit van 25 februari
  15. Op 18 maart 2025 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maldegem het bestreden besluit. X-19.023-5/15 In dit besluit worden de bezwaren van verzoekers en de “repliek” van het gemeentebestuur als volgt weergegeven: “1/ Volgens het gemeentelijk pop-upreglement (art 11) moet de aanvrager binnen de tien dagen de buurt op de hoogte brengen van diens aanvraag, zodat buurtbewoners binnen de veertien dagen eventuele bezwaren kunnen overmaken aan de dienst lokale economie. In casu zou dit volgens de buren niet gebeurd zijn en werden zij hiervan pas op de hoogte gesteld via berichten in de pers. Onze repliek: Het klopt dat de gemeente weinig zicht en controlemogelijkheid heeft of alle betrokken buren effectief tijdig werden verwittigd naar aanleiding van een aanvraag. 2/ De zomerbar is jaarlijks doorgegaan sedert 2020 (tot 2024). Vanaf de eerste editie was er overlast van muziek en gepraat, lawaai van wagens, luidruchtige mensen, geurhinder en mobiliteitshinder. Ieder jaar hebben de buren hun bezorgdheden hierover kenbaar gemaakt aan het bestuur, zonder effect. Daarenboven werd de laatste jaren telkens aangekondigd dat het de laatste keer zou zijn. In 2024 motiveerde het college dat zo inkomsten gegenereerd konden worden, omdat de nieuwe gekocht[e] uitbating […] op dat moment nog niet operationeel was. Onze repliek: Het klopt dat de buren jaarlijks vooraf hun bezwaren hebben kenbaar gemaakt aan het bestuur. Het klopt ook dat de aanvrager in 2023 en in 2024 aankondigde dat het de laatste keer zou zijn dat de zomerbar [op de voorgestelde locatie] […] zou doorgaan. 3/ Het pop-upreglement stelt dat het college een tijdelijke drankvergunning voor horeca pop-up kan afleveren voor maximaal 120 dagen, refererend naar het vrijstellingenbesluit: Tijdelijke vrijstelling (maximaal vier keer dertig dagen per jaar) van een omgevingsvergunning voor functiewijziging van een pand en voor tijdelijke plaatsing van constructies. Alleen is die vrijstelling niet absoluut. Het pop-upreglement vermeldt dit ook wel, maar niet dat de handelingen evenmin strijdig mogen zijn met uitdrukkelijke voorwaarden van omgevingsvergunningen voor stedebouwkundige handelingen. In casu werd aan de eigenaars een omgevingsvergunning afgeleverd op 25 februari 2020 voor het uitbreiden van de woning doch, mits een aantal specifieke vergunningsvoorwaarden, waaronder de uitdrukkelijke bepaling dat bijkomende verhardingen in de voortuin uitgesloten zijn. In praktijk zijn er jaren terug desondanks wél constructies aangelegd geweest in de voortuin (terras, zitput, petanquebaan, overdekt terras, […]), in strijd met de bepalingen van de omgevingsvergunning. Dit zijn bouwovertredingen. Zelf zonder die uitdrukkelijke vergunningsvoorwaarde zijn verhardingen in de voortuin in agrarisch gebied überhaupt niet mogelijk volgens de VCRO en komen zij dus niet eens in aanmerking voor vergunning […]. X-19.023-6/15 4/ Vrijstelling inroepen van vergunningsplicht voor het plaatsen van deze tijdelijke constructies is hier volgens de bezwaarindieners niet mogelijk, aangezien de constructies niet beperkt geplaatst waren in de tijd (voor maximaal vier periodes van dertig dagen per jaar), maar in casu al jaren zijn blijven (be)staan. Onze repliek op punt 3/ en 4/: Het klopt dat de verhardingen in de voortuin al jaren zijn blijven staan, ondanks mondelinge toezegging van de eigenaars om ze weg te nemen. Alleen ziet het schepencollege de behandeling van een aanvraag voor een tijdelijke drankvergunning los van handhaving in het kader van een bouwovertreding. 5/ Het pop-upreglement zegt (in art 2 §1) dat het verstrekken van een tijdelijke drankvergunning los staat van andere toelatingen/vergunningen. Maar indien een pop-upinitiatief ruimtelijk gezien op de voorgestelde locatie niet toelaatbaar is, er dan geen tijdelijke drankvergunning kan worden uitgereikt. Volgens de klagers is dit hier het geval omdat de locatie volgens de gewestplanbestemming gelegen is in agrarisch gebied (landbouw in de ruime zin). En dus is hier enkel landbouwactiviteit toegestaan. Een commerciële horeca-uitbating heeft hier geen uitstaan mee en kan niet [in] landbouwgebied. Want ook de afwijkingsmogelijkheid met betrekking tot sociaal-cultureel of recreatief medegebruik (art 4.4.4 VCRO) is niet inroepbaar bij een louter commerciële horeca-activiteit. Volgens de bezwaarindieners kan een commerciële horeca-activiteit sowieso niet [in] landbouwgebied. […] Ze voelen zich gesterkt door het recent arrest van de Raad van State van 22 maart 2024 (nr 259.é) dat stelt dat een horeca pop-up zomerbar een louter commerciële activiteit is (verdienmodel), zonder enige sociaal-culturele of recreatieve meerwaarde, waardoor het vrijstellingenbesluit niet eens van toepassing [is] en een pop-up horeca in landbouwgebied überhaupt niet kan. Onze repliek: Met die nuance dat het arrest oordeelde over een toelating voor een pop-up zomerbar ‘in landschappelijk waardevol agrarisch gebied’, een kwalificatie die de locatie in casu niet heeft. Waardoor het schepencollege deze redenering niet volgt.” IV. Tussenkomst
  16. L. C. blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet zijn verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. X-19.023-7/15 V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  17. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Ernst van het eerste middel Standpunt van de partijen 11.
  18. In het eerste middel wordt onder meer de schending aangevoerd van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: het inrichtingsbesluit), artikel 4.4.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en artikel 2 van het gemeentelijk pop-upreglement, alsook van de materiëlemotiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht, het legaliteitsbeginsel en het beginsel ‘patere legem quem ipse fecisti’. 11.
  19. Verzoekers betogen dat de pop-upbar een commerciële horecazaak betreft, die ruimtelijk gezien op de voorgestelde locatie niet toelaatbaar is. Deze locatie is immers gelegen in agrarisch gebied. Bij het vaststellen van het bestreden besluit is er ten onrechte geen toets gebeurd aan de gewestplanbestemming. De gemeente heeft ook haar eigen gemeentelijk pop-upreglement geschonden door toelating te geven voor een pop-upbar die ruimtelijk gezien ontoelaatbaar is. X-19.023-8/15
  20. In haar nota wijst de verwerende erop dat in het bestreden besluit wordt uitgegaan van de historiek van het dossier waarbij er al verschillende jaren na elkaar een pop-upbar op dezelfde locatie wordt georganiseerd én toegelaten, “zonder officiële klachten, behoudens het gekende verzet namens [verzoekers]”. Er wordt ook uitdrukkelijk ingegaan op de naburige bewoners, wier naburige perceel betrokken wordt in de ruimtelijke toets, meer bepaald door als tegemoetkoming in te schrijven dat er geen bijkomende evenementen (zonder afzonderlijke toelating) mogen georganiseerd worden. Dit alles wordt in acht genomen wanneer in de bestreden beslissing finaal niet tot een ruimtelijke ontoelaatbaarheid besloten wordt, en er dus tot vergunning overgegaan wordt. Volgens de verwerende partij blijkt de bestemming agrarisch gebied niet in het gedrang te komen, mede gelet op de beperkte ruimtelijke impact van de tijdelijke pop-upbar. Bovendien gaat het om grasland wat de parking op het naburige perceel betreft, welke “bestemming” in ieder geval niet in het gedrang komt door een tijdelijke parking. De verwerende partij benadrukt dat de rechtspraak van de Raad van State in casu niet van toepassing is, omdat uit de bestreden beslissing duidelijk de recreatieve en sociaal-culturele meerwaarde van de pop-upbar blijkt: er wordt immers uitgegaan van het doelpubliek van de zomerbar, zijnde fietsers. De uitbating houdt derhalve duidelijk (ook) een ander doel voor ogen dan zuiver commerciële doeleinden.
  21. De tussenkomende partij verwijst in haar verzoekschrift tot tussenkomst naar de nota van de verwerende partij. Beoordeling 14.
  22. Artikel 11 van het inrichtingsbesluit stelt: X-19.023-9/15 “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. […].” 14.
  23. Artikel 4.4.4, § 1, eerste lid, VCRO luidt: “In alle bestemmingsgebieden kunnen, naast de handelingen die gericht zijn op de verwezenlijking van de bestemming, ook handelingen worden vergund die gericht zijn op het sociaal-culturele of recreatieve medegebruik, voor zover ze door hun beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen.” Bij de toepassing van deze uitzonderingsbepaling dient de beslissende overheid dus te onderzoeken of het gaat om sociaal-cultureel of recreatief medegebruik dat door zijn beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemmingen van de gebieden niet in het gedrang brengt. 14.
  24. Het materiëlemotiveringsbeginsel houdt in dat een besluit van het bestuur moet gedragen worden door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit het besluit zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht de overheid zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van een beslissing en ervoor te zorgen dat de juridische en feitelijke aspecten van het dossier deugdelijk worden geïnventariseerd en gecontroleerd, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen.
  25. Voorshands wordt aangenomen dat het bestreden besluit – zoals iedere individuele overheidsbeslissing – moet kunnen worden ingepast in de bestaande regelgeving, zijnde niet alleen de rechtsregels die zijn uitgewerkt door de overheid die de beslissing heeft genomen, maar ook de verordenende bepalingen die uitgaan van andere bestuurlijke overheden. Dit lijkt een eis van het X-19.023-10/15 legaliteitsbeginsel, dat gebiedt te handelen volgens de wet, begrepen als het geheel van de normenhiërarchie. Op het eerste gezicht kwam het op grond van dit beginsel aan de verwerende partij toe om na te gaan of de toegelaten pop-upbar ingepast kan worden in de bestemmingsvoorschriften voor het agrarisch gebied. Te dezen schrijft bovendien het gemeentelijk pop-upreglement uitdrukkelijk voor dat de toelating moet worden geweigerd “indien een pop-upinitiatief ruimtelijk gezien […] niet toelaatbaar is”. Krachtens het inrichtingsbesluit geldt in het agrarisch gebied het planologisch criterium dat het om landbouw moet gaan. De exploitatie van een horecazaak is geen landbouwactiviteit en het parkeren van wagens is dat evenmin. Het toegepaste gemeentelijk pop-upreglement omschrijft het toepassingsgebied ervan als de commerciële initiatieven voor de “uitbating van een horecazaak” (randnr. 5.2). De door de tussenkomende partij uitgebate zomerbar, lijkt volgens de gebruikelijke ruimtelijke-ordeningsterminologie gekwalificeerd te moeten worden als handel en (commerciële) dienstverlening. De verwerende partij heeft in het collegebesluit van 25 februari 2020 zelf geoordeeld dat de terrassen en andere verhardingen waarop de zomerbar geëxploiteerd wordt “[i]n agrarisch gebied […] niet mogelijk [zijn]” (randnr. 4.2). Dat de zomerbar met autoparking in het bestreden besluit nu wel mogelijk wordt geacht in agrarisch gebied kan op het eerste gezicht niet wettig worden verantwoord met de elementen waarop de verwerende partij zich beroept. Dat de aanpalende weide waarop de parking voorzien is, grasland betreft, lijkt immers niet mee te brengen dat deze parking inpasbaar is in de bestemmingsvoorschriften voor het agrarisch gebied. Tot slot lijkt uit het enkele X-19.023-11/15 feit dat de zomerbar (ook) mikt op fietsers niet te volgen dat de exploitatie van deze bar wettig beschouwd zou kunnen worden als “sociaal-cultureel of recreatief medegebruik” in de zin van artikel 4.4.4, § 1, eerste lid, VCRO.
  26. Het aangevoerde middel is ernstig. VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
  27. Verzoekers zetten uiteen dat de exploitatie van de zomerbar, die over enkele weken aanvangt, volgende nadelige impact dreigt te hebben op hun leefomgeving: “De draagkracht van de onmiddellijke omgeving (agrarisch gebied) kan dergelijke invasieve exploitatie niet aan. Er is sprake van geurhinder (door de maandenlange openluchtkeuken), lawaaihinder (door versterkte muziek met veel cliënteel daarbovenop waarbij het in de avonden kennelijk al eens amusant wordt (het gaat immers om een cocktailbar) waardoor het cliënteel zich niet geremd voelt door enig fatsoen voor de buurt en het luid dichtklappen van de deuren van de wagens), privacyhinder (de doorgaans zo rustige straat wordt in de zomer een oprit naar een festival(sfeer) en als verzoekende partijen vragen of het wat rustiger kan, worden ze daarop afgesnauwd) en mobiliteitshinder (door het te grote succes is de parking als weide niet voldoende). Hierbij dient ook in overweging worden genomen dat de zomerbar niet een eenmalig kortstondig evenement betreft, maar een repetitieve activiteit is overheen vele weken (17!), waarbij telkens op woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag tot laat in de avond toegelaten wordt om cliënteel te bedienen en gebruik te maken van elektronisch versterkte muziek tot 65 dB.”
  28. De verwerende partij ontkent het bestaan van een “dreigend nadeel waarvoor [de] behandelingstermijn [van een] reguliere schorsings- of vernietigingsprocedure niet volstaat”. Zij zet ter zake het volgende uiteen: “Men brengt geen enkel feitelijk gegeven bij omtrent het nadeel dat verzoekende partijen dreigen te ondergaan door de tenuitvoerlegging van de X-19.023-12/15 bestreden beslissing, en waarom dat nadeel enkel zou kunnen worden ondervangen door een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Noch de ernst van gebeurlijke nadelen, noch de dreigende onomkeerbaarheid van eventuele schade op korte termijn bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing worden besproken, laat staan aangetoond. Komt daarbij dat de bestreden beslissing in ieder geval maar een tijdelijke vergunning betreft, die derhalve slechts voor een beperkte en bepaalde periode gevolgen ressorteert. Na 31 augustus 2025 kent de vergunning geen uitwerking meer, hetgeen een indicatie van het gebrek aan ernst van de eventuele nadelige gevolgen voor verzoekende partijen uitmaakt (en dus een tegenindicatie van de uiterst dringende noodzakelijkheid). Er valt overigens niet redelijkerwijze in te zien welke onherroepelijke schadelijke gevolgen verzoekende partijen zouden lijden ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, welke zij minstens niet zouden kunnen doorstaan in het kader van een reguliere schorsings- of vernietigingsprocedure. […] [Uit het verzoekschrift] lijkt te kunnen worden afgeleid dat verzoekende partijen in hoofdzaak een mogelijke hinder vanwege de uitbating van de pop-up zomerbar hekelen, omwille van een gevreesde hoge bezoekersgraad en het gokken op overtredingen van de voorwaarden gesteld in de bestreden beslissing (bv. sluitingsuur). Dit zijn zuiver hypothetische veronderstellingen, die niet gestaafd worden door enig objectief stuk, en waarvoor bovendien in het verleden tegenindicaties aangereikt werden door verwerende partij (bv. werd in de vergunningverlening naar aanleiding van het bezwaar van verzoekende partijen steeds overwogen dat geen officiële klachten bij de politie werden ingediend, en er geen officiële vaststellingen in een politioneel proces-verbaal werden gemaakt inzake bv. geluidsoverlast of het overtreden van de sluitingstijden). Eventuele gevreesde nadelen zijn dus in ieder geval voorbarig.” De verwerende partij voegt eraan toe dat verzoekers niet diligent zijn geweest daar zij op geen enkele manier verantwoorden waarom zij het nodig hebben geacht hun vordering in te stellen vijf dagen nadat zij van de bestreden beslissing kennis hebben gekregen.
  29. De tussenkomende partij stelt in haar verzoekschrift tot tussenkomst het volgende: “Het is […] onduidelijk welke hinder rechtstreeks uit het bestreden besluit te verwachten valt, in die mate dat er primo, voorwaarden zijn opgelegd […], X-19.023-13/15 en secundo, geen bijkomende evenementen kunnen worden georganiseerd […], en tertio, het CBS behoudt zich bij inbreuken voor om de toelating op te schorten of zelfs in te trekken. Het komt derhalve voor dat de hinder die verzoekers aanhalen, vooreerst hypothetisch is, en tweedens wordt ondervangen door het bestreden besluit zelf, en daarenboven dat inbreuken aanleiding kunnen geven tot intrekking van de uitbating, zo nodig zelfs afdwingbaar via burgerrechtelijke weg. Anders dan de verzoekende partijen voorhouden, is er derhalve geen sprake van een uiterst dringende noodzakelijkheid. Zo is er op heden geen uitbating, en daarenboven kan zelfs tijdens de uitbating […], ook geen sprake zijn van de hinder die men poogt aan te halen om op heden het uiterst dringend karakter te onderbouwen. Het bestreden besluit voorziet a fortiori in een sanctiemechanisme, tot zelfs verlies van de popup-uitbating indien de regels niet zouden worden gerespecteerd.” Beoordeling
  30. Verzoekers kregen op vrijdag 21 maart 2025 kennis van het bestreden besluit en hebben diligent gehandeld door op woensdag 26 maart 2025 hun vordering bij de Raad van State in te stellen. Voorts gaan de verwerende partij en de tussenkomende partij eraan voorbij dat in het verzoekschrift wel degelijk wordt uiteengezet welke precieze en concrete nadelen verzoekers – wier tuin direct paalt aan de tuin waarin de zomerbar wordt uitgebaat – op zeer korte termijn zullen ondervinden door de exploitatie zoals die door het bestreden besluit is vergund. De overtuigingskracht van die uiteenzetting wordt niet weggenomen door de elementen die de verwerende partij en de tussenkomende partij inroepen, zoals het feit dat inbreuken op de voorwaarden van het bestreden besluit gesanctioneerd kunnen worden en het feit dat de exploitatie na vier aaneengesloten maanden zal stoppen. De door de verzoekers aangevoerde nadelen kunnen alleen tijdig worden voorkomen door een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. X-19.023-14/15 VIII. Besluit
  31. Er is voldaan aan de voorwaarden die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  32. Het verzoek van L.C. tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  33. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maldegem van 18 maart 2025 ‘Tijdelijke drankvergunning voor zomer pop-upbar 2025 C.’. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-19.023-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.957 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.080 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.