id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.008 Rolnummer: A. 236958/XIV-39578 Zaak: Arrest 263008 - Overheidsopdrachten - 16/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-17 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-16 05:24 Fiche Arrest nr 263.008 van 16 april 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.008 no lien 282776 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 263.008 van 16 april 2025 in de zaak A. 236.958/XIV-39.578 In zake: de NV E. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Debièvre, Bastiaan Bruyndonckx en Matthias Castelein kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86 C/113b bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: C.V. FLUVIUS SYSTEM OPERATOR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens, Kristof De Vulder en Andi Zrza kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BV TELENET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gauthier Van Thuyne, Fee Goossens en Alexander Pirard kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 268 A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 3 augustus 2022, strekt tot de nietigverklaring van “de toewijzingsbeslissing van Fluvius System Operator (Fluvius) van onbekende datum, waarbij op basis van de open oproep dd. 9 juni 2020 ‘Fluvius zoekt geïnteresseerde operationele marktspelers voor het aanbieden van een openbaar elektronisch communicatienetwerk met hoge snelheid in XIV-39.578 -1/5 Vlaanderen’ […], voor onbepaalde duur een exclusieve samenwerkings-overeenkomst ten bezwarende titel wordt aangegaan tussen Fluvius en de private onderneming Telenet BV, dochtervennootschap van Telenet Group Holding NV […] resulterend in een inbreng van o.a. glasvezelactiva en rechten op het kabeldistributienetwerk van Fluvius in ruil voor aandelen in de nieuw op te richten vennootschap met de werknaam ‘NetCo’”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 254.340 van 25 augustus 2022 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen en werd het verzoek tot tussenkomst van de bv Telenet ingewilligd. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 20 februari 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 2 april 2025. XIV-39.578 -2/5 III. Verzoek tot afstand 3. Bij brief van 13 februari 2025 doet de verzoekende partij afstand van het geding. IV. Rechtsplegingsvergoeding Standpunt van de partijen 4. In de memorie van antwoord vordert de verwerende partij een rechtsplegingsvergoeding “begroot op EUR 770,00 […] voor zowel (
- i)het verworpen schorsingsberoep bij uiterst dringende noodzakelijkheid op grond van het arrest nr. 254.340 van 25 augustus 2022 […], als voor (
- ii)huidig vernietigingsberoep.” De verzoekende partij van haar kant vraagt in haar brief waarmee zij afstand doet van het beroep, om “overeenkomstig artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, rekening te houden met het feit dat er geen rechtszitting dient plaats te vinden en dus de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op het minimale bedrag.” Beoordeling 5 Er is te dezen grond om overeenkomstig artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verwerende partij een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu deze als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd. 6. De verwerende partij vordert in haar memorie van antwoord een rechtsplegingsvergoeding begroot op 770 euro voor “zowel (
- i)het verworpen schorsingsberoep bij uiterst dringende noodzakelijkheid […], als voor (
- ii)huidig vernietigingsberoep”. De Raad van State begrijpt dat zij aldus 2 x 770 euro vordert, zijnde één rechtsplegingsvergoeding per gevoerde procedure. XIV-39.578 -3/5 De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is gepaard gegaan met een beroep tot nietigverklaring. Anders dan hoe de verwerende partij het ziet, wordt in dat geval niet tweemaal het basisbedrag toegekend, maar wordt wel, met toepassing van artikel 67, § 2, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling), het basisbedrag verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met 20 procent van dit basisbedrag. 7. Het verzoek van de verzoekende partij tot verlaging van de rechtsplegingsvergoeding tot het minimum wordt evenmin ingewilligd. Luidens artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de afdeling Bestuursrechtspraak een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Bij een met bijzondere redenen omklede beslissing kan de afdeling Bestuursrechtspraak, de (basis)vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt zij rekening met: 1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, 2° de complexiteit van de zaak, 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie. Deze bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag. Het eerstgenoemde criterium is te dezen niet ter zake. Wat het tweede en derde criterium betreft, doet het enkele motief dat geen terechtzitting diende plaats te vinden, niet op zich blijken dat het gaat om een niet-complexe zaak, noch dat er sprake is van een kennelijk onredelijke situatie. De procesvoering heeft voor de raadsman van de verwerende partij haar normaal verloop gehad terwijl de rechtspleging vroegtijdig een einde kent door het eigen toedoen van de verzoekende partij. Er is, met toepassing van artikel 26, § 2, van de algemene procedureregeling weliswaar geen terechtzitting gehouden, maar hoe dan ook was ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.008 XIV-39.578 -4/5 er, mocht een van de partijen om een terechtzitting hebben verzocht, in rechte geen verplichting voor de betrokken raadsman om hierop aanwezig te zijn. Er ligt derhalve geen bijzondere reden voor, gegrond op een van de wettelijke criteria, die een vermindering van het toe te kennen forfaitair bedrag kan verantwoorden. 8. Het aan de verwerende partij verschuldigde bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de vordering tot schorsing volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid en voor het beroep tot nietigverklaring wordt begroot op 924 euro, namelijk het basisbedrag van 770 euro verhoogd met 20 %. BESLISSING 1. De Raad van State verleent akte van de afstand. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 44 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro verschuldigd aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.578 -5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.008 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div