← België

Arrest 263075 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 25/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.075 Rolnummer: A. 244609/XII-9867 Zaak: Arrest 263075 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 25/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-04-30 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-16 05:26 Fiche Arrest nr 263.075 van 25 april 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 263.075 van 25 april 2025 in de zaak A. 244.609/XII-9867 In zake: J.V. wonende te 7000 Bergen Allée des Oiseaux 36/2 tegen:

  1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk
  2. de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniëls kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 10 april 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing tot terugvordering van tijdelijke werkloosheidsuitkeringen, genomen door de RVA bij wijze van een vermeende beslissing C29 van 2 december 2024, welke nooit rechtsgeldig werd betekend of aan verzoeker ter kennis werd gebracht”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij beschikking van 11 april 2025 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 april
  5. XII-9867-1/9 Bij tussenarrest nr. 263.014 van 17 april 2025 werd het debat heropend en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 april
  6. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Verzoeker en advocaat Daisy Daniels, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  7. III. Rechtspleging – aanwijzing van de verwerende partij Standpunt van de partijen
  8. Verzoeker heeft in het verzoekschrift de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna: RVA) aangewezen als de verwerende partij. Het auditoraat heeft, in het kader van de voorafgaande maatregelen, daarnaast ook de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk, als de (eerste) verwerende partij aangewezen.
  9. In de nota met opmerkingen zet de tweede verwerende partij uiteen dat zij bevestigt dat zij de bestreden beslissing heeft genomen en dat enkel haar bevoegdheden in deze lijken te worden geraakt. Zij besluit dat de eerste verwerende partij bijgevolg buiten de zaak kan worden gesteld. XII-9867-2/9 Beoordeling
  10. De rechtspleging voor de Raad van State is van inquisitoriale aard, hetgeen inhoudt dat de organen van de Raad van State de rechtspleging leiden. Dit betekent onder meer dat de Raad van State als de verwerende partij aanwijst degene die voor het vervullen van deze rol het meest geschikt voorkomt. De aanwijzing van de verwerende partij heeft als functie een waarborg te zijn voor de deugdelijkheid van de rechterlijke uitspraak over het aangebrachte wettigheidsgeschil door het organiseren van tegenspraak ten aanzien van de vordering van de verzoekende partij. Het lid van het auditoraat dat belast is met het onderzoek van de zaak en dient te waken over de uitvoering van de aan dat onderzoek voorafgaande maatregelen, zal, indien nodig, de aanwijzing van de verwerende partij corrigeren en de correcte instantie als de verwerende partij in de zaak betrekken, zodat meteen de meest geschikte overheidsinstantie in het geding aanwezig is. Het is niettemin uiteindelijk de Raad van State die over de aanwijzing van de verwerende partij definitief beslist en desnoods een partij die (ten onrechte) in het geding werd betrokken, buiten de zaak zal stellen. Een partij die vreemd is aan de bestreden beslissing of niet is betrokken bij het nemen van die beslissing, kan buiten de zaak worden gesteld.
  11. Met de thans bestreden beslissing brengt de RVA aan verzoeker ter kennis dat hij teveel uitbetaalde tijdelijke werkloosheidsuitkering ten bedrage van 398,82 euro moet terugbetalen aan de RVA. Deze beslissing gaat enkel uit van de RVA, een federale openbare instelling van sociale zekerheid en derhalve een van de Belgische Staat afgescheiden rechtspersoon van publiek recht.
  12. Uit wat voorafgaat, volgt dat te dezen enkel de RVA als de verwerende partij moet worden aangewezen en dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk, buiten de zaak moet worden gesteld. Hierna wordt met “de verwerende partij” dan ook de RVA bedoeld. XII-9867-3/9 IV. Feiten
  13. Verzoeker verkreeg van de verwerende partij een tijdelijke werkloosheidsuitkering voor de uren van tijdelijke werkloosheid in de maand december
  14. Bij brief van 31 oktober 2024 meldt de verwerende partij aan verzoeker dat hem voor de maand december 2021 teveel tijdelijke werkloosheidsuitkering werd betaald en dat hij de som van 398,82 euro moet terugbetalen. De brief vermeldt onder meer de mogelijkheid voor verzoeker om uiterlijk op 14 november 2024 zijn schriftelijke opmerkingen te bezorgen en om te vragen om te worden gehoord.
  15. Op 16 november 2024 richt verzoeker een e-mail aan de verwerende partij die luidt: “Met betrekking tot uw brief van 15/11/2024, waarin u aangeeft dat ik een bedrag van €398,82 zou moeten terugbetalen wegens een correctie in de aangifte van mijn werkgever, deel ik u graag het volgende mee. Uit mijn onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aangifte van mijn werkgever 73 uren tijdelijke werkloosheid wegens overmacht vermeldt. De aangepaste aangifte geeft echter slechts 35 uren aan. Op basis van officiële documenten, waaronder mijn loonstrook, kan ik aantonen dat het oorspronkelijke aantal uren correct was. […] Dit komt op een totaal van 73 uur. Uit verder onderzoek blijkt zelfs dat er op 27/12 een tekort van 6 uur is gerekend en betaald. Ik verzoek u vriendelijk dit tekort te corrigeren en het bedrag over te schrijven naar de rekening die bij u bekend is. Bij deze e-mail voeg ik ter ondersteuning de volgende documenten toe:
  16. RVA-documentatie.
  17. Mijn loonstrook waarin de uren en dagen duidelijk zijn vermeld. Ik verzoek u vriendelijk mijn bezwaar te herzien op basis van deze gegevens. Mocht u verdere vragen hebben of aanvullende informatie nodig hebben, dan hoor ik dat graag.”
  18. Bij brief van 20 november 2024 meldt de verwerende partij opnieuw aan verzoeker dat hem voor de maand december 2021 teveel tijdelijke werkloosheidsuitkering werd betaald en dat hij de som van 398,82 euro moet XII-9867-4/9 terugbetalen. Opnieuw krijgt verzoeker de mogelijkheid om zijn schriftelijke opmerkingen te bezorgen en om te vragen om te worden gehoord.
  19. Bij e-mail van 27 november 2024 antwoordt verzoeker op de brief van 20 november 2024 met verwijzing naar zijn e-mail van 16 november 2024 (zie supra, nr. 10).
  20. Op 2 december 2024 beslist de verwerende partij tot terugvordering van het bedrag van 398,82 euro. Dit is de bestreden beslissing. V. Regelmatigheid van de rechtspleging Nota met opmerkingen en pleitnota neergelegd door verzoeker
  21. Verzoeker heeft na de indiening van zijn beroep nog een “nota met opmerkingen” ingediend. Ter terechtzitting heeft verzoeker een nota neergelegd die de schriftelijke neerslag vormt van wat hij mondeling heeft uiteengezet. Beoordeling
  22. De toepasselijke procedureregeling voorziet niet in de mogelijk-heid voor verzoeker om een nota met opmerkingen of een pleitnota in te dienen. In zoverre deze nota’s de neerslag vormen van de uiteenzetting ter terechtzitting worden ze niet als processtukken, maar als loutere inlichtingen in aanmerking genomen. In zoverre verzoeker in zijn mondelinge opmerkingen ter terechtzitting of in de nota’s die er derhalve de schriftelijke neerslag van vormen, nieuwe argumenten ter adstructie van zijn vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid ontwikkelt, waarvan hij - XII-9867-5/9 zoals te dezen - niet aantoont dat hij die niet in zijn verzoekschrift kon ontwikkelen, zijn zij niet-ontvankelijk en worden ze uit het debat geweerd. VII. Rechtsmacht van de Raad van State Exceptie van de verwerende partij
  23. De verwerende partij werpt in de nota met opmerkingen op dat de Raad van State zonder rechtsmacht is. Volgens de verwerende partij betreft het geschil een beslissing inzake de gedeeltelijke terugvordering van een toegekende werkloosheidsuitkering. Zij wijst erop dat een dergelijk geschil tot de rechtsmacht van de arbeidsrechtbank behoort ingevolge artikel 580, 1° en 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 7, § 11, van de besluitwet van 28 december 1944 ‘betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders’ (hierna: besluitwet van 28 december 1944). In de bestreden beslissing wordt overigens gewezen op de mogelijkheid om in geval van betwisting een procedure in te leiden bij de arbeidsrechtbank. Beoordeling
  24. De Raad van State kan in een kort geding slechts een beperkt onderzoek wijden aan excepties. Een verzoekende partij kan er zich immers minder behoorlijk tegen verweren dan in een procedure ten gronde. Daarom past het in een kort geding dat de Raad van State deze excepties eerder zou verwerpen dan aannemen, tenzij indien zijn beperkt onderzoek uitwijst dat een dergelijke exceptie een hoge graad van ernst vertoont. In de huidige stand van het geding wordt in dat verband het volgende vastgesteld. XII-9867-6/9
  25. De te dezen relevante bepaling van artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen: 1° van de onderscheiden administratieve overheden; [...].” Artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek luidt: “De arbeidsrechtbank neemt kennis: 1° van geschillen betreffende de verplichtingen van de werkgevers en van de personen die met hen hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de betaling van de bijdragen opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid, werkloosheid, verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, rust- en overlevingspensioen, jaarlijkse vakantie, bestaanszekerheid, sluiting van ondernemingen, en door de verordeningen waarbij sociale voordelen aan de werknemers en leerlingen worden toegekend; 2° van geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van werknemers en leerlingen en hun rechtverkrijgenden, welke voortvloeien uit de wetten en verordeningen bedoeld onder 1°; […]” Artikel 7, § 11, van de besluitwet van 28 december 1944 luidt: “Geschillen over rechten, ontstaan uit de werkloosheidsregeling, behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank. […]”
  26. Artikel 580, 1° en 2° van het Gerechtelijk Wetboek geeft een ruime omschrijving van de geschillen die in het domein van de sociale zekerheid tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren. Het geschil dat tussen verzoeker en de verwerende partij is gerezen, heeft betrekking op een beslissing tot gedeeltelijke terugvordering van een tijdelijke werkloosheidsuitkering. Het behoort derhalve, op grond van de hiervoor vermelde rechtsregels (zie supra, nr. 18) tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank. XII-9867-7/9 Het gegeven dat de wetgever de arbeidsrechtbank heeft aangewezen als de bevoegde rechter om kennis te nemen van betwistingen omtrent de terugvordering van tijdelijke werkloosheidsuitkeringen verhindert dat de Raad van State op grond van zijn algemene vernietigingsbevoegdheid vervat in het hiervoor aangehaalde artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uitspraak doet over het voorliggende geschil.
  27. Uit wat voorafgaat, volgt dat de exceptie van de verwerende partij de vereiste ernst vertoont opdat ze in de huidige stand van de zaak kan worden aangenomen en dat ze in de aangegeven mate gegrond is. Conclusie
  28. De exceptie van gebrek aan rechtsmacht is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  29. De eerste verwerende partij wordt buiten de zaak gesteld.
  30. De Raad van State verwerpt de vordering. XII-9867-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Ann Coolsaet XII-9867-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.075 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.014 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.047 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.